Nacht en duisternis heerschten in Peking. De maan was weer verdwenen. Koud woei de wind door de straten en bijna geen leven was in Peking te bespeuren.
Alleen daar, waar het gebouw van het Engelsche gezantschap lag, was de straat door magnesia-fakkels verlicht en een hoop bedelaars en gepeupel van allerlei soort hurkte rondom de wachtende draagstoelen.
Bij den Engelschen gezant was een groote avondpartij. Alle voorname Europeanen en andere vreemdelingen waren uitgenoodigd.
Juist traden twee heeren, gevolgd door bedienden van het gezantschap, buiten de deur.
Een van hen was een rijzige, breedgeschouderde man [141]in zijn beste levensjaren, terwijl de ander klein en dierlijk gebouwd en van weinig opvallend uiterlijk was.
Deze laatste was de Italiaansche groothandelaar Saltorelli en de ander: John C. Raffles, die onder den naam van een zekeren Lord Cheekman een pleizierreis naar China had gemaakt.
Eigenlijk was het een studiereis, zooals hij, voor zijn vertrek uit Londen, tot zijn vriend en helper Charly Brand had gezegd.
Hij wilde het terrein bestudeeren voor het uitvoeren van eenige meesterstukjes en nu eens de Chineesche politie in al haar eigenaardigheden leeren kennen.—
„Wilt gij werkelijk te voet gaan, mijn beste Lord?” vroeg de koopman.
„Maar waarom niet, Signor Saltorelli. Ik denk, dat de wijn en de gerechten zoo voortreffelijk zijn geweest, dat men een dergelijke kleine wandeling noodig heeft voor de spijsvertering. Ik loop dus. Het is niet de eerste keer en Peking is voor ons, Europeanen, veiliger dan Londen en Parijs.”
„En toch—en toch—ik waarschuw u, mijn waarde Lord. Menigeen is hier verdwenen, zonder dat ooit een knoop van hem weer te voorschijn kwam.”
„Kom, Signor, zoo gauw raakt men niet verloren.—Wel thuis. Morgenavond zal ik zoo vrij zijn, gevolg te geven aan uw uitnoodiging. Goeden nacht—mijn groeten aan de dames—tot weerziens!”
„Wel thuis, Lord Cheekman”, riep Saltorelli hem toe van uit zijn riksha (tweewielig rijtuig) en bij vervolgde: „Neem in elk geval een fakkeldrager mee!”
„Mijn sigaar geeft licht genoeg”, antwoordde Raffles.
„Voorwaarts!” riep Saltorelli tot zijn dragers, „die Engelschen zijn eigenaardige stijf koppen.”
John Raffles liep door de bedelende Chineezen door zonder notitie van hen te nemen. Langzaam slenterde hij de straat langs en eerst toen eenige bijzonder brutale kerels onder heftige bewegingen hem kash-kash (geld-geld) naschreeuwden en hem met een troepje volgden, zoodat de vieze lucht van het gepeupel hem hinderlijk werd, maakte hij een kort proces en deelde met zijn wandelstok eenige gevoelige slagen uit naar links en rechts.
Dat hielp.
Schreeuwend en krijschend gingen zij naar de anderen terug en John Raffles liep alleen de stille Gezantschapstraat verder door, om in de Chineesche wijk te komen.
De groote onbekende had zijn intrek genomen midden in Peking. Hij wilde de stad en de bevolking nauwkeurig bestudeeren en dacht, dat dit in het Europeesche gedeelte moeilijk zou gaan.
Hij woonde bij een zekeren Huen-Schang, een goudsmid. Het huis, dat hij bewoonde, was uiterst zindelijk.
Lord Lister had op al zijn reizen nog nergens een dergelijke zindelijkheid aangetroffen. Het gebouw lag achter een grooten muur te midden van een bloeienden tuin onder oranje- en pereboomen.
De ingang was langzamerhand een soort marktplaats geworden en achter den muur lagen werkplaatsen.
Des avonds werd de bronzen poort dichtgegrendeld en het huis in den tuin was dan van de geheele wereld afgesloten. Een beter verblijf kon John Raffles zich niet wenschen. Weinig Europeanen woonden in Peking zoo goed als hij.
Peinzend liep de groote onbekende de Gezantschapstraat door.
Bij het Fransche paleis stak hij een nieuwe sigaar aan en terwijl hij stil stond, hoorde hij plotseling de verstikte kreten van een meisje uit het aangrenzende paleis van een Chinees.
Een oogenblik luisterde hij—de kreten klonken als in grootsten doodsangst, toen werd alles weer stil.
Daar klonk het weer—duidelijk hoorde hij het roepen van een naam: Win-Seng!—Win-Seng!—daartusschen vernam hij een scheldende, twistende stem.
John Raffles dacht een oogenblik na, wat hij zou doen, toen ging hij, zonder aan het gevaar, dat misschien dreigde, te denken, naar de deur van het paleis en klopte daarop luid met zijn stok.
Oplettend luisterend, hoorde hij, hoe daarbinnen sloffende schreden naderden.
Hij greep naar zijn revolver en hield die gereed om te schieten.
Een luikje werd geopend in de groote deur, waardoor een lichtstraal in de duisternis viel.
In de Chineesche taal, die Raffles niet verstond, vroeg iemand, wat hij wenschte. Onbevreesd stelde Lord Lister onmiddellijk een wedervraag in het Engelsch, wat het geschreeuw te beteekenen had?
„Frankenhond!” schold de portier.
Geprikkeld door dezen Chineeschen vloek naderde de groote onbekende met een sprong het venstertje en voordat de portier het kon vermoeden, sloeg Raffles hem met zijn stok in het gelaat.
Het gevolg hiervan was een vreeselijk geschreeuw van den portier en het afvuren van een pistool op Raffles.
Tengevolge van de duisternis miste het schot, maar [142]het werd nu levendig in het gebouw van het Fransche gezantschap en gewapende dienaren met lantarens snelden naar buiten.
Ook in het paleis van den Chinees was alles in oproer. Kleine vensters werden geopend, papieren lantarens ontstoken en gewapenden snelden heen en weer.
Meermalen werd op Raffles geschoten, maar geen enkele kogel trof hem, alleen een der Fransche soldaten kreeg een schampschot.
De paleisbewaarder van het Fransche gezantschap trad nu naar Raffles toe en vroeg hem naar de oorzaak van het tumult.
De groote onbekende noemde zijn naam en vertelde de reden van het rumoer.
Of het was omdat de paleisbewaarder Kwo-Saing haatte, in elk geval hij begaf zich naar de poort en verlangde, dat men hem en zijn bedienden onmiddellijk huiszoeking zouden toestaan, bij weigering waarvan Kwo-Saing de gevolgen voor zijn rekening had te nemen.
Raffles wist, dat dit verlangen niet gewettigd was, maar hier in dit land gold het steeds, zichzelf te helpen, vooral voor de Europeanen.
Eenige seconden verliepen, zonder dat zich iets in het paleis bewoog, daarop vernam men een bevel en de poort werd geopend.
Een hoop tot de tanden gewapende Chineezen stond in de vestibule.
Lord Lister hield het daarom niet voor raadzaam, zich onder hen te begeven en sprak tot den paleisbewaarder, die tevens tolk was:
„Zou het niet beter zijn, als wij die gele schurken buiten lieten komen?”
„Volkomen mijn idee, uwe Lordschap!” antwoordde de tolk.
„Naar buiten, duivelsche honden, of mijn Russische knoet zal je een handje helpen. Waar is Kwo-Saing, het hoofd der Pekingsche politie, de man, die veertig draken doodde, de grootste schurk?—Haalt hem hier! Wat voor een schanddaad bedrijft hij weer? Komt naar buiten!”
Hij liet zijn zweep eenige keeren met forschen slag door de lucht zwiepen en bracht zoodoende de slaven in beweging. Mismoedig kwamen zij naar buiten. Hun oogen fonkelden wraaklustig tegen de gehate vreemdelingen. Zij gehoorzaamden slechts aan de macht en het geweld van de Europeanen.
Op dit oogenblik verscheen ook Kwo-Saing.
Met een glimlach ging hij naar den tolk en sprak in slecht Engelsch:
„O, Excellentie—o, Excellentie! Welk een eer, welk een groote eer bewijst gij mijn nederig dak, deel te willen nemen aan mijn eenvoudig avondmaal! O, Excellentie, de eer zal te groot zijn; Boeddha zal er jaloersch op worden!”
Bij die woorden hief hij beide armen op, alsof hij Boeddha wilde aanroepen.
„Ik ben gaarne bereid, u niet verder lastig te vallen, als gij mij vertelt, wat de kreten, die uit uw huis weerklonken, te beteekenen hadden”, antwoordde Raffles.
De tolk echter sneed den Chinees elk antwoord af en sprak:
„Uwe Excellentie kan haar leugens wel voor zich houden en ons brengen waar wij moeten zijn en waar wij het verlangde kunnen vaststellen. Anders zal Uwe Excellentie morgen een zijden koord krijgen van den keizer!”
Hij wenkte bij die woorden eenige Fransche soldaten en trad met hen het paleis binnen, terwijl hij zijn knoet dreigend voor het gelaat van den verschrikten Kwo-Saing hield.
„Uwe Lordschap, dit is het eenige middel om iets bij dit boevenpak te bereiken”, riep hij tot Raffles, die buiten wachtte.—„En avant, vadertje mandarijn, wijs ons den weg!”
Kwo-Saing strompelde onder veel buigingen en een stroom van woorden over de hooge eer vooruit, en Raffles zag hem in het donker van het paleis verdwijnen.
Er verliep wel een half uur, voordat de indringers terugkwamen.
Raffles hoorde het luide lachen en de schertsende woorden van den tolk.
Nu was deze weer bij de poort gekomen en de bedienden sleepten een gesluierde vrouwengestalte met zich mede.
„Hahaha, Uwe Lordschap, dat was een grap, zooals als ik er zelden een in Peking heb beleefd. Dien ouden vrek heb ik flink gestraft.
„Eerst noodigde hij mij in zijn eetzaal, drong mij een glas saki op en legde daar een rol blanke dollars naast. Ik nam en sprak:
„„Kwo-Saing, de plaats is leeg.”
„Hij begreep—haalde een tweede—een derde—vierde—de plaats is telkens weer leeg.
„Halt, denk ik, nu ben je er zeker van, dat de kerel een misdaad heeft begaan. Bij duizend dollar houdt hij op, rolt zich als een egel in zijn tunica en is niet meer te spreken.
„Nu ga ik dus zoeken.
„Bij het vrouwenvertrek wil mij een walgelijk schepsel [143]naar de keel vliegen, ik sla den kerel neer, dring het vertrek binnen en vind twee oude vrouwen. Reeds wil ik gaan, toen ik onder de zijden kussens een onderdrukt snikken hoor. Ik slinger ze uit elkaar en vind dit meisje geboeid en met een prop in den mond.
„Dat is dus de reden van het rumoer, Uw Lordschap, en daar gij bij dit tafereel mijn helper zijt geweest, verzoek ik u, mij het geld af te staan en zelf het meisje mee te nemen.
„En avant! Gaat naar uw holen terug, roovers en dieven!” riep hij tot de Chineesche dienaren, die het bevel dadelijk opvolgden en de deur achter zich sloten.
John Raffles dacht een paar minuten na, daarop besloot hij, het meisje mee te nemen naar zijn kosthuis.
Hij wenschte den tolk en diens bedienden goeden nacht en legde den arm van het gesluierde meisje in den zijne.
Hij voelde, hoe zij sidderde en beefde. Langzaam liep zij naast hem voort.
De Franschen keken hen eenigen tijd na, opdat het tweetal niet door de bedienden van Kwo-Saing achtervolgd kon worden, daarop begaven ook zij zich weer in hun paleis terug.
De straat was nu weer stil en leeg.
In de reuzenstad Peking had niemand iets van het nachtelijke avontuur gemerkt.