AANTEEKENINGEN.
Haarlemmer-Meerboek.—De titel van den eersten druk luidt woordelijk: »à dieu seul honneur et gloire. Haerlemmer-Meer-Boeck, dienende tot remonstrantie, verklaringh ende voorbereydinghe om de Haerlemmer- ende de Leytse-meer te bedijcken. Als oock van de diepten, gronden en de nuttigheydt derselver. Midtsgaders: van meest alle de Meeren die in Noort-Hollandt teghen den Huygendijck en Saerdam bedijckt en tot land gemaeckt zijn, zedert het jaar 1608, geduerende tot het jaer 1641. Beschreven door Jan Adriaenz Leech Water, Ingenieur en Molenmaecker van de Ryp in Noort-Hollant.”
Zoo ook luidt de titel van den derden druk; doch op denzelven slaat nog: »door d’ Autheur een vijfde part vermeerdert.”
De 8ste druk, dien ik in deze heb gebruikt, mist de Fransche spreuk, doch heeft de woorden: “den achtsten druk wederom met verscheyden notable Artykelen een zesde part vermeerdert, ende ook met eenige tegenspraak van Colevelts Boeksken.” Hetgeen waarschijnlijk ook op de titels der vierde en volgende uitgaven gevonden wordt.
De eerste druk is in geene paragraphen of nummers verdeeld. Men mist er ook alles, wat in No. 7 tot en met No. 33, in No. 42 tot en met No. 45, en in No. 57 is vermeld, alsmede de optelling der bedijkte plassen in No. 65 en hetgeen men in No. 72, in No. 153 tot en met No. 174 vindt. De verdeeling in Nummers of Paragraphen heeft echter reeds in den derden druk plaats.
Bl. 3. De Haarlemmer Meer.—In het werk van Leeghwater heb ik het woord Meer vrouwelijk gelaten, omdat hij het als zoodanig heeft gebruikt. Het woord is in onze taal zoowel vrouwelijk als onzijdig.—Men zie Bilderdijk’s Geslachtlijst der Naamwoorden.—In mijn eigen werk heb ik mij naar het thans algemeen gebruik gevoegd en het woord als onzijdig gebezigd.
» Voorbereiding, dit is plan.
» Prins van Oranje, te weten Prins Frederik Hendrik, aan wien en aan de overige bij de opdragt vermelde personen, waarschijnlijk al hetgeen in den eersten druk staat, is ingeleverd. Misschien wel bij wijze van verzoekschrift, om octrooi te erlangen tot het bedijken van het Meer.
» Lofbaarlijke, dit woord gebruikte Leeghwater veelvuldig, het is lofwaardig; wij hebben nog in onze taal schrikbaarlijk, wonderbaarlijk, enz.
Bl. 4, No. 1. Zoo dat de vrees niet ongegrond is.
Bij Leeghwater staat: hetwelk te bedenken staat, eene spreekwijze, thans niet meer in gebruik; wij hebben echter hiervan nog het woord: bedenkelijk, die zaak is bedenkelijk.
Ald. No. 2. Een kenning. Eene zeer onbepaalde maat, zoo ver als men zien, kennen, herkennen kan, een gezigt ver. Het woord komt ook voor bl. 7, No. 10.
» Geloofwaardige. Leeghwater zegt: loofwaardige, eene Noord-Hollandsche spreekwijze.
Ald. Bij eenen landmeter, oude spreekwijze voor: door eenen landmeter.
Bl. 5, No. 3. ’t Land van de Vennep en het land van den Ruigenhoek. Het land van Vennep was eertijds zeer uitgestrekt, en aan het vaste land vast; men kon van dáár over Aalsmeer en Amstelveen te voet naar Amsterdam gaan. (Zie ook v. Leeuwen, Bat. Ill., bl. 140). Nog tegenwoordig heeft men te Hillegom de Venneper laan, die naar het Meer loopt. Vennep is een klein eilandje in het Meer, naast Beinsdorp. (Zie over Vennep v. Mieris, Beschr. van Leyden, II D., bl. 601).
Het land van den Ruigenhoek ligt niet ver van Aalsmeer, eenigzins westwaarts van dáár.
Ald. No. 4. Het zwoord van het land, is het bovenste gedeelte, de huid van het land, de bovenste korst, waarschijnlijk van waren, bewaren.
» Nieuwerkerk, was weleer een welvarend dorp. Thans geheel, even als Vijfhuizen, Rijk, Rijkeroort, Burgerveen en ’s Greegelsgeregt, door het Meer verzwolgen.
» De schoor van het land; men noemt schoor, schor, schorre den aanwas, den aanworp van het land; het slijkland, gors. Het duidt in het algemeen aan land, dat boven water ligt, ook wel strand of oever.
» No. 5. Dat zijn Vader zich herinnerde. Bij Leeghwater staat: ’t welk zijn vader mogte gedenken; verouderde spreekwijze, wij zeggen nog in die beteekenis: gedenk mijner, voor herinner u mij.
Bl. 6, No. 7 tot en met 33 worden niet in den eersten druk gevonden.
Ald. No. 8. Rafter, is een stuk ruw hout. Zie Kiliaan op het woord. In het taalkundig woordenboek van Weiland komt het niet voor.
Bl. 8, No. 14. Dat in dien tijd de mond van de Spiering-Meer geheel digt was. Men zie de kaart door ons bij dit werk gevoegd, waar men zien kan, dat het Spiering-Meer bevorens een geheel afzonderlijke plas was.
De kaart van 1531 zou, volgens G. Schoenmaker, in de aanteekening op de Noord-Hollandsche Arcadia van Kl. Bruyn, bl. 481, vervaardigd zijn door Pieter Bruinsen, Landmeeter van Rijnland en Kenmerland.
Bl. 8, No. 14. Dat daartoe geene waterlozing bij het huis ter Hart was.
Het is onzeker, wanneer de sluizen bij half weg Haarlem het eerst gelegd zijn. In 1364 heeft Hertog Albrecht aan die van Rhijnland eene Handvest verleend, om sluizen te mogen leggen tusschen Amsterdam en Spaarndam, waarbij bepaald werd, dat door deze nimmer eenige doorvaart zijn mogt van groote schepen; ook mogt hier nimmer een overtoom gemaakt worden of eenige overslag van goederen over den dijk plaats hebben. Welligt is alzoo de oorsprong der sluizen op Halfweg aan deze handvest toe te schrijven.
Het Huis ter Hart is thans meer bekend onder den naam van Zwanenburg; S. van Leeuwen zegt in zijne korte beschrijving der stad Leiden, bl. 156, dat hier weleer het adellijke huis Polanen stond. (Zulks is ook het gevoelen van Soeteboom in zijne Saanlandsche Arcadie, IIIde Boek). Dit wordt echter door anderen betwijfeld, die beweren, dat het huis Polanen een weinig meer naar de Amsterdamsche zijde, niet ver van de tegenwoordige trekvaart, waar later de lustplaats van den Heer Klaas Kornelisz Kalff was, heeft gestaan. Zwanenburg is het gemeen-landshuis van Rhijnland; de tijd der stichting is mij niet gebleken. G. Schoenmaker zegt, dat de naam Zwanenburg waarschijnlijk eerst zal hebben aangevangen na de vertimmering in 1660, en ontleend van de Zwanen, die boven ieder der stijlen van den ingang werden geplaatst.
Bl. 9, No. 15. Zoo zou de Meer met de Drecht gemeen wezen. Over de betrekking van het Haarlemmer Meer en de Drecht, kan men zien het in den jare 1825 geschreven werkje van den kortelings overledenen ijverigen en werkzamen Jacob de Jong, Dijkgraaf van het Heemraadschap van den Amstel en Nieuwer Amstel, getiteld: De Amstel, de Drecht en de Aar voor groote schepen bevaarbaar gemaakt.
Ald. Het Griet. De Griet is een polder, tusschen Leimuiden en het Meer, waarvan zeer veel is weggespoeld, zoodat het gedeelte van het Meer, dat er tegen aanspoelt, mede het griet wordt genoemd.
Bl. 10, No. 20. Zoo dat deze waterwolf alles vernielt wat daaromtrent is. C. Velsen geeft, in zijne aanmerkingen over de tegenwoordige staat van de Haarlemmer Meer, eene opgave van de landen, die na Leeghwater, tot op zijnen tijd (1727), door het Meer zijn weggespoeld.
» 11, No. 24. Hoorn. Hoorn, niet ver van de stad Leiden.
» 12, No. 24. Begon te leggen, er staat slissen.—Slissen is eigenlijk slechten, effen-glad maken, complanare. Zie Kiliaan.
Bl. 13, No. 27. Dat de droogte van Pampes daar nog dagelijks door gevoed wordt.—Wijlen mijn vriend M. G. Biben heeft in den jare 1828 twee zeer belangrijke verhandelingen in het licht gegeven, over de aanslibbing der haven van Amsterdam en de afdamming van Pampus.
Bl. 16, No. 36. Rhijnlandsche roede.—Eene Rhijnlandsche roede is 3 Ellen, 7 Palmen, 6 Duimen, 7–4/10 strepen Nieuwe Nederlandsche maat; een Rhijnlandsche voet is 3 Palmen, 1 Duim, 3–9/10 Strepen.
» 17, No. 41. De waard.—Geene bedijking had met zoo vele tegenspoeden te kampen als de Wieringer-waard, waartoe reeds 5 September 1595 verlof werd gegeven, doch welk meer eerst in 1611 is gekaveld.
Bl. 18, No. 41. Voor ’s Hertogenbosch. In de kleine kronijk, bl. 40, No. 49, zegt onze schrijver: »Nota, dezelve Jan Adriaansz. Leeghwater, heeft ook gewerkt in ’t leger voor ’s Hertogenbosch, alwaar hij grooten dienst gedaan heeft voor den Prins, met molens te ordineeren en te stellen, om het water uit te malen, ’t welk groot voordeel heeft gegeven om dezelve onwinlijke stadt winlijk te maken, gelijk gebleken is.”
Ald. No. 42 tot en met No. 45 wordt in den eersten druk niet gevonden.
» No. 42. In het jaar onzes Heeren, te weten in 1628.
Bl. 20, No. 46. In het labeur wezen.—Zoo staat er bij Leeghwater: het is het Latijnsche in laborem esse, bezig, werkzaam zijn.
» 21, No. 47. Ronde Goden.—Wat ronde Goden zijn, heb ik niet kunnen ontdekken.
» 21, No. 48. De Beemster.—Leeghwater heeft de bedijking der Beemster, in zijne kleine kronijk, bl. 27, aldus beschreven:
»In den eerste, de verzoekers en octrooijanten van de Beemster, die met Gods hulp dit heerlijke treffelijke werk eerst bij der hand genomen hebben, waren bij namen de navolgende perzonen; de eerzame, vrome koopman, Dirk van Os met zijn broeder Hendrik van Os, Burgemeester Boom, Arent Grootenhuis, met zijn broeder Heins Grootenhuis, Jan Klaasz Krook, goutsmit; deze zes personen waren woonachtig te Amsterdam, met nog den bailjou van Oosthuizen, genaemd Vollenhoof, die mede een octrooijant was, die de eerste dijkgraaf geweest is die de Beemster bediende.
»2. De namen van de vier principaalste Landmeters waren deze navolgende personen, (die de Beemster, aldereerst de ringdijk, daarna de wegen en sloten, en de cavelingen, met advys van de E. Heeren bedijkers, gerooit en gesteld hebben) Mr. Luicas Jansz. Sink van Amsterdam, met Mr. Jan Pietersz. Dan van Leiden, met Augustyn Bas van Alkmaar en Schout Reier van Warmenhuyzen.
»3. De eerste Secretaris was van Purmerend, genaamd Riwert Claasz, een zeer bekwaam man tot zoodanige diensten, en Jan Adriaansz. Leegwater van de Rijp, was van de E. Heeren gesteld waar te nemen het fabrijken en stellen van de watermolens.
»4. De Beemster was een water van omtrent zeven mijlen in het rond en na mijne meting omtrent zes voeten diep. De bedijking van dezen is een zeer treffelijk werk geweest, strekkende tot groot profijt, niet alleen voor het gemeene Land, maar ook voor vele arbeiders, die hun brood daaraan wonnen, en waardoor nu nog dagelijks, droog geworden zijnde, vele duizend menschen gespijst worden.
»5. De besteding van de watermolens van de Beemster, is geschied in het jaar 1608, op nieuwe jaarsdag, in het openbaar tot Amsterdam, op den Nieuwen dijk tot Anna Franken, en die den eersten molen aannam was van Delft, genaamd de Boer.
»6. De eerste aanbesteding van het dijkwerk werd gedaan tusschen Purmerend en Nek, op den 10den April 1508, waarvan een groote menigte van volk tot Purmerend op het kasteel vergaderd was. De aannemer van het eerste park was van Burghorn, zijn naam was Jan Adriaansz. Jongkint, welke een ton bier van de Heeren ten beste kreeg, omdat hij het eerste park gemijnd had.
»7. Een zeker Engelschman, aangenomen hebbende een groot stuk dijks, begon daaraan te werken, doch is, door het geweld van het water, vermits de dijk zeer lang was, verhinderd hetzelve uit te voeren, en moest tot zijn groote schade, de wijk nemen.
»8. Daarna heeft men beginnen te raadslagen hoe dat men het Spijkerboorsgat zou stoppen, hetwelk kwaad om te doen was, overmits de scheuring eene groote diepte aldaar maakte; dit werd met balken en heiwerk, en aarde daartusschen ingeworpen voltrokken, zulks dat men haast over dezen dam kon gaan.
»9. Daar is ook eene uitwatering besteed, die begonnen is voorbij Ursem, langs Walingsdijk, daar nu de vaart tusschen Alkmaar en Hoorn is; voorts liep het voor bij Avenhorn, en zoo allenskens in zee. De andere uitwatering was na Sardam, alwaar de Heeren van de Beemster eene nieuwe sluis lieten leggen, om het water te lossen.
»10. Men zag met er haast vele watermolens rondom de Beemster stellen, om na het sluiten van den Ringdijk het water uit te malen, hetwelk in vier jaren tijds volbracht is.
»11. Doen de Beemster ten naastebij droog was, zoo dat men daar niet langer met schuiten over varen kon, zoo is aldaer in de zomer veel volks in gegaen met manden en zakken, na de kil toe, door de slibber en heeft aldaar bij menigte visch en aal met handen gegrepen, en t’ huis gebragt, gelijk ik zelfs mede gedaan heb.
»12. Doen de Beemster eerst droog geworden was in het jaer 1612, den 4den July, dat men de wegen redelijker wijze kon gebruiken, hebben de E. Heeren bedijkers van de Beemster, den Prins Mauritius, met zijnen broeder, Prins Hendrik, met meer groote Heeren en Edelen daer bij wezende, verzogt, en genoot om in de Beemster te komen, om hunnen maaltijd aldaar te houden in ’t Heeren huis; hetwelk ik Jan Adriaansz. Leegwater mede gezien heb, en den tafel mede heb helpen bedienen.
»13. Op den zelfden dag, voor den maaltijd, is de Prins Mauritius, met zijn adel en suite na de Rijp getrokken, alwaar hij zeer treffelijk ingehaald en ontvangen werd, waarvan Jan Sypersz., een braaf jongman, eene fraaije vrijster bij hem hebbende, allereerst den Prins gewelkomd heeft, en hij heeft haer elk met een stuk gouds vereerd.
»14. En alzoo daer nog geen brug bij Rijp over de ringsloot was, daar men over gaan konde, zoo was schipper Jan IJsbrantsz. van de Rijp, die een liefhebber van den Prins was, de aanlegger om een brug te ordineren met schuiten en pramen, mede met planken en deelen op het spoedigste te maken en te stellen, zoo dat die brug wel gereed lag doen die Prinsen en Heeren in de Rijp kwamen, en daer bekwamelyk over gaen konden.
»15. Alzoo die loffelyke dykagie van de Beemster door den zegen des Heeren alle jaren zeer treffelyk begon aen te wassen en te vermeerderen, zoo waren die van Rijp zeer begeerig om een wagenbrug by de Rijp over de Ringsloot te hebben, waarvan Meinert Cornelisz. Salm, een van de vroedschappen van de Rijp was, die aan de E. Heeren Bedykers van de Beemster verzogt en verkregen heeft, aldaar een wagenbrug te leggen, waarvan de Heeren bedykers het hout daartoe gegeven hebben, en die van de Rijp hebben die brug uit een goede gonste ter liefde gemaakt, in twee halve dagen, waarvan ik, Jan Adriaansz. Leegwater, het fabryk met het timmeren van de brug waargenomen heb.
»16. Zoo haast die brug gemaakt was, zoo was IJsbrant Jansz. de Lange, zeer begeerig, en heeft zyn wagen en paard op den zelfden dag gehaald op het spoedigste, en is allereerst over die brug in de Beemster gereden, welke voorz. brug al daar sommige jaren tot een behulp gelegen heeft. Deze voorz. brug is gelegen in het jaar 1613, op den 29sten Maart, en doen is de eerste wagen uit de Beemster over die brug in de Rijp eerst gekomen.”
Men leze over de Beemster Le Francq van Berkhey, Nat. Hist. van Holl., Iste Deel, bl. 76; A. Wolf, de bedijking van de Beemster; Historisch berigt wegens Joost Jansz. Beeldsnijder, door J. Koning, geplaatst in het Vde Deel der werken van de 2de klasse van het Koninkl. Ned. Instituut, enz.
Ik kan mij niet onthouden hier te plaatsen de regels van Vondel,
OP DEN BEEMSTER.
De wintvorst, om den rouw van Hollants Maeght te paeien,
Vermits door storm op storm zy schade en inbreuk leê,
Schoot molenwieken aen, en maelde, na lang draeien,
Den Beemster tot een’ beemt, en loosde ’t meir in zee.
De zon verwondert, zagh de klay noch brak van baren,
En drooghde ze af, en schonk ze een’ groenen staetsikeurs,
Vol bloemen geborduurt, vol lovren, ooft, en airen;
En toiende heur hair, bestroide het vol geurs.
De room en boterbron quam uit haer borsten springen,
Het vissigh lyf wert vleesch, noch maeght en ongerept,
Haer voorhoofts torenkroon quam door de wolken dringen,
Gelijk gemeenlyk weelde in hoogheit wellust schept.
Hier jaeght de winthont ’t wilt: hier rijt de koets uit spelen.
Men danst, men banketteert in ’s koopmans ryke buurt.
Hier lacht de goude tyt in lieve lustprieelen,
Die voor geen oorlog schrikt, noch kiel op klippen stuurt.
Verzier van Cypris hoe zy Cypers quam bekoren:
Ik weet dat dees Godin uit zeeschuim is geboren.
Poezy II.
Bl. 21, No. 48. Na de bedijking heeft ieder morgen omtrent 250 gulden gekost.—Een morgen lands is bij ons groot 600 Rhijnlandsche roeden, oude maat, of 85 (vierkante) roeden, 15 el, 79 palmen, 16 duim nieuwe maat; of 85157916/100000000 van een Bunder. Gewoonlijk geldt het morgen lands in de Beemster thans tusschen de ƒ 650 en ƒ 750. De grondlasten, polder-omslagen, dijkgelden, enz., kan men per jaar op ƒ 12 à ƒ 14 stellen.
Bl. 24, No. 57. Hetgeen in dit No. staat wordt in den eersten druk niet gevonden.
Ald. No. 57. Kroosing komt van kroos, kroes, kroost, kroost, intestina, venter cum intestinis, het inwendige, ook ronding; kroes is een ronde drinkbeker.
» No. 60. Welke kleibodem doorgaans dik is 7, 8 à 9 voet en meer.—Bij den Heer Baron van Lynden vindt men bl. 302 een proces-verbaal van een in den jare 1812 plaats gehad hebbend onderzoek der diepten van water en van den aard en de gesteldheid der gronden beneden het water van het Meer, opgemaakt door de Heeren A. Hanegraaff, S. Kros en J. van Lakerveld Blanken, waaruit men echter moet opmaken, dat de kleibodem doorgaans zoo dik niet is als Leeghwater hier opgeeft.
» No. 61. Dan is het meest altijd laag water op het IJ. Er staat in het oorspronkelijke: dan is het meest altijd leeg-water, enz. Ook in No. 24 staat leger voor lager. Dit zou het vermoeden kunnen bevestigen van hen, die meenen, dat Leeghwater zijnen naam van laag-water ontleende.
Bl. 26, No. 62. Plempwerk.—Van plempen, in de beteekenis van dempen, digtmaken.
» 27, No. 65. De veelvuldige Meren en Moerassen, die in Noord-Holland vóór en na de Beemster bedijkt zijn. De Heer Baron van Lynden geeft, bl. 34 zijner verhandeling, eene staat der droogmakingen, zoo in Noord- als in Zuid-Holland. De eerste bedijking was in 1440 van het Neschmeer in Noord-Holland. Volgens dien staat zijn in dat gewest van 1440 tot 1645, als wanneer het Sapmeer is bedijkt, 43 meren en plassen tot land gemaakt, te zamen ruim 42617 morgen uitmakende. En in Zuid-Holland, met een klein gedeelte van Utrecht, vanaf de droogmaking van het Soetermeersche Meer, in 1614, tot die van het Bijlmer-Meer, in 1820, 40 Meren en Polders, te zamen uitmakende ruim 35793 Morgen.
Helmers zingt in zijne Hollandsche Natie (Iste Zang) niet ten onregte:
»Stijg, Beemster! Purmer stijg! meldt, welige valleijen!
Op wier beklaverd veld thans vette kudden weijën;
Vermeldt den voorspoed aan der oud’ren vlijt verpligt!
Uw welvaart zegt ons meer dan ’t schoonste lofgedicht.
o Grond! in vroeger eeuw in schuimend nat bedolven!
o Grond! door ’t voorgeslacht gewoekerd uit de golven,
Gij dondert ons in ’t oor met onweêrstaanbre kracht:
Bemint uw vaderland, vereert het voorgeslacht!
Hun brein, dat tot uw nut heel d’ aardbol had omvademd,
Schiep ’t land dat gij bewoont, den luchtstroom dien gij ademt.”
Leeghwater noemt op zijne lijst de oude en nieuwe Zijp; deze werd eigenlijk reeds in 1553 bedijkt, doch brak later in 1570. De tweede bedijking had in den jare 1572 plaats; doch in het zelfde jaar bezweek de dijk weder. In 1595 hervatte men de bedijking, die, hoezeer nog eens ingebroken zijnde, echter in dat jaar tot stand kwam. Zie de cronycke van Leeuwenhorn, uitgegeven door D. Asz. Valcooch, bl. 88.
De optelling dezer in No. 65 vermelde drooggemaakte Meren vindt men in den eersten druk niet.
Bl. 28, No. 66. Dirk van Os met zijn broeder Hendrik van Os, het eerste jaar toen de Beemster droog geworden was geteeld zeven duizend zeven honderd drie en vijftig zakken koolzaad. Leeghwater geeft niet op, hoe veel lands deze gebroeders van Os in de Beemster bezaten; zeker is het, dat Dirk van Os de voornaamste belanghebbende in die bedijking was. Men zie Extract uit het octrooi van de Beemster met de cavelconditiën, gedrukt te Purmerend, 1696, in 8o.
Bl. 29, No. 67. De volger weg is de weg, die van Purmerend, of liever van de kruissloot, tusschen die stad en Quadyck, naar Volger, bij Spijker-boort, loopt; hij is bijna 2040 Rhijnlandsche roeden (7685 Nederlandsche ellen) lang.
Ald. No. 69. De Beemster kan ieder jaar nu wel opbrengen aan landhuur twee maal honderd en vijftig duizend gulden aan vrij geld. Een mijner vrienden gaf mij op, dat hij van zijn land in de Beemster rekende jaarlijks ƒ 33 à ƒ 34 vrij geld per morgen te ontvangen. Hetgeen over de 7645 morgen, die de Beemster groot is, wederom ten naaste bij de door Leeghwater opgegeven som uitmaakt.
Bl. 31, No. 72. Hetgeen in dit No. staat mist men mede in de eerste uitgave.
» 34, No. 78. Fabrijk.—Eertijds werd de opziener over de stadsgebouwen de fabrijk genoemd. Dit heeft in sommige steden nog wel plaats.
Ald. No. 80. Mijn zaligen vader Adriaan Symonsz. Leeghwater.—Men zou hieruit kunnen opmaken, dat de vader van onzen Schrijver zich ook Leeghwater noemde; doch het komt mij waarschijnlijk voor, dat Leeghwater, dien naam hebbende aangenomen, denzelven ook aan zijnen vader toevoegde, die zich mede met het leegmaken van plassen schijnt bezig te hebben gehouden.
Bl. 36, No. 87. Sr. van Baerle.—Eertijds,—geen vijftig jaren geleden,—noemde men Sr. (Sinjeur,) iemand, wien men meende dat de titel van Heer niet toekwam. Ik zag eens eene assignatie op eenen kassier, luidende: Sr. N. N. gelieve te betalen, enz. Thans zijn alle Sinjeurs Heeren, zoo niet Wel-Edel of Wel-Edelgeboren Heeren geworden, nadat eerst de Heeren Burgers zijn geweest.—O quantum est mutatum ab illo!
Bl. 37, No. 92. De Haarlemmer-Meer is doorgaans diep negen Rhijnlandsche voeten.—Uit het hier boven opgenoemd proces-verbaal van de Heeren Hanegraaff, Kros en Van Lakerveld Blanken blijkt, dat het water in het Meer meestal 12, 12½ en 13 voeten diep is, ja op eenige plaatsen 15 voeten, schoon op enkele 8 en minder. Die Heeren hebben 256 peilingen en boringen in het Meer bewerkstelligd. De diepte is door hen berekend onder het Amsterdamsche peil. De diepte op het door mij bij dit werkje gevoegde kaartje aangeduid, is derhalve beneden dat peil.
» 38, No. 94. Van de watermolens.—Zeer breedvoerig handelt de Heer van Lynden over dit onderwerp in het VIde Hoofdstuk zijner verhandeling, bl. 70–144. Sedert den leeftijd van Leeghwater is men in de werktuigen van uitmalen veel vooruitgegaan.
» 45, No. 112. De brouwers van Haarlem en Leiden.—Het getal der brouwerijen te Haarlem, Leiden, Delft en elders in ons Land, was bevorens zeer aanzienlijk.
» 46, No. 115. Kordewagens is het zelfde als kruiwagens. Zie Weiland op het woord.
Ald. No. 117. Voor dezen heb ik dit (de berekening der bedijking) nog eens gesteld.—Hieruit blijkt, dat Leeghwater reeds vroeger het plan eener droogmaking van het Haarlemmer Meer heeft gevormd.
Bl. 47, No. 120. Een schaft aarde.—Eene schaft is 114 kubiek voeten. Leeghwater berekent de schaft op 50 cents; in het midden der vorige eeuw stelde men ze op 85 cents, en de Heer Van Lynden zegt (bl. 178 zijner verhandel.), dat men dezelve thans, bij het graven van groote en diepe kanalen, tusschen de 1½ en 2 gulden moet berekenen.
Bl. 48, No. 121. Notsloot voor Nootsloot nog als zoodanig in gebruik, alsmede notbrug, notweg, enz.
» 51, No. 134. Dit alles bedraagt al te zamen zes en dertigmaal honderd duizend gulden.—De berekeningen van de kosten der droogmaking zijn zeer uiteenloopende,
| Leeghwater stelt ze op | ƒ 3,600,000. |
| Bolstra gaf die in zijnen tijd op als zullende bedragen | » 6,600,000. |
| de Heeren Goudriaan en Klinkenberg stelden in 1769 | » 9,000,000. |
| de Heer A. Blanken, Jsz. | » 8,000,000. |
| de Heer Engelman | » 12,000,000. |
| de Baron van Lynden | » 7,000,000. |
| en Al. Stappers slechts | » 6,000,000. |
Terwijl, volgens de berekening van het Gouvernement, tot die droogmaking 8 Millioenen noodig zouden zijn.
Ald. No. 153. Al wat in No. 153 tot en met No. 174 staat wordt in den eersten druk niet gevonden.
Bl. 63, No. 168. Heeft men het ongeluk in Holstein niet gezien, hoe het met de Meggerzee, Butsloot en het Noorderstrand is gegaan?—Leeghwater verhaalt dit ongeval, hetwelk in 1634, daags vóór Allerheiligen, voorviel, en waarbij hij tegenwoordig was en groot gevaar liep om zijn leven te verliezen, zeer breedvoerig in de kleine kronijk, bl. 36, No. 35 tot en met 48.
» 65, de laatste regel: 1643.—Dit jaartal staat onder al de uitgaven, die den vierden druk volgden.—Leeghwater heeft, na het uitkomen van Colevelt’s Bedenkingen, zijn werk in 1643 nog eens nagezien en eenen IVden druk van zijn Meerboek uitgegeven, naar welken al de volgende (met bijvoeging van de kleine kronijk) zijn afgedrukt.
DRUKFOUTEN
IN HET VOORWERK.
| Bl. | 22, | laatste regel, | staat: | nog bij de nazaten, | lees: | bij de nazaten. |
| » | 60, | Aanteekening(3), | » | Lusac | » | Luzac |
| » | aldaar laatste regel, | » | W. P. D. Baron van Sytzama | » | M. P. D. Baron van Sytzama | |
| » | 99, | regel 13, | » | zuchtten | » | zuchten |
De fouten, als b. v.: financiën, financiëel, enz. voor finantiën, finantiëel, enz. of omgekeerd, naarmate men het verkiest, en andere die er hoogstwaarschijnlijk in zijn, gelieve de Lezer te verschoonen.
Bij het vermelde op bl. 111, in de Noot(2), kan men nog voegen, No. 181 van den Avondbode, van heden den 15den Junij 1838, waarin een derde Artikel der Aanteekeningen op de Redevoeringen in de zitting der Staten Generaal, van 2 April 1838, met betrekking tot de droogmaking van het Haarlemmermeer, door F. W. C. is geplaatst.
Colofon
Beschikbaarheid
Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op www.gutenberg.org.
Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctie team op www.pgdp.net.
Codering
Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd met het corr-element.
De tekst is gebaseerd op het exemplaar beschikbaar in Google Books, behoudens enkele onleesbare fragmenten. De rest van de tekst, en de afbeeldingen zijn ontleend aan het exemplaar in de bibliotheek van de Universiteit Utrecht.
Documentgeschiedenis
- 2009-04-01 Begonnen.
Externe Referenties
Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.
Verbeteringen
De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:
| Bladzijde | Bron | Verbetering |
|---|---|---|
| 27 | [Niet in bron] | . |
| 36 | Veris | Veeris |
| 37 | [Niet in bron] | º |
| 38 | Roël | Roëll |
| 46 | geworgen | geworden |
| 59 | [Niet in bron] | º |
| 67 | [Niet in bron] | ” |
| 79 | megedeelde | meegedeelde |
| 81 | [Niet in bron] | ons |
| 52 | , | . |
| 74 | [Niet in bron] | . |