Eenige dagen later kwam meneer Nederhorst te Weesp. Hij was alles behalve vroolijk gestemd en zei Helène en de andere kinderen nauwelijks goeden dag. Daar mevrouw Nederhorst, opdat haar echtgenoot zoo min mogelijk de verandering zou gevoelen, den tijd van ’t middagmaal op dien, welken zij in Amsterdam gewoon waren, gesteld had, ging men spoedig na zijn komst aan ’t diner. Nadat de maaltijd afgeloopen was, waarvan de eenvoud meneer Nederhorst erg gehinderd had, zei Helène:
„Pa! Nu wilt u zeker graag naar uw kamer gaan. Ik zal er u heenbrengen.”
Meneer Nederhorst volgde zijn dochter.
„Nu zal pa zeker wel opgetogen zijn!” dacht ze; want ze had alles zoo keurig mogelijk ingericht. En inderdaad, het kamertje (dat was ’t in vergelijking van die, welke hij in Amsterdam gebruikte), was lief gemeubeld. Papa’s schrijftafel, ofschoon wel wat groot voor ’t vertrekje, stond toch heel goed tegen den eenen muur, en daarboven had ze de fotografische groep gehangen, welke de geheele familie voorstelde. Papa’s gemakkelijke stoel stond bij den haard, waarin een turfvuurtje brandde, en op de tafel stond een lamp, die een vriendelijk licht verspreidde. De overgordijnen waren toegeschoven, en [48]boven op een kleine boekenkast, waarin de boeken, welke hij van zijn groote bibliotheek gehouden had, keurig netjes geschikt waren, stonden een paar pleisterkoppen; terwijl de schoorsteenmantel alleen met het keurige uurwerk versierd was, dat Helène van dokter Faminga ten geschenke gekregen had. Ze had zeker gedacht, dat haar papa, al mocht hij dan niet opgetogen wezen, ten minste zeer tevreden zou zijn over ’t gezellig kamertje; maar meneer Nederhorst trad binnen, zonder iets te zeggen.
„Nu, pa! hoe bevalt het u?” vroeg zij.
„’t Gaat nog al,” zei hij, terwijl hij in den stoel voor ’t vuur ging zitten. „Laat mij nu alleen, ik wil hier wat blijven.”
Teleurgesteld ging ze naar beneden; toen ze bij haar moeder kwam, zag deze tranen in haar oogen. Mevrouw Nederhorst begreep er de reden van; doch ze wilde er liefst niets van zeggen of haar naar de oorzaak der droefheid vragen. Maar ’t was nog het ergste niet geweest. Tegen het theedrinken kwam meneer Nederhorst binnen, zijn gelaat stond geheel ontstemd.
„Hoe ben je aan dat uurwerk gekomen, dat op mijn schoorsteenmantel staat?” vroeg hij.
„Dat heeft Helène voor haar verjaardag cadeau gekregen van iemand, dien we hier gevonden en van wien we zeer veel vriendschap genoten hebben, van een zekeren dokter Faminga, die sedert eenige jaren te Weesp woont,” antwoordde mevrouw Nederhorst.
„Dokter Faminga? Wat is dat voor een man?” vroeg meneer Nederhorst, wiens gelaat nog meer betrok.
„Een oud heer, die mij allerlei diensten bewezen heeft,” antwoordde zijn vrouw. „Zoo heeft hij met Helène er voor gezorgd, dat de meubelen goed hier in huis en op hun plaats kwamen. Ook was hij heel lief voor de kinderen, met wie hij meermalen is gaan wandelen.” [49]
„Zoo, en wat weet je nog meer van zijn hem?”
„Dat hij een hoogst fatsoenlijk en goedhartig man is, die veel in zijn leven ondervonden en de praktijk neergelegd heeft, om hier te komen wonen.”
„Dat heb je natuurlijk alleen uit zijn eigen mond gehoord.”
„Maar ik heb het onvoorwaardelijk geloofd. Een man als hij en.…”
„En ik verbied allen verderen omgang met dien man,” zei meneer Nederhorst streng. „Waarschijnlijk de een of andere avonturier, die zich van de eenvoudigheid eener onergdenkende vrouw bedient, om zich bij ons in te dringen. We hebben geen nieuwe vrienden noodig. Als onze oude ons niet meer willen kennen, omdat wij arm geworden zijn, waartoe zullen we dan nieuwe vriendschapsbetrekkingen aanknoopen? Inderdaad! ik begrijp niet, hoe je met onze armoede zoo te koop hebt kunnen loopen.”
„Je oordeelt geheel verkeerd, Leonard,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „Meneer Faminga is een door en door braaf man, die volstrekt geen waarde aan geld of positie in de maatschappij hecht, en leeft als hij iemand een dienst kan doen. Zie hem, vóor je oordeelt.”
„Daar zal ik wel op passen,” antwoordde meneer Nederhorst. „Ik zal hem schrijven en hem eens ferm laten gevoelen, wat ik van de manier denk, waarop hij zich zonder mijn toestemming hier in huis heeft ingedrongen. En wat het cadeau van Helène aangaat, dat zal ik hem terugzenden.”
„Dat zal je niet doen, Leonard!” zei mevrouw Nederhorst op smeekenden toon. „Je weet niet, hoeveel verplichting ik aan den belangeloozen man heb. Je doet er mij en de kinderen verdriet mee.” [50]
„Ik zal het doen,” antwoordde meneer Nederhorst, „en wel terstond.”
„Je zult toch eerst thee drinken?” vroeg mevrouw Nederhorst.
„Een kop thee wil ik wel nemen, maar de zaak heeft haast; anders komt die meneer soms nog hier.”
Mevrouw zei geen woord meer, en Helène ging de kamer uit naar de keuken, waar ze in tranen losbarstte.
„Wat scheelt er aan, jongejuffrouw?” vroeg de goede Trui.
Schreiende vertelde Helène haar ’t voorgevallene.
„Nu, dat is mooi!” riep de oude meid uit. „Zoo’n lief man! En dan nadat hij alles gedaan heeft wat hij kon, om ’t uw mama gemakkelijk te maken. Wat heeft de man niet gesjouwd, om hier den boel in orde te brengen! ’t Is schande! En die dokter Faminga is nog al zoo’n fatsoenlijk man!”
„Pa meent dat die goede dokter een gelukzoeker is, die er redenen voor heeft om zich bij ons in te dringen. Als hij hem maar eens wilde zien, dan zou hij misschien wel anders over hem denken.”
„Nu, droog uw tranen maar af,” hernam Trui, „en ga maar weer naar uw mama, die ook wel bedroefd zal zijn over de behandeling die den dokter wordt aangedaan. Ik hoor uw pa al naar boven gaan; hij heeft zijn thee gauw op.”
Wat Trui na Helène’s vertrek in zich zelf prevelde van „groote” menschen, die nog even „groot” bleven, al waren zij arm, en van andere zaken, die ze niet graag hardop zou gezegd hebben, willen we u maar niet mededeelen; liever volgen we Helène naar de huiskamer, waar ze zich naast haar moeder op de sofa zette.
„O, vindt u ’t niet verschrikkelijk van pa?” vroeg zij. „Is ’t geen schande, om een man, die zoo lief en zoo goed voor ons geweest is, zoo te behandelen.”
„Stil, lieve,” antwoordde haar moeder. „’t Past je niet, om de [51]daden van je vader te berispen. Hij doet, zooals hij recht oordeelt, en ik had verstandiger moeten handelen en de vriendschap van den dokter niet moeten aannemen. Ik heb mij laten verleiden door ’t vertrouwen, dat zijn gelaat en gedrag mij inboezemden; ook kon ik, nadat ik wist, dat je hem onze familie-aangelegenheden hadt medegedeeld, in hem niets anders zien dan een belangeloozen vriend. Dat kan je vader niet; want hij weet niet, dat de dokter met onze omstandigheden bekend was, en dat mag hij niet weten; want dan zou je ’t voor altijd bij hem verbruid hebben.”
Helène gevoelde, dat haar moeder gelijk had, en in haar oog was ’t gedrag van haar vader nu niet meer zoo hard, als ze ’t straks beschouwde.
„Maar die goede dokter,” zeide zij. „Wat zal hij wel van ons denken, als hij pa’s brief krijgt.”
„Hij is verstandig genoeg, om de zaak te begrijpen. Maar daarenboven zal ik hem tegelijk een briefje sturen, waarin ik hem alles bloot leg en hem onzen dank betuig voor al ’t geen hij voor ons gedaan heeft. Geef me dadelijk pen en inkt, dan kan Trui mijn schrijven te gelijk met dat van pa overhandigen en dan zal de goede man zich niet gekrenkt voelen.”
Helène haastte zich, hieraan te voldoen, en juist toen Trui op meneers kamer gescheld werd, sloot mevrouw ’t briefje, dat ze het dienstmeisje meegaf, om dat tegelijk met het uurwerk en het briefje van meneer aan dokter Faminga te overhandigen. Trui was nog niet lang terug, toen een dienstmeisje een briefje voor mevrouw bracht, waarin de dokter zijn leedwezen betuigde over ’t gebeurde, verklaarde dat hij zich de handelwijs van meneer Nederhorst best kon verklaren, en haar verzekerde, dat het hem een groot genoegen zou zijn, haar genegenheid en die van haar dochter te behouden. Misschien [52]zou in ’t vervolg van tijd de tegenzin van meneer Nederhorst om met anderen te converseeren wel slijten en dan zou alles wel weer terecht komen.
„O, hoe lief van hem, om zoo te antwoorden!” riep Helène uit.
„Allerliefst,” bevestigde mevrouw Nederhorst. „Maar ik verwachtte niets anders van hem. We willen even onbaatzuchtig zijn als hij, en, nu we ons niet meer over hem te bedroeven hebben, geduldig ons gemis dragen.”
Intusschen naderde de Paaschvacantie en zou Rudolf voor de eerste maal in de nieuwe ouderlijke woning komen logeeren. Helène had er voor gezorgd, zijn kamertje in orde te maken, een klein aardig hokje, maar dat ze zoo had op weten te sieren, dat het er wezenlijk lief uitzag.
Daar ook de kinderen vacantie gekregen hadden, wandelde zij met hen naar ’t station, om haar broer af te halen. Hij kwam tegen etenstijd; want daar hij Amsterdam door moest, had hij bij oom en tante Walburg koffie gedronken.
Verlangend naar den broer, van wien ze zooveel hield, stond Helène met Dora en Alfred op het perron te wachten. Daar hoorde ze den trein van Amsterdam fluiten, en weldra was de dampende en snuivende locomotief in ’t gezicht—eenige seconden later stond zij stil. Met zoekend oog sloeg Helène al de passagiers gade, die te Weesp uitstapten, en spoedig vond ze er Rudolf uit, die haar ook zag en haar een hartelijken kus gaf.
„Hoe gaat het, Helène?” vroeg hij. „En hoe maken ’t pa en ma? Dag Dora, dag Alfred! Wel! ben je me mee komen afhalen? Nu, dat is goed, dat is aardig van je.”
„Ma is heel verlangend naar je, Rudolf,” antwoordde Helène. „Laat ons dus maar terstond opstappen.”
„’t Was me vreemd, dat ik, te Amsterdam gekomen, nog [53]niet thuis was, maar verder op moest,” zeide Rudolf, terwijl hij met Helène en de kinderen den weg van ’t station naar de stad opwandelde.
„Je hebt toch bij oom en tante koffie gedronken, niet waar?” vroeg Helène.
„Wel zeker, en ik heb ’t er volgens gewoonte zeer goed gehad ook. De hartelijke groeten van oom en tante, en ook van Louise en Leonie.”
„Hoe maakt Leonie het? ze schijnt het erg druk te hebben; want ze is heel lui in ’t schrijven.”
„Hoe ze ’t maakt? Wel perfect. Ze kan zich best in ’t royale leven daar schikken. Waarom ben jij er niet heengegaan, Helène? ’t Kwam jou toch toe: jij bent de oudste.”
„Oom en tante hebben mij niet gevraagd, Rudolf. Maar, al hadden ze ’t gedaan, dan had ik toch bedankt. Ik ben de oudste, en moet ma ondersteunen. Leonie is twee jaren jonger dan ik en zou het met den besten wil ter wereld niet kunnen doen.”
Toen ’t ongeval met hun vader gebeurd was, had Helène hem wel een brief geschreven, waarin ze hem meedeelde, dat ze Amsterdam zouden verlaten en te Weesp gaan wonen, maar er hem de reden niet van medegedeeld. Ze wist, dat jongens op zijn jaren hun eigen leed niet kunnen zwijgen en wenschte niet, dat er ruchtbaarheid aan de zaak gegeven werd. Toen hij kort daarop een brief van zijn vader kreeg, waarbij deze hem meldde, dat hij voortaan met vrij wat minder zakgeld toe moest, had de knaap er nog niets van begrepen; slechts toen hij te Amsterdam bij oom Walburg kwam, had Leonie hem ’t een en ander van de zaak verteld; hij dacht echter, dat ze overdreef en meende op een prachtig buiten te zullen komen.
„Maar wat moet je dan doen?” vroeg Rudolf. [54]
„Heeft Leonie je dan niet verteld, dat ma al de bedienden hun congé heeft gegeven en dat we alleen onze oude Trui behouden hebben?” vroeg Helène. „Daaruit volgt natuurlijk, dat Trui, die voor ’t schoonhouden van ’t huis en ’t eten moet zorgen, die tegelijk keuken- en werkmeid is, niet nog den post van kamenier, linnenmeid en bonne er bij kan vervullen. Welnu, die drie laatste posten vervul ik.”
„Jij!” riep Rudolf verwonderd uit. „Hoe is ’t mogelijk, dat jij, die vroeger.…”
„Hoe ik, aan weelde gewend, zulke ondergeschikte betrekkingen kan waarnemen, wil je vragen; niet waar?”
„Juist, hoe je je kunt vernederen tot zulk laag werk, zoo weinig overeenkomende met den stand waarin je opgevoed bent?”
„Dat zou ik vroeger ook nooit gedacht hebben,” antwoordde Helène. „Maar als ik het niet doe, zou ma ’t moeten doen, en je weet heel goed, hoe zij is. Zij zou er onder bezwijken, ’t zou misschien haar dood zijn en dan was ’t nog erger.”
„’t Is waar,” hernam Rudolf, na een oogenblik nagedacht te hebben, „en weet je wel, dat ik het heel braaf van je vind en er je des te liever om heb. Maar waarom is Leonie te Amsterdam gebleven? Die leidt daar een damesleven; terwijl jij voor asschepoester speelt. Dat is toch niet rechtvaardig.”
„Luister eens, Rudolf,” zei Helène. „Vooreerst is Leonie tot gezelschap van Louise en komt ze in leeftijd en aard beter met deze overeen. Ten tweede is ze twee jaar jonger dan ik en is haar opvoeding nog niet voltooid, en ten derde.… al was ’t mij gepresenteerd, dan had ik het toch niet aangenomen.”
„Niet aangenomen?” vroeg Rudolf verwonderd.
„Neen, niet aangenomen,” herhaalde Helène. „O, je weet niet, hoe zwak ma is! ’t Gebeurde heeft haar gestel vreeselijk [55]geknakt. Leonie zou, bij den besten wil, niet in staat geweest zijn, haar genoegzaam te verlichten. Ik had bij oom geen oogenblik rust gehad, wanneer ik wist, dat ma zich overspande. Doch hier zijn we thuis.”
Ze stonden voor hun woning. Rudolf keek verbaasd.
„O, wat een klein, onaanzienlijk huis!” riep hij uit. „Wonen we daar? Ik dacht ten minste een villa te vinden.”
„’t Scheelt zeker vrij wat bij ons vroeger huis op de Keizersgracht,” antwoordde Helène, terwijl ze aanschelde. „Maar ’t is een heel lief huis en tamelijk ruim voor den geringen huurprijs, dien pa er voor betaalt.”
„’t Valt me niet mee, dat moet ik royaal zeggen. Hoe kun je hier wonen?”
„’t Zal je wel meevallen, als je er eerst maar een paar dagen in bent.”
Juist deed Trui open.
„Dag, jongeheer Rudolf!” riep de trouwe ziel uit. „Wel hoe maakt u ’t? Wat bent u gegroeid! Ik zou u niet gekend hebben, als ik u alleen was tegengekomen.”
„Je ziet, dat ik gezond en frisch ben,” antwoordde Rudolf. „En jij bent ook nog de oude gebleven, Trui, en ik ben hartelijk verheugd, dat ik je terugzie, waar al de anderen vertrokken zijn!”
Dit zeggende drukte hij haar van ’t werken ruwe rechterhand, en Trui was dol gelukkig, dat haar jongeheer zoo weinig „grootsch” was.
Helène deed de deur der woonkamer open, waar mevrouw Nederhorst op de sofa zat. Zoodra deze haar Rudolf zag binnenkomen, stond ze op, en weldra rustte de zoon in de armen zijner moeder. Met welgevallen zag ze den knappen jongen aan, die, net als Trui zei, al weer gegroeid was en die haar met zijn heldere, oprechte oogen zoo ferm aankeek. [56]
„Ma,” zei hij, „u ziet er niet goed uit. U is toch niet ziek hoop ik!”
„’t Is maar wat hoofdpijn, Rudolf,” antwoordde mevrouw Nederhorst, terwijl ze weer ging zitten. „Kom, neem eens hier naast mij plaats, en vertel me veel van je; dan gaat de hoofdpijn van zelf over.”
Rudolf ging naast zijn moeder zitten, die met veel belangstelling naar hem luisterde en hem van tijd tot tijd eenige vragen deed, die hij beantwoordde.
Intusschen verrichtte Helène haar gewone bezigheden, en daar ’t langzamerhand etenstijd werd, dekte ze de tafel. Nu kwam ook meneer beneden, die Rudolf verwelkomde, doch met zulk een stroef gezicht, dat de knaap een groot verschil tusschen de ontvangst van hem en die van zijn moeder opmerkte.
Men zette zich aan tafel en Trui bracht het eten op. Rudolf keek raar op over den eenvoudigen pot en was op het punt om er iets van te zeggen. Zijn moeder bemerkte het en gaf hem een wenk om te zwijgen.
Hij was de eenige, die aan tafel sprak. Hij wist niet, dat er sedert hun ongeluk genoegzaam geen woord aan tafel gesproken werd; daar het somber en streng gezicht van meneer Nederhorst langzamerhand elk gesprek had doen verstommen. Hij had zooveel te vragen en te vertellen, en de anderen hadden hem zooveel te antwoorden, dat het gesprek aan tafel dien middag vrij levendig was. Meneer Nederhorst mengde er zich echter niet in. Toen de maaltijd geëindigd was, bracht Trui een lekkere zandtaart binnen, welke zij ter eere van Rudolf gebakken had.
„Nu, daar heb je eer van, Trui,” zei hij, toen de meid weer binnenkwam, om ’t een en ander af te nemen. „Je schijnt in ’t bakken niet achteruitgegaan te zijn, al is je keuken vrij wat kleiner. Apropos, Papa! Ik had haast Ernst van [57]Hogenberghe meegebracht. Ik ben echter blij, dat ik ’t niet gedaan heb; want in zulk een klein huisje als dit zou ik hem niet hebben durven brengen.”
’t Gelaat van meneer Nederhorst betrok nog meer. Helène stootte Rudolf onder de tafel aan; maar hij scheen den wenk niet te begrijpen.
„Ik hoop echter, pa,” vervolgde hij, „dat u niet van plan bent, hier lang te blijven; dan breng ik hem met de zomervacantie mee.”
„Ik heb je raad of voorlichting niet noodig, Rudolf,” zei meneer Nederhorst streng, „en ben in ’t geheel niet van plan, jou daarover te raadplegen.”
Rudolf zweeg, en was blij, dat pa naar boven trok en hij weer zonder omwegen met ma en Helène kon praten.
„Helène,” zei hij den volgenden dag tegen zijn zuster, toen hij met haar alleen was, „zou ’t waar zijn, dat pa al zijn geld verloren heeft? Of zou hij zich maar zoo arm houden?”
„Hoe kom je daaraan, Rudolf? pa zal toch niet voor zijn pleizier ons groote huis op de Keizersgracht en onze prachtige meubelen verkocht hebben.”
„Maar hoe is pa dan al zijn geld zoo op eens kwijt geraakt?”
„Dat weet ik niet. Ik heb alleen hooren zeggen, dat pa gespeculeerd heeft en dat de speculatie tegengevallen is. Als ’t anders was geloopen, dan zou hij schatrijk zijn geweest. Maar spreek er in vredesnaam geen woord van tegen ma. Ze lijdt er genoeg onder en ’t verdriet hoeft haar niet zwaarder gemaakt te worden dan ’t al is.”
„Ik zal er met ma niet over spreken; maar toch vind ik het onaangenaam, dat pa mijn weekgeld zoo verminderd heeft. Op de school van meneer Voornvisser gaan allemaal jongelui van rijke ouders, die overvloed van zakgeld krijgen. Ze hebben [58]er al aanmerking op gemaakt, dat ik sedert een paar maanden zoo schraal bij kas ben. Vroeger had ik overvloed van geld en kon aan alles meedoen.”
„’t Is zeker onaangenaam voor je—ik wil ’t niet tegenspreken,” hernam Helène. „Maar bedenk eens, hoeveel erger ’t voor ma moet zijn, die al op alles bezuinigt en toch telkens door pa wordt aangezet om nog minder uit te geven; zoodat ze zelfs geen glas port kan krijgen, wat ze toch zoo tot versterking noodig heeft.”
„’t Is dwaas van ma, om zich daaraan te storen,” zei Rudolf bitter. „Pa houdt zich stellig armer dan hij is, en als ik ma was, dan zou ik er niet om geven, maar koopen wat goed voor mij was.”
„Je spreekt naar dat je verstand hebt, Rudolf,” hernam Helène. „Geloof maar vrij, dat pa, als hij ’t missen kan, er de man niet naar is, om op bezuiniging aan te dringen.—’t Is waarlijk nog gelukkig, dat hij zooveel heeft overgehouden, om hier te kunnen leven, zooals wij doen. Er had wel eens niets kunnen overblijven; en wat hadden we dan moeten beginnen?”
„Maar waarom is pa dan niet in Amsterdam gebleven?” vroeg Rudolf. „Daar had hij in alle gevallen geld kunnen verdienen.”
„’t Zou pa’s dood zijn geweest, als hij zich in Amsterdam, waar hij zulk een staat voerde, zoodanig had moeten verminderen. Daarenboven is ’t hier veel goedkooper leven dan in de hoofdstad, wat huur, belasting en schoolgeld aangaat en waar ook niemand ons kent en we dus zoo eenvoudig kunnen leven als we willen.”
„Nu, ’t is er dan ook leven na,” zei Rudolf. „Niet wat mij aangaat; ik zou ’t hier best kunnen stellen; maar voor ma en voor jou, die altijd gewoon bent geweest om alles te [59]genieten, wat er te genieten was. Leonie is maar wat gelukkig, dat ze bij oom en tante in huis is.”
„Wat ma aangaat,” hernam Helène, „zij zou er vrij wat minder onder lijden, als pa er zich beter in kon schikken. Maar ’t grieft haar, dat pa er zoo onder gebukt gaat.”
„En jij Helène. ’t Is voor jou toch ook een heele verandering.”
„Dat is het, en ik wil niet ontkennen, dat het mij in den beginne hard viel. Maar als je denkt, dat ik er onder zou lijden, heb je ’t geheel en al mis. Ik ben gelukkiger, dan ik ooit geweest ben: want thans gevoel ik, dat ik nuttig ben.”
„Nu, zusje! Wordt er maar niet boos om,” zei Rudolf, terwijl hij haar in zijn armen sloot en hartelijk kuste. „Ik ben er van overtuigd, dat jij de beste, de braafste, de liefste van ons allen bent, en daarom kwam ik eigenlijk hier, om je een vriendelijk verzoek te doen.”
„Wel, wat is dat?” vroeg Helène.
„Dat zal ik je zeggen,” hernam Rudolf. „We zijn op de kostschool met elkander overeengekomen, om gedurende de vacantie een model van een boot te maken, en meneer Voornvisser, die dat gehoord heeft, was daar zoo mee ingenomen, dat hij een prijs heeft uitgeloofd voor de beste, die dan zijn eigendom blijft, en in de zijkamer onder een glazen stolp zal worden geplaatst. Ik heb er veel hoop op dien prijs te zullen behalen, en, al is dat het geval niet, dan zou ik toch niet graag zonder model komen. Om echter zoo’n boot te maken, heb ik gereedschap, hout en andere dingen noodig. Natuurlijk kost dat geld. En geld heb ik niet. Ik durf pa niet vragen; hij kijkt zoo knorrig. Zou jij ’t niet voor mij willen doen?”
„Ik?” vroeg Helène. „Hoe komt je dat in de gedachten? Ik durf ’t niet, want ik geloof werkelijk dat pa ’t niet kan missen.”
„Nonsens, niet kunnen missen!” riep Rudolf uit. „Ik [60]zal hoogstens een gulden of zes, acht noodig hebben!”
„Dat is veel, Rudolf,” antwoordde Helène, haar hoofd schuddend. „Ik durf zooveel niet vragen.”
„Je bent toch eigenlijk een bange meid,” zei Rudolf. „Als ik mijn vroeger weekgeld kreeg, behoefde ik het niet te vragen. Maar ik heb zoo goed als geen geld meer op zak. Je moet begrijpen, dat de reis mij meer gekost heeft dan anders. En wat is zes, acht gulden voor pa?”
„Tegenwoordig meer dan je wel denkt,” antwoordde Helène. „En dan vooral voor zulk een doel.”
„Ik kan ’t niet helpen,” hervatte Rudolf. „Maar zonder geld kan ik geen boot maken. En wat zullen de jongens wel zeggen, als ik er geen heb, omdat mijn vader er mij ’t noodige geld niet voor kon geven? Wanneer ik als de zoon van een bedelaar op de kostschool moet komen, dan blijf ik liever thuis.”
„Dat zou fraai zijn,” zei Helène. „Weet je dan niet, dat pa met groote opoffering meneer Voornvisser een jaar kostgeld vooruit betaald heeft, opdat je nog zoolang diens onderwijs zoudt kunnen genieten? Ik heb hem tegen ma hooren zeggen, dat je schoolgeld hem een derde van zijn inkomen kost. Dát maakt, dat hij op andere dingen zuinig moet zijn.”
„Allemaal mooi en wel,” zei Rudolf. „Maar ’t helpt mij wat, als pa mij naar een der eerste scholen zendt, waar jongens van de rijkste familiën gaan, als ik niet met hen kan meedoen. Ik weet zeker dat hij mij ’t geld niet weigeren zal als hij maar weet, waarvoor ’t is. ’t Is immers een uitgaaf, om mijn fatsoen op te houden.”
„Ik wou liever, dat je ’t zelf vroeg,” hervatte Helène, wie ’t leed veroorzaakte, dat ze haar broer zijn verzoek moest weigeren.
Rudolf bemerkte, dat zijn zuster al wankelde, en met de [61]onbedachtzaamheid van een jongen maakte hij er gebruik van.
„Kom, Helène! Doe het maar! Je bent altijd mijn liefste zuster geweest en ik zou niet graag kwade vrienden met je worden, ’t zouden aardige vacantiedagen zijn, wanneer we geen goede maatjes met elkander waren.”
„Nu ik zal dan gaan, Rudolf,” antwoordde zij met weerzin, en zij ging werkelijk naar haars vaders kamer, waar ze aan de deur klopte.
„Binnen!” riep meneer Nederhorst.
„Wat moet jij hier doen?” vroeg hij haar op barschen toon, toen hij haar zag binnentreden.
„Pa,” antwoordde Helène bedeesd, „ik kom uit naam van Rudolf, die graag had, dat u hem wat geld gaf om een boot te maken.” En hierop legde ze hem de zaak uit, zooals haar broer haar die had meegedeeld.
„Je weet zelf, Helène, hoe slecht ik geld kan missen,” antwoordde hij, „en kan niet begrijpen, hoe je ’t me kunt komen vragen. Daar is twee gulden; meer kan ik niet geven; dus behoef je niet terug te komen.”
Helène wou juist zeggen, hoeveel zij er tegen had gehad, om ’t hem te vragen; doch ze durfde niet; want pa keek haar zoo boos aan. Ze nam dus de twee gulden op en verliet de kamer.
„Daar, Rudolf,” zeide zij. „Meer heb ik niet kunnen krijgen, en daarvoor heb ik pa boos op mij gemaakt.”
„Twee gulden!” riep Rudolf met een lang gezicht uit. „Dat helpt me zooveel als niets. Daar kan ik toch geen boot voor maken.”
„Hoor eens, Rudolf,” zei Helène. „Ik heb nog wat in mijn spaarpot, en daar wil ik je de overige drie of vier gulden wel van leenen. Maar je moet ze me zoo gauw als je je weekgeld ontvangt terugzenden.” [62]
„Ja, jij zult je geld zelf wel noodig hebben,” hernam Rudolf, „je hadt niet eens handschoenen aan, toen je me van ’t station kwam halen. Waarvoor wou je dan dat geld besteden?”
„Ik heb meer gehad dan ik nog over heb,” antwoordde Helène. „Ik heb ’t alles besteed aan port voor ma, die Trui in ’t geheim voor mij haalt; en als ik nu ’t geld niet van je terug krijg, dan.…”
„Dan zou ma haar port moeten missen!” riep Rudolf uit. „Hier, Helène! leg die twee gulden bij jou geld, dan kan je nog langer port voor ma koopen.”
„En dan kom jij zonder boot op school.”
„Beter ik zonder boot dan ma zonder port,” zei Rudolf hartelijk en Helène viel hem om den hals en kuste hem. [63]