[Inhoud]

ACHTSTE HOOFDSTUK.

BIJ DEN OPPER-EUNUCH.

De verboden stad is eigenlijk geen aaneengesloten complex van gebouwen, maar wordt gevormd door dozijnen grillige bouwwerken en sierlijke paleizen.

Een torenhooge muur omsloot haar aan alle kanten en honderden gewapende soldaten beletten iederen vreemdeling er binnen te dringen.

Achter den muur strekten zich groote, prachtvolle tuinen uit en bijna in het midden van het schoone park verhief zich het kleine paleis, dat de keizerin bewoonde.

De wachters van het paleis beletten hun het verdere binnendringen, toen zij de inwendige gebouwen naderden.

„Ik wensch den opper-eunuch Li te spreken,” sprak prins Thun.

Hij moest bijna een half uur wachten alvorens de almachtige vertegenwoordiger der keizerin verscheen.

Met een onderdanigen glimlach begroette hij den prins en vroeg naar diens verlangen.

„Men heeft mij een zeer gewichtige audiëntie afgezegd,” begon prins Thun, „ik moet de keizerin beslist spreken.”

„Het spijt mij zeer,” luidde het antwoord van den opper-eunuch, „doch de keizerin heeft bevolen, dat niemand haar mocht storen. U moet uw verzoek schriftelijk indienen.”

Vergeefs zocht prins Thun en ook Raffles op het gelaat van den eunuch een aanwijzing te vinden, dat er iets buitengewoons moest zijn gebeurd.

Reeds wilde prins Thun afscheid nemen, toen Raffles hem te hulp kwam. Hij wendde zich tot den opper-eunuch en vroeg:

„Spreekt gij Engelsch?”

Li knikte bevestigend.

All-right!” zei Raffles. „Dan zullen wij beide spoedig tot eenig resultaat komen.

Uit mijn woning is gisteren door een chef van politie in Peking, den man, die veertig draken doodde, Kwo-Saing, een jong meisje geroofd, dat aan mijn bijzondere hoede is toevertrouwd. Het is naar prins Tuan gebracht en nu zou ik gaarne willen weten, wat gij mij omtrent het gebeurde weet mee te deelen.”

De eunuch vertrok zijn gelaat tot een breeden lach en gaf ten antwoord:

„Ik bekommer mij niet om de privaat-aangelegenheden van prins Tuan.”

„Dat is een leugen!” kwam prins Thun tusschenbeide. „De harem van prins Tuan staat onder uw hoede. Gij weet dus precies, wat daarin voorvalt.”

Nu verdween voor het eerst van het gelaat van den opper-eunuch de gewone uitdrukking en een woedende blik, zooals een tijger op zijn temmer werpt, trof den prins.

„Mij is niets bekend van een jong meisje, dat in den harem van prins Tuan is gekomen,” zei de eunuch.

„Dat is wederom een leugen!” riep prins Thun op scherpen toon. „Maar het zou immers ook een wonder zijn, wanneer zulk tuig eens de waarheid sprak.”

Toen greep Raffles in zijn zak en haalde de revolver te voorschijn, waarmee Anitai het noodlottige schot had toegebracht.

„Kent gij dit wapen?” vroeg hij en duwde het den opper-eunuch onder den neus.

Onmiddellijk trad de man achteruit en werd doodsbleek. Zijn waterige oogen wendden zich vol schrik naar het kleine wapen van den blanken duivel.

Hij begon in te zien, dat hem het liegen niet meer [161]hielp en zich aan de voeten van den prins werpend, stamelde hij:

„Vergiffenis, keizerlijke heer! Ik zal u de waarheid vertellen. In den harem van prins Tuan is gisternacht een vreeselijk ongeluk gebeurd. Een vreemde, een geschenk van den politiechef Kwo-Saing, schoot met zulk een wapen op de keizerin.”

Eenige minuten heerschte er een angstig stilzwijgen, daarop vroeg prins Thun:

„Leeft de keizerin nog?”

„Ja!” antwoordde de opper-eunuch. „Maar ieder oogenblik is haar sterven te verwachten.”

„Waar is de keizer?” vroeg prins Thun verder. „Heeft hij reeds bericht gehad?”

„Neen,” gaf de opper-eunuch ten antwoord, „overeenkomstig het bevel van de keizerin mochten wij hem niets mededeelen.”

„Het is goed”, met een koelen groet nam prins Thun afscheid en verliet met Raffles het paleis.

Toen zij in den voor het paleis wachtenden draagstoel zaten en naar de woning van den prins terugkeerden, sprak deze tot Raffles:

„Gij zijt een merkwaardig mensch. Ik zou u bijna voor een werktuig van den Hemel houden. Gij hebt hier een verdorven dynastie omvergeworpen, en misschien China een beter lot doen toekomen, dat wil zeggen, als het mij gelukt prins Tuan voor te zijn en den keizer te redden.”

„Den keizer? Dreigt er gevaar voor hem?”

„Ja zeker, Lord Cheekman. Prins Tuan zal hem uit den weg willen ruimen om den troon te bestijgen. Ik hoop maar, dat ik zijne plannen kan verijdelen. Het Rijk zou anders een onmetelijk ongeluk te gemoet gaan.”

„Wat wilt ge doen, prins Thun, misschien kan ik u helpen?” vroeg de Groote Onbekende.

Prins Thun dacht een oogenblik na en antwoordde toen:

„Wanneer het mij mocht gelukken, het testament van den overleden keizer in handen te krijgen, dan was voor prins Tuan de kans verkeken. In dat document werd hij uitdrukkelijk van elke troonsopvolging uitgesloten.”

„Waar ligt dat schriftuur?”

„In eene geheime kast van den opper-eunuch Li. Niemand, behalve hij zelf, weet waar het verborgen is.”

„Ik zal het u bezorgen, prins Thun, ik mag gaarne dergelijke opdrachten uitvoeren. Ik zal den troon van China voor u stelen.”

Prins Thun moest even lachen.

Deze woorden klonken te lachwekkend.

„Twijfelt gij aan mijn voornemen en de uitvoering er van, prins Thun?”

„Openhartig gesproken, ja,” gaf de prins ten antwoord, „dat kunststuk zou zelfs de bij u in Londen zoo beroemde Raffles niet klaar spelen.”

„Wie weet,” antwoordde de Groote Onbekende, met een zeldzamen, geheimzinnigen klemtoon op deze woorden. [162]