WeRead Powered by ReaderPub
Gereformeerde dogmatiek. Vierde deel cover

Gereformeerde dogmatiek. Vierde deel

Chapter 71: N.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een systematische uiteenzetting van gereformeerde geloofsleer over de kerk, de middelen der genade en de laatste dingen. Het behandelt het wezen, de regering en de macht van de kerk; de plaats van het Woord en de sacramenten als verbindende tekenen en middelen van genade, met uitwerking op de doop en het avondmaal; en de leer van de tussentoestand, de wederkomst van Christus en de voleinding der eeuwen. De tekst verbindt bijbelse exegese met theologische systematiek en historische vergelijking binnen een gereformeerd kader.

H.

  • Haat Gods, II, 196.
  • ‎‏הָדָר‏‎, II, 191.
  • Hades in het N. T., IV, 372v. Vgl. verder Scheol.
  • Haeresie. Zie ketterij.
  • Handoplegging, III, 306; IV, 124v.
  • Hart des menschen, II, 538v.
  • Hattemisten, III, 452.
  • Hebreën, III, 452.
  • Heerlijkheid Gods, II, 191v.
  • Heidendom, Oorspr. en kar. volg. de Schrift, I, 234v.; III, 425;
    volg. de nieuwere godsdienstwetenschap, I, 236v.;
    elementen van waarheid in het, I, 238v., 247v., III, 228v.;
    vergeleken met de rel. v. Israel, I, 247v., III, 211v.;
    met het Christendom, I, 240, 247v.
  • Heidenen. Mogelijkheid hunner zaligheid, I, 232; IV, 522v.
  • Heilig, als attribuut van personen en zaken, II, 186; III, 557.
  • Heiligen, als daad Gods, II, 186v.
  • Heiligheid Gods, II, 184v.
  • Heiligheid der kerk, IV, 54v.
  • Heiligmaking, III, 553v.; IV, 411;
    in betrekking tot de rechtvaardigmaking, III, 431v., 540, 553v.;
    volkomene, bij den dood, IV, 411v.
  • Heiligverklaring in de Roomsche kerk. Zie Canonisatie.
  • Heilsorde, III, 425v.
  • Hellenistisch Grieksch in het N. T., I, 348, II, 236.
  • Helsche straffen, IV, 496v. Vergel. Gehenna.
  • Hemel in de H. Schrift, II, 434v.
  • Hemelvaart van Christus, III, 410v.
  • Herediteit. Zie Erfelijkheid.
  • Herrnhutisme, I, 101; II, 266v.; III, 300, 321, 457v.; IV, 21.
  • Hexaemeron. Zie Scheppingsdagen.
  • Historische boeken des O. T., I, 327.
  • Historisch-kritisch onderzoek der H. Schrift in verb. met de inspiratie, I, 318v., 340v., 360.
  • ‎‏הוֹד‏‎, II, 191.
  • Hoog-kerkelijke partij in Engeland, I, 133.
  • Huisgemeenten, IV, 6, 73, 116.
  • Huwelijk als Sacr. bij Rome, IV, 250.

I.

  • Ideäe innatae. Zie Aangeboren begrippen.
  • Ideale theorie tot verzoening van Schrift en natuurwetensch., II, 471v., 476.
  • Idealisme. Zie Rationalisme.
  • Ideën in ’t alg., II, 171v.;
    in God, II, 170v.
  • IJver Gods, II, 197.
  • Ἱλασμος en καταλλαγη, III, 313, 381v., 524.
  • Immanentie Gods. Physische en ethische, II, 138v.
  • Independentisme, I, 123; IV, 21v., 115, 116, 183.
  • Indifferentisme, (religieus) I, 174, 184v.
  • Infralapsarisme. Zie Supra- en Infralapsarisme.
  • Inspiratie, I, 306v.;
    in ruimeren zin, I, 251;
    subsequens, I, 313;
    als negatieve assistentie des H. Geestes, I, 313;
    alleen v. h. religieus-ethische bij Rome, I, 313;
    onder de Protest, I, 318v., 349, 351v.;
    realis bij Rome, I, 314;
    dynamische, I, 319v., 351 v.;
    organisch op te vatten, I, 346v.;
    bezwaren tegen de, I, 353v.
  • Irvingisme, IV, 23.
  • Islam over praedest. en wilsvrijheid, II, 318;
    over de verlossing, III, 425v.;
    over den Mahdi, IV, 426.
  • Israel, godsd. v. vergeleken met andere. I, 247v.; III, 211v.;
    Kerk en Staat in, IV, 3, 132v.;
    toekomst v. volgens het O. T., IV, 426v.;
    volgens het N. T., IV, 446v.;
    vgl. ook Bedeeling des O. Verbonds.

J.

  • ‎‏יָהּ‏‎, II, 110.
  • ‎‏יהוה‏‎, II, 107v., 116.
  • Jahvisme en volksgodsdienst in Israel, IV, 364.
  • Jakobus en Paulus over de rechtvaardigmaking, III, 546v.
  • Jezuïten, Hun invloed op de schol. beoefening der Theol., I, 91, 97;
    Hun leer v. d. inspiratie, I, 312v.;
    v. d. scientia media, II, 162v.
  • Jezus, Beteekenis v. d. naam, III, 332. Vgl. verder Christus.
  • Johannes de Dooper, IV, 254v.
  • Joodsche Theologie over inspiratie en traditie, I, 306v.;
    over de versch. hypostasen en sefiroth Gods, II, 86, 127, 147, 234;
    over den oorsprong der zonde, III, 41, 45, 112;
    over den tusschentoestand, IV, 370v.;
    over de toekomst van Israel, IV, 436v.
  • Judaisme, III, 196.
  • Judas, Zijn tegenwoordigheid bij het Avondmaal, IV, 347.
  • Justitia originalis, II, 526v., 532, 540.

K.

  • כָּבוֹד יה, II, 191.
  • Kant, Laplace’sche hypothese, II, 467v.
  • Καταλλαγή en ἱλασμος, III, 313, 381v., 524v.
  • Katholiciteit der kerk, IV, 8v., 55v.
  • Kennisse Gods als inhoud der Dogm. I, 6v.; II, 1v., 77v.;
    haar grondslag: openbaring II, 22v., 24v., 40, 41, 45;
    niet adaequaat, II, 5, 25, 73, 75v.;
    niet symbolisch, II, 76v.;
    ingeschapene, II, 24v.;
    verkregene, II, 44v.
  • Κενωσις, Leer v. d., in de nieuwere Theologie, II, 122v., III, 252, 283v.
  • Kerk, Haar wezen, I, 422; IV, 1v.;
    zichtbare en onzichtbare, IV, 15v. 33v., 37v.;
    als instituut, IV, 34v., 60v., 197v.;
    kenteekenen, IV, 38v.;
    gedeeldheid, IV, 41v., 49v.;
    eigenschappen, IV, 53v.;
    ware en valsche, IV, 47v., 52;
    regeering, IV, 59v.;
    macht, IV, 132v.;
    belijdend karakter, IV, 168v.;
    in haar verhouding tot de Schrift, I, 24, 304, 363v., 366v., 380, 383, 385, 424v.; IV, 39, 43v., 195;
    als grond v. h. geloof aan de Schrift, bij Rome, I, 424, vgl. 431; IV, 39v.;
    hare roeping in betr. tot de uitlegging der Schrift, I, 399, IV, 167v.;
    in hare verhouding tot de Theol., I, 517, 525;
    tot den Staat, zie Staat;
    tot het Godsrijk, IV, 27;
    tot de wereld, IV, 186v.
  • Kerkenorde, Beteekenis, IV, 110.
  • Kerkeraad, IV, 127, 179v.
  • Kerkvaders, Over de Heilige Schrift, I, 308v.
  • Kerkverband, IV, 115.
  • Kerspelvorming, IV, 116v.
  • Ketterdoop, IV, 299.
  • Ketterij, IV, 52.
  • Kinderdoop, IV, 265, 278v.
  • Kinderen, jongstervende. Hun toekomstig lot. Zie zaligheid.
  • Knecht des Heeren bij Jesaja, III, 231v., 308v.
  • קדשׁ‏‎, II, 185.
  • Koningschap Gods, III, 2v., 28v.
  • Koningschap onder Israel, III, 230.
  • Koninkl. ambt van Christus, III, 335v., 421v.; IV, 111v.;
    als Materialprinzip v. d. Geref. kerkregeering, IV, 113v.
  • Koninkrijk Gods in de profetieën, IV, 435v.;
    in de Joodsche Theol. IV, 436v.;
    bij Jezus, III, 233v., 429; IV, 447v., 514;
    en kerk, IV, 27.
  • Kopernikaansche wereldbeschouwing, II, 465.
  • Kosmogonieën der Heidenen, II, 387v., 457.
  • Kosmologisch bewijs voor het bestaan van God, II, 54v.
  • Kritiek, nieuwere, Over de bondsidee, III, 191v.;
    over het O. Test. in ’t alg., III, 202v.
  • Kruisdood van Christus, III, 376v.
  • Kunst en religie, I, 199v.
  • Κυριος, als naam Gods, II, 103, 113.

L.

  • Lankmoedigheid Gods, II, 181.
  • Lastering tegen d. H. Geest, III, 101v.
  • Λατρεια en δουλεια, II, 452v.; IV, 393v., 400v.
  • Leeraarsambt, IV, 76v., 166v.
  • Leger des heils, IV, 22.
  • Leven in de H. Schrift, IV, 356, 367v., 383, 384v., 505.
  • Levens van Jezus. Oordeel daarover, III, 374v.
  • Levensduur, langere, der menschen vóór den zondvloed, III, 208.
  • Lezen der Schrift, door de leeken bij Rome, I, 394, 396.
  • Libertinisme, III, 55.
  • Lichaam des menschen, II, 541v.;
    vereeniging met de ziel, II, 541v.
  • Lichamelijkheid der gestorven zielen, IV, 381, 389v.
  • Licht, van God gebruikt, II, 155, 192v.;
    natuur van het II, 460v.
  • Liefde Gods, II, 183v.;
    en de voldoening van Christus, III, 357, 381v.
  • Liefde in de gemeente, IV, 30, 169.
  • Lijden, het, in betr. tot de regeering Gods, III, 32v., als straf der zonde, III, 159v., 167v.
  • Lijkenverbranding, IV, 485.
  • Limbus infantum bij Rome, IV, 378, 421.
  • Limbus patrum bij Rome, IV, 378, 421;
    bij anderen, IV, 382.
  • Loci, Beteekenis dezer uitdrukking in de Roomsche Theol., I. 2.
  • Loci Communes, Beteekenis bij Cicero, I, 1;
    als naam d. Dogmatiek, I, 2.
  • Logos, als benaming van Christus in de Schrift, I, 339; II, 234v., 241v., 283, 407v.;
    bij de Stoa, II, 232; bij Philo, II, 233v.;
    bij de Apolog., II, 405;
    opgevat als de wereldidee, II, 405v.
  • Loon in de H. Schrift, II, 553v.; III, 563v.; IV, 526v.
  • Lot als openbaringsvorm, I, 252.
  • Luthersche Dogmatiek, Geschiedenis, I, 98v.
  • Lutherschen, Verschil van de Geref., I, 110v.; II, 328v., 418, 556v., 567v.; III, 446v.;
    verwantschap met de Remonstranten, II, 329v.;
    over de duo hemisphaeria, I, 223; II, 35v., 534v.; III, 152; IV, 156, 187;
    over de cognitio Dei insita, II, 36v.;
    over de deugden Gods (indeeling), II, 98;
    over de praedestin., II, 328v.;
    over het beeld Gods, II, 529v., 530v., 534v., 556v., 565, 567v.;
    over de erfzonde, II, 567, 569; III, 125v.;
    over de verhouding van O. en N. Test., III, 199;
    over de twee naturen in Christus, III, 244v., 290, 294, 350, 412v.;
    over de aanbidding van Christus, III, 300;
    over de nederdaling ter helle, III, 379;
    over de verhooging van Christus, III, 412v.;
    over de heilsorde III, 446v.;
    over de kerk, IV, 23;
    over de regeering der kerk, IV, 108v., 128v., 156, 164;
    over het episcopaat, IV, 99;
    over de genademiddelen, IV, 196;
    over de wet, IV, 207v., vgl. II, 556; III, 350;
    over Woord en Geest, IV, 210v.;
    over de Sacram. IV, 228, 232, 235v., 242, 243;
    over den Doop, IV, 264v., 271, 281;
    over het Avondm., IV, 318, 331v., 341v.;
    over den tusschentoestand, IV, 379v.;
    over de wederkomst van Christus, IV, 480.
  • Λύτρον, van Christus gebruikt, III, 363.

M.

  • Magie, I, 246.
  • Mahdi, volgens het Mohammedanisme, IV, 426.
  • Majesteit Gods, II, 194.
  • Mal’ak Ihvh, I, 250; II, 229v.
  • Manicheisme, II, 388; III, 54.
  • Mantiek, I, 246.
  • Maria, III, 261v.; Haar onbevlekte ontvangenis, volg. Rome III, 145v. 262v.;
    haar voortdurende virginiteit, III, 271.
  • Marrow Controversy in Schotland, I, 128;
    III, 395v.
  • Materialisme, I, 285; II, 391, 392v., 394v., 419v.;
    over het zedelijke leven, II, 59.
  • Mensch De, Vergeleken met de engelen, II, 442v., 567v.;
    met de dieren, II, 490, 557v.;
    zijn oorsprong, II, 490v.;
    ouderdom, II, 498v.;
    eenheid, physisch en ethisch, II, 500v., 563v., 568v.; III, 129v.;
    oorspronk. woonplaats, II, 504v., 543;
    wezen, II, 508v.;
    heerschappij over de aarde, II, 543v.;
    zijn verhouding tot de natuur, volgens de christelijke wereldbeschouwing, II, 422v.; III, 24v.;
    zijn bestemming, II, 545v.;
    verlossingsvatbaarheid, III, 188.
  • Menschwording van den Zoon, III, 253v.;
    als centrum der openbaring, I, 268, 269; III, 257v.;
    buiten de zonde, II, 406; III, 258v.;
    voorbereiding daartoe, III, 210v, 211v., 256v.;
    in haar verband tot de religie, III, 285v.;
    was ze een vernedering? III, 291, 375.
  • Meritum ex congruo bij Rome, II, 324, 356; III, 442.
  • Messiasverwachting in de profetieën, III 230v., 308v.; IV, 427v.;
    in de apocr. litteratuur, III, 232v.;
    bij de Joden in Jezus’ dagen, III, 232v.
  • Metaphysisch bewijs voor de onsterfelijkheid der ziel, IV, 360v.
  • Methodisme, I, 132; III, 458, 466v., 481v., IV, 21v.
  • Michael, II, 431.
  • Middelaarschap van Christus, III, 332v.;
    van eeuwigheid, III, 206, 334. Vgl. verder verbond der genade, werk van Christus.
  • Middelen der genade, IV, 193v.
  • Mis in de Roomsche kerk, IV, 249, 317, 337v.; voor gestorvenen, IV, 317, 349.
  • Modernen in Nederl., I, 129v.;
    ethische, I, 192, 451;
    hun Godsbegrip, II, 84; III, 13;
    hun positie tusschen creatie en evolutie, II, 514v.;
    over het werk van Christus, III, 328;
    over de heilsorde, III, 460.
  • Molinisten, I, 93;
    over de praedestinatie, II, 326, 327;
    over den concursus, III, 11;
    over de genade, III, 441v.
  • Monarchianisme, I, 61.
  • Monisme, I, 285v.
  • Monophysitisme in het Oosten, I, 64, III, 242.
  • Montanisme, I, 381; III, 320;
    over de kerk, IV, 9;
    over de lapsi, IV, 139.
  • Morale indépendante, I, 192, II, 59.
  • Moreel bewijs voor het bestaan Gods, II, 58v.;
    voor de onsterfelijkh. der ziel, IV, 361v.
  • Moreele theorie over het werk van Christus, III, 329, 358v., 364.
  • Motazelieten, II, 318.
  • Motiva credibilitatis in de Roomsche Theol. I, 36, 424v., 485v.
  • Μυστηριον, I, 530v.; IV, 217.
  • Mysterien volg. Rome, I, 221; IV, 217.
  • Mysticisme, I, 380v.; II, 34, 39, 539; III, 320v., 450v.; IV, 193, 195v.
  • Mystiek in de Middeleeuwen, I, 85v.;
    vgl. Mysticisme.
  • Mystische theorie over het werk van Christus, III, 320v., 328, 358v., 364.

N.

  • Naam Gods in de H. Schrift, II, 62v.
  • Naturalisme, I, 227;
    over de bijzondere openb., I, 279v.;
    over het beeld Gods, II, 513v.
  • Naturen, Twee, van Christus, III, 240v., 279v.
  • Natuur, De, en hare orde volgens de theistische wereldbeschouwing, I, 259, 273, 286v., 290v.; II, 420v.; III, 10, 21v.;
    invloed van den val des menschen op de, II, 548v., 558, 560v.; III, 173v.;
    als kenbron der Theologie, Zie Theol. naturalis.
  • Natuur en genade, I, 240v., 278v.; II, 534v.; III, 471, 476v.; IV, 155v., 186v.;
    bij Rome, I, 276v.; II, 524; III, 475v.; IV, 162, 186, 248;
    bij de Luth. II, 534v.;
    in het Anabapt. I, 222; IV, 162, 186, 289.
  • Natuurwetenschap en Christendom, I, 289v.; II, 422v., 465; III, 23v.
  • Natuurwetten, I, 287v.; III, 21v.
  • Navolging van Christus. Opvatting daarvan in de chr. kerk, III, 349, 434.
  • Nederdaling ter helle, III, 377v.;
    bij de Lutherschen, III, 379, 413.
  • Ned. Geloofsbelijd., Art. 15, IV, 277.
  • Neokantianisme, I, 109; II, 15, 84. Vgl. verder Ritschl.
  • Neolutheraansche opvatting v. d. werking der Sacr., IV, 224;
    van den Doop, IV, 268;
    v. h. Avondmaal, IV, 322v., 334v., 346.
  • Neonomianisme in Engeland, I, 118; III, 454, 455;
    in ’t alg. in betr. tot de heilsorde, III, 454v.
  • Neo-Scholastiek na Trente, I, 88v.;
    in de 19e eeuw, I, 97.
  • Nestorianisme, III, 281v.
  • New-England Theology in Amerika, I, 137, 138; III, 127, 326, 396.
  • Nieuw-Jeruzalem, IV, 515.
  • Nieuw-Testament, Gezag, I, 333v.;
    over het Oude Test., I, 329v. Vgl. verder Bedeeling des O. V. en Oude Testament.
  • Nominalisme in de Middeleeuwen, I, 83v., 166;
    over de kennisse Gods, II, 9;
    over Gods wil en macht, II, 210v., 224v.
  • Nomisme, III, 553; IV, 203v., 209.
  • Nooddoop, IV, 294v.
  • Noodlot, III, 9v.
  • Noodzakelijkheid der Schrift. Zie Schrift.
  • Novatianisme over de lapsi, IV, 139.

O.

  • Obedientia activa van Christus, III, 349v.; vgl. met de obed. passiva, III, 361v.
  • Obedientia passiva van Christus, III, 353v.; vgl. met de obed. activa, III, 361v.
  • Oecumenische conciliën, IV, 92, 182.
  • Offerande, Oorsprong en wezen, III, 303v.;
    bij Israel, III, 305v., 362v.;
  • van Christus, III, 311v., 364; IV, 338.
  • Offermaaltijden, IV, 300v.
  • Oliesel, heilig, bij Rome, IV, 249.
  • Onafhankelijkheid Gods, II, 116v.
  • Onbegrijpelijkheid Gods, II, 1v.
  • Onderdompel. bij den Doop, IV, 272v.
  • Oneindig. Opvatting in de N. Phil., II, 17, 20, 127, 144.
  • Oneindigheid Gods, II, 126v.
  • Onfeilbaarheid van de kerk en den Paus bij Rome, I, 364, 387, 403v. 406; IV, 58v., 94v., 144v.;
    van de kerk in goeden zin, IV, 59.
  • Onmacht des menschen ten goede, III, 147v., 477v.
  • Onschuld der kinderen, III, 114.
  • Onsterfelijkh. van den eersten mensch, II, 542v.;
    van de ziel, IV, 353v., 384;
    conditioneele, bij de kerkvaders, IV, 356, 501;
    in den nieuweren tijd, IV, 501v.
  • Onthouding van de kelk in het Avondmaal bij Rome, IV, 336.
  • Ontologisch bewijs voor het bestaan van God, II, 53v.;
    voor de onsterfelijkheid der ziel, IV, 359v.
  • Ontologisme, I, 96; II, 31, 35.
  • Ontvangenis van den Heiligen Geest. Zie Christus.
  • Onveranderlijkheid Gods, II, 119v.; III, 382;
    in verband tot de schepping, II, 409v.
  • Onzienlijkheid Gods, II, 150v.
  • Oordeel, Laatste, IV, 490v.
  • Oostersche kerk en Theologie in onderscheiding van de Westersche, I, 69; II, 289v.; III, 242; IV, 90, 142;
    invloed op het Westen, I, 71v.; III, 242v.
  • Openbare Belijdenis, IV, 352.
  • Openbaring. Begrip, I, 217v.;
    verh. tot de religie, I, 175v., 210v., 215v., 226; II, 428;
    altijd supranatureel, I, 218, 225; II, 428;
    in zekeren zin ook natuurlijk, I, 290v.;
    onderscheiding in de, I, 219v.;
    volgens de Schrift, I, 224v.;
    altijd middellijk, I, 228;
    Algemeene I, 229v.;
    Bijzondere I, 244v.;
    middelen, I, 245v.;
    begrip, I, 263v.;
    bovennat. kar. I, 273v.;
    bestrijding door het Naturalisme, I, 279v.;
    historisch karakter, I, 268, 297v., 371v.;
    menschelijk kar., I, 228v., 268v., 348v., 358; II, 65v.;
    verhouding tot de Schrift, I, 299v.;
    tot de natuur, I, 278, 289v.;
    geschied. der, I, 270, 302v., 421.
  • Opleiding van dienaren des Woords, IV, 167.
  • Opstanding van Christus, III, 409v.
  • Opstanding der dooden, IV, 482v.
  • Opzieners. Zie ouderlingenambt.
  • Ordinatie tot het ambt, IV, 124v.;
    bij Rome, IV, 125, 138, 139, 249v.
  • Orthodoxe Theol. in Duitschl. in de 19e eeuw, I, 108.
  • Oude Testament. Gezag bij Israel, I, 306v., 328;
    bij Jezus en de Apostelen, I, 307, 329v.;
    citaten in het N. Test., I, 329, 331v.;
    gesch. van het, in de Chr. kerk, in zijn verhouding tot het N. T., III, 196v.; IV, 203;
    verhouding tot het N. T., I, 332; III, 206v., 216v.; IV, 202, 443v., 513v.
  • Ouderlingenambt. Instelling, IV, 74v.;
    taak, IV, 75v., 169v.;
    verkiezing door de gemeente, IV, 79;
    bij Rome, IV, 127v.;
    bij de Luth. IV, 129;
    bij de Geref, IV, 129v.
  • Ουσία, Gebruik van dit woord in de Theol., II, 269, 271.
  • Overheid als regeerder der kerk volgens de Lutherschen enz., IV, 108v., 111, 160v., 189.
  • Oxforder beweging in Engeland, I, 133.

P.

  • Pactum salutis, III, 203v., 256;
    verh. tot het Genadeverbond, III, 221v.
  • Palaeontologie, II, 485v.; III, 174.
  • Pantheisme. Alg. karakter, I, 17, 149, 285; II, 121v., 227, 308, 392v.; III, 278v.;
    over de religie en openb., I, 194, 216;
    over de onveranderlijkh. Gods, II, 121v.;
    over de eeuwigh. Gods, II, 129;
    zijn Godsbegrip, II, 20v., 82v., 91, 127, 144;
    over het bewustzijn
  • Gods, II, 156v.;
    over de geestel. natuur Gods, II, 146, 148;
    over den oorspr. der dingen, II, 388v., 392v., 409, 411v., 414v., 419v.;
    in betrekking tot het Voorzienigheidsgeloof, III, 9;
    tot de causae secundae, III, 25v.;
    Dualisme in het, III, 278.
  • Papale stelsel, I, 403v.; IV, 87v., 144v, 189v.
  • Paradijs, II, 504v.; IV, 373.
  • Parochie bij Rome, IV, 115.
  • Paroesie. Zie wederk. van Christus.
  • Parzisme, Verh. tot het Judaisme, II, 425;
    over oorsprong der zonde, III, 41, 54;
    over de toek., IV, 426.
  • Pascha. IV, 299v.
  • Pasi-tigris hypothese over de ligging van het Paradijs, II, 505.
  • Paulus als Apostel, I, 335v.; IV, 65v.
  • Paus. Zijn primaat, I, 403v.; IV, 87v.;
    zijn macht, I, 407; IV, 143v.;
    Vgl. verder onfeilbaarheid, Papale stelsel.
  • Pelagianisme, II, 319v., 349v., 371, 377v., 512, 513v., 539; III, 43v., 63v., 112, 136, 464v., 496, 505v.;
    over de genoegzaamh. der algem. openb., I, 232;
    over den wil Gods, II, 220;
    over de volgorde der besluiten, II, 333v.
  • Peremtoir examen, IV, 123, 124.
  • Permissio, II, 334, 336v., 363v.; III, 31, 55v.
  • Persoon in de Triniteitsleer, II, 273v.
  • Persoonlijk karakter der Dogmatiek. Zie Dogmatiek.
  • Persoonlijkh. Gods, II, 17, 21v.;
    in verband tot de geestelijke natuur Gods, II, 150.
  • Pessimisme, III, 47, 55, 169v.; IV, 425.
  • Petrus als Apostel, IV, 71v.;
    zijn primaat volg. Rome, IV, 93v., 100v.;
    zijn verblijf in Rome; IV, 103.
  • Phariseën. Hun eschatol. denkbeelden, IV, 371.
  • Phraseologia sacramentalis, IV, 238v.
  • Pietisme in Duitschl., I, 100v.; III, 456v.;
    in de Geref. kerk, III, 455v.;
    beoordeeling, III, 466v., 481v.;
    over de kerk, IV, 21.
  • Pilatus, Pontius als rechter v. Jezus, III, 376.
  • Plaatselijke kerken in hare verh. tot de algem. kerk, IV, 7, 32, 114v.;
    hun gelijkheid, IV, 115.
  • Plaatsvervanging op zedelijk gebied, III, 134v., 369v.
  • Planeten. Zijn zij bewoond? II, 426v.
  • Poetische boeken des O. T., I, 327v.
  • Polygenisme, II, 501, 502.
  • Potentia absoluta Dei, volg. het Nominalisme, II, 212, 224;
    volg. de Geref., II, 226, 373.
  • Potestas docendi der kerk, IV, 165v.;
    bij Rome, IV, 138v., 163.
  • Potestas gubernationis, IV, 164v., 169v.
  • Potestas juris-dictionis bij Rome, IV, 139v.
  • Potestas misericordiae, IV, 165, 177v.
  • Potestas ordinis bij Rome, IV, 139.
  • Praeadamitisme, II, 501, 502.
  • Praedestinatie, II, 316v.;
    plaats in de Dogmatiek, II, 332v.;
    complete en incomplete sumpta bij Rome, II, 325.
  • Praedestinatio gemina, II, 323, 335, 358, 365, 369, 372.
  • Praedestinatus, Het boek, II, 322, 324.
  • Praeexistentianisme, II, 564v.; III, 70v., 129.
  • Praeparatoir examen, IV, 124.
  • Praescientia Dei, II, 161v.;
    in verband met ’s menschen vrijheid, II, 161v., 351v.
  • Πρεσβυτεροι en ἐπισκοποι in het N. T., IV, 74v., 97v.
  • Presbyterale kerkregeering, IV, 129v.
  • Priesterschap, III, 302;
    van Christus, Zie werk van Christus.
  • Princeton College en Theology in Amerika, I, 138.
  • Principium. Beteek. dezer uitdr. in de Philos., I, 141;
    in de Theol. I, 141;
    essendi der Theol., I, 141v.;
    cognoscendi der Theol., I, 142v.;
    externum en internum, I, 143v.;
    in de wetenschap, I, 145v.;
    in de religie, I, 171v.;
    externum der Dogm., I, 24v., 215v.;
    internum, I, 416v.
  • Προγνῶσις, II, 316, 351.
  • Proefgebod in het Paradijs, II, 555, 558v.
  • Profeten des O. T., Hun zelfbewusth. I, 323v.;
    hun schrijven, I, 324v.;
    hun verh. tot de Thora, I, 325;
    hun geschiedbeschrijving, I, 327, vgl. Profetie.
  • Profeten in het N. T., IV, 68.
  • Profetie, I, 251v., 323v.
  • Profetiën des O. T. over Israels toek. en herstel, IV, 426v., 441v.
  • Profetisch ambt van Christus, I, 257v.; III, 310v., 388;
    in de verhooging, III, 418.
  • Προορισμος, II, 316.
  • Προσωπον, als aanduiding van de 3 personen, II, 273v.
  • Προθεσις, II, 316.