[Inhoud]

ZESDE HOOFDSTUK.

IN DEN TEMPEL DER ZON.

Toen John Raffles des avonds thuis kwam, kwam de goudsmid hem met ontsteld gelaat tegemoet en deelde hem mede, dat Anitai in gezelschap van een vreemde vrouw het huis des middags had verlaten en nog niet was teruggekeerd.

Onmiddellijk herinnerde Raffles zich het hoonende lachje op het gelaat van Kwo-Saing, toen hij dezen dien dag had ontmoet.

De groote onbekende besloot, eenige uren te wachten om te zien of Anitai niet terug zou komen.

Toen het tien uur was geworden, gaf hij de hoop op.

Hij riep zijn gastheer om met hem te overleggen, wat er te doen stond.

Wanhopig schudde de goede man het hoofd.

„Heer,” sprak hij, „ik heb liever met roovers en moordenaars te doen dan met onze politie.

De politiechef Kwo-Saing en zijn lieden zijn de grootste schurken, die Peking bezit. Als ik de keizer was, ik zou hen met elkaar laten onthoofden. Zij persen ons, armen menschen, elk oogenblik groote sommen geld af en dreigen ons, als wij niet betalen, met de gevangenis.”

„Een mooie handelwijze!” sprak Raffles.

Hij nam zijn hoed, om het huis te verlaten.

Hij wilde naar den Engelschen gezant gaan, om met diens hulp het verdwenen meisje terug te vinden. Toen hij op straat kwam, die door de maan beschenen werd, kwam uit de schaduw van een huis een jongen naar hem toe en vroeg:

„Zijt gij de blanke man, die het jonge meisje uit de handen van den politiechef redde?”

„Ja,” antwoordde Raffles verbaasd, „wat wil je?”

„Heer,” fluisterde de jongen, „men heeft haar u ontstolen. Maar als gij mij een handvol gouden Kash wilt geven, dan zal ik u ergens brengen, waar gij kunt vernemen, waarheen men haar heeft gebracht.”

Lord Lister dacht eenige seconden na.

Het kon een val zijn, waarin men hem wilde lokken!

Maar daar hij steeds op avonturen belust was, sprak hij tot den knaap:

„Ik zal je volgen. Geleid mij.” [155]

Met snelle schreden ging de jongen hem voor en bracht Raffles door een doolhof van ontzettend vuile straten.

Eenige Chineezen, vijandig gezind tegenover vreemdelingen en juist uit een der opiumholen komend, traden Raffles in den weg en dreigden hem.

Lord Lister was genoodzaakt, zijn Browningpistool te voorschijn te halen en in de lucht te schieten.

Gillend sloegen de Chineezen op de vlucht.

Steeds verder bracht de knaap hem en reeds waren zij buiten Peking gekomen.

Velden en tuinen lagen aan weerszijden van den weg, dien zij langs gingen.

Raffles wist niet meer, waar zij zich bevonden.

Eindelijk bleef de knaap voor den ruwen muur van een bouwvalligen tempel staan.

Een geheimzinnig licht scheen uit het vervallen gebouw.

Voorzichtig om zich heen kijkend ging de groote onbekende stap voor stap voorwaarts.

Eindelijk zag hij een vertrek, dat gevuld was met vreemd opgezette dieren en skeletten.

Voor een kolenvuur hurkte Bali, de heks van Peking, geheimzinnige woorden mompelend.

Verbaasd keek Lord Lister naar het vreemde tooneel, dat hem als een theaterdecoratief voorkwam.

Plotseling richtte de oude heks haar afschuwelijk hoofd op en keek den vreemdeling aan met haar spookachtige oogen.

„Het is goed, dat gij gekomen zijt,” sprak zij, „er is u een ongeluk overkomen.”

„Wat weet gij daarvan?” vroeg Raffles.

„Ik weet alles,” pochte de oude, „niets is mij verborgen. De geesten der lucht verkondigen mij alle geheimen. Ik zal het u bewijzen: gij zoekt een jong meisje.”

„Gij hebt gelijk,” antwoordde Raffles, „kunt gij mij vertellen waar zij is?”

De heks glimlachte veelbeteekenend.

„Ik zal het u vertellen, als gij mijn hand vult met het roode goud der blanke duivels.”

John Raffles haalde een handvol goudstukken uit zijn zak.

Hij wierp die in den schoot der oude vrouw en deze verborg ze met een voldaan grijnslachje in haar schoen.

Daarop begon zij met een stok in het kolenvuur te roeren, wierp er een wit poeder in, zoodat dikke rookwolken opstegen en de gestalte der heks in een nevel hulden.

Nu mompelde zij onverstaanbare spreuken en toen die geëindigd waren, sprak zij:

„De gestolene bevindt zich in het paleis van prins Tuan.

Zeg tot Huen-Schang, bij wien gij woont, dat hij u den weg wijst naar den tempel van de priesters der zon, zij alleen kunnen u helpen.

Snel nu heen, want gij hebt nog een verren weg af te leggen, anders is de ontvoerde voor eeuwig voor u verloren.”

Weer kwam de knaap, die Raffles had geleid, naar voren en bracht hem na een wandeling van een uur naar zijn huis terug.

Hij gaf den jongen een belooning en wekte Huen-Schang.

Slaapdronken luisterde deze naar het verhaal van zijn gast en naar diens verzoek om hem naar den Zonnetempel te brengen.

Eerst begreep hij niet, wat Raffles wilde, eindelijk echter was hij er achter.

„Gij kunt niet verdwalen, Excellentie,” sprak hij, „de Pai-ho-straat leidt in een rechte lijn naar den tempel. Ik zal u een paard geven.”

Het was reeds na middernacht, toen Raffles den weg insloeg naar den tempel der zon.

Spoedig had hij de stad achter zich liggen en bevond zich in het open veld.

Donkere wolken bedekten den hemel. Een klein, donker beekje stroomde langzaam door de velden naar de groote moederrivier, de Paiho. Raffles sloeg den weg in langs den oever.

Riet en maisschoven begrensden den smallen weg, zacht, bijna weemoedig suisde de nachtwind door de slanke, buigzame halmen en in de bladeren der boomen zong hij zijn droefgeestig lied.

De hoeven van het paard kleefden bijna aan den modderbodem vast, de ruiter gaf het de sporen, totdat zich in het donker de onzekere omtrekken van een tempel vertoonden, hooge, slanke zuilen, waarop afschuwelijke, spookachtige wezens troonden. Als spoken kwamen zij den nachtelijken reiziger voor.

Kleine, onoogelijke houten huizen doken eveneens voor den blik van Raffles op. Als om steun vragend leunden zij tegen den kolossalen tempel aan.

John Raffles hield zijn paard een oogenblik in en keek om zich heen. [156]

Daarop sprong hij van het paard, nam het bij den teugel en liep naar het huisje, waaruit het matte licht van eenige papieren lantarens viel en menschenstemmen zich deden hooren.

Het was een theehuis.

Vol verbazing keken de gasten naar den laten bezoeker en sloegen daarna schuw hun blik neer, want het was een blanke, die hen naderde.

De waard maakte een onderdanige buiging en vroeg naar zijn wenschen.

John Raffles verzocht zijn paard te mogen stallen, totdat hij uit den tempel zou zijn teruggekeerd.

Daarop ging hij heen en begaf zich door het mulle, witte zand naar den tempel.

Toen hij dezen had bereikt en de marmeren trappen beklommen, trad een priester der zon in een golvend, wit gewaad naar hem toe en vroeg hem, wat hij in den nacht in den tempel van het licht kwam doen.

Het spookachtig licht van een onzichtbare vlam bescheen hen.

„Ik ben een vreemdeling,” antwoordde Raffles, „en kom tot u, priester van het licht, om een werk der duisternis te verijdelen. Mijn macht is te gering, mijn kracht ontoereikend in uw land. Maar ik wil u met het goud der zon beloonen, als gij mij helpt.

Hoor mijn naam, ik heet Lord Lister en in mijn geboorteland rekent men mij tot een mandarijn van de eerste klasse.”

De priester boog diep en antwoordde:

„Wie het licht ziet, zal niet in duisternis blijven! De zon is de machtigste heerscheres en zij zal u hulp verleenen. Verlangt gij gastvrijheid en bescherming, zoo volg mij!”

„Neen, priester der zon, ik moet heden nog verder, want ik zoek, wat ik door roof heb verloren.”

„Heeft het zoo hooge waarde voor u, dat gij de wereld er voor zoudt willen doorreizen, vreemdeling?”

„Ja, priester, het is meer waard dan alle schatten, want het is een onschuldig meisje.”

„Boeddha is groot en almachtig, vreemdeling. Antwoord mij nog op één ding: hoe hebt gij den weg gevonden naar den tempel der zon, om hulp te vragen?”

„Mijn gastheer is Huen-Schang, de goudsmid, die voor uw tempel het goud der zon verwerkt tot heilige versierselen. Hij gaf mij den raad en sprak: „Niemand ter wereld is machtiger dan de keizer en hij regelt zijn wil naar den priester der zon!”

„Priester, niemand kan mij helpen dan gij, want ik wil niet met behulp van mijn landgenooten de gestolene zoeken, het zou vergeefsche moeite zijn. Help mij, priester!”

„Boeddha is hulpvaardig jegens hem, die verzoekt, onwillig echter jegens hem, die eischt. Weet, vreemdeling, dat gij de eerste en eenige vreemdeling zijt, dien ik wil helpen, want gij zijt edel en goed. Uw gedachten zijn verlicht door de zon van Boeddha, terwijl de gedachten uwer broeders donker zijn van wreedheid, haat en dwingelandij.

O, dat zij toch de waarde der menschen en van de liefde kenden! Uw broeders zijn duivels; zij lachen met de overoude wijsheid van Boeddha en bespotten de leer van Confucius.

Gij echter zijt anders. Gij helpt de zwakken. Wie anderen helpt, heeft een goddelijke kracht in zich, die hem onoverwinnelijk maakt.

Boeddha is met u en zijn dienaren zullen u helpen.

Hoort gij den doodenvogel in het Westen schreeuwen? Ik zal hem plechtig bezweren!

Wanneer de zon boven de bergen van Wung-schu haar rood avondkleed aflegt, snel dan tot mij. Hier zal ik op u wachten en u uw beschermeling door Boeddha’s goedheid teruggeven.

Ga heen met den zegen van het licht. Gij zijt een uitverkorene. Haast u nu en keer terug, zooals ik u zeide!”

John Raffles boog diep voor den machtigen priester en legde eenige rollen goudstukken op den steenen vloer.

Daarop ging hij langs denzelfden weg terug.

De gasten van het theehuis keken hem weer met blikken vol haat aan. Hij besteeg zijn paard en keerde naar de stad terug. [157]