Tsai-Soi, de lentegod van China, hield zijn intocht in Peking.
Zijn plomp afgodsbeeld, uit hout vervaardigd en zoo hoog als een huis, werd op een grooten wagen rondgereden en lachte met breeden grijns naar de joelende scharen aan zijn voeten.
In de rechterhand droeg het beeld een zak, gevuld met het kostelijkste, grofkorrelige graan, de linkerhand werd zegenend uitgestrekt naar de volksmenigte, die den God omvangrijke hoeveelheden groenten, schapen en varkens offerde.
Tsai-Soi nam alles in ontvangst met den breeden grijnslach en zijn priesters dreven de schapen en varkens weg— — —
Tsai-Soi is een machtig God!
De keizer en de prinsen, gevolgd door de voornaamste hoogwaardigheidsbekleeders, komen hem offers brengen.
Peking is als een krioelende mierenhoop, als Tsai-Soi zijn intocht houdt.
Alles spreekt slechts van Tsai-Soi en tracht in zijn gunst te komen.
Een smeekschrift aan dezen God wordt door den voornaamsten mandarijn van het keizerlijk ministerie geschreven. Daarin wordt op bevel van den keizer het weer voorgeschreven: zoo en zooveel regen, zoo en zooveel zonneschijn, en dit verzoekschrift wordt het beeld om den hals gehangen.
Tweemaal leest men het, in tegenwoordigheid van den keizer voor, opdat de datums van den regenval goed mogen doordringen in zijn goddelijke hersens.
Gerustgesteld keert de keizer dan terug en het volk offerde verder en verbrandde papieren ossen, terwijl Tsai-Soi grijnsde en stom en dom bleef kijken met zijn gelaat van hout.
Te midden van de vroolijke feestvreugde, het krijschen der muziekinstrumenten en het knallen van het vuurwerk, wandelden een jonge man en een jong meisje.
Hij heet Win-Seng en zijn kleeding is zoo armoedig dat iedere voorname Chinees hem ontwijkt als een verworpeling. Maar hij is krachtig en goed gebouwd en hij is niet ouder dan hoogstens twintig jaren.
Een slanke vrouwengestalte gaat aan zijn zijde. Zij [139]is diep gesluierd en haar tunica is van een sneeuwwitte kleur, doch zonder eenig versiersel van zijde en goud. Win-Seng dringt door de menigte heen.
„Kunnen wij geen zijstraat inslaan?” vraagt het meisje, „ik ben vermoeid en mijn voeten kunnen mij niet meer door de groote stad dragen. Win-Seng, moest je je zwarte roos van Han-strom naar hier voeren—Win-Seng, ik heb honger.”
„Wij moeten naar de gezantschapstraat”, antwoordde Win-Seng, „daar woont de broeder van onze moeder, I-lai-ko genaamd. Hoe zouden wij zonder geld een onderdak kunnen vinden, wij moeten naar I-lai-ko, mijn duifje. Wat zegt Confucius—zonder geld, moet je voor den tempel bidden. Met geld kun je in den tempel bidden. Wil je dezen nacht hongerig en verkleumd op straat blijven?”
Zijn woorden werden onderbroken door de begeleiders van een machtig Mandarijn, die met luid geschreeuw de lieden uit elkander joegen.
„Maakt plaats, ellendige honden die in het stof kruipt, maakt plaats voor Kwo-Saing, den man die veertig draken doodde, de ster der gerechtigheid! Maakt plaats, gij bedelaars, die het leven niet waard zijn.”
Op deze wijze schreeuwden zij voort en hunne zwaarden baanden een weg door de volksmenigte.
Vermoeid, met onverschillig gebaar lag de geweldige op zijn zijden kussen, dat met muskusgeur was doortrokken. Zijn witharig hoofd knikte slaperig de maat waarin de dragers liepen, die zijn baldakijn torsten.
Hij was gekleed in een met goud bestikte kaftan en groote, kostbare paarlsnoeren waren door zijn grijze haarvlecht geslingerd. Gouden banden, met edelsteenen bezet, hielden de vilten sandalen aan zijn voet en zijn hand, waaraan kostbare ringen prijkten, bewoog een schitterenden waaier van pauwenveeren waarin smaragden en robijnen fonkelden.
De lange nagels flikkerden van diamantpoeder en toonden aan de macht en het aanzien van dezen man.
Af en toe greep hij in een kleinen buidel die ter rechter- en ter linkerzijde was geplaatst en dan wierp hij een regen van glinsterende koperen munten in de volksmenigte.
Dat deed hij ook op het oogenblik, toen hij bij Win-Seng was aangekomen.
Onder luid geschreeuw wierp het volk zich op de rollende goudstukken.
Alleen Win-Seng deed het niet. Door het gedrang werd het meisje de sluier afgerukt en juist in dit oogenblik keek de machtige Kwo-Saing naar haar om.
Zijn verveeld lachje verdween van zijn gelaat en in zijn oogen schoten lichtsprankels.
Het meisje was schoon, zoo schoon, als hij nog nooit een in Peking had gezien.
Hij zag, hoe de jongeling den sluier weer bevestigde en haar uit het gedrang voerde.
Zachtjes riep hij den naam van een van zijn lijfwachten. Als een afgerichte tijger kroop de slaaf naar zijn heer toe en luisterde sprakeloos naar diens bevel.
Terstond wenkte hij twee wachters aan zijn zijde en verdween met hen onder de volksmenigte, terwijl Kwo-Saing den weg naar zijn paleis vervolgde, thans niet meer vermoeid en onverschillig, maar met volle handen en opgewonden gebaren zijn muntstukken onder het volk strooiend.
Kwo-Saing lachte als een plomp en dik afgodsbeeld.
„Maakt plaats, maakt plaats daar, honden”, schreeuwden zijn slaven. „De machtige Kwo-Saing, de man die veertig draken doodde.”
Zijn paleis lag dicht bij het hotel van den Franschen gezant.
Men zei in Peking: „Kwo-Saing is de voornaamste onderdaan van den keizer. Kwo-Saing is het duurste en slechtste geld van de Russen en Engelschen. Want Kwo-Saing is valsch!”
„Boeddha is groot en machtig!” sprak Kwo-Saing luide en op fluisterenden toon vervolgde hij: „Als hij verstand en macht geeft.”
Win-Seng en Anitai waren kinderen van een deugniet, die alles verspeelde.
Toen hij geen land en huis meer bezat, verkocht hij zijn veertienjarige dochter Anitai aan Ma-leng-sadok, een ouden theehandelaar in Tsien-tsin, die van den keizer, voor bewezen diensten, gedecoreerd was.
Veertig dollar was de koopsom voor Anitai.
Haar broeder Win-Seng hoorde van een getrouwen slaaf, dat zijn zuster verkocht was en bij nacht en ontij vluchtte hij met Anitai naar Peking, terwijl hun vader in een opiumroes lag.
Ma-leng-sadok liet den oude daarom een kop kleiner maken.
Win-Seng wist het, maar Anitai’s vrijheid was het hoofd van den vader waard, want Confucius leert:
„Een speler is slechter dan een moordenaar!”
Met groote moeite gelukte het den jongen man, zijn [140]zuster en zichzelf buiten het volksgewoel te brengen en de stille Gezantschapstraat in te slaan.
Deze straat stak gunstig af bij de vuile, morsige buurten der hoofdstad.
Diepe rust heerschte hier. Het gejoel van het volk was slechts op verren afstand hoorbaar, als de branding der zee.
De geelzijden draagstoel van Kwo-Saing was juist in het paleis verdwenen. Behalve Win-Seng en zijn begeleidster was er niemand te zien.
Met onderzoekende blikken liep de jonge Chinees voorwaarts.
Tien jaren waren voorbijgegaan, sinds hij als knaap met zijn moeder zijn oom bezocht.
Slechts vaag kon hij zich het groote steenen gebouw met de blauw-wit-roode vlag herinneren. Zijn oom was portier van het Fransche gezantschap.
Het was al acht uur in den avond en hij moest zich haasten om een onderdak te vinden.
Anitai kon zich, vermoeid door de lange wandeling, nauwelijks meer op de been houden.
Op dit oogenblik kwamen eenige krijgslieden in snellen draf aangereden.
Win-Seng naderde hen en vroeg naar het huis met de blauw-wit-roode vlag.
De grootste en zwaarst-gewapende van hen antwoordde:
„Volg ons, wij gaan naar dat gebouw.”
„Ik ben een bloedverwant van I-lai-ko, gij zult hem wel kennen”, sprak Win-Seng.
„Ik ken hem en ben er trotsch op een stofje te zijn, dat hij met zijn voeten mag betreden.1
„Volg mij, ik zal u geleiden, als gij een bloedverwant van I-lai-ko zijt”, antwoordde de soldaat en ging met zijn makkers vooraan.
Win-Seng en Anitai volgden en stonden eenige oogenblikken later voor het paleis. De ijzeren deur werd geopend, Win-Seng zag een hal, die van goud schitterde.
Plotseling kreeg hij een geweldigen klap op het hoofd, zoodat hij bewusteloos neerviel. Het laatste wat hij hoorde, was een kreet van Anitai.
De ijzeren deur werd achter haar gesloten, twee slaven kwamen te voorschijn, namen den levenloozen Win-Seng op en droegen hem weg.
Voor den tempel van den grijnzenden Tsai-Soi legden zij hem neer. De laatste stralen der ondergaande zon beschenen hem, toen de priesters kwamen om den slaven hun last af te nemen.
„Kwo-Saing zendt u dit offer. Hij heeft een Eunuch (vrouwenbewaker) noodig voor den keizerlijken harem. Tsai-Soi moge zijn genade schenken.”
Zoo spraken de slaven tot de priesters. De priesters grijnsden en sleepten het levenlooze lichaam van Win-Seng in den donkeren tempel.
Tsai-Soi echter hurkte als een grijnzend ondier voor den ingang en bewaakte zijn diepste geheimen.