De kerstvacantie was voorbij en Rudolf reeds sedert eenige dagen naar de kostschool teruggekeerd. In ’t huisgezin van de familie Nederhorst was alles weer op den ouden voet; ’t scheen echter, dat meneer zelf niet erg op zijn gemak was. Wat hem deerde, kon niemand te weten komen; zelfs zijn vrouw niet. Ofschoon hij nooit heel veel sprak, was hij nu toch bijzonder stil en ingetrokken, at bijna niet en zag er somber en verdrietig uit.
„Wat scheelt pa toch?” vroeg Helène op zekeren Zondag aan haar moeder. „Hij spreekt geen woord, en als je hem iets vraagt, geeft hij zulk een onvriendelijk antwoord, dat je ’t best doet om ook maar te zwijgen.”
„Ik weet het niet, Helène,” antwoordde haar mama. „Ik heb pa al gevraagd, of hij zich soms onlekker voelde en dokter Manders al over hem willen raadplegen. Maar hij heeft mij geantwoord, dat ik dit wel laten kon en dat geen dokter hem kan genezen.”
„Wat zou die arme pa dan hebben?” vroeg Helène op medelijdende toon.
„Ik denk, dat hij onaangename dingen aan ’t hoofd heeft, die hij me niet zeggen wil, omdat ze me hinderen zouden,” hernam mevrouw Nederhorst. „Kooplieden hebben [23]dikwijls bij ’t begin en ’t einde van ’t jaar allerlei beslommeringen, waarvan wij toch geen verstand hebben, en daarom zullen wij er ons hoofd maar bij neerleggen.”
Helène zweeg en hield zich, als hadden de woorden harer moeder haar gerustgesteld; maar noch zij, noch mevrouw Nederhorst waren ’t inderdaad. Leonie bekommerde er zich weinig om—trouwens ze was twee jaren jonger dan haar zuster, en op dien leeftijd, waarop men zich zulke zaken nog weinig aantrekt.
Een paar dagen later kwamen Helène en Leonie van school en vonden mama in tranen op de sofa liggen. Beiden liepen terstond naar haar toe, en vroegen, wat haar scheelde.
„O, Helène, o, Leonie! Hoe zal ik het je meedeelen!” riep mevrouw Nederhorst, terwijl ze de handen wrong. „O, als ik maar bedaarder was! Maar mijn zenuwgestel is zoo geschokt!”
„Heeft u den dokter niet laten roepen, ma?” vroeg Helène.
„De dokter kan mij niet helpen, kindlief,” zei mevrouw Nederhorst, die ’t goed scheen te doen, dat ze haar beide kinderen bij zich had. „Je arme vader! Je arme vader!”
„Is pa wat overkomen?” vroeg Helène angstig.
„Bijna ’t ergste wat hem treffen kon,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „O, kinderen! hoe zal ik ’t je zeggen! Papa heeft zijn geheele vermogen verloren!”
„Dus zijn we arm, ma?” vroeg Leonie.
„Doodarm misschien,” antwoordde mevrouw Nederhorst.
„Doodarm?” herhaalde Helène.
„Ja, kind, doodarm. Ons mooie huis, onze fraaie meubelen, kortom—alles zal moeten verkocht worden, om de schulden te voldoen. Want pa wil tot den laatsten cent betalen.”
„Maar dat is vreeselijk, ma!” zei Leonie.
„Ja, wel vreeselijk, Leonie,” herhaalde mevrouw Nederhorst. [24]
„Nu, ma! Als we elkander maar blijven liefhebben, zal de armoe zoo erg niet zijn,” zei Helène.
„Je weet niet wat armoe is, kind,” hernam mevrouw Nederhorst. „Je bent het altijd zoo onbekrompen gewoon, dat het je dubbel hard zal vallen, wanneer je zult moeten missen, wat je als natuurlijke zaken beschouwt, dingen zult moeten ontberen, welke je nooit gemeend hadt, dat ontbeerd konden worden.”
Helène en Leonie stonden versteld. Dat zoo iets zou kunnen gebeuren, hadden ze nooit gedacht.
„Ga je goed af doen en kom dan hier,” zei mevrouw Nederhorst. „Maar tegen niemand een woord er over, hoor! ze zullen ’t spoedig genoeg hooren, doch niet van jullie. Ook niet aan Alfred en Dora; die hebben er nog geen begrip van.”
De beide meisjes begaven zich naar boven, om zich van haar goed te ontdoen.
„O, Leonie! Wat ben ik geschrikt van ma,” zei Helène. „Ik heb haar nooit zoo vreeselijk zenuwachtig gezien.”
„’t Is dan ook een tijding, die ze ons medegedeeld heeft,” antwoordde Leonie. „Hoe is ’t mogelijk! Als ma ’t ons zelf niet verteld had, zou ik ’t niet gelooven.”
Leonie bleef nog wat boven, doch Helène keerde spoedig naar de huiskamer terug. Ze vond haar moeder veel bedaarder dan straks. Het denkbeeld om de tijding aan haar kinderen mee te deelen had haar geschokt. En toch wilde ze niet, dat ze die ’t eerst van vreemden zouden hooren.
„Ma,” zei ze, terwijl ze voor de sofa knielde en de hand harer moeder greep, „u moet niet zoo bedroefd zijn. Dat doet u kwaad.”
„Ik zal trachten bedaarder te zijn, Helène,” antwoordde haar moeder. „En ik ben veel kalmer dan straks. ’t Heeft me goed gedaan, dat ik het je meegedeeld heb. Ik zag er zoo tegen op.” [25]
„En hoe is pa er onder?”
„Bijna wanhopig. Dit was dus de reden van zijn somberheid in de laatste dagen. Ik vreesde wel, dat er wat boven ons hoofd hing.”
„U moet u maar bedaard houden, ma. Misschien loopen de zaken nog beter uit dan we denken.”
„Ik mag ’t hopen; doch na de mededeelingen, die je vader me deed, geloof ik, dat het ergste te wachten staat. ’t Zal je afvallen, Helène. Daar zal nu wel van geen partijen meer inkomen.”
„Wel, ma! als ’t anders niet is, zal ik er mij in trachten te schikken.”
Op dit oogenblik trad haar vader binnen. Helène zag om. Ze schrikte van zijn gelaat, zoo somber stond het.
„Ga heen en laat Leonie ook boven blijven,” fluisterde mevrouw Nederhorst. „Pa wil me zeker spreken.”
Helène begaf zich naar haar kamer en waarschuwde Leonie, met wie ze over de aanstaande verandering sprak.
’t Waren recht treurige dagen in ’t huis van meneer Nederhorst, welke nu volgden. Mevrouws gezondheid leed er sterk onder. Wat haar vooral aandeed, was dat haar oude vrienden en kennissen, die anders er zoo op uit waren om visites te maken, haar nu geheel en al schenen te vergeten. Gelukkig, dat ze haar broer Walburg had, die haar trouw bezocht en haar man in alles broederlijk bijstond, om van de schipbreuk van zijn fortuin nog te redden wat hij kon. Ook haar schoonzuster, mevrouw Walburg, was haar tot veel troost en opbeuring.
Er werd bepaald, dat de familie Nederhorst Amsterdam zou verlaten, omdat noch meneer noch mevrouw in de stad wenschte te blijven, waar ze zich zoozeer verminderen moesten en reeds nu met den nek werden aangezien; verder, dat Rudolf [26]nog een jaar op de kostschool bij meneer Voornvisser zou blijven, om zijn studiën te voltooien en dat oom Walburg Leonie bij zich in huis zou nemen, waar ze een welkom gezelschap voor zijn dochter Louise zou zijn en tevens haar opvoeding zou kunnen voltooien.
Ofschoon meneer Nederhorst elke geldelijke hulp van zijn zwager zou hebben afgeslagen, vond hij er niets in, dit voorstel aan te nemen en ook mevrouw stemde er gereedelijk in toe ter wille van Leonie, wier opvoeding nog voltooiing behoefde, ofschoon ’t haar wel leed veroorzaakte, dat de toestand der beide zusters zoozeer zou verschillen en de een in ontbering, de andere in weelde zou worden grootgebracht. Wat Helène aangaat, zij koesterde geen jaloezie ten aanzien van haar zuster, ja, oprecht gesproken was zij blij: dat zij de uitverkorene niet was. Niet, dat zij zich niet beter in den toestand van Leonie had kunnen voegen dan in dien, welken ze nu te gemoet ging—maar ze gevoelde ’t zoo, dat ze beter steun was voor haar moeder, dan de jongere Leonie; ze wist het, dat haar moeder zou moeten lijden en verduren en ze begreep ten volle, dat dat lijden nog smartelijker zou zijn, wanneer zij, de oudste dochter, haar verliet; kortom ze was ’t zich zelf bewust, dat ze haar moeder tot troost en opbeuring zou strekken. Mevrouw Nederhorst had wel terecht tegen haar man gezegd, dat Helène dieper en inniger gevoelde dan Leonie; ze zou toonen, dat hoe gaarne ze ook partijen bezocht, ze nog wat anders kon doen dan voor haar plezier leven.
’t Was een treurige taak, welke mevrouw Nederhorst op de schouders gelegd was en die ze haar man beloofd had, te vervullen: den dienstboden aan te kondigen, dat ze over zes weken konden vertrekken. Wie echter tegen Februari een dienst kon krijgen, had volkomen verlof om eerder te gaan. Ze liet ze alle bij zich in de kamer komen en deelde hun de droevige [27]maar wel verwachte tijding mede. Allen verlieten de kamer, onder betuiging van leedwezen; slechts een had geen woord gesproken, de oude Trui, de keukenmeid, die reeds van mevrouws trouwen bij haar gewoond had. Toen echter de anderen de kamer verlieten, was ze gebleven, deed de deur achter haar kameraads toe en ging voor mevrouw staan.
„Mevrouw!” zei ze, „U zult toch zeker wel één dienstboo houden.”
„Dat zal wel dienen, Trui,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „Ik zelf kan slecht den pot koken en den boel aan kant houden, en mijn dochter evenmin. Maar waarom vraag je dat zoo, Trui?”
„Wel, lieve mevrouw,” antwoordde Trui, „’t wordt met de rep zeventien jaren, dat ik uw brood heb gegeten. Al uw kinderen heb ik zien geboren worden en ik heb het hier altijd goed gehad ook. Niemand uwer dienstboden kan ’t hart voor u hebben, dat ik heb, en nu zou ik u op mijn ouden dag moeten verlaten en u misschien door een meid worden bediend, die u niet liefheeft zooals ik. Hoor eens, mevrouw! Dat u de anderen weg doet, is natuurlijk. Maar als u mij weg deedt, dan zou u er spijt van hebben, dat zou u. En daarom, ik bid het u, laat mij bij u blijven.”
„Maar, beste Trui,” zei mevrouw Nederhorst, „dat zal je nooit bevallen. Zeventien jaren heb je hier in overvloed geleefd; je hebt nooit iets behoeven te ontzien, en nu zul je een burgerpot moeten koken en ’t zuinig moeten aanleggen.”
„Ik begrijp u, mevrouw,” antwoordde Trui. „U wilt zeggen: een meid, die ’t altijd zoo royaal gewend is, zal niet zuinig kunnen zijn. En mevrouw zou gelijk hebben, als Trui ’t niet deed, omdat ze haar niet verlaten kan. U zult eens zien, hoe zuinig ik zal huishouden. Dus mag ik blijven, niet waar mevrouw?” [28]
„Ik weet het niet, beste Trui, of we een meid zullen kunnen bekostigen,” antwoordde mevrouw Nederhorst.
„Wat bekostigen?” zei Trui op dien toon, welken oude dienstboden zoo gemakkelijk aannemen, als hun meesters of meesteressen iets doen, wat in hun oog onrechtvaardig is. „Dat moet dan maar bekostigd worden. Wat drommel! U kan toch met uw teere handjes geen vaten wasschen, kamers stoffen en trappen schuren. Wat weet u van pot koken? Daar zou wat van terecht komen! Aangebrand en niet gaar zou schering en inslag zijn! En dan met uw zwakke gestel bij de hitte van zoo’n kookkachel! Als u dat doet, dan moest u maar tegelijk uw doodkist ook bestellen.”
Mevrouw Nederhorst moest ondanks haar droefheid om de ruwe maar overtuigende manier lachen, waarop Trui sprak.
„Je hebt gelijk, Trui,” antwoordde ze. „Ik weet echter niet of onze middelen ons zullen toelaten een volle meid te houden, dan of we ons met een dagmeisje zullen moeten behelpen.”
„Met zoo’n tulle muts!” riep Trui verontwaardigd uit. „Dat ’s ook al geen voordeel, mevrouw. Die eten voor twee volle en doen ’t werk nog voor geen halve. Dan is uw verdriet niet te overzien; want zulke tulle mutsen hebben altijd nog een stuk vrijer en blijven twee uren weg voor een boodschap van een kwartier. Dan is uw verdriet niet te overzien! En werken kunnen ze niet; alles wordt schroeibroei gedaan, en u moest eens in de hoeken kijken. Daarom, mevrouw, ik blijf er bij: houd mij. Ik ken u sedert meer dan zestien jaren en weet beter dan iemand wat u noodig heeft. Ik zal u zooveel niet kosten, beste mevrouw! Niets dan kost en inwoning, en die moet u een andere dienstmeid toch ook geven. Daarbij moet die nog huur hebben.”
„Dat laatste zul je toch ook moeten hebben, Trui, en zeker.…” [29]
„Maar hoe heb ik het nu? Dacht mevrouw, dat ik zooveel woorden vuil maakte, om mijn loon te behouden! Dan kent mevrouw Trui al heel slecht. Zestien jaren heb ik u gediend en verscheidene malen is mijn loon door u verhoogd. Daarbij was u of meneer niet sikkeneurig en hebt u me nog al eens een buitenkansje bezorgd. In ’t eerst heb ik me nog al van ondergoed voorzien, en toen ik goed onderlegd was, heb ik mijn duitjes in de spaarbank gezet, en dat bedraagt al een heel sommetje. Wanneer u me dus maar kost en inwoning geeft, dan kan ik met de renten best toekomen.”
„Maar, beste Trui! op die conditie kan ik immers geen meid aannemen. Meneer zou daar niet in toestemmen.”
„Niet in toestemmen!” riep Trui uit. „Dat zal hij wel doen, als hij van zijn vrouw houdt. Want, mevrouw, of u ’t weten wilt of niet, u steekt in geen best vel, en dit geval heeft u geen goed gedaan. Ik hoop, dat u nog lang zal leven; maar ’t kon toch gebeuren, dat onze lieve Heer u opriep, en wie zou er dan voor uw arme kinderen zorgen? Wie houdt zooveel van hen, als Trui, die ze heeft zien geboren worden, ze op haar schoot gewiegd, op haar arm gedragen heeft? Zeker niet zoo’n nieuwbakken madam, die te veel voor haar eigen toilet te zorgen heeft.”
„Genoeg, Trui,” hernam mevrouw Nederhorst, die door ’t laatste argument geheel en al overwonnen was. „Op welke voorwaarden dan ook—je blijft, en geloof, dat ik in jou voortaan meer een vriendin dan een ondergeschikte zal zien.”
„Dat doet de deur toe!” zei Trui gevat. „Een vriendin betaalt men geen loon, wel een dienstbode!”
Door tranen heen, die van haar aandoening uit de oogen gesprongen waren, moest mevrouw Nederhorst toch om deze bijdehandte aanmerking van de goede vrouw lachen. Ze reikte Trui de hand, welke deze hartelijk kuste. [30]
Nauwelijks had de goede oude meid het gedaan, of Helène, die op haar moeders verzoek binnen gebleven was, opdat deze niet zoo geheel alleen tegenover haar bedienden zou staan, en natuurlijk geen enkel woord gesproken had, ging naar Trui toe, greep haar beide ruwe, vereelte handen en zei:
„Hoor eens, Trui. Ik zal je helpen, zooveel ik kan.”
„Maar, jonge juffrouw, u!” riep Trui uit.
„Waarom niet. Daar zijn zooveel dingen, die ik je uit de hand kan nemen: kamers stoffen, bedden maken, ’t aan- en uitkleeden der kinderen. Als ik dat van je afneem, dan overwerk je je niet. Want wat zou ’t zijn, als je eens te veel op je horens nam en ziek werdt. Je bent ook geen vijf-en-twintig jaar meer. En denk niet, dat het mij een opoffering zal zijn; ik zal het met plezier doen, hoor!”
„Wie zou ’t nu nog een opoffering noemen, om te blijven!” riep Trui uit, „als zoo’n lieve jonge juffrouw presenteert om te helpen. Och, mevrouw, ’t is wel ongelukkig als men zijn geld en goed moet verliezen. Maar als men zoo’n dochter heeft, dan wordt er veel vergoed.”
Trui verliet opgeruimd de kamer.
„Kom eens hier, lieve Helène,” zei mevrouw Nederhorst.
Helène knielde bij de sofa neer. Haar moeder sloeg den arm om haar hals en zag haar vriendelijk aan.
„Meen je, wat je daar zei, lieve?” vroeg zij.
„Zeker, ma,” antwoordde Helène. „Al ben ik nog jong—ik begrijp zeer goed, hoe onze toestand voortaan zijn zal. En u bent te zwak, om iets te doen. Aan wie is dus de taak, om voor u te arbeiden, indien niet aan mij?”
„Maar ’t zal je zwaarder vallen, dan je meent, lieve Helène,” zei mevrouw Nederhorst. „Jij, die aan weelde en gemak gewoon bent, je bezig houden met zulk een arbeid. Jouw handen, die nooit anders dan borduur- of tapisseriewerk gemaakt, niet [31]anders dan potlood of teekenpen gevoerd hebben, zullen nu zich bezig houden met.…”
„Met dingen, die noodzakelijk zijn, ma!” antwoordde Helène moedig, „en ik zal de voldoening hebben, u ’t verdriet te verlichten.”
„Ja, dat doe je al, mijn engel!” zei mevrouw Nederhorst; terwijl haar de tranen in de oogen sprongen en ze haar aan heur hart drukte. „Helène! Je bent me een troost en een verlichting in ’t verdriet.”
Eenigen tijd zaten moeder en dochter zoo en spraken geen woord. Eindelijk zei Helène:
„Heeft pa al bepaald, dat we Amsterdam zullen verlaten?”
„Ja, Helène! Pa is te hooghartig, om zich zoo te verminderen en hier te blijven, waar iedereen ons in onze grootheid gekend heeft. We zullen echter niet ver van hier gaan wonen; omdat pa hier nog zaken zal blijven doen. Wij hopen nog zooveel uit de ruïne van ons fortuin te redden, dat we ten minste kunnen leven. Alles zal afhangen van den verkoop van huis en meubelen.”
„Ik ben blij, dat we ergens anders gaan wonen, ma,” zei Helène. „Waar niemand ons kent, zal ’t ons gemakkelijker vallen, onze armoede te verbergen, dan hier, waar onze kennissen ons misschien met den vinger zullen nawijzen.”
Het duurde niet lang, of groote gedrukte biljetten, op houten borden geplakt en aan ’t huis aangeslagen, kondigden „den willigen verkoop van een kapitaal koopmanshuis en erve,” aan. Op de bepaalde dagen kwamen er kijkers in overvloed. ’t Huis werd in de „Brakke Grond” voor een aanzienlijke som verkocht. Intusschen had meneer Nederhorst eens rondgekeken, en te Weesp, even buiten de stad, een ferm huis voor weinig geld gehuurd. ’t Was wel een treffen, dat door sterfgeval dit huis leegstond en dus dadelijk te betrekken was. Nu moest nog ’t [32]meubilair verkocht worden, en meneer Nederhorst drong er op aan, dat zijn vrouw met Helène, Dora en Alfred intusschen naar Weesp zouden trekken. Wel bood haar broer Walburg aan, de geheele familie zoo lang te logeeren, tot het huis in Weesp schoongemaakt en gemeubeld zou zijn, maar zijn zwager oordeelde het beter, dat de familie zoo lang te Weesp kamers in een logement zou betrekken. Dan kon Trui terwijl ’t huis schoonmaken en zijn vrouw de meubels, welke hij door zijn makelaar zou laten inkoopen, ontvangen en schikken, en dan was de overgang meer geleidelijk.
Hij bracht dus zijn familie naar haar nieuwe woonplaats, maakte conditiën met den logementhouder, en keerde naar Amsterdam terug, waar hij zoolang zijn intrek bij zwager Walburg nam. Al de dienstboden waren intusschen vertrokken, behalve Trui, die haar meesteres naar Weesp vergezelde en reeds den volgenden dag van top tot teen met het noodige schoonmaakgerei gewapend naar ’t nieuwe huis ging, waarheen mevrouw met haar kinderen des middags wandelden, om het te bezien. Want den vorigen dag was ze te vermoeid van de reis geweest, en had haar man het aan Helène en Trui gewezen.
Trui deed hun de deur open en verwelkomde hen in de nieuwe woning. Ofschoon die natuurlijk vreeselijk afviel bij de oude, moest mevrouw Nederhorst toch bekennen, dat ze haar werkelijk meeviel. Helène vond de kamers, bij de meerdere beknoptheid, zeer logeabel; de beide kinderen waren in enthousiasme over ’t nieuwe van de zaak: want al wat nieuw is, blijft de illusie van het kind. Terwijl de kinderen wat in het kleine tuintje rondliepen, gaven mevrouw en Helène de bestemming aan de verschillende vertrekken, werd er voor mama een lieve, tamelijk ruime slaapkamer en voor papa een allerliefst bovenvertrek gekozen, uit wier ramen hij een riant uitzicht had. Hierop [33]keerde men naar ’t logement terug, waar Trui ’s middags kwam eten en ’s nachts slapen. Intusschen verrichtte Helène de functiën van kamenier bij mama en van bonne bij de kinderen, en dat ging haar vrij goed af, vooral wanneer men rekent, hoe vreemd het haar was. Dagelijks bezocht zij met Dora en Alfred de omstreken der stad, en bracht ze met hen een visite bij Trui, die ferm vorderde met het schoonmaken van ’t huis, dat voor één vrouw alleen een heele karrewei was.
Een paar malen kwam meneer Nederhorst over, om te zien, hoe de familie ’t maakte.
„Je moet hier een school voor Alfred en Dora zoeken, manlief,” zei mevrouw eens tot hem: „’t zou Helène en mij zooveel rust geven, als ze weer school gingen.”
„Dat is goed,” antwoordde haar man. „Maar hoe een keus te doen? Ik ben hier ten volle onbekend.”
„Indien we den logementhouder eens vroegen,” zei mevrouw. „Zulke menschen weten toch natuurlijk, wat er al zoo merkwaardigs in de stad is.”
Dit werd goedgevonden en, op aanwijzing van den eigenaar van ’t hôtel, begaf meneer Nederhorst zich naar den onderwijzer, wiens school hem als de beste genoemd werd. Hij stond er op, dat zijn vrouw hem zou vergezellen, daar zij beter over de kinderen wist te spreken dan hij. ’t Schoolgeld was oneindig minder dan te Amsterdam, hetgeen zeer meeviel. Toen haalde hij zijn vrouw over, om met hem naar ’t nieuwe huis te wandelen, opdat hij de gemaakte schikking mocht zien. Ze wilde ’t hem niet weigeren, ofschoon ’t wel wat vermoeiend voor haar was. In ’t huis vonden ze Helène met de kinderen, aan welke laatste mama vertelde, dat ze morgen reeds naar school zouden gaan.
„O, dat is heerlijk!” fluisterde Helène haar moeder in’t oor. „Dat zal u rust geven.” [34]
Na langzaam en bedaard terug gewandeld, en gedineerd te hebben, vertrok meneer Nederhorst weder naar Amsterdam, terwijl Helène hem met de kinderen naar ’t station bracht. Toen ze thuiskwam, stuurde ze Dora en Alfred wat in den tuin van ’t hôtel, omdat ze wel begreep, dat haar moeder rust zou noodig hebben. Toen ging ze naar boven, waar ze deze op de sofa vond liggen, met den zakdoek voor de oogen en zenuwachtig snikkende.
Ze knielde bij haar neder, nam haar hand en vroeg op meewarigen toon:
„Wat scheelt er aan lieve ma?”
„Ik ben wat oververmoeid van de wandeling en heb zware hoofdpijn,” antwoordde mevrouw Nederhorst nog steeds snikkende.
„Geen wonder,” zei Helène; „u hebt u ook wel wat overspannen. Schrei nu maar ferm uit; dat zal u goed doen.”
Daarop ging ze naar de kleine huisapotheek, haalde er een fleschje met glazen stop uit, waarop een etiquette met „tinctuur van barnsteen” geplakt was, goot wat water in een glas, deed wat barnsteen daarbij, en bracht het haar moeder.
„Hier ma! Neem wat tinctuur van barnsteen,” zeide zij. „Dat zal uw zenuwgestel tot bedaren brengen.”
Mevrouw Nederhorst nam het drankje.
„Hoe kom je daaraan?” vroeg ze.
„Wel, ma! Ik wist heel goed, dat u niet zonder deze en andere medicijnen kunt, en daarom heb ik al de potjes en fleschjes ingepakt, die u van dienst kunnen zijn.”
„O, hoe attent!” zeide haar moeder. „Waar niemand om denkt, zorg jij voor.”
„En nu zal ik u slapen met wat vlugzout wrijven,” ging zij voort, terwijl ze van een ander fleschje den glazen stop deed, [35]haar duim met het vocht nat maakte en zoo ’t geneesmiddel op haar moeders slapen wreef.
„Bedaart het nu wat?” vroeg ze.
„Ja, Helène,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „En ik denk, dat ik nu wel wat zou kunnen slapen.”
„Ik zal ’t avondeten voor Dora en Alfred op de slaapkamer klaarzetten; als ze dat gebruikt hebben en ik ze uitgekleed heb, zal ik ze bij u brengen, om u goeden nacht te zeggen.”
„Laat Trui ze maar uitkleeden,” zei mevrouw Nederhorst. „Ze komt toch straks terug en heeft niets meer te doen.”
„Heel goed,” antwoordde Helène, „ik zal ’t haar vragen. En nu maar rustig liggen en tracht wat te slapen; dat zal u goed doen.”
Maar mevrouw Nederhorst kon niet slapen. Toen Helène terugkwam, vond ze haar nog wakker.
„U moest naar bed gaan, ma,” zeide zij. „Daar zult u beter rusten en misschien wel in slaap vallen.”
„Ik geloof, dat je gelijk hebt, Helène,” antwoordde zij, en liet zich door haar dochter naar de andere kamer brengen. Deze hielp haar uitkleeden, deed heur haar los en vervulde al de bezigheden van Rika met zulk een vlugheid, dat haar moeder haar kamenier niet miste. Juist toen mevrouw Nederhorst te bed lag, hoorde men de kleintjes naar boven komen; ze kwamen met een tamelijk geweld aan, en Helène ging op ’t portaal en waarschuwde hun, dat zij stil moesten zijn, want dat ma met zware hoofdpijn te bed lag. Daarop haalde ze hun avondeten, hetwelk ze gauw ophadden, en kleedde ze met behulp van Trui uit, waarna ze hen te bed bracht. Bij ondervinding wist ze, dat ze nu niets beters kon doen dan haar moeder alleen te laten; daarom legde ze de zieke wat goed, en begaf ze zich naar beneden, om in den grooten tuin van ’t logement een luchtje te scheppen en zich aan haar treurige gedachten over te geven. Daar ’t niet koud was, had ze zich op de bank van [36]’t prieëel neergezet, en zat ze met de hand voor de oogen en haar elleboog op de tafel leunende, toen ze eensklaps opschrikte door een vriendelijke stem, die tot haar zeide:
„Hoe zoo bedroefd, kindlief?”
Helène nam haar hand van de oogen en keek met haar betraande oogen den spreker aan. ’t Was een eerwaardig, oud heer, van in de zestig jaren, en Helène vond terstond, dat zijn gelaat iets bijzonder innemends had, iets dat haar onwillekeurig tot hem trok. Ze antwoordde echter niet.
„Hoe zoo bedroefd, kindlief?”
„Uw jurk gescheurd, ’t een of ander gebroken, of ongenoegen met uw vriendinnetjes gehad?” vroeg de oude heer.
„Neen, neen!” riep Helène uit. „Dat zou de moeite niet waard zijn om hier te zitten schreien. ’t Is vrij wat erger.”
„Erger dan dat?” hernam de oude heer vriendelijk.
„Ja, veel erger,” bevestigde Helène snikkend.
De oude heer ging naast haar zitten, nam haar beide handen in de zijne en keek haar vriendelijk aan.
„Vertrouw mij je verdriet toe, kind,” zei hij op zachten, meewarigen toon. „Misschien kan ik je helpen.”
„Neen, dat kunt u niet, meneer,” antwoordde Helène.
„Kindlief,” hernam de vreemde heer, „’t spreekwoord zegt niet vergeefs: „il n’y a que les malheureux qui puissent se consoler.” Vertel mij dus gerust, wat u zoo bedroefd maakt. Ik had eens een lieve vrouw en een dochter van uw leeftijd. Beiden zijn mij door den dood ontnomen. En nu sta ik geheel alleen op de wereld, zonder vrouw, zonder kind, ja, zonder broeder of zuster, die in mijn smart kunnen deelen en mij over de verliezen, welke ik leed, kunnen troosten.”
„O, dan bent u wel te beklagen, meneer,” zei Helène medelijdend.
„Niet waar? Niemand weet, wat het zegt, zoo alleen door ’t leven te gaan.” [37]
Helène keek hem treurig aan.
„Vertrouw mij je leed toe,” hernam hij. „Ik zal je geheim niet verraden, en misschien geeft het je troost, als je ’t mij meedeelt.”
De toon, waarop hij dit zei, was zoo goedhartig, zoo oprecht, dat Helène niet kon nalaten, vertrouwen in hem te stellen.
„Ach!” zeide zij. „Ik schrei niet om mijn eigen ongeluk, maar om dat van mijn ouders.”
„’t Is te koud om hier lang te zitten,” zeide de oude heer. „Laat ons samen wat opwandelen. Mijn woning is hier dicht bij. Daar kun je mij, als je wilt, je verdriet meedeelen. Ik wandelde eens om en zag je daar zitten.”
Helène ging werktuigelijk met den vriendelijken man mede. Weldra stonden ze voor een bevallige villa. Hij bracht haar in een keurig gemeubileerde kamer, waar een helder vuurtje in den haard brandde. De weldadige warmte deed Helène goed, want ze was koud geworden.
„Welnu,” zei de oude heer. „Deel mij nu de oorzaak van je tranen mee. Misschien kan ik je helpen, in alle gevallen je troosten en goeden raad geven. Denk niet dat het onbescheiden nieuwsgierigheid is. Je lijkt sprekend op mijn lieve Helène; die was even oud als jij toen ze stierf.”
Helène aarzelde nog een oogenblik. ’t Stiet haar tegen de borst, een vreemde deelgenoot te maken van haar omstandigheden. Maar ’t geheele uiterlijk van den ouden heer boezemde haar zooveel vertrouwen in, dat het haar was, als sprak ze tot haar eigen vader, en van lieverlede maakte zij hem deelgenoot van haar leed.
„Arm kind!” zei de vreemde heer. „Je leert al vroeg de keerzijde van het leven kennen. Moed gehouden, en als ik je soms met raad en daad kan bijstaan—je weet nu waar je mij [38]vinden kunt. Ik woon dicht genoeg bij ’t logement zooals je ziet, en ik zal morgen de vrijheid nemen, om ook je mama eens een bezoek te brengen. Ik was vroeger practiseerend dokter; welnu, dan informeer ik te gelijk eens naar mama’s gezondheid. Groet haar van mij en zeg haar dat ik innig deelneem in haar treurige omstandigheden.”
Helène nam een hartelijk afscheid van den ouden heer, in wien ze zulk een onbepaald vertrouwen stelde en die haar zoo zeer voor zich had ingenomen. Toen ze in ’t logement en op de slaapkamer kwam, vond ze haar moeder juist ontwaakt. Deze vroeg aan haar waar ze geweest was. Het meisje vertelde haar, hoe ze schreiende in den tuin van ’t logement zittende, een nieuwen vriend gevonden had en hoeveel deel deze in hun ongeluk nam.
„Maar, Helène!” zei haar moeder. „Hoe kan je zoo onbescheiden wezen, om een vreemdeling bekend te maken met onze familie-omstandigheden?”
„Ach ma! als u hem zag, dien ouden heer, dan zou u hem ook uw geheele verdriet toevertrouwd hebben. U weet niet, wat een allerliefst man hij is. Morgen komt hij u eens een bezoek brengen, ten minste als u hem ontvangen wilt!”
„’t Is nu gebeurd, en ik hoop, dat hij er geen misbruik van zal maken. Maar wees voortaan geheimer met zaken, die anderen niet aangaan.”
Meer zei haar moeder niet; maar Helène gevoelde ’t verkeerde harer handelwijs, en toch kon ze de gedachte niet van zich werpen, dat ze in dit geval niet verkeerd gedaan had, den ouden heer te vertrouwen, wiens naam ze niet eens gevraagd had.
Ze had het den volgenden dag heel druk; want haar moeder voelde zich niet wel genoeg om op te staan. Ze bracht haar dus haar thee op ’t bed, kleedde de kinderen aan en bracht ze naar school. [39]
„Braaf oppassen Alfred, goed leeren Dora!” zei ze, terwijl ze elk een kus gaf, „om twaalf uur kom ik jullie halen.”
Daarop spoedde ze zich naar’t logement, waar ze haar moeder in een gerusten slaap vond. Ze redderde den boel wat op en dat alles zoo stil, dat ze de slapende niet wakker maakte. Tegen elf uur werd mevrouw Nederhorst wakker en gaf haar verlangen te kennen, om op te staan. Helène deed heur haar, kleedde haar in een gemakkelijk négligé en dat met een vlugheid en een tact, die Rika haar niet zou verbeterd hebben.
„Nu, ga ik even de kinderen van school halen,” zeide zij. „Dan laat ik de koffie boven brengen en zullen we heel genoeglijk bij elkander zitten, niet waar, ma?”
„Zeker Helène,” antwoordde haar moeder, die ’t lieve meisje met een tevreden en dankbaren blik nakeek. Tegen twee uur bracht Helène Alfred en Dora weer naar school.
„Ze zullen wel gauw den weg zelf leeren kennen, dan kunnen ze best alleen gaan,” zei mevrouw Nederhorst, toen Helène terug was.
„Welzeker, ma,” antwoordde Helène. „En daar ’t hier niet zoo druk is als in Amsterdam, kunnen we ze gerust vertrouwen.”
Op dit oogenblik werd er op de kamerdeur getikt.
„Binnen!” riep mevrouw Nederhorst, en het dienstmeisje van ’t logement verscheen in de deur. „Mevrouw,” zeide zij, „daar is een heer, die verlangt te weten, of hij u geen belet aandoet; hier is zijn kaartje.”
Mevrouw Nederhorst nam het kaartje aan en las:
Dr. Faminga.
„De titel van Doctor geeft hem volkomen recht op een beleefde behandeling van onzen kant,” zei mevrouw Nederhorst. „Zeg hem dus, dat ik hem met genoegen verwacht.” [40]
Sientje vertrok.
„Hij is dokter,” zei Helène. „Misschien kunt u hem wel tot uw dokter nemen.”
„Vooreerst is het te bewijzen, dat hij doctor in de medicijnen is,” hernam mevrouw Nederhorst. „Hij kan even goed dokter in de godgeleerdheid, in de philosophie, in de rechten of in de letteren wezen. Daarenboven zal ’t van pa afhangen, of hij hem tot zijn dokter verlangt.”
Eenige oogenblikken later kwam Dr. Faminga binnen.
„Mevrouw,” zei hij met een beleefde buiging. „Ik ben zoo ingenomen met uw lieve dochter, dat ik verlangend was, de eer te hebben haar mama te leeren kennen, en ik hoop, dat dit door u volstrekt niet aan de begeerte zal worden toegeschreven, om mij bij u in te dringen.”
„Ik dank u hartelijk voor de belangstelling in mijn dochter, meneer,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „Ik vrees echter, dat zij u met de mededeeling van onze aangelegenheden zeer zal verveeld hebben.”
„Ik moet tot verontschuldiging van mijn vriendinnetje in het midden brengen,” antwoordde dokter Faminga, „dat ik het was, die haar naar de oorzaak van haar verdriet vroeg. Vergeef mij die onbescheidenheid. ’t Was niet uit een ijdele nieuwsgierigheid, maar uit zuivere belangstelling. Ik heb zooveel rampspoeden en verdrietelijkheden in ’t leven ondervonden, dat ik anderen niet kan zien lijden, zonder er belang in te stellen. Toen ik uw dochter zag schreien, dacht ik: misschien heeft ze geen vrienden, en kan ik mij haar lot aantrekken. ’t Was wel een dwaas denkbeeld; maar ik sta zoo geheel alleen op de wijde wereld; daarbij, menschen die zoo alles, wat zij rondom zich lief hadden, verloren hebben, houden zich dikwerf aan een stroohalm vast.”
Deze laatste woorden sprak hij met zulk een bewogen stem, [41]dat mevrouw Nederhorst er door getroffen was. Aan de oprechtheid zijner betuiging behoefde zij niet te twijfelen, en daarom antwoordde zij:
„Welnu, zoolang we hier in ’t logement vertoeven, zal ik Helène verlof geven, u van tijd tot tijd te komen bezoeken. Ik weet, dat zij dit gaarne doen zal. Ook als wij ons gevestigd hebben, kan ze die bezoeken wel eens hervatten; ten minste wanneer haar vader het goedvindt.”
„Niets zal mij aangenamer zijn,” antwoordde Dr. Faminga. „Zooals u wel van haar zult weten, woon ik hier dicht bij. Toen ik al wat ik bezat verloor, was ik troosteloos en somber, en waarschijnlijk zou dit in krankzinnigheid geëindigd zijn, wanneer niet mijn vriend en ambtgenoot, dokter Van Esch, mij had overgehaald, om hier te komen wonen. Hier ben ik tot rust gekomen. Intusschen hoop ik, dat het mij door uw man zal worden toegestaan, ook u van tijd tot tijd een bezoek te brengen.”
„’t Zal mij heel aangenaam zijn,” antwoordde mevrouw Nederhorst op eenigszins verlegen toon, daar zij aan de veranderde omstandigheden dacht, waarin zij zich bevinden zou.
„Ge hebt een huis buiten de stad gehuurd, naar ik vernomen heb. Bevalt het u nog al?”
„Vrij goed,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „Beter dan ik bij mogelijkheid had kunnen verwachten.”
„Dat is gelukkig. Ik twijfel niet, of u zult het in ’t vriendelijke Weesp wel kunnen vinden. De stilte van ’t stadje en de kalme rust, die er heerschen, zullen u in uw toestand zeker goeddoen. Maar nu zal ik u niet langer vermoeien. Ik heb misschien al te lang misbruik van uw goedheid gemaakt. Ik heb de eer, u goeden dag te zeggen.”
„Wel ma, hoe vindt u dokter Faminga nu?” vroeg Helène, [42]toen de dokter het vertrek verlaten had. „Vindt u hem geen aardig mensch?”
„Hoe zou ik na een enkele ontmoeting daarover kunnen oordeelen?” vroeg mevrouw Nederhorst. „De man schijnt veel verdriet te hebben gehad in zijn leven en ik ben er zeker van, dat hij goed en vriendelijk is. ’t Is een allerliefst man; van wien ik, dunkt mij, als ik hem nader leer kennen, veel zal gaan houden.”
Den volgenden dag kwam er een briefje van den dokter, waarin hij Helène uitnoodigde, om thee bij hem te komen drinken. Ofschoon Helène ongaarne haar moeder met de kinderen alleen liet, stond mevrouw Nederhorst er op, dat zij de uitnoodiging zou aannemen. Helène ging dus naar hem toe en bracht een paar gelukkige uurtjes op de villa door. Hij sprak veel over haar moeder en ’t scheen hem niet te vervelen, wat Helène ook van haar vertelde. Onder zijn ameublement trok vooral een uurwerk haar bijzondere aandacht. Het was een bronzen beeld, dat met uitgestrekten arm op een wijzerplaat wees; onder dezen arm draaide de wijzerplaat geregeld om en zoo gaf het beeld de uren aan.
Helène nam afscheid van haar vriend en ging naar ’t logement terug. Ze had vrij wat te vertellen van al ’t geen ze bij Dr. Faminga gezien had; maar ’t uitvoerigst was zij in de beschrijving van het uurwerk en ze kon maar niet begrijpen, hoe de inrichting er van was.
De volgende dag was haar zestiende verjaardag; wel een treurige verjaardag, en ze wenschte wel, dien te hebben kunnen vergeten; want het was zoo’n verschil bij vorige jaren. Haar moeder had er echter voor gezorgd, dat er een lekkere tulband was en ook een frisschen ruiker voor haar laten koopen. Op de ontbijttafel stond een houten kistje met een stevig touw er om, waarop, met een haar vreemde hand geschreven, haar naam en adres stonden. [43]
„Zou dat kistje van pa komen?” zeide zij, terwijl een hoogrood haar wangen kleurde, en haar hart sneller klopte.
Mevrouw Nederhorst antwoordde niet, ze hoopte, om Helène’s wil, dat het waar mocht zijn.
Spoedig was het kistje open, en wat zag ze daar netjes ingepakt liggen? Niets meer of niets minder dan het wonderlijke uurwerk van dokter Faminga.
„O, dat is een prachtig geschenk!” riep zij uit. „Ik had het gisteren zoo bewonderd, maar nooit gedacht, dat hij ’t mij als verjaarcadeau zou geven!”
„Hoe wist hij dat je jarig bent, lieve?”
„Zoo in den loop van ’t gesprek is ’t mij ontvallen; en zeker heeft hij begrepen, dat ons geen cadeau van meer nut zou zijn dan juist een uurwerk.”
Later op den dag kreeg ze een cadeau van oom en tante en een brief van pa.
Gedurende den korten tijd, dien de familie Nederhorst in ’t logement doorbracht, werd de kennismaking met dokter Faminga een werkelijke vriendschap, en weldra was hij ook de vriend der kinderen. Hij hield ontzaglijk veel van kinderen en ’t was zijn grootste genoegen om des namiddags met de beide kleinsten een wandelingetje te doen, ’t geen mevrouw Nederhorst een paar rustige uurtjes bezorgde. Ook vond zij ’t zeer plezierig, wanneer hij een kopje thee bij haar kwam drinken; want hij was een man die veel ondervonden en gelezen had, en dus goed praten kon.
Zoo gingen eenige dagen gelukkig voorbij, toen er een brief van meneer Nederhorst kwam, waarin hij melde, dat de verkoop der meubelen niet minder goed geslaagd was dan die van het huis; zoodat hem, na volkomen afbetaling van al zijn schuldeischers, nog een som overbleef, voldoende om van de intrest zuinig te leven. Doch dat zou ook hoogst zuinig moeten [44]zijn en ’t zou een groot verschil opleveren met hun vroegere levenswijze. Ook meldde hij dat morgen de weder ingekochte meubels kwamen; hij hoopte, dat zijn vrouw het oppertoezicht over de plaatsing zou kunnen houden en ’t haar niet te zeer vermoeien mocht. Wat hem aanging—hij moest nog eenige dagen in Amsterdam blijven, om zijn zaken geheel te regelen.
„Mevrouw,” zei dokter Faminga, toen hij haar een bezoek bracht en ze hem verteld had, dat ze nu spoedig haar nieuwe huis zou betrekken, „de ontvangst der meubelen en de schikking daarvan is voor uw krachten te zwaar. Zoudt ge ’t aan mij willen overlaten, om voor ’t vervoer en de plaatsing te zorgen? Helène kan mij daarbij helpen.”
„Ik ben zeer gevoelig voor uw aanbod, meneer Faminga,” antwoordde mevrouw Nederhorst, „en ik mag ’t niet afslaan. Als u het goedvindt, zal Helène straks met u naar ’t nieuwe huis wandelen en u de door ons gemaakte verdeeling wijzen. Daar ik echter niet weet, welke meubelen er komen zullen, zal ik de plaatsing maar aan u en haar overlaten. Zij weet wel hoe het naar mijn zin is.”
„Wel zeker, ma!” zei Helène. „En als dan morgenmiddag alles klaar is, komen wij u halen en dan verandert u nog, wat u wilt.”
„Dat is goed,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „En dan reken ik tegelijkertijd in het logement af en betrekken we onze nieuwe woning.”
Terstond ging Helène met den dokter en de beide kinderen derwaarts. ’t Nieuwe huis was nu van boven tot beneden schoongemaakt en zag er frisch en helder uit.
„Nu, dat valt me niet tegen,” zei dokter Faminga. „Inderdaad, bevallig en een goed voorkomen.”
„Vindt u niet, dokter?” zei Helène. „’t Is maar jammer, dat het zoo ver van uw villa ligt.” [45]
„En zegt dat een Amsterdamsche? Voor Amsterdam zou men het dichtbij noemen.”
Helène stak den sleutel in ’t slot en deed de deur open. Trui was er den vorigen dag klaargekomen en natuurlijk naar ’t logement teruggekeerd. Ze had echter dien morgen overal de ramen opengezet, opdat het goed luchten zou. ’t Huis zag er beter uit, dan toen mevrouw Nederhorst het met haar man bezichtigd had: ’t was nu schoon en vriendelijk.
„Nu, de ruimte valt mij mee,” zei de dokter. „Naar wat je mama er over zei, dacht ik dat het een krot was.”
„Ma is ook gewoon aan zulk een kolossaal huis met zulke hooge, ruime vertrekken,” zei Helène. „Zie, dit is onze huiskamer, die met openslaande deuren in ons tuintje uitkomt. Vindt u die niet lief?”
„Alleraardigst; maar ’s winters zult ge niet veel uitzicht hebben,” zei de dokter. „Ten minste nu is ’t al vrij bar. Ik zou er liever de voorkamer voor genomen hebben; dan hadt je een ruim gezicht over de weilanden.”
„Die kamer zouden we aan kant houden,” zei Helène.
„’t Zal hier in voor- en najaar nog al vochtig zijn ook, en dat is niet goed voor de gezondheid van je mama. We zullen haar voorstellen om het te veranderen. Daarom kan ze er zomers toch best in zitten.”
„Dat is pa’s kamer,” vervolgde Helène, toen ze boven op een allerliefste kamer kwamen, die een riant uitzicht had. „We zullen haar zoo gemakkelijk mogelijk inrichten.”
„Nu, dat is niet de minste van ’t huis,” zei dokter Faminga. „Maar dat behoort ook zoo.”
Nadat ze ’t geheele huis bekeken hadden, keerden ze naar ’t logement terug.
„Welnu, dokter, hoe bevalt u onze nieuwe woning?” vroeg mevrouw Nederhorst. „Vreeselijk klein, niet waar?” [46]
„Dat is al naar men ’t neemt, lieve mevrouw,” zei de dokter. „Uw vorig huis op de Keizersgracht was er zeker een paleis bij; maar ik denk, dat het u, als u er eenmaal in woont, wel bevallen zal. Beknoptheid van woning heeft altijd iets geriefelijks.”
Daarop begon hij over de verandering van huiskamer te spreken, en wel zóó overtuigend, dat mevrouw Nederhorst er in toestemde.
„Ik hoop, dat mijn man er genoegen mee zal nemen,” zeide zij.
„Waarom niet?” vroeg de dokter. „Natuurlijk moet u ’t laten voorkomen, alsof het uit u zelf kwam. U brengt er immers uw dag in door en niet hij. Daarenboven hebt u er een paar ferme kasten in—een heel gemak in een huiskamer.”
„Wilt u wel gelooven, dat ik smachtend verlang om weer in mijn eigen huis te zijn, dokter?” vroeg mevrouw Nederhorst. „Het verblijf in zoo’n logement is niet alles.”
„Ik geloof het best,” antwoordde de dokter. „Eigen haard is goud waard, zegt het spreekwoord.”
„Daarenboven is ’t nog al kostbaar ook,” hervatte mevrouw Nederhorst. [47]