[Inhoud]

DERDE HOOFDSTUK.

DE ZWARTE ROOS VAN PAI-HO.

Raffles was met zijn beschermeling dien nacht ongehinderd thuis gekomen.

Hij had de menschen, waar hij in huis was, gewekt en hun het meisje toevertrouwd, zonder dat hij haar sluier had opgelicht en haar gelaat had gezien.

Toen hij zich omdraaide om naar zijn kamer te gaan, voelde hij, hoe zijn handen werden gegrepen en met heete kussen en tranen bedekt.

Haastig trok hij zich terug en eerst nu kwam hij tot het besef, dat hij meer had gedaan dan een menschenleven gered, dat hij een ziel voor den zedelijken ondergang had behoed.

Gekweld door onrustige droomen, sliep hij dien nacht slecht en tegen den morgen ontwaakte hij met het vage bewustzijn van alles wat er dien nacht was gebeurd.

Hij had geruimen tijd noodig om zich het nachtelijk tooneel, dat voor hem als Europeaan zoo vreemd was, weer te binnen te roepen.

Snel stond hij op, kleedde zich in een lichte tunica en klapte in de handen.

Dadelijk werd de deur geopend en zijn huisbaas, Huen-Schang, een dikke Chinees in een lange, lichtblauwe kaftan, violette zijden broek en vreemd gevormde gele puntschoenen verscheen op den drempel, een buiging voor hem makende.

„Wil de genadige heer, die de armoedige hut van zijn slaaf tot zijn woning heeft verkozen, een arm koopman de eer bewijzen het ontbijt te nuttigen, dat zijn karig huishouden hem kan verschaffen?” vroeg Huen-Schang op onderdanigen toon.

John Raffles moest telkens om de bloemrijke taal van zijn gastheer lachen, hoewel hij de uitdrukkingen bijna uit het hoofd kende.

„Graag!” antwoordde hij, een sigaar aanstekende.

„O, Excellentie., ik dank u, ik zal onmiddellijk bevel geven om u te bedienen. De eer, die Mylord mijn ellendig dak bewijst, zal u duizendvoudig vergolden worden! Ik hoop, dat gij ook heden over den slechtsten uwer knechts tevreden zult zijn.”

Hierop ging de beleefde man heen.

Eenige minuten verstreken, daarop werd de deur opnieuw geopend. De Groote Onbekende had reeds aan zijn schrijftafel plaats genomen om te gaan werken.

Hij hoorde, hoe het porselein op de bamboetafel klaar werd gezet, de aangename geur der thee prikkelde zijn reukorganen en een weeke stem sprak: [144]

„Heer, ik wacht op uw hooge bevelen!”

Haastig keek Raffles om.

Dat was niet de stem van Huen-Schang. Hij zag bij de deur in deemoedige houding het meisje staan, dat hij dien nacht Kwo-Saing, den chef der politie, had ontstolen.

Ongesluierd stond zij voor hem. In den vollen glans der zon, het hoofd gekroond met het prachtige zwarte haar, gebogen en met de armen over de borst gekruist—een sierlijke kleine gestalte.

Lord Lister bekeek haar opmerkzaam.

Het meisje was een schoonheid, zelfs voor de meest verwende Europeesche oogen.

„Spreek je Engelsch, mijn kind?” vroeg hij verbaasd.

„Mijn moeder leerde mij die taal. Ik ben in Tai-ku geboren, een kind der zee. Mijn moeder bezat de mooiste bloemenboot van de Paiho-rivier. Ik hoorde sinds mijn kinderjaren veel vreemde talen en zing de liederen der vreemdelingen.”

„En hoe kom jij, roos der bloemenboot, in Peking?” vroeg Raffles verder.

„Vader heeft alles verspeeld,—de boot en moeder aan den slavenhandelaar Huong-bin, daarna ons huis en land en eindelijk mij, zijn eenige dochter. Ik heet Anitai en ik ben met mijn broeder Win-Seng gevlucht. Heer, mijn broeder hebben zij hier doodgeslagen. Dezelfde lieden, die mij gisteren roofden en uit wier handen gij mij hebt gered.

Boeddha is groot en almachtig, dat hij mij, nietig stofje, heeft gespaard.”

„Ga zitten, mijn kind, terwijl ik eet, of, als je nog niet hebt ontbeten, neem dan aan mijn tafel plaats.”

Met uitnoodigende handbeweging kwam de Groote Onbekende haar tegemoet.

„O, heer, hoe zou ik, als slavin, aan de tafel van mijn heer mijn honger durven stillen, hoe zou ik durven plaats nemen en zijn genade verbeuren!”

„Je bent niet mijn slavin, zelfs niet mijn ondergeschikte; denk, dat je mijn gast bent, neem dus plaats en deel mijn maaltijd met mij.”

„Heer, gij beveelt en u behoort mijn leven. Maar aan uw tafel mag ik niet gaan zitten, want gij zoudt mij daardoor die plaats voor eeuwig geven.

Boeddha zou vertoornd op mij zijn en Punkuwong, de schepper der wereld, zou mij haten, wanneer ik mij aan uwe zijde zou neerzetten zonder uw hart te bezitten.”

„Maar Anitai”, sprak Raffles zacht en met een glimlach, „dat is niet juist gesproken en gedacht. Onze gebruiken zijn anders en als ik je verzoek, iets te doen, dan zal ik dat verantwoorden tegenover Boeddha en Punkuwong. Mijn godsdienst staat je toe om te doen wat ik zeg.”

„Ja, ja, dat geloof ik, heer. Maar Confucius is ouder en heiliger in zijn leer dan de verlosser van het avondland. Ik heb onderricht gehad bij de monniken van het Sinkloster en ik weet, dat Confucius zeshonderd jaar eerder kwam en de geboden van Boeddha verkondigde. Daarom, heer, vergeef mij, als ik mij aan mijn zeden houd.”

Raffles begreep, dat het vergeefsche moeite zou zijn, haar te bewegen, den maaltijd met hem te gebruiken en hij nam dus alleen plaats.

Zoo sierlijk was de tafel nog geen enkelen keer voor hem gedekt geweest.

Welriekende bloemen waren hier en daar neergezet en alles getuigde van goeden smaak.

Zwijgend en snel at hij. Daarna stond hij op, liet Huen-Schang bij zich komen en gaf hem de opdracht, een draagstoel te bestellen.

Anitai bracht het theeservies weg, daarop kwam zij weer terug en bleef in dezelfde deemoedige houding bij de deur staan.

John Raffles, die zich in het aangrenzende vertrek kleedde, keek een tijdlang naar het meisje. Deze onderdanigheid was hem pijnlijk en hij besloot, haar vertrouwelijker te maken door haar een gouden haarkam te geven.

„Anitai!” riep hij.

„Ja heer, ik kom. Wat beveelt de heer?”

„Je zingt, zooals je mij hebt verteld.”

„Ja, heer.”

Voor het eerst keek hij haar in de oogen. Fluweel-zwart, met een geheimzinnigen glans keken zij hem aan.

Hij kon zijn blik niet afwenden en keek, als in een roes, in de groote, zwarte, geheimzinnige Oostersche sterren.

„Zing een lied voor mij”, verzocht hij, „dan zal ik je als belooning deze gouden kam geven en in je haar steken.”

Met een vreemd, deemoedig glimlachje keek Anitai hem aan en liet toe, dat Raffles een zware gouden kam in haar volle, prachtige, gitzwarte haren stak.

„Je bent schoon, schoon als de zon—de koningin van het oosten”, fluisterde Raffles en keerde zich daarop [145]als verschrikt over zijn eigen woorden van het meisje af.

„Heer, wat zegt gij? Ik begrijp uw woorden niet, maar zij klinken als uit een sprookje van Tufu of Pe-ku-li.”

Raffles had intusschen een koffer geopend, die veel voortbrengselen van het hemelsche rijk, welke hij had gekocht, bevatte.

Hij nam er een paar sierlijke muiltjes en een zijden, met goud bestikte kassawaika uit en spreidde die voor Anitai uit.

„Tooi je hiermee, Anitai, ik wil je beschouwen als een meesteres en mijn dwaasheid moge een verontschuldiging vinden in je onvergelijkelijke lieftalligheid en bekoring.”

De oogen van het meisje glansden als het morgenlicht op donkere wateren, een gelukkig lachje omspeelde haar wangen en zij sloeg de blikken neer naar den grond, waar de glinsterende kassawaika lag, het rijke gewaad eener vorstin.

Raffles echter, de koele Europeaan, keek voor het eerst sinds vele jaren met stralende blikken naar het beschroomde, lieftallige gelaat van een jong meisje en genoot van haar schoonheid.

„Ik zal Huen-Schang vertellen, hoe hij zich tegenover je te gedragen heeft. Wacht mij tegen den middag terug; opdat je niet geheel en al onbeschermd achterblijft, geef ik je deze kleine revolver. Bewaar haar goed.”

Hij gaf haar het wapen en liet haar alleen.

Met een vreemde gewaarwording keek Anitai hem na.

Een rilling liep langs haar lichaam. Had zij gedroomd?

Neen! In heur haar stak een gouden naald en aan haar voeten ritselde de kassawaika.

Neen, zij had niet gedroomd!

De trotsche, sterke vreemdeling had haar tot meesteres verheven. Tot meesteres, omdat zij, zooals hij vertelde, zoo schoon was als de zon!

Met schitterende oogen nam zij het gewaad van den vloer op.

De kleine kamers geleken haar een heiligdom. Zij voelde nog de nabijheid van den fieren man, dien zij onderdanig wilde zijn, als een slavin, maar tevens als een koningin.

Zij wist, dat, wanneer de avondschaduwen neerdaalden en de maan groetend achter de hooge boomen zou opkomen, als de nachtegalen hun lied zouden kweelen en de bloemen haar bedwelmende geuren in de zoele lucht zonden,—dat dan hij terug zou keeren en zij hem zou mogen dienen, als een koningin—als een slavin.