WeRead Powered by ReaderPub
Gereformeerde dogmatiek. Vierde deel cover

Gereformeerde dogmatiek. Vierde deel

Chapter 62: E.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een systematische uiteenzetting van gereformeerde geloofsleer over de kerk, de middelen der genade en de laatste dingen. Het behandelt het wezen, de regering en de macht van de kerk; de plaats van het Woord en de sacramenten als verbindende tekenen en middelen van genade, met uitwerking op de doop en het avondmaal; en de leer van de tussentoestand, de wederkomst van Christus en de voleinding der eeuwen. De tekst verbindt bijbelse exegese met theologische systematiek en historische vergelijking binnen een gereformeerd kader.

T.

  • Tertullianus, Zijn beteekenis voor de Theol. I, 57v.;
    over de natuurl. Godskennis II, 33;
    over de lichamel. natuur Gods II, 146v.;
    over de Triniteit II, 254v., 276;
    over de twee naturen van Christus III, 240v.;
    over het werk van Christus III, 316;
    over de kerk v. Rome in verhouding tot andere IV, 88;
    over den kinderdoop IV, 279.
  • Theodoretus, Zijn indeeling van de dogmatische stof I, 32.
  • Thomas, Zijn Summa I, 34v.;
    over de virtutes en de religie I, 177v.;
    over het geloof v. d. articuli mixti I, 220v.;
    over de H. Schrift I, 309v.;
    over de kennisse Gods II, 8v.;
    over de voorzienigheid Gods II, 347v.; III, 6;
    over de voldoening III, 317v.;
    over de superabundantie der vold. III, 367;
    over de noodzakelijkheid der gratia interna III, 439.
  • Thuijnen, van, III, 453.
  • Til, Sal. van, Over de Theol. naturalis I, 43.

V.

  • Victorinus Rhetor I, 71.
  • Vincentius Lerinensis, Over de kenmerken der traditie I, 402.
  • Vinet, Alex. I, 131;
    als verdediger van het Christend. I, 447.
  • Vlak, III, 454.
  • Voetius, Zijn bestrijding van Cartesius’ leer der ideae innatae II, 38.
  • Vorstius, Over de eenvoudigh. Gods, II, 141;
    de onveranderlijkh. Gods II, 121;
    over de menschvormige natuur Gods II, 147.
  • Vrolikhert, III, 453.

W.

  • Wegscheider, I, 102;
    over de openbaring I, 280.
  • Weismann, Over de herediteit, III, 141.
  • Wernle, Paul, Over de heiligmaking III, 558.
  • Wette, de, Zijn dogmat. standpunt I, 104.
  • Whiston, W. Zijn Arianisme II, 263.
  • White, Edward (Als voorstander v. d. Condit. onsterfelijkheid) IV, 502.
  • Wiclif, I, 87.

Z.

  • Zinzendorf, zie Herrnhuttisme.
  • Zwingli, Als Geref. dogmaticus I, 112;
    over de inspiratie I, 315;
    over de zaligheid van Heidenen I, 232; IV, 196, 522;
    over de praedestinatie II, 330;
    over de causae secundae III, 26;
    over de onzichtbare en zichtbare kerk IV, 17;
    zijn Dualisme IV, 155;
    over de uitoefening der kerkel. macht IV, 155;
    over de Sacramenten IV, 221v.;
    over het H. Avondmaal IV, 318v.

Register van Zaken.


A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z


A.

  • Aanbidding van Christus, III, 298v.
  • Aanbod der genade, Strijd daarover in Schotland III, 395;
    algemeenheid III, 399, 488v.
  • Aangeboren begrippen, I, 159; II, 29v.
  • Aanneming tot kinderen, III, 551v.
  • Aanschouwing Gods, II, 150v.; IV, 519.
  • Aarde als middelpunt der Schepping, II, 466.
  • Ἄβυσσος, IV, 374.
  • Acceptilatie in de voldoening van Christus, III, 367v.
  • Actus purissimus, van God gebezigd. II, 123.
  • Adam en Christus, vergeleken naar hun natuur en persoon II, 545v.; III, 65v., 258. Als verbondshoofden II, 563v.; III, 134v., 226v., 351, 361, 373, 547.
  • ‎‏אֲדֹנָי‏, II, 105.
  • Adoptianisme, II, 244.
  • Afscheiding van de kerk. Oordeel van de Geref. daarover. IV, 48, cf. 52.
  • Ἀγαπαι, in de eerste Chr. kerk IV, 216, 311.
  • Ἀγεννησια, als person. eigenschap van den Vader II, 279v.
  • Agnosticisme, II, 15v.
  • Αιων οὑτος en μέλλων in het N. T., IV, 482.
  • Αἰωνες, als naam der wereld II, 420v.
  • Αἰωνιος, in het N. T. IV, 498, 503v.
  • Almacht Gods II, 222v.
  • Alomtegenwoordigheid Gods II, 132v.
  • Ambt der geloovigen IV, 117v.
  • Ambten van Christus III, 313v., 334v., 353v.
  • Ambten in de kerk. Ontstaan IV, 73v.;
    karakter IV, 119v.;
    aantal IV, 126v.;
    verhouding tot de gaven IV, 63.
  • Amerika, Gesch. v. d. Dogmatiek in I, 135v.
  • Anabaptisme, over natuur en genade, I, 222; IV, 20, 162, 186;
    over de H. Schrift, I, 381v.; III, 198; IV, 209v.;
    over de Trin. II, 265;
    over het beeld Gods II, 512;
    over de menschel. natuur van Christus III, 275v.;
    over de kerk IV, 20; over de kerkelijke macht en tucht IV, 155, 162;
    over de Sacramenten IV, 223;
    over den kinderdoop IV, 282v., 289.
  • Analogia fidei bij de uitlegging der H. Schrift I, 398v.
  • Analytische indeeling der Dogmatiek. Zie Dogmatiek.
  • Andover position, in Amerika IV, 500.
  • Anglikaansche kerk IV, 87.
  • Anthropologisch bewijs voor de onsterfelijkheid der ziel IV, 361v.
  • Anthropomorphieten in de Chr. kerk, II, 147.
  • Anthropomorphisme in de openbaring Gods I, 228v., 268v., 358; II, 65v., 536.
  • Antichrist IV, 464.
  • Anti-geologische theorie tot verzoening van Schrift en natuurwetenschap, II, 474v.
  • Antinomianisme over de satisfactio vicaria III, 365;
    over de heilsorde III, 451v., 467v., 525, 527, 553; IV, 209;
    over de wet IV, 203v.
  • Antinomianisme in Engeland I, 118; III, 453.
  • Ἀποκαλύπτειν en φανερουν I, 244v.
  • Apologetiek I, 429v.;
    waarde daarvan bij Rome I, 424v.
  • Apostolaat I, 334v.; IV, 64v., 69v., 99v.;
    in ruimeren zin IV, 66v.
  • Apostoliciteit der kerk IV, 57v.
  • Ἀρχή, in de Philos. I, 140;
    in de H. Schrift en Theol. I, 141.
  • Arianisme II, 260v., 262v., 309, 401, 404.
  • Aristotelisch-ptolemeische wereldbeschouwing II, 464.
  • Armenie-hypothese over de ligging van het Paradijs II, 505v.
  • Arminianisme in Engeland I, 117v.;
    in Nederland I, 120.
  • Atheisme II, 25v.
  • Atomen in het Materialisme II, 394v.
  • Aufklärung in Duitschland I, 102.
  • Augustinianen in de Roomsche kerk, I, 93;
    over de praedestinatie II, 326;
    over de genade III, 441, 497.
  • Autoritas historica et normativa der H. Schrift. Zie Gezag der H. S.
  • Avesta, over den val der menschen, III, 40.
  • Avondmaal, IV, 299v.;
    viering in de 1e Chr. kerk IV, 216, 311;
    opvatting bij Rome IV, 249, 315v.;
    instelling IV, 302v., 340v.;
    als offer opgevat IV, 312v.;
    bedienaren IV, 324v.;
    plaats van bediening IV, 327v., 348;
    wijze v. bediening IV, 328v., 348;
    in private woningen IV, 327, 350;
    voor kinderen IV, 348, 350v.;
    en Doop IV, 344, 350v.

B.

  • Baptisme in Engeland, I, 123v.
  • ברא I, 396; IV, 512.
  • Barmhartigheid Gods II, 180v.;
    in de hel II, 362, 365; IV, 510.
  • Bath-Kol bij de Joden I, 252.
  • Bedeeling des O. V., Eigenaardigheid III, 176, 213v., 229; IV, 443v.
  • Bediening des Woords, IV, 165v.;
    bij Rome IV, 138v., 163.
  • Beeld Gods als naam v. d. 2en persoon II, 244v., 511;
    niet de engelen, maar de mensch, II, 442v., 542, 568;
    leer v. b. II, 508v.; III, 82v.;
    grens van het, II, 557; III, 64v.;
    in hoeverre verloren door de zonde III, 82v., 165v.
  • Beeldenstrijd in de 8e en 9e eeuw I, 66.
  • Begrafenis van Christus III, 377.
  • Begraven, Het, in Israel IV, 364;
    in ’t algemeen, IV, 485.
  • Begrippen, Hun verhouding tot de werkelijkheid, I, 166v.
  • Bekeering, III, 480v.;
    eisch van IV, 206v.
  • Belijdenis, Als onvolledige uitdrukking van het geloof der kerk, I, 5v.;
    verhouding tot de Schrift, I, 25; IV, 168;
    tot de Dogmatiek, I, 27;
    geen kenbron der Dogmatiek, I, 26v.
  • ברית, III, 192v.
  • Beschermengelen, II, 447v.
  • Besnijdenis in het O. T., IV, 252v.;
    overgang in den Doop, IV, 284v.
  • Besnijdenis van Christus, III, 375.
  • Besprenging in den Doop, IV, 272v.
  • Bestaan Gods als onderstelling der religie, I, 209v.
  • Bewijzen voor Gods bestaan, II, 48v.
  • Bezetenen onder het N. T., III, 184v.
  • Biecht, Zie Boete.
  • Bijgeloof, I, 247; III, 180v.
  • Bisschoppelijk ambt, bij Rome enz. IV, 9v., 96v., 126v.;
    ontstaan, IV, 82v.;
    kritiek, IV, 96v.;
    verh. tot andere ambten, IV, 127v.;
    tot den Paus, IV, 147v., 150v.;
    bij somm. Geref., IV, 99, 130.
  • Bloed van Christus, III, 377.
  • Boek des levens, II, 314v., 318.
  • Βουλή, van den wil Gods gebruikt, II, 315.
  • Boete in de 1e Chr. kerk, III, 434;
    bij Luther, III, 444v., 480;
    bij de Geref., III, 480;
    als sacrament in de Roomsche kerk, IV, 139v., 163v., 170, 249.
  • Boom der kennis des goeds en des kwaads, II, 559; III, 35v.
  • Boom des levens, II, 559.
  • Borgtocht van Christus, III, 204v.
  • Bovennatuurlijk, Opvatting in de Theol., I, 222, 273v.
  • Breedkerkelijke partij in Engeland, I, 133v.
  • Buddhisme, III, 41, 426; IV, 2.

C.

  • Calvinisme, II, 371v.
  • Calvinistische Theologie in Frankrijk, I, 113, 122v., 127, 131;
    in Nederland, I, 114, 116, 125v., 129v.;
    in Engeland en Schotland, I, 114v., 117v., 123v., 128, 132v.;
    in Duitschland, I, 115, 130;
    in Amerika, I, 135v.
  • Canonisatie in de Roomsche kerk, IV, 400.
  • Cartesianisme in de Theol. I, 120v.
  • Catechese, bij de Reform. IV, 352.
  • Causa sui, op God toegepast, II, 122, 123, 124.
  • Causae secundae, III, 22, 25v.
  • Cesareopapisme, IV, 189;
    in het Oosten, IV, 142.
  • Chaldeeuwsche Genesis, II, 388.
  • Character indelebilis bij Rome, IV, 241v.
  • Charismata in de gemeente IV, 29, 117;
    verhouding tot de ambten, IV, 63.
  • Cherubim, II, 430v.
  • Chiliasme, IV, 436v.
  • Chochma bij Israel, II, 169.
  • Christendom, in betrekking tot het Heidendom, I, 240, 247v.; III, 228v.;
    en natuurwetenschap, II, 422v., 465; III, 23v.;
    volgens Rome, II, 528v.
  • Christus, Is hij causa electionis? II, 380; III, 356;
    als object van praedestinatie en electie II, 382v.;
    in zijn relatie tot de engelen II, 444v.; III, 405v.;
    zijn zondeloosheid, III, 145, 295v., 366;
    zijn persoon, III, 228v.;
    zijn Godheid, III, 239, 264v.;
    zijn ontvangenis van den H. Geest, III, 268v, 272v.;
    als Davidide, III, 274;
    als openbaring Gods, III, 342;
    zijn menschheid, III, 275v., 287v., 291v.;
    zijn getuigenis over het O. T., I, 333; III, 295;
    zijn werk, III 302v.;
    zijn verhouding tot de Wet, IV, 201v.;
    heeft Hij ook iets voor zichzelven verdiend? III, 312v., 411v.;
    in de nieuwere Theol. en Philos., III, 247v., 276, 328.
  • Chronologie der Schrift, II, 470v., 488.
  • Clerus bij Rome, IV, 86, 95v., 126v.;
    indeeling, IV, 127v.
  • Coadamitisme, II, 501.
  • Coccejanisme, I, 121. Zie voorts Coccejus.
  • Communicatio apotelesmatum, III, 290.
  • Communicatio charismatum, III, 290.
  • Communicatio idioimatum, III, 290: bij Rome en de Lutherschen, III, 243v., 290v.
  • Communisme, II, 561.
  • Concilie van Constanz, I, 87.
  • Concilie van Trente, I, 88;
    over de verhouding van bisschopp. en pauselijk ambt, IV, 147.
  • Concordistische theorie tot verzoening van Schrift en natuurwetenschap, II, 473v., 479.
  • Concupiscentia, III, 86v., 125;
    bij Augustinus, III, 86, 120;
    bij Rome, III, 86, 122; IV, 277.
  • Concursus, III, 8, 16, 20v., 25v.;
    verschillende opvatting in de Roomsche Theol., III, 11v.
  • Confucianisme, III, 41.
  • Congruisten in de Roomsche kerk, I, 93; III, 441, 497v.
  • Constantinopel als mededingster van Rome, I, 70; IV, 90v.
  • Creatianisme, II, 565v.;
    met het oog op de voortplanting der erfzonde, II, 567; III, 144.
  • Creatio prima et secunda, II, 459.
  • Cultus Dei en religie bij de Geref., I, 179, 182.
  • Cultuur en religie, I, 201.

D.

  • Dag des Heeren in de profetie, I, 261v.; IV, 427, 481;
    in de Joodsche Theol. en het N. T., IV, 481v.
  • Δαιμων, als naam Gods, II, 103.
  • Darwinisme, II, 492v., 513v.;
    als polygenisme, II, 502, 506v.;
    beteekenis voor de handhaving van de eenheid van het menschelijk geslacht, II, 503.
  • David als theocratisch koning, III, 230.
  • Decretum horribile, van Calvijn, II, 371.
  • Deisme, Alg. karakter, I, 17; II, 308; III, 13v.;
    over de religie I, 194;
    over de eeuwigh. Gods, II, 128;
    over de alomtegenwoordigh. Gods, II, 134, 137v.;
    over de voorzienigh. Gods, III, 11v.;
    over de causae secundae, III, 26;
    over den oorsprong der zonde, III, 43v.
  • Deisme in Engeland, I, 124v.;
    betreffende het histor. karakter der openb., I, 297;
    over de genoegzaamh. der alg. openb., I, 232.
  • Determinisme, in zijn onderscheiding van de praedestinatie, II, 341v.; III, 9v.
  • Deugden Gods, II, 78v.;
    als hypostasen opgevat, II, 85v.;
    in verh. tot het wezen Gods, II, 86v.;
    subjectieve opvatting, II, 91v.;
    indeelingen, II, 95v.
  • Deugden der Heidenen en ongeloovigen, I, 238v.; III, 149, 152, 210v.
  • Διαθηκή in LXX en N. T. III, 195.
  • Diakonaat, IV, 78v., 165, 177v.;
    bij Rome, IV, 128.
  • Διακονία, in het N. T. IV, 80.
  • Dicta duriora bij Augustinus en de Geref., II, 372v.; III, 57v.
  • Δικαιοσυνή θεοῦ bij Paulus, III, 533v.
  • Diocese bij Rome, IV, 85.
  • Doctorenambt, IV, 130.
  • Dogma, I, 3v.;
    ontstaan v. h., I, 514v.;
    volg. Harnack en Hatch, I, 511v.
  • Dogmatiek, Naam I, 1v.;
    formeel begrip, I, 6;
    materieel begrip, I, 6v.; II, 1;
    plaats in de Encyclopedie, I, 9v.;
    methode, I, 14v.;
    indeeling, I, 31v.;
    geschiedenis, I, 51v.;
    kerkelijk karakter, I, 14, 23;
    persoonl. karakter, I, 28v.;
    kritische richting in de I, 16v.
  • Dogmatische terminologie, I, 528; II, 268; IV, 225.
  • Δόξα, II, 191.
  • Donatisme, over de lapsi IV, 139.
  • Donum superadditum bij Rome;
    in de engelenwereld, II, 441;
    bij de menschen, II, 517v., 555.
  • Dood als straf der zonde, III, 176v.; IV, 367, 372, 383, 505;
    voor de geloovigen, IV, 411v.
  • Dood van Christus. Zie Kruis, werk van Christus.
  • Doodenvereering in de versch. godsdiensten, IV, 392;
    in Israel, IV, 363v.
  • Doodenvragen in de H. S., IV, 395v.
  • Doop, IV, 252v.;
    in verband tot de wedergeboorte, IV, 197v., 266, 290v.;
    tot het Avondmaal, IV, 344v., 350;
    van Joh. den Dooper, IV, 254v., 447;
    bedienaren, IV, 293v.;
    plaats v. bediening, IV, 295v.;
    tijd van bediening, IV, 296v.;
    wettigh., IV, 299;
    objecten, IV, 299;
    bij Rome, III, 442; IV, 248, 262v., 270, 275, 277.
  • Doop van Christus, III, 375.
  • Doopgetuigen, IV, 297v.
  • Δουλεια en λατρεια, II, 452v.; IV, 393v., 400v.
  • Drie. Getal in natuur en Schrift, II, 298v., 311.
  • Drieëenheid, II, 227v.;
    in verband met de eenvoudigheid Gods, II, 144v.;
    met de leer v. d. mensch, II, 539;
    als onderstelling van de vleeschwording, III, 254v.;
    belang voor de heilsorde, III, 469v.
  • Droomen als openbaringsmiddel, I, 253v.
  • Dualisme op metaphys. gebied in betr. tot den persoon van Christus, III, 278v.;
    van gelooven en weten in de N. Theol., I, 463v., 482, 512;
    II, 456.
  • Duidelijkheid der Schrift. Zie Schrift.
  • Duivelen, III, 90v.;
    aard hunner zonde, III, 92v.;
    macht over de wereld, III, 199v.
  • Duizendjarig rijk. Zie Chiliasme.

E.

  • Ebionitisme over Christus, III, 240;
    over Zijn werk, III, 320;
    over de toekomst, IV, 375.
  • ‎‏אֵל‏‎, II, 104.
  • ‎‏ברית‏‎, II, 104, 228.
  • אֵל שַׁדַּי‏, II, 106.
  • Eenheid der kerk, IV, 7v., 31, 53v.
  • Eenvoudigheid Gods, II, 88, 94, 140v.
  • Eeuwigheid Gods, II, 128v., 412.
  • Eeuwigh. en tijd, II, 128v., 410v., 412v.
  • Eigennamen Gods, II, 102v.
  • Eigenschappen Gods. Zie Deugden Gods.
  • Eigenschappen der Schrift. Zie Schrift.
  • Ἐκκλησία. Beteekenis en gebruik, IV, 4, 6, 25, 448.
  • Εκλογή, II, 316.
  • Emanatie-leer, II, 400v., 414.
  • Empirisme, I, 151v.
  • Engel des Heeren. Zie Malak Ihvh.
  • Engelen, II, 425v.;
    als bemiddelaars der openbaring, I, 249; II, 428, 445, 454;
    gedacht als bewoners der planeten, II, 426v.;
    getal, II, 431, 433;
    bestaan, II, 425v.;
    namen, II, 429v.;
    rangorde onder de, II, 432v.;
    hun schepping, II, 434v.;
    geestelijke natuur, II, 435v.;
    verschijningen, II, 437;
    redelijke natuur, II, 438v.;
    zedel. natuur, II, 440v.;
    vergeleken met de menschen, II, 442v., 567v.;
    dienst en werkzaamheid, II, 445v.;
    voorbede, II, 448v.; IV, 394, 398;
    vereering, II, 451v.;
    heeft Christus iets voor hen verdiend? II, 444v.; III, 405v.;
    zijn zij leden der kerk, II, 445; IV, 30v.;
    beteekenis v. h. geloof aan de II, 428, 451v.
  • Episcopaat. Zie Bisschoppelijk ambt.
  • Episcopale stelsel van kerkregeering, IV, 82v., 96v.
  • Επισκοποι en πρεσβυτεροι, IV, 74v., 97v.
  • Erfelijkheid volgens de nieuwere wetenschap, III, 140 v.
  • Erfzonde, III, 108v.;
    bij Rome, II, 525,; III, 116, 121v.
  • Ervaring als bewijs voor de waarheid der religie, I, 458v.
  • Esseners. Hun Eschatologie, IV, 371.
  • Essentia, als aanduiding v. h. wezen Gods, II, 270;
    Dei, bij de kerkvaders, II, 79, 87, 117.
  • Ethicisme, I, 191v.
  • Ethiek, Verb. tot de Dogmatiek, I, 12v.
  • Evangelie en Wet, IV, 201v.;
    bij het eindgericht, IV, 492v.
  • Evangelieprediking aan de overzijde van het graf, IV, 382, 402v., 499.
  • Evangelisten in het N. T., IV, 67v.
  • Evolutie theorie, I, 236v., 345; II, 491v., 513v.;
    over het bederf des menschen, III, 153v.
  • Examinatie, IV, 123v.
  • Expromissio en fidejussio, III, 204.
  • Extase bij het profetisch visioen, I, 255, 256.

F.

  • Fatum. Zie Noodlot.
  • Fidejussio en expromissio, III, 204.
  • Fides implicita bij Rome, I, 518v.
  • Filioque. Strijd over het, tusschen het O. en het W., II, 291v.
  • Foederalisme in de leer der erfzonde, III, 131v.
  • Formula Concordiae, I, 99;
    over de praedest. en wilsvrijheid, II, 328v.; III, 446.
  • Fundamenteele Artikelen bij do Prot. I, 520v.
  • Future probation theorie in Engeland, IV, 500.

G.

  • Gabriel, II, 431.
  • Gallikanisme, I, 403.
  • ‎‏חַטָּאת‏‎, III, 74v., 95.
  • Gaven, geestelijke. Zie Charismata.
  • Geest, Heilige II, 246v., 285v.;
    als principe der openb. I, 256v.; II, 230v.;
    als principe d. schepping, II, 228v., 405;
    zijn uitgang, II, 246v., 287v.;
    zijn persoonlijkh. en Godh., II, 247, 285v.;
    bij den mensch in den staat der rechtheid, II, 540v.;
    zonde tegen den, III, 101v.;
    werkzaamheid in betr. tot de menschel. natuur van Christus, III, 268v., 272v., 416v., 430, 471v.;
    in betrekking tot de uitverkorenen, III, 430v., 469v., 556v.; IV, 342;
    uitstorting op den Pinksterdag, III, 217, 430v.; IV, 5;
    zijn werking ten opz. van het Woord, IV, 209v.;
    als uitdeeler v. d. gaven in de kerk, IV, 29.
  • Geest des menschen, II, 537;
    en ziel, II, 537v.
  • Geestenverschijningen, IV, 395, 396v.
  • Geestelijke natuur Gods, II, 145v.
  • Geestelijke wereld, II, 424v.;
    beteekenis v. h. geloof daaraan voor de religie, II, 428, 454v.
  • Geestelijk leven in verh. tot natuurlijk en zedelijk leven, IV, 188.
  • Gehenna, IV, 374, 495.
  • Gehoorzaamh. van Christus. Dadelijke, zie obedientia activa. Lijdelijke, zie obedientia passiva.
  • Geloof in alg. zin, I, 469v.; III, 514;
    in relig. zin, I, 174, 181v., 472v.; III, 450, 514v.;
    als princ. internum v. d. rel. openb. Theol. I, 468v.;
    opvatting in de eerste Chr. kerk, I, 475v.;
    bij Rome, I, 476, 523; III, 442, 521v.;
    in de Reform. I, 477v., 523; III, 522;
    en Theologie I, 509v.;
    bij Christus, III, 294v., 515;
    eisch van IV, 206v.;
    in verh. tot de rechtv. making, III, 452v., 535v.;
    beteek. voor de Sacramenten IV, 241v., 344.
  • Geloofsstandpunt, onmisbaar voor den dogmaticus, I, 467v., 524.
  • Gelooven en weten, I, 463v., 483v.
  • Gelooven op gezag, I, 374v., 376v.
  • Gemeenschap der heiligen, IV, 28v., 520v.;
    der strijdende en triomf. kerk, IV, 417v., 520.
  • Gemeente en kerk, IV, 25v.;
    haar beteekenis en invloed in de regeering der kerk, IV, 73, 79, 122v., 180v.
  • Gemeente godsdienstoefeningen in den apost. tijd en verv. IV, 215v., 311.
  • Genade Gods, II, 181;
    hare openbaring terstond na den val, III, 155, 187v., 207v.;
    geen tegenstelling van de gerechtigheid Gods, II, 200v.; III, 339v., 346v., 381v.
  • Genade, III, 474v.;
    karakter bij Rome, II, 524, 528; III, 443v., 475v.;
    bij de Geref. III, 476v., 508v; IV, 187v.;
    alg. zie gratia communis; voorber., zie gratia praeparans.
  • Generatie v. d. Zoon, II, 282v.;
    in verband tot de schepping, II, 282, 310v., 401; III, 257.
  • Geologie over de ontwikkelingsgeschiedenis der aarde, II, 469v., 482v.; III, 208;
    verschil met de openb. II, 470v.;
    waarde v. d. II, 477.
  • Geologische perioden, Bezwaren daartegen, II, 482v.
  • Gerechtigheid Gods, II, 194v; III, 157, 340, 533. Vgl. ook genade Gods.
  • Gerechtigheid bij menschen, II, 197v.; III, 427.
  • Gereformeerden, verschil van de Lutherschen, I, 111; II, 328, 418;
    schakeeringen onder hen, I, 115; II, 331v.;
    over de Heid. religies, I, 239;
    over de inspiratie, I, 315v.;
    over de onbegrijpelijkh. Gods II, 10v.;
    over de nat. Godskennis, II, 37v.;
    hun omschrijving Gods, II, 81v.;
    over de praedestinatie, II, 330v., 358v., 373;
    over het beeld Gods, II, 531, 535;
    over den staat der rechtheid, II, 557v.;
    over de erfzonde III, 126v.;
    hun verbondsleer, III, 199v.;
    hun Christologie, III, 246, 291v., 294, 300v.;
    over de particul. voldoening, III, 394v.;
    over het koningschap van Christus, III, 424;
    over de heilsorde, III, 447v., 463v.;
    verschillen met het oog op de heilsorde, III, 452v.;
    over de kerk, IV, 16v.;
    over de kenteekenen der kerk, IV, 44;
    over de onderscheidene ambten in de kerk, IV, 130v.;
    over de macht der kerk, IV, 153v., 164v.;
    hun verwerping van de biecht, IV, 154, 170;
    over de genademiddelen, IV, 196v., 199;
    over de wet, IV, 208;
    over de verhouding van Woord en Geest, IV, 210v.;
    over de Sacramenten, IV, 226v., 236v.;
    over den Doop, IV, 265v., 275v.;
    over den Kinderdoop, IV, 281v., 297, 298;
    over het Avondmaal, IV, 321, 331v., 341v.;
    over den tusschentoestand, IV, 380;
    over de vroegsterv. kinderen, IV, 523.
  • Gereform. Dogmatiek. Geschiedenis I, 111v, vgl. Dogmatiek.
  • Gevoel als kenbron der Dogmatiek, I, 16v.;
    als zetel der religie, I, 195v.
  • Gevoelsrichting in Duitschland in de 18e eeuw, I, 104.
  • Geweten, III, 164.
  • Gezag in gezin en maatschappij, I, 376;
    in wetenschap en kunst, I, 377;
    in religie en Theol. I, 378v.
  • Gezag der Heilige Schrift. Zie Schrift.
  • Giesseusche en Tubinger theologen over de exinanitio Christi III, 245.
  • ‎‏עֶלְיוֹן‏‎, II, 105.
  • Gnesio lutheranen in de 16e eeuw, I, 98v.
  • Gnosimachi, I, 509.
  • Gnosticisme, I, 54v.;
    over de Schrift, I, 380;
    over de onbegrijpelijkh. Gods, II, 4;
    over het Oude Test., III, 196v.;
    over de schepping, II, 401;
    over Christus, III, 240, 275;
    over het werk van Christus, III, 320;
    over de kerk, IV, 9;
    over de Eschatologie, IV, 375v.
  • God, als de Wordende in de panth. philos., II, 122, 124v.;
    als de Zijnde, II, 115v.;
    als Geest, II, 140v.;
    als Licht, II, 155v.;
    als de Heilige, II, 176v.;
    als Souverein, II, 202v.;
    afleiding v. d. naam, II, 103;
    als nomen personale v. d. eersten persoon, II, 240v.;
    toegepast op den Zoon, II, 245v.; III, 239, 264v., 266v.
  • Godheid van Christus. Zie Christus.
  • Godsbegrip, Geschied. v. h. II, 78v.
  • Godsdienstwetenschap, nieuwere I, 183v.;
    methode, I, 185v., 208v.;
    over den oorsprong der religie, I, 204v., 236v.;
    over oorspr. karakter v. h. Heidendom, I, 236v.
  • Goede, Het II, 177.
  • Goede werken, III, 564v., 571v.
  • Goedertierenheid Gods, II, 180.
  • Goedheid Gods, II, 176;
    in abs. zin als volmaaktheid, II, 178;
    voor anderen, II, 179v.;
    als motief der wereldschepping, II, 415v.
  • Goedheid des menschen, II, 539v.
  • Gottschalksche strijd, II, 322v.
  • Graden in de zonde, III, 89v.;
    in de helsche straffen, IV, 421v., 510;
    in de toek. zaligheid, IV, 421v., 526v.
  • Gratia communis bij de Geref. I, 239;
    III, 2O7v.;
    IV, 188, 384.
  • Gratia praeparans, III, 493v.
  • Gratia praeveniens bij Rome, II, 326; III, 439, 440v.
  • Grieksche kerk. Haar karakter en Theol. I, 68v.;
    II, 292v., 319, 539;
    III, 116, 242;
    over de nederdaling ter helle, III, 378;
    over de kerkelijke macht, IV. 153, 164.
  • Gronden des geloofs. Moeilijkheid v. h. onderzoek daarnaar, I, 418v.;
    volg. de histor. apolog. bewijsvoering, I, 420, 423v.;
    volg. de speculatieve bewijsvoering, I, 420, 431v.;
    volg. de ethisch psycholog. bewijsvoering I, 420, 444v.;
    in de Christ. kerk en Theol. I, 484v.
  • Groninger Theologie, I, 129;
    haar Godsbegrip, II, 84;
    over Christus’ werk, III, 330, 354.
  • Grootheid Gods, II, 194.