[Inhoud]

ZESDE HOOFDSTUK.

Zware last op zwakke schouders.

Op den gil van Helène was Trui verschrikt komen toeschieten. ’t Was aan haar trouwe borst, dat het arme kind zich wierp en in tranen uitbarstte. De goede dienstmeid zag terstond wat er gebeurd was en poogde haar te troosten.

„O, Trui! Wie had dat gedacht!” snikte ze. „En gisterenavond vond de dokter haar nog al redelijk.”

„Ik heb het wel gevreesd, jongejuffrouw,” zeide Trui. „Die erge zwakte beviel mij niet. Men ziet het wel eens meer met zulke zwakke menschen, dat ze ons ontvallen, voor men er op verdacht is. Dokter Manders had er al van den beginne een zwaar hoofd in. Laatst, toen hij hier was, hoorde ik hem tot uw papa zeggen: Reken niet te veel op die beterschap, meneer! zulke patiënten ontvallen ons dikwerf plotseling.”

„Loop terstond naar den dokter en vraag hem, of hij dadelijk hier komt. Het kon wel eens een flauwte zijn, die veel op den dood geleek.”

„’t Kan zijn,” zeide Trui in zichzelf, „ofschoon ik er aan twijfel.”

Een oogenblik later was Trui de deur uit en naar dokter Van Esch, die weldra met haar meekwam, en bevestigde, dat mevrouw Nederhorst werkelijk gestorven was.

„’t Is mij onverklaarbaar,” zei hij. „Is er gisteren nadat ik weg was, ook iets met mama gebeurd?” [82]

„Volstrekt niets,” antwoordde Helène. „Alleen scheen ze zich doodzwak te gevoelen. Wel vroeg ze, wanneer pa en mijn zuster Leonie terugkwamen.”

„Zonderling!” hernam de dokter. „Ik had zoo gehoopt, dat we die zwakte zouden overwinnen. Dokter Manders heeft het mij wel voorspeld; trouwens hij kende haar gestel beter dan ik, omdat hij jaren lang over haar gepractiseerd heeft. Papa is nog uit de stad, niet waar?”

„We verwachten hem vandaag thuis,” antwoordde Helène. „O, ’t zal een slag voor hem zijn!”

„Er is geen twijfel aan, of mevrouw is dood,” zei de dokter tot Trui, toen deze hem uitliet. „Tracht de jongejuffrouw uit de sterfkamer te verwijderen.”

Trui deed wat haar bevolen was, en overreedde Helène om haar broertje en zusje te gaan kleeden. Dan kon zij met hen terugkomen, om hun de gestorven moeder te laten zien. Helène deed werktuigelijk wat Trui zeide, en in dien tusschentijd verrichtte Trui de gewone plichten aan de afgestorvene; „want,” zeide ze, „geen vreemde hand zal mijn lieve mevrouw aanraken.”

Toen Helène met de beide kinderen binnentrad, lag haar moeder met gevouwen handen, als bad ze in haar slaap. Dora en Alfred hadden niet het minste begrip van dood en vroegen of ma nu niet wakker zou worden.

„Neen, lieve Dora,” antwoordde Helène. „Ma slaapt, om te ontwaken bij onzen lieven Heer.”

„Maar ik wou liever dat ma wakker werd,” zei Alfred.

„En dat ze bij ons bleef,” voegde Dora er bij.

„Dat kan niet,” antwoordde Helène; terwijl ze met de kinderen de kamer verliet.

„Moeten we niet naar school, Helène?” vroeg Dora, nadat ze ontbeten hadden. [83]

„Vandaag niet,” antwoordde Helène. „Ga nu maar zoet wat samen spelen, hoor.”

„We zullen heel stil zijn, om ma niet wakker te maken,” zei Alfred.

„Dat is heel goed,” antwoordde Helène treurig.

Met den middagtrein kwam meneer Nederhorst terug. Op raad van den dokter had Helène geen luiken gesloten. Daar hij niet juist den trein had bepaald, waarmee hij zou thuiskomen, was hij er niet verwonderd over, dat Helène hem niet van ’t station kwam halen—daarenboven oordeelde hij ’t beter, dat ze bij haar moeder bleef. Helène keek door de vensters, en toen ze hem den weg zag afkomen met Leonie naast hem, klopte haar hart geweldig. Toch vond ze kracht genoeg, om naar beneden te snellen en hem open te doen.

„Hoe is ’t.…?” doch eensklaps zweeg hij, toen hij haar beschreid gelaat zag. „Is er wat met ma?” vroeg hij angstig.

„O, pa! Iets verschrikkelijks!” snikte Helène. Meneer Nederhorst wachtte geen verdere verklaring af, maar snelde zonder een enkel woord te spreken naar de kamer zijner vrouw. Helène liep hem na; doch toen ze aan de geopende kamerdeur kwam, was ze er juist bijtijds, om haar ongelukkigen vader als levenloos op den grond te zien storten. Een oogenblik later was Trui bij haar.

„Jongejuffrouw,” zei deze. „Ik kan uw papa onmogelijk verlaten, en toch heeft hij een dokter noodig. Als u eens naar dokter Van Esch wilde loopen. Terwijl zal ik mijn best doen, om uw papa bij te brengen.”

„Ik zal terstond gaan, Trui,” antwoordde Helène, die bleek zag van den schrik, en ze snelde naar haar kamer om zich aan te kleeden. Toen ze juist de deur wilde uitgaan, hoorde ze de stem van Leonie die haar riep.

„Wat is er toch gebeurd?” vroeg deze. „Dora en Alfred vertellen [84]mij, dat ma slaapt. Is dat een thuiskomst! Was ik maar in Amsterdam gebleven!”

„Wat er gebeurd is, Leonie!” riep Helène uit. „Heb je het niet begrepen? Ma is van nacht gestorven!”

„Ma dood!” riep Leonie uit. „En waarom mij dat niet dadelijk gezegd? O, moest ik daarvoor hier komen!”

Helène liet haar een oogenblik uitschreien.

„Zet je hoed op, en ga met mij mee om den dokter te halen. Pa heeft een flauwte gekregen.”

„Ik mee de straat op! Dat kun je begrijpen,” antwoordde Leonie. „Laat mij maar uithuilen; want die tijding is verschrikkelijk.”

Helène antwoordde niets meer, maar snelde alleen het huis uit, den weg op naar dokter Van Esch.

Hij was gelukkig thuis, en hij ging terstond met haar mede. Hij vond meneer Nederhorst nog bewusteloos, bracht hem met behulp van Trui naar zijn kamer, waar ze hem uitkleedden en te bed legden.

„Er zal vannacht bij hem gewaakt moeten worden,” zei de dokter. „Hoe zult u dat doen?”

„O,” zeide Helène. „Ik zal wel in den voornacht waken: dan kan Trui ’t in den nanacht doen.”

„Heel goed; maar dat kunt u niet lang uithouden,” zei de dokter. „Hebt u geen familie, die u kan helpen?”

„Mijn oom Walburg, de eigen broer van ma, woont in Amsterdam,” zei Helène. „Ik zal hem van avond schrijven; dan kan hij maatregelen nemen.”

„Dat is goed,” antwoordde de dokter. „Maar uw vader heeft volstrekt stilte noodig. Hoe zult ge ’t met die twee kleinen maken, die toch, zoolang uw moeder boven aarde staat, niet naar school kunnen gaan. Dan, zooals u me vertelde, is daar nog uw zuster Leonie, wier handen natuurlijk verkeerd staan en die de drukte maar vermeerdert!” [85]

„Leonie zal misschien wel naar Amsterdam terug willen,” zei Helène. „’t Ergst is, dat zij daar ’s avonds zal aankomen.”

Dokter Van Esch dacht een oogenblik na.

„Ik heb er een middel op gevonden,” zei hij, en schreef op een receptenpapier het volgende telegram:

Uw zuster erger. Uw zwager ziek. Kom zoodra mogelijk. Leonie komt trein 7.5 uur terug.

Van Esch.”

„Laat Leonie nu in der haast wat gebruiken, dan neem ik haar mee naar ’t station en verzend eerst het telegram. Verder zal ik met mijn vrouw afspreken, om voorloopig voor van nacht en morgen de kinderen bij ons te houden. Dan hebt ge in zooverre rust. Uw oom krijgt dan eerst het telegram; daarna door Leonie de doodtijding.”

„Ik hoop, dat Leonie er niet tegen heeft,” zei Helène. „Misschien wenscht ze te blijven.”

„Des te beter; dan kan ze u behulpzaam zijn.”

„Ik zal ’t haar gaan vragen,” hervatte Helène; die zich naar haar zuster begaf, en haar vertelde, wat de dokter voornemens was te doen.

„O, ja!” zei Leonie. „Laat mij liever naar Amsterdam terugkeeren; want hier is het alles zoo somber en zoo akelig.”

„Dan zal ik voor wat eten zorgen en kunnen de kinderen tegelijk mee eten; want die gaan van nacht naar dokter Van Esch logeeren.”

Spoedig had zij het eten opgedischt, en gebruikten Leonie, Dora en Alfred het middagmaal. Zij zelf kon niets binnen krijgen; ze was er te vol toe. Intusschen had dokter Van Esch het telegram weggebracht. Toen hij weerom kwam, was de maaltijd [86]afgeloopen, en nadat hij nog eens naar den zieke gekeken en Leonie het lijk harer moeder gezien had, begaf hij zich met Leonie naar ’t station, waar hij haar op den trein van 7 uur 5 minuten plaatste en daarop naar huis ging, om met zijn vrouw over ’t ontvangen der beide jongste kinderen te spreken, welke weldra door zijn dienstbode gehaald en naar zijn huis gebracht werden.

Den volgenden morgen reeds met den eersten trein kwam oom Walburg in ’t sterfhuis aan. Hij vond Helène nog aan ’t bed van haar vader. Ze viel hem snikkend om den hals.

„O, hoe goed van u, dat u zoo dadelijk gekomen bent!” riep ze uit, toen de eerste droefheid wat bedaard was.

„En hoe slecht van jou, om den heelen nacht te waken!” zeide hij. „Je zult zelf ook nog ziek worden. Waarom heb je Trui niet geroepen?”

„Omdat het goede mensch den heelen dag voort moet en ik straks naar bed kan gaan, oom,” antwoordde zij.

„Waarom dan Leonie niet hier gehouden? Die had je ten minste kunnen aflossen.”

„Haar wil is wel goed, oom, maar ze zou ’t niet kunnen doen.”

„Hoe gaat het nu met je vader?” vroeg meneer Walburg.

„Nog steeds bewusteloos,” antwoordde Helène. „Van nacht scheen hij even bij kennis te komen; maar ’t was gauw over. Dokter Van Esch komt zeker wel dadelijk.”

„Laat Trui je even bij pa aflossen, Helène. Dan kun je mij bij ma brengen; daarna wenschte ik je te spreken.”

Helène ging Trui roepen; daarna vergezelde zij haar oom naar ’t lijk zijner zuster.

„Ze rust nu van haar lijden,” zeide hij; „en jij, lief kind! hebt haar laatste levensdagen verhelderd. Met een kalm oog kan je de lieve gestorvene nastaren, die zeker met een blik van [87]welgevallen uit den Hemel op je nederziet. Uit de brieven van je lieve moeder weet ik, wat je voor haar geweest bent, sedert het ongeluk je vader getroffen heeft. Blijf dat voor je vader, lieve! En vindt je niet altijd bij hem den dank en de erkentelijkheid, die de gestorvene je bewees—denk dan slechts aan haar, die hem zoo innig liefhad; denk er aan, hoe diep ongelukkig hij is, nu er dit verlies is bijgekomen.”

„Ik heb ’t ma beloofd, oom!” zei Helène schreiende, „en ik beloof ’t u ook. Ik zal voor pa zijn, wat ik voor hem wezen kan.”

Helène was er erg verguld mee, toen haar oom met haar in de huiskamer ging, en daar met haar raadpleegde alsof zij de vrouw des huizes was. Trouwens, hoe jong ook, was ze dit op het oogenblik; daarbij was ze in de laatste maanden in haar handelen en denken vrij wat ouder en wijzer geworden, en had van haar moeder verscheiden inzichten in zaken gekregen, welke men van een zestienjarig meisje niet zou verwachten. Zoo bepaalden zij, dat oom, die zoo onverwachts zijn huis had verlaten, na de behoorlijke maatregelen tot de begrafenis vastgesteld te hebben, na ’t koffiedrinken zou vertrekken en de beide kleintjes met zich zou nemen; dat Helène voor de bezorging van hun goed zou zorgen en dat op den trein laten brengen, en dat ze dien avond Rudolf zou schrijven en hem geld zenden, om onverwijld over te komen. Wat den rouw aanging, daar zou tante wel voor zorgen; als Helène hem maar een maatjapon meegaf, welke ze best in den koffer, waarin ’t goed van de kleintjes gezonden zou worden, kon sluiten. Tante wist zulke zaken ’t best, en daarenboven zou ’t voor Helène een veel te drukke bemoeiing zijn. Hij repte er daarbij geen woord van, dat hij den geheelen rouw voor zijn rekening nam; ’t geen hij des te beter doen kon, nu zijn zwager buiten staat was, om er iets van te vernemen; daar deze ’t anders geweigerd zou [88]hebben. Helène, die de zaak zeer goed begreep, vond er niets vernederends in, dat de eigen broer van haar moeder er op gesteld was, dat haar kinderen in den rouw zouden gaan, en dat hij, de rijke man, die onkosten op zich wilde nemen. Van ieder ander zou zij ’t geweigerd hebben; niet van hem. Oom gaf haar wat geld, om in de noodige uitgaven te voorzien, beloofde pogingen aan te wenden, om uit de ziekeverpleging te Amsterdam een ziekezuster mee te brengen, dokter Manders te verzoeken, met dokter Van Esch een consult te houden over haar vader, en den volgenden middag terug te komen, om tot na de begrafenis te blijven. Opdat Helène echter den avond niet weer zou waken, wilde hij den dokter verzoeken, voor dien nacht een goede waakster te bezorgen. Voor alle dingen moest ze echter een paar uren op de kanapé gaan liggen—zoolang zou hij wel bij haar vader blijven en daar de noodige schikkingen voor de begrafenis en andere dingen maken.

Den volgenden namiddag kwam oom Walburg terug en bracht Rudolf mede, wien hij in Amsterdam een rouwpak had laten aanmeten, en een pleegzuster, die terstond reeds dien eersten nacht bij den zieke zou waken, die nu wel niet meer bewusteloos was, maar toch in ijlende koortsen lag. Dokter Manders zou den volgenden dag, Zondag, overkomen om een consult te houden; want dokter Van Esch vreesde dat het een langdurige ziekte zou worden.

Rudolf was diep getroffen over den dood zijner lieve moeder, van wie hij inderdaad veel gehouden had, en gedurende den tijd, dien hij thuis vertoefde, loste hij Helène geregeld aan ’t ziekbed van zijn vader af. En zoo kwam de dag der begrafenis aan. Niemand zou het lijk vergezellen, dan oom Walburg, dokter Van Esch en Rudolf. Helène had echter, met verlof van haar oom, zich een halfuur te voren naar het kerkhof begeven, om bij de begrafenis tegenwoordig te zijn en te weten, waar [89]ze haar lieve moeder zouden leggen. Ze had den doodgraver eenig geld ter hand gesteld, om daarvoor een paar mooie rozenpotten te koopen, die op het graf te planten en ze te onderhouden. Daar stond ze snikkend en met een doodsbleek gelaat aan den kuil, waarin ’t liefst, wat ze op aarde had, nederzonk, en daar bleef ze nog staan, steeds op die lijkkist starende toen de anderen reeds vertrokken waren.

Eensklaps werd er een hand zacht op haar schouder gelegd en sprak een vriendelijke meewarige stem achter haar:

„Zalig zijn de dooden die in den Heer sterven: want ze rusten van hun arbeid en hun werken volgen hen!”

Helène keek op, in ’t volgende oogenblik lag ze in de armen van haar lieven vriend, den goeden dokter Faminga.

„Lieve Helène! Arm kind!” zeide hij meewarig. „Zoo jong nog, en al zoo onder ’t verdriet gebogen!”

„Ze was zoo goed, zoo engelachtig goed, dokter!” riep Helène snikkend uit. „O, u hebt haar maar korten tijd gekend!”

„Lang genoeg, om te weten, wat je in haar verloren hebt,” antwoordde de dokter. „Doch ga even met mij mee naar huis; dan zal ik je iets kalmeerends geven.”

Helène ging met hem mee.

„Ach, pa is ook zoo ziek!” zei Helène. „Wanneer ook hij ons maar niet ontvalt!”

„Ik weet alles,” antwoordde dokter Faminga; „want dokter Van Esch is mijn vriend en houdt mij op de hoogte van ’t geen er bij u aan huis voorvalt, hij zou mij gaarne in consult nemen, indien de onverklaarbare tegenzin, welke uw vader tegen mij koestert, dat niet onbepaald verhinderde.”

„O, dokter! Ik heb er zooveel verdriet van, dat pa zoo tegen u is, en ’t heeft ma ook heel wat leed veroorzaakt. Ze had vrij wat liever, dat u haar behandeld hadt dan dokter Van Esch, [90]ofschoon ze hem volkomen vertrouwde en hij een allerliefst, hartelijk man is.”

En ze vertelde hem, hoe hij uit zichzelf haar broertje en zusje bij zich had genomen om haar te verlichten.

Zoo sprekende, waren ze aan de villa van den dokter gekomen, en verzocht deze Helène om plaats te nemen, waarop hij naar een klein kastje ging, waarin zich een apotheek bevond, iets in een kopje schonk en ’t Helène gaf.

„Hier lieve,” zei hij. „Drink dit leeg, dat zal u zeker kalmeeren; want je bent geducht overspannen, wat trouwens geen wonder is na al ’t geen je in de laatste dagen hebt ondervonden. Vertel me iets van de laatste levensdagen van je moeder!” Helène deed dit. „U vondt het toch niet verkeerd, dokter,” eindigde zij, „dat ik op het kerkhof was? Oom had het goedgevonden!”

„In ’t geheel niet, kindlief!” antwoordde de dokter. „Ik vond het integendeel zeer natuurlijk, en als uw lieve mama ’t wist, zou ’t haar zeker genoegen gedaan hebben, dat haar lieve Helène aan haar graf stond, om haar ’t laatst vaarwel te zeggen.”

„Ik heb den doodgraver last gegeven, om twee mooie rozenpotjes op haar graf te plaatsen en die te onderhouden.”

„Dat is lief van je. Hadt je er aan gedacht, dat ik hier zoo dicht bij woonde, dan hadt je de zorg wel aan mij kunnen overlaten. Ik hield zooveel van uw moeder. Ach, ze leek zoo sprekend op mijn brave gestorven vrouw, evenals jij op mijn dochtertje lijkt, dat op jou leeftijd door een hevig roodvonk uit mijn armen werd gerukt. Ach, toen mijn Helène—ze heette toevallig even als jij—stierf, kon mijn arme vrouw niet langer leven … Ze volgde haar kind maar al te spoedig in ’t graf en liet mij alleen op de wereld!”

De goede dokter wischte een traan af, die zijns ondanks in zijn oogen sprong. Daarop zei hij: [91]

„Je moogt nu wel gauw naar huis gaan; anders zal je oom ongerust over je worden. Ik zal je zelf naar huis brengen.”

Toen ze aan ’t huis van meneer Nederhorst gekomen waren, gaf de dokter haar de hand:

„God schenke je kracht, om de zwaarte van ’t leed en van je taak te dragen, lieve!” zeide hij. „En mocht het je soms te bang worden en je kunt een oogenblik uitbreken—kom dan bij mij: je weet, waar ik woon.”

Dienzelfden namiddag vertrokken oom Walburg en Rudolf, en Helène bleef alleen.

Er was bepaald, dat Dora en Alfred eerst zouden terugkomen, wanneer hun vader wat beter was, en, ofschoon Helène er in moest toestemmen, daar ’t haar vrij wat meer tijd gaf, om zich over dag aan haar zieken vader te wijden, miste ze toch ’t gezellig bijzijn der twee lieve kinderen, die zoo aan haar gehecht waren. O, wat was ’t haar nu eenzaam in huis, sedert haar moeder haar verlaten had, aan wier borst ze al haar leed, al wat haar hinderde, kon uitstorten! Treurig zat ze aan ’t ziekbed haars vaders, die nog steeds in ijlende koortsen lag. En toen deze hem verlieten en zijn bewustzijn terugkeerde, was het, of haar tegenwoordigheid hem hinderde als was zij de schuld van den dood harer moeder. Misschien verbond zijn zwak denkvermogen dat overlijden wel met haar, die hem ’t eerst die treurmare mededeelde. Hoe ’t zij, wat ze ook deed en hoe ze ook voor hem zorgde, hoe ze hem zelfs de smakelijkste kostjes bracht, om zijn ontwakenden eetlust te prikkelen—geen enkel woord, geen enkele blik beloonde haar voor al haar bemoeiingen. ’t Werd haar tusschenbeiden bang op die ziekekamer, en ’t was haar daarom een weldaad, toen haar tante haar jongste broertje en zusje kwam terugbrengen, en ze bij dezen de hartelijke liefde vond, welke ze bij den zieke miste, toen ze door hen meer van de ziekekamer afwezig moest zijn, [92]waar haar hart zoo zeer op de pijnbank werd gelegd. Daarbij kwamen de zorgen voor de huishouding; want het geld, dat haar oom haar had gegeven, was reeds lang op. Daar ze haar vader niet om huishoudgeld kon vragen, moest ze rekening maken bij de leveranciers, die dat niet gewoon waren en haar dus reeds verscheidene malen om betaling aangemaand hadden. Eindelijk trok ze de stoute schoenen aan en legde haar vader de verschillende rekeningen met het bedrag daarvan op een lijstje voor.

„Pa, zoudt u mij geen geld daarvoor kunnen geven?” vroeg zij. „De menschen worden ongeduldig.”

„Welke menschen?” vroeg haar vader.

„Onze leveranciers,” antwoordde Helène. „Daar ik u in uw ziekte niet om huishoudgeld heb kunnen vragen, heb ik alles maar laten opschrijven.”

Meneer Nederhorst keek de rekeningen in, zijn gelaat betrok.

„Dat is een heele som!” zei hij. „Je moet verschrikkelijk verkwistend zijn geweest! En dat bij al de andere uitgaven! En wat een rekening bij den poelier!”

„Maar pa!” riep Helène schreiende uit: „hoe zou ik u kippensoep en gebraden hoentjes hebben kunnen geven, als ik ze niet van den poelier gehad had. En dan, in hoeveel tijd heb ik geen cent voor huishoudgeld van u gehad!”

’t Scheen, dat meneer Nederhorst de juistheid van haar opmerking moest toestemmen, erkennen deed hij ’t echter niet. Zwijgend betaalde hij haar ’t bedrag der rekeningen, gaf haar daarenboven eenig huishoudgeld, en zeide alleen: „Ik verwacht, dat je voortaan wat spaarzamer zult zijn.”

Met een tot barstens toe vol gemoed nam Helène het geld op. O, als haar vader eens wist, met hoe weinig Trui en zij zich en al dien tijd vergenoegd hadden! Maar haar komst had nog een reden. Ze had de boeken harer moeder meegebracht, [93]welke deze haar den avond voor haar sterven ter hand gesteld had. Ze vermande zich dus en zei zoo kalm mogelijk: „Den avond van uw vertrek beval ma mij, u, wanneer zij gestorven was, deze boeken ter hand te stellen. ’t Was de beste erfenis, die zij u kon nalaten, zeide ze. Tevens verdeelde zij haar weinige overgeblevene kostbaarheden onder haar kinderen. Ze pakte ze zelf in papier en beval mij, ze te verzegelen en er de namen op te schrijven, daar zij te veel beefde. Aan Leonie vermaakte zij haar juweelen oorringen, aan Dora haar juweelen ring, aan Rudolf haar juweelen speld, aan Alfred haar gouden ketting, haar horloge aan mij, en haar bijbeltje, dat ze dagelijks gebruikt had, met deze boeken aan u. Ze stelde alles onder mijn bewaring, opdat ik ’t hun ter hand zou stellen, wanneer ze zestien jaar zijn. Vindt u dat goed, of zal ik ze u in bewaring geven?”

„Bewaar ze maar,” zei meneer Nederhorst afgetrokken; terwijl hij ’t bijbeltje zijner vrouw in handen nam en in een zwijgende afgetrokkenheid verviel.

’t Bleef een treurige verhouding tusschen meneer Nederhorst en zijn dochter, en die verhouding deed haar des te meer haar moeder missen. Intusschen was ’t voor haar een groote verlichting, dat Dora en Alfred weer thuis kwamen, bij wie zij een hartelijke gehechtheid vond, ofschoon zij haar taak vrij wat bemoeilijkten. Van Leonie hoorde of zag zij niets, en Rudolf was ook geen ijverige briefschrijver. Toch hoopte ze, dat haar vader, wanneer zijn oudste zoon thuis kwam, wel wat opgewekter zou worden. Den eenigen troost zocht en vond ze bij haar vriend, den dokter, dien ze van tijd tot tijd des avonds, als de kinderen te bed waren, eens opzocht en bij wien ze haar hart uitstortte. Met hem kon ze zoo vol vuur over haar lieve moeder spreken en haar bezwaren mededeelen. Geen wonder dat, onder ’t spreken, ook haar financiëele moeilijkheden voor den dag kwamen. [94]

„Ik wou maar, dat ik wat geld verdienen kon, om in de huishouding te gemoet te komen,” zei ze eens.

De dokter keek haar glimlachend aan.

„En wat zou mijn klein huishoudstertje dan wel willen doen?” vroeg hij. „Heeft ze ’t nog niet druk genoeg?”

„Ja, wat zou ik kunnen doen?” vroeg zij. „Er zijn dingen genoeg; b. v. les geven aan kinderen, naaien, borduren of fantasiewerkjes maken. Maar pa zou daar nooit zijn toestemming toe geven.”

„Ik geloof ook, dat die zaken je niet veel zouden opbrengen, en dat er je de tijd toe zou ontbreken. Daarenboven zou je zeker tegenwerking bij je vader vinden. Hij is te hooghartig, om het toe te staan.”

„Juist daar ben ik bang voor, dokter. En toch zou ’t zoo noodig zijn.”

„Luister eens, Helène, je schrijft zeker een goede, duidelijke hand?”

„Ik hoop van ja,” antwoordde ze bescheiden.

„Welnu, ik heb een vriend, die voor de pers werkt. Hij heeft het ongeluk van heel onduidelijk te schrijven en daardoor nog al last op de drukkerij. Hij zond mij deze week een zijner copieën, met verzoek, om iemand te vinden, die ze voor hem wil overschrijven. Als jij dat eens wilde doen. Ik weet zeker, dat hij er goed voor zal betalen; want het is hem veel waard, om alles juist en net overgeschreven te hebben. Naar ik merk, is ’t geen onaangename copie ook: ’t zijn verhaaltjes voor kinderen. Daarenboven hoef je er je niet mee te haasten en je dus niet te overwerken. Wacht, ik zal ’t manuscript eens halen, dan kun je zien, of je ’t ontcijferen kunt.”

’t Was inderdaad een raar handje, maar Helène begreep toch, dat ze er met een weinig studie gemakkelijk uit zou komen en dat slechts ’t begin wat moeilijk zou zijn. Zij nam [95]dus ’t voorstel aan en de belooning was zoo, dat zij, als ze ’s morgens wat vroeger opstond en ’s avonds, als ze toch alleen was, haar tijd aan ’t overschrijven besteedde, er vrij wat mee verdienen kon, wat haar ’t besturen der huishouding zeer veel verlichten zou. Met opgeruimder gemoed dan ze gekomen was, verliet ze dokter Faminga, weinig vermoedende, dat deze zelf de schrijver was van die lieve verhaaltjes voor kinderen en dat zijn verontschuldiging ten aanzien van de drukkerij niets anders dan een voorwendsel was, om haar op een fatsoenlijke manier door eigen arbeid eenig geld te laten verdienen.

Wat een genoegen was ’t haar, toen ze de overgeschreven copie terugbracht en de dokter haar uit naam van den haar nog onbekenden schrijver het geld ter hand stelde. ’t Was een heele aardigheid, dat zelf verdiende geld in haar portemonnaie te doen en het denkbeeld te koesteren, nu wat beter rond te komen.

Jammer, dat de troost, dien haar de bezoeken bij den dokter schonken, slechts al spoedig moest ophouden. Op zekeren avond toch, dat hij haar na een bezoek thuisbracht, ontmoetten zij meneer Nederhorst, die een avondluchtje ging scheppen. De dokter, die meende dat haar vader wel bekend was met haar bezoeken, nam die gelegenheid waar, om hem geluk te wenschen met zijn herstel. Hij trad dus op hem toe, stak de hand uit en zeide:

„Het doet mij genoegen, meneer Nederhorst, u weer in zooverre hersteld te zien. Met veel belangstelling en deelneming heb ik uw onherstelbaar verlies en uw ziekte vernomen!”

„Dokter Faminga, naar ik meen,” antwoordde meneer Nederhorst. „De onbeschaamste indringer dien ik ken, en dat in gezelschap mijner dochter!”

„Die mij bezocht heeft en die ik naar huis breng,” zei dokter Faminga met onverstoorbare kalmte; terwijl hij zich ter wille van Helène bedwong. [96]

„En die u niet meer bezoeken zal,” hernam meneer Nederhorst beleedigend. „Ik denk toch wel dat ik baas ben over mijn eigen kinderen en ’t aan mij zal staan om te veroorloven met wie ze al dan niet zullen omgaan?”

„Niemand betwist u die macht,” hernam de dokter schouderophalend. „Zij zal mij niet weer bezoeken, meneer! Ik wist wel, dat uw huis mij verboden was, doch kon daarin geen reden zien, waarom uw dochter niet bij mij zou mogen komen.”

Dit zeggende, keerde de dokter zich om, ten einde alle verdere wederspraak te vermijden, welke anders op een hevigen twist had kunnen uitloopen, die de kloof nog wijder zou gemaakt hebben dan ze nu al was. Bitter bedroefd ging Helène het huis in, en ze schreide lang, eer ze den slaap kon vatten. [97]