[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE HEKS VAN PEKING.

Prins Tuan, de eerste onderkoning en plaatsvervanger van den keizer, had vele vrouwen, maar geen harer vond hij werkelijk schoon en begeerlijk.

De machthebber was het geheime oog, het oor en de mond van de keizerin-regentes Tsi-si, voor den jongen, minderjarigen keizer.

Het leven in het paleis ging zijn eentonigen gang, de verveling drukte den prins, hij verlangde naar nieuwe, vreemde emoties.

Daarom verzamelde hij zijn eunuchen en mandarijnen om zich heen, die, op den grond liggend, naar zijn bevelen luisterden.

Ademlooze stilte heerschte in den kring, toen hij sprak:

„Ik beveel u, mij de meest volmaakte schoonheid van het geheele Rijk te brengen. Toont gehoorzaamheid en handelt. Wie van u mijn bevel uitvoert, zal een rijke belooning krijgen, wie ongehoorzaam is, dien geef ik het zijden koord.”

De onderdanige mannen wreven met hun hoofd over den grond als teeken van gehoorzaamheid en de prins ging naar zijn vertrekken.

Toen de mandarijnen alleen waren, schudden zij zwijgend de gladgeschoren hoofden en bekeken zenuwachtig hun lange, spitse nagels.

Zij meenden reeds het zijden koord om den hals te voelen.

Alleen de oude Kwo-Saing, de verrader, liep opgewonden heen en weer en fluisterde bij zichzelf:

„Ik weet, waar de schoonste vrouw van Peking is, welke mijn heer, de broeder van de zon en de maan, zich wenscht. Ik zal zijn hart jonger maken en nieuwe roem zal mijn deel zijn. Mijn wraak echter zal dan dubbel groot zijn. Ik zal hen trappen, die mij met voeten hebben getreden.” [152]

„Waarover peinst gij, Kwo-Saing, kom!” riepen de anderen.

„Gaat naar huis, kinderen van het geluk, ik volg u weldra. Veel geluk voor de toekomst,” lachte hij hoonend en bleef alleen.

Hij legde zijn vleezige vingers tegen de ingezonken slapen en keek peinzend naar de rozen en slingerplanten van het dikke tapijt waarop hij zat.

Eindelijk werden zijn trekken levendig. Met jeugdig vuur sprong hij op en riep:

„Ik heb het—ik heb het!—Bali, Bali, de heks moet mij helpen om het meisje van den vreemdeling te rooven.

Vervloekt die vreemdelingen! Mogen de tempelpriesters hen eindelijk vernietigen, zooals de vlam dit stroo!”

Daarop stond hij op en verliet het paleis van prins Tuan.

De wachten knielden neer toen hij in zijn draagstoel plaats nam.

Juist reden eenige elegante rikshas voorbij, de straat in tot aan het gebouw van het Londensche gezantschap.

Kwo-Saing herkende den Europeaan, die in een der voertuigen zat.

Het was Raffles.

Woedend balde de Chinees de vuisten en zond hem een vloek na, daarop leunde hij met een duivelschen grijnslach achterover in de naar muskus riekende kussens van zijn draagstoel en riep zijn slaven toe:

„Naar Hwang-sse!”

Dit was een voorstad in het Noorden van Peking.

Daar woonde in een oude pagode Bali, de heks van Peking. Zij had jaren geleden veel van Kwo-Saing gehouden.

Heimelijk, bijna kruipend, als een afschuwelijke duizendpoot, sloop de Mandarijn naar haar woning.

De oude vrouw zat juist bij een haardvuur en roosterde rijst.

Een lichtstraal gleed over haar sluw gelaat, toen zij haar ouden minnaar zag.

Glimlachend beantwoordde zij den groet van Kwo-Saing, die zijn rechterhand op de plaats legde, waar andere menschen een hart hebben.

„Wat wenscht gij, Kwo-Saing?”

„Hulp en raad van jou, Bali, de verstandige!”

Met fluisterende stem vertelde hij van den wensch van prins Tuan, van Anitai’s schoonheid, van haar roof, van de bevrijding door den vreemdeling, van zijn haat jegens den blanken duivel, van den broeder van het meisje, de priesters van Tsai-Soi en prins Thun.

Kwo-Saing wist alles.

Zijn spionnen hadden hem uitstekend ingelicht.

Hij eindigde met de woorden:

„De vreemde duivel reed zooeven naar het gezantschapshotel. Haast je nu in mijn draagstoel naar Huen-Schang, den goudsmid, bij wien hij in de Yanlingstraat woont. Vraag Anitai te spreken en zeg haar, dat haar broeder Win-Seng op haar wacht. Breng haar dan hierheen.”

Bali knikte en sloeg een doek om de schouders.

Kwo-Saing gaf zijn slaven de noodige bevelen en zij snelden naar de Chineesche wijk.

Verscheiden uren verliepen, voordat de draagstoel terugkeerde.

Achter een scherm verborgen zat Kwo-Saing geduldig te wachten tot Anitai uitstapte.

Een woeste vreugde maakte zich van hem meester. De schurkenstreek was gelukt.

Hij hoorde, hoe het jonge meisje zei:

„Het is heel ver, goede moeder, waarheen gij mij hebt gebracht. Mijn heer zal schrikken, als hij mij niet vindt. Ik bid u, mij spoedig weer naar huis terug te brengen.—Waar is mijn broeder Win-Seng?”

„Ik ben vroom en Boeddha onderdanig,” antwoordde de heks.

„Voordat gij uw broeder ziet, moet ik een offer brengen aan de maan, opdat hij ons beschermt.”

Behendig had zij haar kassawaika losgemaakt en op een versleten altaar, dat voor het morsige beeld van een afgod stond, een offerschaal neergezet, met reukwerk gevuld en dit door middel van een gloeiende kool aangestoken.

Een blauwachtige damp steeg op en vulde het vertrek met een zoetigen geur.

Daarop wierp de heks zich op de knieën en mompelde onverstaanbare woorden.

Een onbehaaglijk gevoel maakte zich van Anitai meester. Rillend schudde zij het schoone hoofd, zoodat de gouden oorringen rinkelden als de zilveren bruiloftsklokjes van den Boeddhatempel.

Kwo-Saing echter, die achter het scherm verborgen stond, knarsetandde van verrukking over de schoonheid van Anitai.

Nu hief de heks het hoofd op en sprak:

„Anitai. De geest van Punkuwong heeft mij geantwoord. Uw broeder Win-Seng wacht u in het paleis [153]van prins Tuan; daar is hij, sinds gij hem ontstolen zijt.

Klim in den draagstoel en snel naar hem toe.”

Beangst hulde Anitai zich in haar sluier en volgde de heks naar buiten.

Daar greep Bali haar arm en naar den hemel wijzend, sprak zij:

„Zie daar boven de duizend lampen van Boeddha vonkelen. Zulk een licht zult ook gij worden, als gij niet meer naar den vreemdeling terugkeert. Je zult machtig worden en als het noodlot je gunstig is geweest, zal ik tot je komen om mijn loon te halen, goud en glinsterende edelsteenen!”

„Waarvan spreekt gij, goede moeder?” vroeg het jonge meisje sidderend. „Zal ik niet meer tot mijn heer en meester terugkeeren? Laat mij, ik wil mijn broeder niet terugzien, als ik weer zonder bescherming moet zijn.—Laat mij naar huis gaan—naar huis. Wat heb ik gedaan?”

Bange vrees maakte zich meester van de bloem van Pai-ho; eerst nu vermoedde haar kinderlijke onschuld het gevaar, waarin zij zich had begeven.

De oude vrouw met haar verlangende oogen maakte haar zoo angstig. Zij trok zich met kracht los en wilde vluchten.

Maar de bevelende stem van een man deed haar nog meer schrikken.

Verschillende slaven snelden naderbij, grepen de vluchtelinge, knevelden haar en sleepten haar in den draagstoel.

Anitai’s wijdgeopende oogen zagen in het maanlicht de vreeselijke gestalte van Kwo-Saing.

Hij nam naast haar plaats en zoo snel zij konden liepen de dragers op zijn bevel voorwaarts.

Bali echter keek den palankijn met een boos gelaat na en sprak, terwijl zij de magere schouders ophaalde:

„Hij is reeds oud, slecht en gierig geworden. Zijn zilvergeld is mager, evenals de armoede. Ik zal mij door den vreemdeling met goud laten betalen.”— —

Half onder den grond aan een zijweg der verboden stad bevond zich een kleine metalen deur. Deze leidde naar het keizerlijk paleis.

Kwo-Saing opende haar en dwong de weerstrevende Anitai met behulp van zijn slaven om er door te gaan. Daarop droegen zij het meisje, dat bewusteloos was geworden, door de nauwe donkere gangen, totdat zij opnieuw voor een deur halt moesten houden.

Op deze deur klopte de mandarijn met regelmatige slagen. De poort werd geopend en een reusachtige, geharnaste wachter stond in de deuropening.

Nauwelijks herkende hij den machtigen Kwo-Saing, of hij wierp zich op de knieën en liet hem met zijn begeleiders en Anitai binnentreden.

In een geheim vertrek aangekomen, wierp Kwo-Saing de ongelukkige op de zijden kussens, haalde een fleschje uit zijn kaftan te voorschijn, opende het en goot een paar droppels in den mond der bewustelooze.

De scherpe reuk der vloeistof deed Anitai weer tot zichzelf komen.

Dadelijk verdween Kwo-Saing met zijn lijfslaven, om den prins mee te deelen, dat diens bevel ten uitvoer was gebracht.

Langzaam opende Anitai de oogen, maar voor de fabelachtige pracht, die in het vertrek heerschte, moest zij ze weer sluiten. Het was haar, alsof zij droomde.

Daar vernam zij de zachte stem eener vrouw, die tot haar sprak:

„Richt u op, ik zal u bedienen.”

Anitai keek met een schuwen blik naar de spreekster.

Het was een vrouw van ruim veertig jaar. Zij droeg doorzichtige gewaden over den arm: in de handen hield zij een gouden blad met een theebeker van hetzelfde metaal en een halve schaal vol confituren, die gevuld waren met den zoeten, bedwelmenden haschis.

Doordringend rustte haar blik op het jonge meisje.

„Anitai, sta op en laat u tooien, zooals het een vorstin betaamt,” sprak zij, naderbij komend.

„Waarom?” vroeg de gevangene met trillende lippen.

„Om een machtig heerscher te ontvangen! Als gij de liefde van zijn hart en de genegenheid zijner ziel hebt veroverd, zal alle geluk, alle denkbare pracht uw deel zijn.”

„Maar mijn heer, mijn blanke meester?” vroeg Anitai met droomerigen blik, met beide handen haar hoofd grijpend.

De welriekende, bedwelmende geuren, die uit de stoffen stroomden, maakten haar het denken moeilijk. Maar de vrouw antwoordde glimlachend:

„Laat u tooien! De tijd vliegt. Denk niet meer aan den blanken heer!”

Zij nam den sluier van het gelaat der jonkvrouw. Onmiddellijk week zij achteruit, viel op de knieën en kuste de Turksche muiltjes van Anitai.

Maar deze wrong de handen en smeekte:

„Laat mij sterven, als onheil mij bedreigt. Ik behoor [154]aan een Engelschen Mandarijn. Wat doet gij? Waarom kust gij mijn schoenen?”

„Omdat gij schoon zijt, zoo schoon, dat gij een dochter van Boeddha zoudt kunnen zijn en elk schepsel u moet aanbidden.

Maar kleed u nu! Nog schooner is de bloem, getooid door bladeren en de edelsteen in den zachten glans van het goud. Drink en eet van dat, wat ik u geef.”

De zinnen der kleine Chineesche werden door de zware, zoetige geuren hoe langer hoe meer verward. Zij proefde de thee en at een stukje van de haschis-confituren.

Vermoeider en zwaarder werden haar oogleden, zij had geen kracht meer om zich te verzetten en liet het geduldig toe, dat de vrouw haar ontkleedde en haar met de kostbare, doorzichtige stoffen omhulde, die haar schoonheid bijna bovenaardsch maakten.

„De roos van Peking!” riep de dienares met onverholen verrukking uit, toen zij haar werk beschouwde.

Anitai hoorde het niet meer, zij was op de zijden kussens van den divan neergezonken en ingesluimerd.

Het zijachtige, blauwzwarte haar hing van den divan af tot op den vloer; het was met paarlen en diamanten doorvlochten. Het wonderschoone, blanke gelaat scheen als uit marmer gebeeldhouwd— ——

Diepe stilte heerschte rondom, als uitgestorven was het groote paleis.

Alleen de zachte ademhaling der sluimerende verbrak de doodelijke stilte.