[Inhoud]

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Een ongelukkig redmiddel.

„Is ’t waar, Rudolf, wat Gerrit daar zei?” vroeg Ernst van Hogenberghe hem, toen zij alleen waren.

„De zaak van mijn vader?” vroeg Rudolf.

„Neen, die meen ik niet. Ze is ongelukkig genoeg, maar kan je nooit tot schande strekken, en een laag karakter, die den zoon verwijt wat zijn ouders gedaan hebben.”

„En dan nog op zoo’n gemeene, lage manier,” zei Rudolf. „Alsof pa een bankroetier was!”

„’t Stond jou evenmin mooi, hem te verwijten, dat zijn vader een rijk geworden komenijsman is. Je hebt hem daardoor in de oogen van al de jongens vernederd.”

„’t Viel mij in mijn drift uit den mond,” zei Rudolf. „Als jij of een ander mij verweet, wat hij durfde doen, zou ik ’t misschien geduldig verdragen; maar uit den mond van zoo’n jongen.…”

„Juist tegenover zoo’n jongen moest je gezwegen hebben, vooral omdat je verplichtingen jegens hem hebt, ten minste als het waarheid is, wat Gerrit daar zei: en dat was het, wat ik je zooeven vroeg. Heb jij, die wist in welke omstandigheden je vader zich bevond, geld geleend, en dat nog wel van zoo’n jongen!”

„Helaas! ja, Ernst,” antwoordde Rudolf. [117]

„En is ’t veel?”

„Ik vrees van ja. Om je de waarheid te zeggen, heb ik er geen rekening van gehouden.”

„Nog dwazer—Gerrit kan je nu voorleggen wat hij wil en je kunt hem het tegendeel niet bewijzen. Ik wou, dat ik je helpen kon, dan verloste ik je terstond uit zijn klauwen. Maar je weet zelf, hoe schriel ik ’t moet aanleggen om rond te komen. Niet dat ik er mij over schaam—dat heb ik nooit gedaan; maar ik heb ook nooit een cent van iemand geleend, hoe hartelijk ’t mij ook door verscheidene is aangeboden.”

„Dat weet ik, en ik had evenzoo moeten doen,” hernam Rudolf. „Maar valsche schaamte weerhield me. Ik, die vroeger altijd zoo ruim van zakgeld voorzien was, bekennen, dat ik nu niet meer mee kon doen! Dan had ik tevens de treurige geldelijke omstandigheden van pa moeten meedeelen …”

„Die nu toch aan ’t licht gekomen zijn, en wel op een vrij wat onaangenamer manier dan toen ’t geval zou zijn geweest,” hernam Ernst. „Je hadt eenvoudig kunnen zeggen: pa houdt me tegenwoordig kort; dus kan ik er niet aan meedoen. Doch ’t is nu te laat, en je moet ’t nemen zoo als ’t is. Kun je ’t geld niet van den een of ander te leen krijgen?”

„Van wien zou ik dat te leen krijgen!” zuchtte Rudolf. „Pa kan ’t mij niet geven, mijn zuster heeft het ook niet, en bij mijn oom Walburg, ofschoon hij rijk is, zou ik er niet mee durven aankomen.”

„En toch zou ik ’t royaalweg aan mijn vader schrijven,” zei Ernst. „’t Zal hem voor dien eenen keer een kleine opoffering en jou natuurlijk een duchtig verwijt kosten (dat je trouwens dubbel en dwars verdiend hebt), maar je tevens verlossen uit de handen van een jongen, die zoo gemeen is, dat ik hem tot alles in staat reken.”

„Je hebt gelijk, en ik zal het doen,” antwoordde Rudolf. [118]

Maar daar kwam weder die ongelukkige valsche schaamte in den weg. In plaats van royaal aan zijn vader te schrijven schreef hij den volgenden brief aan Helène.

„Lieve Helène. Aan pa schrijvende, sluit ik hier een lettertje aan jou in. Zooals je uit pa’s brief wel zult vernomen hebben, ben ik goed en wel hier aangekomen, en neem ik deze gelegenheid waar, om je nogmaals te bedanken voor al de zorgen, die je aan mij gedurende mijn ziekte en mijn herstel besteed hebt. Hoeveel ik altijd van je gehouden heb—ik houd nu nog meer van je, en dat voel ik eerst recht, nu ik hier weer onder vreemden ben, die hoe goed ze ook voor mij zijn, toch jou niet vervangen kunnen.

„’t Zal je ook wel stil zijn, nu ik weg ben. Maar jij hebt altijd Dora en Alfred nog, die je den tijd verdrijven. Niet dat ik mij hier verveel, o, neen! De jongens zijn allen even goed en vriendelijk voor me. Ze waren heel blij dat ik terug was. Hoe goed ze echter zijn, er gaat niets boven een zuster, ten minste niet voor

„je liefhebbenden broer
Rudolf.”

„PS. Heb je meneer Radinus nog wel eens gezien, sedert ik weg ben? Ik kan ’t nog maar niet opkrijgen, dat pa hem zoo vijandig is. Je moet er toch eens zien achter te komen, wat er de reden van is.”

„PS. PS. Ik heb geld noodig. Zou je niet een twintig, vijf-en-twintig gulden voor mij van pa kunnen krijgen? Ik wil ’t later wel van mijn weekgeld inhalen. Misschien heb je ’t nog wel in je spaarpot, of van ’t huishoudgeld een spaarpotje gemaakt. ’t Liefst had ik dat je ’t mij kon voorschieten—dan had pa er niets mee te maken.”

Uit dezen brief kunt ge den heelen Rudolf proeven. Inplaats [119]van rond voor de zaak uit te komen en te zeggen dat hij geld geleend had, liep hij er luchtig over heen en haalde ’t los in ’t voorbijgaan in een postscriptum aan. Was het dus wel wonder, dat hij een brief kreeg van den volgenden inhoud:

„Lieve Rudolf. Je brief deed me veel genoegen, ofschoon ik niet begrijp, hoe het komt, dat jij, die toch weer naar de kostschool verlangde, je niet volkomen gelukkig gevoelt onder je kameraads. Waarschijnlijk een gevolg van de overgebleven zwakte. Dat zal wel spoedig beter worden. Ontzie echter vooreerst je krachten en doe niets boven je macht—’t zou zeer nadeelig voor je gezondheid kunnen zijn. Wat aangaat je vraag om geld, beste jongen, ’t spijt me, dat ik daaraan niet voldoen kan. Ik heb gedurende de ziekten van ma, pa en jou alles wat ik had voor bijzondere uitgaven moeten gebruiken en nog ander geld daarbij. En op het huishoudgeld kan ik geen cent besparen: ’t is toch al moeielijk genoeg, om daarmee rond te komen. Wat pa aangaat, dien zou ik ’t niet durven vragen. Hij gaat gebukt onder de groote uitgaven, welke hem drie zoo kort op elkander gevolgde ziekten veroorzaakt hebben. Je zult je voor ditmaal dus ’t genoegen moeten ontzeggen, van met de andere jongens mee te doen, ’t geen je des te beter kunt, wanneer je je nog zwakke gezondheid in rekening brengt, waarbij je gerust kunt aanvoeren, dat dokter van Esch je uitdrukkelijk verboden heeft, om in den eersten tijd aan overspannende lichaamsoefeningen deel te nemen.

„De hartelijke complimenten van Dora en Alfred. Ik ben als altijd

je liefhebbende
Helène.

Wanhopig wierp Rudolf dien brief neer, en bromde op zusters, [120]die niets voor haar broers over hadden. Gedurende zijn herstel toch had hij wel bemerkt, dat ze een afzonderlijk potje had; want ze had dikwerf voor hem versnaperingen laten halen, welke ze uit een andere beurs dan die van ’t huishoudgeld bekostigd had. Had de knaap geweten, dat dit geld kwam van ’t zuur verdiende copieloon, dat met de buitengewone uitgaven geheel en al was opgeraakt, zonder dat zijn edelmoedige zuster er voor zichzelf ’t noodwendigste afgenomen had—hij zou zich geschaamd hebben, haar om iets te vragen; nog meer beschaamd, dat hij „en grand seigneur” geleefd had; terwijl zijn arme zuster zich na haar drukken, huiselijken arbeid, ’s avonds had ingespannen, om eenig geld te verdienen. Doch Rudolf wist dit niet, daar Helène het zorgvuldig voor hem verborgen gehouden had. Daardoor kon hij dan ook niet weten, dat ze in den laatsten tijd, juist door zijn ziekte, geen geld had kunnen verdienen.

Ofschoon de handen van Rudolf jeukten, om Gerrit Zalmvoort eens een ferm pak slaag te geven—begreep hij dit tot een gelegener tijd te moeten uitstellen en wel, tot zijn krachten zouden bijgekomen zijn. En nog dan was ’t niet voorzichtig geweest; want, als hij soms door zijn meerdere vlugheid Gerrit een nederlaag had toegebracht, zou deze nog meer gebruik gemaakt hebben van ’t zedelijk overwicht dat hij op zijn schuldenaar had, door ’t geld dat deze hem schuldig was. Schier dagelijks maande Gerrit hem om betaling, ja, dreigde hem, de zaak aan meneer Voornvisser aantegeven, en de nood dreef Rudolf eindelijk, om aan een deur te kloppen, waar hij ’t wel allerminst graag deed, ofschoon zeker niemand beter in staat was, om hem te helpen: hij schreef aan oom Walburg.

Den dag nadat hij dien brief verzonden had, waarop Rudolf, al mocht zijn oom ook een beetje knorrig zijn, stellig een [121]gunstig antwoord wachtte, vond Gerrit Zalmvoort hem alleen en sprak hem aan.

„Hoor eens, Rudolf,” begon hij. „Mijn geduld loopt ten einde. Vijf en twintig gulden veertig is geen kleinigheid. Gelukkig, dat de komenijsjongen een rijken vader heeft, anders zou hij er mooi mee zitten. Maar ondanks dat, laat de komenijsjongen zich door den kalen Amsterdamschen heer niet van ’t hem eerlijk toekomend geld berooven. Aan bedelaars van jouw soort kan men alle dagen zijn geld kwijt raken. Ik verlang dus mijn geld of een gedeelte er van, anders ga ik naar meneer Voornvisser, en dan moet je maar afwachten, wat er van komt.”

Rudolf keek hem met een blik vol verachting aan.

„Wees maar niet bang voor je geld,” zei hij.

„Dat zeggen ze meer,” hervatte Gerrit. „En ’t is heel gemakkelijk iemand met zulke machtspreuken af te schepen. Ik vraag echter een klinkend antwoord. Ik heb je nu lang genoeg krediet gegeven en verkies je niet langer te borgen. Ik ben wel dom geweest, dat ik mij zoo heb laten afzetten.”

Ofschoon Rudolf zich van toorn op de lippen beet en een kleur van gramschap kreeg, bedwong hij zich echter en zei tamelijk kalm:

„Binnen een paar dagen verwacht ik de toezending van een bankje van ƒ 25; dan zal ik je voluit betalen.”

„Ei, ei! Zoo, zoo! En waar zul je dat van daan halen? Heeft je pa ’t misschien in een oude kous voor je gespaard?”

„Dat kan jou niet schelen.”

„Maar wel, dat ik mijn duiten krijg. Ik heb mijn geld zelf noodig en bedank er voor, om langer te wachten. Wat dat verwachten van geld aangaat, daarvan geloof ik geen enkel woord, voor ik den brief zie, waarin je de zekerheid wordt gegeven, dat het komen zal.”

„Welzeker!” riep Rudolf, die dit natuurlijk niet kon doen, [122]hooghartig uit, „je nog mijn particuliere brieven op den koop toe laten zien. En dat voor een bagatel van vijf en twintig gulden!”

„Als het dan zoo’n bagatel is, betaal het dan maar.”

„Zoodra ik ’t geld krijg.”

„Dat ik je heet liegen, zoolang ik den brief niet gezien heb, waarin ’t staat.”

„Mijn woord moet je genoeg zijn.”

„Jouw woord?” riep Gerrit schaterend van lachen uit. „’t Woord van een afzetter, die geld van iemand leende, toen hij wist dat hij ’t nooit zou kunnen terug betalen. Van iemand, die door jou zoo bedrogen is als ik, zul je toch wel geen onvoorwaardelijk geloof kunnen verwachten.”

’t Was vreeselijk voor Rudolf zich zoo diep te moeten zien vernederen door een knaap, dien hij zoo zeer verachtte. Wel werd aan hem de spreuk bewaarheid: Die zich onder de varkens mengt, moet draf eten. Geduldig moest hij al die vernederingen verdragen. ’t Minste wat hij er tegen in zeide, zou zijn schuldeischer geducht op hem wreken. Hij zweeg dus op die beleedigende woorden en zei alleen:

„Heb dan geduld, tot het geld komt.”

„Ik heb al zoolang geduld gehad en verkies meerdere zekerheid, of ik ga terstond naar meneer Voornvisser. Ik heb ’t geld zelf noodig.”

„Maar ik kan het toch niet van mijn lijf snijden,” hernam Rudolf.”

„Je kunt het in alle gevallen leenen.”

„Ik leenen? Wie zal mij geld leenen?”

„O, een boel menschen, mits je hun een onderpand geeft.”

„Ik heb geen onderpand,” antwoordde Rudolf.

„Wat? Heb jij geen onderpand? Heb je daar geen mooi gouden horloge; daar zul je ten minste wel vijf en twintig [123]gulden op krijgen; dan kun je mij betalen en ’t horloge later lossen. Acht stuivers zul je toch wel in je zak hebben. Ik geef je een uur tijd om er over na te denken. Als je over een uur niet tot het besluit gekomen bent, om het te doen, dan klaag ik je terstond bij meneer Voornvisser aan.”

„Ellendige, inhalige vrek!” mompelde Rudolf, weinig bedenkende, dat Gerrit in zijn volle recht was, en dat hij in diens geval zeker niet anders zou gehandeld hebben, vooral na de beleediging, welke hij hem had aangedaan door hem openlijk als den zoon van een komenijsman bekend te maken. Daarenboven was ’t immers geleend geld, en nog wel geleend op een tijd, waarop hij wist, dat hij ’t niet terug zou kunnen geven. Dat Gerrit dus op betaling aandrong, was natuurlijk, en dat hij dreigde de zaak aan meneer Voornvisser aan te geven, was niet minder natuurlijk. En wat gaf hij er om welke waarde ’t horloge voor Rudolf kon hebben—als hij zijn geld maar had. Daarenboven—Rudolf behoefde ’t immers niet te verkoopen, slechts te verpanden. Tot zooverre dus was Gerrit in zijn recht. Had hij nu Rudolf naar een door de wet erkende lombard of bank van leening verwezen—er ware niets op zijn gedrag te zeggen geweest.… dat hij den onergdenkenden jongeling echter met een woekeraar in aanraking bracht, was onvergeeflijk—was misdadig.

„Ellendige, inhalige vrek!” riep Rudolf uit, toen Gerrit hem verlaten had. „Wat ben ik toch een dwaas geweest, om mij zoo in zijn klauwen te werpen! Was Ernst maar hier! Dan kon ik hem raadplegen!”

Maar Ernst had ongelukkig sedert eenige dagen de kostschool verlaten. De plotselinge dood zijns vaders, die kort voor ’t einde van ’t kwartaal had plaats gevonden, had mevrouw van Hogenberghe, wier weduwepensioen te gering was om het kostgeld voor hem te betalen, aan den heer Voornvisser doen verzoeken, [124]haar met het einde van ’t kwartaal van haar verplichtingen te ontslaan, hetgeen deze gedaan had. En zoo had zijn beste en oprechtste vriend hem verlaten en kon hij hem niet om raad vragen; zeker een ongeluk in den toestand, waarin hij zich bevond. Aan geen der andere jongens had hij zich zoo aangesloten, geen van hen deelde zoo in zijn vertrouwen. Hij stond dus alleen, en waar Ernst hem bepaald zou hebben aangeraden, om liever meneer Voornvisser in de zaak te betrekken, in welk geval alles zeker beter zou zijn afgeloopen, begon hij al spoedig tot het voorstel van Gerrit over te hellen.

„’t Is inderdaad het best wat ik doen kan,” zei hij bij zichzelf. „’t Is toch maar voor een dag of wat; want oom zal mij de vijfentwintig gulden zeker wel zenden. Had ik er maar een paar dagen vroeger om geschreven, dan had ik ’t nu al gehad. De dreigementen van dien jongen vervelen mij. Alles liever, dan langer onder hem te moeten zitten.”

„Maar,” sprak een inwendige stem, „je hebt Helène plechtig beloofd, alle zorg voor ’t horloge te dragen.”

„Mijn hemel! Ik verkoop het niet; ik geef het maar voor een korten tijd aan een ander in bewaring.”

„Maar Helène zou ’t niet willen hebben, dat je het deedt,” hervatte zijn beter ik.

„Wat komt er dat op aan! Meisjes zijn altijd zoo bang en vreesachtig. Ik zal er echter wel voor zorgen, dat ze er niets van verneemt.”

„Welnu,” vroeg Rudolf, toen Gerrit terugkwam. „Bij wien kan ik nu geld te leen krijgen op ’t horloge?”

„Ha! Heb je toch eieren voor je geld gekozen!” zei Gerrit.

„Ik vraag je, waar ik geld kan krijgen op dit horloge?”

„In Amsterdam, bij Mozes Zadok. Een goede kerel, dien je vertrouwen kunt.”

„Zoo. Maar hoe zal ik bij hem komen?” [125]

„Dat hoeft niet. Ik zal dat zaakje wel voor je behandelen.”

„In ’t geheel niet. Zulke zaken doe ik ’t liefst zelf,” hervatte Rudolf. „Maar ik had liever dat de kerel hier op het dorp woonde; dat was handiger.”

„’t Is morgen Zondag. Als je nu aan meneer Voornvisser vertelt, dat je papa graag had, dat je morgen voor den middag in Amsterdam kwam, dan zal hij er zeker niets tegen hebben, dat je daarheen gaat. Ja, als je ’t graag hebt, wil ik wel meegaan. Zadok is een kennis van me en als ik er bij ben, behandelt hij je zeker civieler.”

„Ik bedank om ’t voor jou te vragen. Dat zou achterdocht verwekken.”

„Mij goed; doe ’t dan niet. Maar je zult er spijt van hebben—dat verzeker ik je.”

Hierop gaf hij hem een volledige beschrijving van ’t een en ander. Daarop ging Rudolf naar meneer Voornvisser. ’t Kostte hem, die gewoon was altijd de ronde waarheid te zeggen, moeite om zijn onderwijzer zoo goedsmoeds wat voor te liegen, en hij besloot, dat hij, als hij uit de netelige zaak gered was, zich nooit weer in zulk een wespennest zou begeven. Hij kreeg ’t gevraagde verlof, en, na van Gerrit geld te hebben geleend voor de reis, waardoor de schuld alweer vermeerderde, ging hij den volgenden dag met een retour naar Amsterdam. Wie hem daar had zien komen, zou ’t er zeker voor gehouden hebben, dat zijn geweten niet zuiver was, en, om u de waarheid te zeggen, klopte zijn hart van angst, dat hij soms zijn oom of tante of een zijner kennissen mocht tegenkomen; waardoor hij stellig verraden zou zijn geworden. Hij volgde dan ook niet den koninklijken weg, maar sloop door zij- en achterstraten naar de straat, waar Mozes Zadok woonde.

’t Was een ruime winkel met slechts éen breed raam, maar als men er voor stond kon men duidelijk bespeuren, dat Mozes [126]in alle zaken handelde; want wat daar al niet in bonte wanorde door elkander voor de glazen lag, is schier niet te gelooven. Rudolf zag daar onder andere ook eenige zilveren en gouden horloges liggen. Met een kloppend hart stapte hij den stoep op, deed de onderdeur, waarvan de bovendeur wijd aan stond, open en trad, terwijl een veerschel een vreeselijk gelui aanhief, het met blauwe tegels bevloerde voorhuis binnen. Van de helder-lichte straat zoo op eens in het betrekkelijk donkere voorhuis komende, kon hij geen hand voor de oogen zien, toen een schelle stem, die van achter de toonbank scheen te komen, hem, zoodra de voorschel had opgehouden te luiden, tamelijk onbeleefd toeriep:

„Wat mot je? Verkoopen of beleenen?”

„Beleenen,” antwoordde Rudolf, die nu eerst een mageren, tamelijk haveloozen jongen van een jaar of zestien achter de toonbank zag zitten.

„Ga dan het trapje maar op, die dubbele deur door; daar is de patroon,” antwoordde de knaap, op een knop drukkende, waardoor een schel op de opkamer werd gehoord. De porte-brisée was voor de helft van kleine ruiten voorzien, die met groen gaas bespannen waren, zoodat men er doorheen kon zien. Nauwelijks stond hij op de bovenste trede, of de deur werd van binnen opengetrokken en hij bevond zich in een donker, smerig vertrek, van een groot raam voorzien. Aan de wanden waren kasten en laden. Vóor het raam zat aan een lessenaar de eigenaar van den winkel, Mozes Zadok, een man van in de zestig jaar, met grijze lokken, een paar listige oogen en een sluwen glimlach om den mond. Zijn magere gestalte was in een soort van tabbaard of kamerjapon gehuld en op ’t hoofd had hij een zwartfluweelen kalotje.

„Waarschijnlijk de jongeheer, die van wege meneer Zalmvoort komt,” zei Mozes sluw en nederig. „Kom nader, jongmensch.” [127]

„Ik kom in ’t geheel niet van wege Gerrit Zalmvoort,” antwoordde Rudolf trotsch. „Ik kom voor mijn eigen zaken.”

„Nu, ja, zoo meende ik ’t ook niet,” antwoordde Mozes. „Ik meende, de jongeheer, die door meneer Zalmvoort aan me gerecommandeerd is.”

„Niemand behoefde mij aan u te recommandeeren,” hervatte Rudolf. „’t Schijnt echter, dat Gerrit Zalmvoort bijzondere connectiën met u onderhoudt, daar hij u vooraf van mijn komst onderricht heeft.”

„Alles in mijn voordeel, beste jongeheer,” antwoordde Mozes. „Wij arme lieden zijn zoo dikwijls de dupes van ’t bedrog van vreemden, dat we blij zijn, als iemand ons een fatsoenlijk mensch recommandeert, die ons niet bedriegt, zooals met die vreemden dikwerf het geval is.”

Rudolf, hoe onbekend hij ook met de wereld was, begreep zeer goed, dat Mozes Zadok er de man niet naar was, om zich te laten beetnemen en wist niet, wat hij er van maken moest dat Gerrit aan Mozes vooraf van zijn komst bericht had gegeven. Hij bleef daar echter niet lang over denken, maar haalde zijn horloge voor den dag en zeide:

„Ik wou op dit horloge dertig gulden te leen hebben. ’t Zal waarschijnlijk slechts voor weinige dagen zijn, dat ik het geld noodig heb.”

Zadok nam ’t horloge aan, bekeek het, woog het op de hand en zeide minachtend:

„Een ouderwetsch dingetje—niet veel waard—uit de mode.”

„’t Heeft pa toch geld genoeg gekost,” zei Rudolf.

„Wel mogelijk. Een twintig, dertig jaren geleden misschien.”

„En rekent u de juweelen dan niet waarmee ’t bezet is?”

„Als die er niet op waren gaf ik er geen drie gulden op pand voor,” antwoordde Zadok.

„Een ouderwetsch dingetje—niet veel waard.”

„Een ouderwetsch dingetje—niet veel waard.”

[128]

„En dan de gouden ketting?” vroeg Rudolf.

„Nu, weet je wat: omdat je door meneer Zalmvoort gerecommandeerd ben, zal ik er je dertig gulden op voorschieten—anders kreeg je er niet meer dan twintig, zoowaar ik Mozes Zadok heet. Hier is ’t geld. Je naam is …”

„Rudolf Nederhorst.”

„Nu meneer Nederhorst,” ging Zadok voort. „Teeken nu dat kleine papiertje, waarbij je bekent, dat je me dertig gulden schuldig bent. Je kunt het aan kleine payementen af doen, als je wilt. Hier heb je van mij het bewijs, dat je me een gouden horloge verpand hebt.”

Rudolf teekende het briefje en ontving het bewijs. Met een verruimd hart ging hij de deur uit, nam weder den weg, waar hij de minste kans had van door bekenden gezien te worden en kwam zoo aan ’t station, waar hij nog eenigen tijd op ’t vertrek van den trein moest wachten.

Wie dien morgen in de wachtkamer derde klasse had gekeken zou daar een in rouw gekleeden, ongeveer zestienjarigen knaap hebben zien zitten, op wiens bleek gelaat de sporen van angst te lezen waren en die zijn oogen meestal strak op den grond gevestigd hield. Hij zou misschien medelijden met hem gekoesterd en gemeend hebben, dat hij voor zijn vervolgers vluchtte. Maar wie in de ziel van dien knaap had kunnen lezen, zou daarin reeds de eerste zaden van innig berouw hebben gevonden over een daad, wier afschuwelijkheid hij, nu ze bedreven was, eerst in al haar laagheid zag. ’t Had weinig gescheeld, of diezelfde knaap had zich naar de Keizersgracht begeven, had daar aan ’t huis van den rijken meneer Walburg gescheld, was zijn oom te voeten gevallen, had hem alles bekend en gesmeekt, met hem naar Mozes Zadok te gaan om ’t horloge van meneer Walburgs overleden zuster voor ’t ontvangen geld terug te eischen. O, had hij ’t gedaan—hij zou [129]zich zelf en zijn brave zuster vrij wat verdriet bespaard hebben. Maar valsche schaamte deed hem daar in de wachtkamer toeven, valsche schaamte deed hem ’t eenige redmiddel verwerpen—daar ging de bel … Rudolf spoedde zich in den trein, de conducteur knipte ’t retourkaartje, sloeg ’t portier toe … daar klonk nog even de bel, de fluitjes der conducteurs lieten zich hooren, en met hijgend geluid voerde de locomotief hem weg van de plaats, waar hij ’t verraad aan zijn zuster gepleegd had. [130]