[Inhoud]

ZEVENDE HOOFDSTUK.

EEN SCHOT.

Zware, sleepende voetstappen naderden de kamer, waarin Anitai zich bevond.

De met goud gestikte gordijnen werden op zij geschoven door een magere hand en een kleine man met roofvogelachtige, maar slaperige gelaatsuitdrukking trad het vertrek binnen.

Het was prins Tuan, de keizerlijke tyran.

Langzaam en traag sloop hij naar de slaapster, langzaam hief hij de oogleden op. Maar wat hij zag, maakte een eind aan zijn slaperigheid.

Het oude bloed stroomde sneller door zijn aderen en verwarmde zijn hart.

Anitai voelde zijn blikken, onrustig bewoog zij het hoofd heen en weer, zuchtte en werd wakker.

Verbaasd en verlegen keek zij naar den ouden man met zijn grijze haarvlecht en schrikte van zijn leelijk uiterlijk.

Prins Tuan vatte haar hand.

Maar zij stiet hem terug en richtte zich op.

„Wie zijt gij? Wat wilt gij? Ga weg, ik wil naar huis!” riep zij op angstigen toen.

De prins glimlachte en sprak op vriendelijken toon:

„Gij zijt thuis en ik kan niet heengaan, want ik ben bij jou thuis. Ik ben de keizerlijke prins Tuan en jouw slaaf.”

„In het keizerlijk paleis ben ik? Je bent een schurk, want je liegt. Een keizerlijk prins rooft niet!” antwoordde Anitai, hem met vonkelende oogen aanziende.

Kwo-Saing, die naderbij geslopen was om te luisteren, verdraaide zijn oogen en veegde zich het angstzweet van het voorhoofd.

De prins echter amuseerde zich over de openhartigheid. Het meisje bezat werkelijk de gave om zijn verveling te verdrijven.

„Zeg mij, waar ik ben, of de straf van Boeddha zal je treffen, als je liegt!” dreigde de kleine, van den divan opspringend.

„Bij mij ben je, bij den broeder van de zon en de maan, antwoordde prins Tuan, „en bij mij zal je blijven, roos van Peking en heerscheres worden. Een koningin van de zon. Want je bent schoon als de zon. Kijk, mijn kostbare bloem van Paiho, hoe bevalt je dat?”

Hij haalde een met goud beslagen étui uit zijn kleed te voorschijn en gaf het Anitai.

Als verblind staarde het meisje op kostbare, schitterende en vonkelende edelsteenen, die in heerlijke kleuren, als een vuurwerk, straalden.

„Gij zijt dus toch de keizerlijke prins? Ik geloof het. Maar gij zijt oud en leelijk en mijn heer, de Engelsche mandarijn, is jong en schoon, al is hij ook niet zoo rijk en machtig als gij zijt. Ik tooi mij veel liever met geurige bloemen.”

De luisterende Kwo-Saing wentelde zich van schrik op den grond. Hij dacht, dat nu prins Tuan in de handen zou klappen, dat de eunuchen zouden komen om Anitai naar het roode blok in den zwarten toren te sleepen.

Hij zelf zou het zijden koord om den hals krijgen.

Hij geloofde zijn ooren niet, toen hij den prins op goedigen toon hoorde zeggen:

„Roos van Peking, ik wil je de kostbaarste bloemen bezorgen, als ik je handen mag kussen. Ik zal de keizerin, de vertegenwoordigster van moeder aarde, roepen, opdat zij je ziet en je zegent!”

„De keizerin?” riep Anitai rillend. „In Peking zegt men, dat zij wreed en tyranniek is. De dood en martelingen zijn haar vrienden en zij mishandelt de vrouwen van den keizer—en uw vrouwen.”

Opnieuw kromde Kwo-Saing zich van angst en weer lachte prins Tuan. Zoo vroolijk was hij in jaren niet geweest. Openhartigheid was hem nieuw.

„Jou zal zij geen kwaad doen, roos van Peking, ik zweer het op mijn keizerlijk woord. Morgen hoop ik weer van je schoonheid te genieten. De zon zij met je!”

De prins ging heen. Het juweelenkastje echter liet hij achter. [158]

Anitai wierp zich weenend op den divan. Zij smeekte alle goden om hulp en bijstand.

Plotseling voelde haar hand de kleine revolver, die Raffles haar had gegeven.

Daar trad de keizerin binnen, vergezeld door den opper-eunuch Li.

Waggelend—want de kleine omwonden voeten waren nauwelijks in staat om het vette lichaam te dragen—naderde zij Anitai en wierp een blik vol haat op de schoone mededingster. Zij had eenmaal prins Tuan bemind, doch haatte hem nu. Slechts door haar sluwheid kon zij haar ware gevoelens voor den prins verborgen houden.

„Wie ben je?” vroeg zij met harde stem.

„Ik heet Anitai, ben een wees en de slavin van een Engelschman,” luidde het antwoord.

Een ironisch glimlachje vloog over het gelaat der keizerin.

„De witte duivels houden er geen slaven op na, je ben een domme gans! Je behoort nu tot het huishouden van prins Tuan en moet aan al zijn wenschen gehoorzamen.”

„Nooit” riep Anitai. „Liever dood ik mij zelf!”

„Je waagt het, ons te trotseeren? Weet je, wie ik ben?”

„Jawel!” riep het jonge meisje, „een vrouw zonder erbarmen of medelijden. Men noemt u in Peking wreed en harteloos.”

De keizerin werd bleek van woede.

Zij was zeer fijngevoelig als iemand het durfde wagen om haar de waarheid te zeggen.

„Ik zal je laten dooden! Geef haar zweepslagen!”

Met wijdgeopende oogen van angst staarde Anitai naar de dikke, wanstaltige gedaante van den dienaar, die een leeren zweep uit zijn rijkversierden gordel te voorschijn haalde en zich gereed maakte om Anitai te slaan.

„Heb medelijden!” smeekte het jonge meisje. „Spaar mij!”

Met kracht viel een klap op haar schouders neer en ontlokte haar een luiden gil van pijn.

„Sla haar opnieuw!” beval de keizerin. „De tong van deze slang zal aan banden worden gelegd.

Vooruit!”

Opnieuw hief de eunuch de zweep op.

Zonder te weten wat zij deed, haalde Anitai het wapen, dat Raffles haar had gegeven, te voorschijn en drukte af met gesloten oogen, zonder te weten waarop zij schoot.

Een knal weerklonk—een woeste gil volgde, daarop viel een lichaam met dof geluid neer.—

Nu opende Anitai haar oogen en zag de keizerin op den grond liggen.

De opper-eunuch had van ontsteltenis de zweep laten vallen, hij riep slaven en beval hen, de keizerin naar haar slaapvertrek te dragen.

Binnen een paar minuten was het vertrek, waarin Anitai zich bevond, leeg. Niemand bekommerde zich om haar. Zij zat als wezenloos op den divan en had nauwelijks de kracht om te denken.

Werktuigelijk speelde haar hand met het kleine wapen, dat, zonder dat zij het wist, een groot woord had gesproken in de geschiedenis van China.

Zij kon zich geen voorstelling maken over de gevolgen van hare handeling.

Zij wist niet, dat de misdaad die zij had begaan, met den dood werd gestraft.

Waarom sloeg men haar! Zij had niemand kwaad gedaan. Zij had recht zich te verdedigen.

Hoe kwamen deze menschen er toe om haar in het paleis op te sluiten en haar te willen dwingen prins Tuan lief te hebben?

Zij verafschuwde dien leelijken man.

Hij kwam haar voor als een griezelige vogelspin.

Daarop dacht zij aan Raffles, aan zijn fiere mannelijke schoonheid.

Zonder dat zij het wist beminde Anitai hem. Zij zou zich voor den gehaten vreemden blanken duivel laten dooden. Haar gansche leven lang wilde zij hem als een slavin dienen.

Zij zou er mee tevreden zijn als een hond op den drempel van zijn kamer te mogen liggen.

Ook nu weer had zij hare redding aan hem te danken.

Glimlachend keek zij naar het wapen, dat hij haar had gegeven en zij herhaalde de woorden die hij tot haar had gesproken:

„Wanneer men u aanvalt hebt ge het recht u te verdedigen. Niemand mag zijn medemensen ongestraft kwaad doen.”

Liefkoozend gleden haar slanke vingers over den zilveren loop van de revolver.

Daarop kuste zij het wapen en stak het in haar zak.

Droomerig staarde zij naar de deur. Daar ontwaarde zij het kistje met de edelsteenen; zij nam eenige van de schitterende juweelen in haar hand en speelde ermee.

Zoo verliep wel een kwartier, toen een geluid haar deed opkijken.

Zij hoorde, hoe een sleutel in het slot van een verborgen [159]deur werd gestoken en met een zacht geknars werd omgedraaid.

Angstig keek Anitai in de richting van het geluid.

Plotseling werd een deur in het behang geopend. Een koude luchtstroom kwam het vertrek binnen en een man, gehuld in een wit golvend gewaad, stond vóór haar.

„Schrik niet, dochter des Hemels. Ik zoek u om u te bevrijden. De priesters van de zon zijn machtiger dan de keizer en zijn dienaren. Volg mij, opdat ik u geleide.”

Als verdoofd door deze woorden, die haar de vrijheid beloofden, snelde Anitai op den priester toe, keek hem in het goedige gelaat en stamelde woorden van innige dankbaarheid.

Deze echter fluisterde haar toe:

„Spreek zacht. De vreemde mandarijn wacht u in onzen tempel. Den priesters der zon blijft niets verborgen, vraag niet verder, volg mij!”

Gebiedend strekte de priester de hand uit en wees op de deur.

Anitai snelde er heen.

De priester echter legde midden in het vertrek een eigenaardigen zwarten steen neer, waarop met gouden letters geschreven stond: „De Zon!”

Daarop ontstak hij poeder, dat met een scherpe, doordringende lucht het vertrek vulde, ging naar de deur, sloot deze zorgvuldig achter zich dicht, ontstak een kleine kaars en ging de innig-verheugde Anitai voor als gids door vele donkere lange gangen.

De weg kwam de vluchtelinge eindeloos voor, de tocht duurde wel twee uur.

Eindelijk werd het al lichter en lichter om hen heen, en nadat de priester een deur had ontsloten, stond Anitai in de zonnige ruimte van een kleinen tempel.

Als verblind sloot ze haar oogen.

Zij hoorde hoe de priester sprak:

„Gij zijt gered. Sluier uw gelaat, want gij staat in de stralen van de grootste aller koninginnen, de zon.”

Daarop werd zij voor den tempel gebracht en met een luiden vreugdekreet snelde zij naar Raffles, die met een draagstoel op haar wachtte.

Eenige uren later bevond Anitai zich weer in het rustige huis van den goudsmid Huen-Schang en vertelde Raffles, nadat zij haar groote ontroering in een stroom van tranen had lucht gegeven, het vreeselijke avontuur, dat zij met de keizerin had beleefd.

Met de grootste belangstelling luisterde Lord Lister naar haar verhaal.

Hij kon nauwelijks afwachten, dat zij had uitgesproken, en opnieuw moest zij zich gereed maken om uit te gaan. In een riksa, die Raffles veel te langzaam ging, spoedde hij zich naar het paleis van prins Thun.

Vol verbazing keek deze naar den grooten onbekende, die met het jonge meisje bij hem kwam, en volgens Chineesch gebruik wilde hij een ontbijt aanbieden.

Maar Lord Lister bedankte hiervoor.

„Het is nu geen geschikte tijd, prins Thun, om ons met beleefdheden op te houden. Hoor, wat er gebeurd is. Het toeval heeft Anitai, de zuster van den ongelukkigen Win-Seng, als werktuig der wraak uitverkoren.

De keizerin is door haar hand gevallen.”

Prins Thun dacht, dat Raffles krankzinnig was geworden. Hij hield van verbazing den adem in.

John Raffles zag de uitwerking, die zijn woorden hadden teweeggebracht, en herhaalde:

„Ik spreek de zuivere waarheid, Prins Thun, de keizerin is doodgeschoten!”

Nog steeds kon de Prins deze woorden niet gelooven.

Daar trad een keizerlijke bode binnen en berichtte, dat de audiëntie, die de keizerin den prins dien middag zou toestaan, ten gevolge van plotselinge ziekte der keizerin, niet kon plaats vinden.

Raffles en de prins wisselden een snellen blik.

„Als het waar is, wat gij mij hebt medegedeeld, dan hebt gij er het grootste aandeel aan, als ik den keizerstroon bestijg”, sprak prins Thun, „want gij hebt dit meisje uit de handen van den schurk Kwo-Saing gered en zij is daardoor de kleine oorzaak geworden, die zulke groote gevolgen had.

Ik zal haar nu naar mijn gemalin brengen, daar is zij veilig. Daarna verzoek ik u, met mij in het paleis der keizerin te gaan.”

Hij ging met Anitai en Raffles naar de vrouwenvertrekken en gaf het jonge meisje aan de hoede zijner echtgenoote over.

Met tact zorgde hij ervoor, dat Anitai niets van Win-Seng te zien kreeg. Hij had den ongelukkige eene woning aangewezen in het afgelegen gedeelte van het paleis.

Nu begaf hij zich met Raffles naar de verboden stad.

Slechts bij groote plechtigheden is het den Europeanen veroorloofd een deel der verboden stad, zooals het reusachtige paleis wordt genoemd, te betreden. [160]

Geen enkele Europeaan heeft nog ooit zijn voet in het inwendige van dit gebouw gezet. Zoo was Raffles de eerste, die onder geleide van den prins het paleis mocht binnengaan.