Register der eigennamen.
A.
Aarde en Hemel. Nog niet gescheiden elementen, 1.
Abe no Miushi. De Sadaijin Dainaggon, één van de vijf vrijers van Kaguya, 47–52.
Acht en Twintig Volgelingen. Personificaties van sommige sterrenbeelden, 185.
Acht-Arm-Lange-Speer. Aan Yamato gegeven, 34.
Adem, God van Langen Adem. Yosoji bezoekt, altaren, 116.
Aino Godin van het Vuur. De naam van den Berg Fuji waarschijnlijk afgeleid van Fuchi, de, 113.
Aino-Land. Professor B.H. Chamberlain schrijft over, 113.
Ainoe, of Aino. Waarschijnlijk eerste bewoners van Japan, XI; opstand der, bedwongen door, 34–37.
Aji-shi-ki. Vriend van Ame-waka, 31, 32.
Akamagaséki. Tempel van Amidaji gebouwd te, 289.
Akasaki. Tōkōyo komt te, in de provincie Hoki, 323.
Ako, De Heer van. Prinses Aya trouwt met den tweeden zoon van, 158.
Amadera Tempel. Hanagaki Baishū bezoekt een feest in, 193.
Ama-no-Hashidate. Een met pijnboomen bedekt voorgebergte, dat het Meer Iwataki en de Baai Miyazu scheidt, 190; Eén van de “Drie Groote Uitzichten” van Japan, 190; Saion Zenji staart naar, 190–192.
Ama-no-ho. Afgezant, gezonden om den weg voor Ninigi voor te bereiden, 11.
Ama-terasu. Dochter van Izanagi en Izanami, de Zonnegodin, 3; bestijgt de Ladder des Hemels, 3; vervolgd door Susa-no-o, 7; vlucht in een donkere grot, 7; door, naar den Hemel gelokt, 8; Ninigi, kleinzoon van, 13; haar geschenken aan Ninigi, 13; Prins Yamato smeekt om den zegen van, 32.
Ame-waka. Afgezant gezonden om den weg voor Ninigi voor te bereiden, 11; trouwt met Shitu-teru-hime, 11; door de Goden gestraft, 11, 12.
Amida Butsu. Geschiedenis van, en den walvisch, 63.
Amidaji. Tempel van, gebouwd te Akamagaséki, 289.
Amitâbha. Kwanjin (Chineesche Kwannon), de geestelijke zoon van, 185.
Anderson, Dr. William. Legende, uit den Catalogus van Japansche en Chineesche schilderwerken in het Britsche Museum, 30, noot.
Anoji. Plaats in Tamba; één der drie en dertig plaatsen, gewijd aan Kwannon, 189.
Antoku Tenno. Zie Tenno, 289.
Armoede, Japansch Bijgeloof en Bimbogami, de God van, 339, insecten, Bimbomushi, Japansche naam voor, 339.
Arnold, Sir Edwin. Verwijzing naar zijn Zeeën en Landen, IX.
Asagao. Legende uit Het Dagboek van een Winde omtrent de liefde van, 232–237; anders genaamd Miyuki, 232, 233; haar liefde voor Komagawa Miyagi, 233–237.
Asaka (“Zachte Geur”) Vriendin van Asagao, 234.
Ashigara Berg. Yaégiri gaat naar, en schenkt daar het leven aan Kintaro, 358.
Ashi-Nadzuchi. (“Voet-slag-oude”). Een aardsche godheid, echtgenoot van Tenadzuchi, en vader van Kushi-nada-hime, 9; huwt zijn dochter uit aan Susa-no-o, 10.
Ashinóya. Dorp, waar het Meisje van Unai woonde, 302–304.
Aston, Dr. W.G. Verwijzing naar de torii, door, 212; beschrijving in de Heike Monogatari van een groot zeegevecht tusschen Taira en Minamoto stammen vertaald door, 289.
Atsumori. Verhaal omtrent de wijze, waarop zij haar waaier gebruikte, 230.
Awabi, De Groote. Een groep van, 330, 331; de Geest van, verschijnt aan Kansuke, 330.
Aya, Prinses. De Geest van de Pioenroos en, 156–158; liefde voor den Geest der Pioenroos in de gedaante van een jongen en schoonen samurai, 157,158; Sadayo, dienares van, 157.
Ayame, De Edele. Gehuwd met Yorimasa, 19.
B.
Baelz, Dr., van de Keizerlijke Universiteit van Japan. Meening van, in zake de Japanners en Mongolen, XI; verwezen naar, 75.
Baishū, Hanagaki. Zie Hanagaki Baishū, 193–194.
Bakin. Een beroemd Japansch romanschrijver; Zijn Kumono Tayema Ama Yo No-Tsuki en donderlegenden, 238; de In (vrouwelijk beginsel) en de Yo (mannelijk beginsel) in verband met donder, opmerkingen daarover door, 240.
Baku, Een bovennatuurlijk wezen, bekend als de eter van Droomen, 350.
Banko, Admiraal; Kokaku Jo zendt schatten door middel van, naar den tempel van Kofukuji, 70.
Barmhartigheid, Godin der, Kwannon, de; vergeleken met Jizō, 85.
Bato-Kwannon, Zie Kwannon, 185.
Benkei, Een der beminnelijkste der Japansche helden, XV; vergeleken met Little John, Will Scarlett en Friar Tuck, in één vereenigd, 19; tegenstrijdige trekken in zijn karakter, 20; werd op zeventienjarigen leeftijd priester, 20; avontuur met Tamamushi, 21; breekt los van het priesterschap en wordt een vogelvrij verklaard krijgsman, 21; zijn gedrag op den berg Hiei, 22; belaagt ridders bij de Gojō Brug van Kyōto, 22; wordt overwonnen door Yoshitsune, 23; staat ten slotte Yoshitsune bij, om de Taira te verjagen, 24; voert de klok van Miidera weg, 125, 126; verwijzing naar, 343.
Benten, Eén der Zeven Godheden van het Geluk, 96, 192; de Godin der Zee, Schoonheid, Liefde en Welsprekendheid, 96, 97; gelijkt op Kwannon, 192; de Draak en, 192; beroemd Eiland van Enoshima en de komst van, 193; tempel van het “Geboortewater” gewijd aan, 193; Hanagaku Baishū en, 193–195.
Berg I, Vrouw, 347; II. Man, 347.
Berg, de Geest van den, 320.
Berg, De Knetterende. De Geschiedenis van den haas en den das op den, 246–248.
Bezitter van den Grooten Berg. Dezelfde als Oho-Yama, de Geest van de Bergen, 14.
Bijgeloof, Japansch, verschillende vormen van, 332–340 menschenoffers in verband met, 332–334; vormen van waarzeggerij, 334–336; ongelukkige jaren en dagen, 337; in verband met kinderen, 337, 338; toovermiddelen bij de Japanners, 338; het Wenkende Blad, 339; Bimbogami (de God der Armoede) en, 339; Bimbomushi (“Armoede-insect”) en, 340; de Baku, 350.
Bimbo. Raitaro (Het kind van den Donder) en, 240, 241.
Bimbogami, De God der Armoede; Japansch bijgeloof en, 339.
Bimbomushi (“Armoede-insect”), 340.
Bishamon, Eén der Zeven Goden van het Geluk, 96.
Biwa, Meer. Hidesato’s ontmoetingen met den Drakenkoning van, 42–45. Visu ziet het meer, dat den naam draagt van, 119. De meening van Professor Chamberlain omtrent, 119.
Bliksem, De Godin van den, 238.
Bloemen, De liefde voor, de groei en de symboliek der, 138–140; legenden over, 148–158.
Bon Odori. Een dans op het Doodenfeest, 166; oorsprong van, 209; komt overeen met de Indische sraddha, 209.
Boomen. Verband met de kleine gestalte der Japanners, 143; de Camelia, legende over de, 160; de cryptomeria, 161; de God der Wegen en de Pijnboom, 161; de geest van den God Kōjin zetelt in den enoki boom, 162; het Wilgenvrouwtje, 162–165; Yenoki, de boom van den Eenoogigen Priester, 165–167; het verbranden der Drie Dwergboompjes, 168–169; de gelieven onder den pijnboom, 172–174.
Boven-Horikané, Tokutaro Te, 80.
Brinkley, Kapitein. Hij verwijst in Japan en China naar het geloof der rijksambtenaren te Yedo in Tengu, 346.
Bron. De Violen-. Zie Shingé, 151.
Bronzen Buddha, Zie Buddha, 63.
Buddha. Bedelnap van, 48; de legende van den Gouden Lotus en, 61–63; de Bronzen, van Kamakura en de walvisch, 63–67; het Kristal van, 67–73; heeft medelijden met den Geest van den Steen des Doods, 79; de Witte Lotus, de heilige bloem van, 112; de Acht Gaven: Gewaarwording, Bedoeling, Spraak, Gedrag, Leven, Inspanning, Oplettendheid, Overdenking, 112; kat en slang de eenige dieren, die niet weenden bij den dood van, 252; afdrukken van voetstappen van, als toovermiddelen, 339; lamp van, 348.
Buddhisme. Zijn invloed op Japanschen godsdienst en kunst, XI; resultaten in Japan, niet door de Shintō-goden uit te roeien, maar door verstandig overnemen uit China en Indië, 61; Japan heeft haar kust te danken aan het, 95; de schilderkunst aan Nippon geschonken door, 95; de macht van het Karma, één der grootste leerstellingen van het, 126; de lotus, de heilige bloem van het, 153; de torii aangenomen door het, 211, 212; Nichiren tracht het in zijn oorspronkelijke zuiverheid te herstellen, 227, 228.
Buddhisten. Shingon-shū, een secte gesticht door Kōbō Daishi, 221; Nichiren-secte, gesticht door Nichiren, 227; eerste tempel te Nikko, Shōdō Shonin stichter van, 229; de heilige Dengyō Daishi voerde de thee in Japan in, 282.
Buddhistische Godheden. Jizō, de beminnelijkste der, 85; afgunst van, jegens Daikoku, 197.
C.
Cathay. Groot. Geest van den Steen des Doods nam de gedaante aan van Hōji in, 79.
Chamberlain, Professor B.H. Legende van den Steen des Doods vertaald door, 76; verwijzing naar zijn vertaling van Ha-Goromo, 109; zijn verwijzing naar den berg Fuji, 113; voorstellingen op Chineesche vlaggen beschreven door, 146; Japansche spiegels beschreven door, 175; verwijzing naar de torii door, 211; verwijzing naar den tempel van Kawasaki gewijd aan Kōbō Daishi, in Murray’s Handboek voor Japan, door, 227; bespreking van de Samisen, het geliefkoosde muziekinstrument van de zangmeisjes, door 235; bespreking van de katten in Japansche Zaken 252; Japansche honden, 257; over theeceremonies, 283; zijn vertaling van de ballade “het Meisje van Katsushika”, 306, 307; de legende van Urashima en, 312, 313; zijn verklaring van den Japanschen naam voor Drakenpaleis, 313; zijn verwijzing naar het graf van Urashima, 317; Japansche toovermiddelen, 338; beschrijving van de Tengu door, 343; verhaal van Shikaiya Wasōbiōye ontleend aan zijn vertaling in de Handelingen van het Aziatisch Genootschap van Japan, 366.
Chikubu-shima. Eiland in het Meer Biwa, in Ōmi, één der drie en dertig plaatsen, gewijd aan Kwannon, 189.
China. Keizer Koso dingt naar de hand van Kohaku Jo, de dochter van Kamatari, en huwt haar, 68–71; vlinder in betrekking met folklore in, 201; Dondergod in, 239; donderdier in, 239; theedrinken in, 280, 281; Draak van, 353.
Chineezen. Japan, Jih-pén genaamd door, XII; vlaggen, beschreven door, 146; mythen, Kwannon bekend als Kwanjin bij de, 185.
Chinu. Van Izumi, één van de minnaars van het Meisje van Unai, 302–304.
Chiyo. Een schoone vrouw door Shokuro gedood, 242; door Raiden weer tot leven gewekt, 242; Shokuro verzoent zich met, 242; een dichteres van dien naam maakt op pathetische wijze melding van een waterjuffertje, 271.
Chiyodo. Kind van Heitaro en Higo (Wilg), 164.
Chokoro. Maakt zijn tooverpaard los van een reusachtige pompoen, 348.
Chōmei. Buddhistische kluizenaar uit de twaalfde eeuw, schrijver van de Hō-jō-Ki, 144.
Chōmeiji. Plaats in Omi; één der drie en dertig plaatsen, aan Kwannon gewijd, 189.
Chosen. Ook genoemd het Land der Ochtendkalmte, de oude naam voor Korea, 317.
Chow of Tschou Dynastie. Kwanjin, oorspronkelijk de dochter van den Koning der, 185.
Chrysanthemum. De Japansche vlag en de, 146, 147; Japans nationale bloem, 147; poëtische namen voor, 147; Vrouw Wit en Vrouw Geel, geschiedenis van, 148–150; Kikuo (“Chrysanthemum-Oude-Man”) onderhoorige van Tsugaru, geschiedenis van, 150, 151.
Chūjō Hime. Een Buddhistische non, de grootste der vroegere kunstenaressen in borduurwerk, een vleeschwording van Kwannon, 186; trekt zich terug naar den tempel van Toemadera, 186.
Conder, Josiah. Vertelt van de gebruiken, die samenhangen met pijnboomen bij bruiloftsfeesten, 144.
Confucius. Bracht nieuwe bouwstoffen bij voor de Yih-King (“Boek der Veranderingen”), 334.
D.
Daibutsu, De. Zie Buddha (de Bronzen), 63.
Daikoku. Eén der Zeven Goden van het Geluk, 96; verbonden met Ebisu (zijn zoon) en Hotei, den God van het Lachen, 196; zijn wonderbaarlijke Hamer, 196; een Rat is het tweede attribuut van, 196; oude legende omtrent de jaloezie van Buddhistische goden op, 197; de zes vormen, waaronder hij wordt voorgesteld, 198; gewoonlijk met zijn zoon Ebisu uitgebeeld, 198.
Dai-Mokenren. Een groot leerling van Buddha; ziet de ziel van zijn moeder in de Gakidō, 208.
Daimiō. Vrouw Wit komt in het paleis van, 149.
Dandoku, Berg. De overpeinzingen van Buddha op, 61.
Dan-no-ura. De Taira stam voor goed in zee gejaagd door Benkei en Yoshitsune, 24; Hoïchi ontvangt een vreemdeling, die het tooneel van den slag bij Dan-no-ura wenscht te bezoeken, 290, 291.
Daruma. Zoon van een Hindoe-koning, 287; evenals de Heilige Antonius in verzoeking gebracht, 287; Indische wijze, wiens beeld in verband stond met het drinken van thee als godsdienstige ceremonie door de Zen-secte in Japan, 287; men vindt er melding van gemaakt in Enkele Chineesche Geesten en Een Japansch Mengelwerk door Latcadio Hearn, 287, 288.
Das. Verhaal van den haas en den, op den Knetterenden Berg, 246, 247; beschrijving van, in legenden, 248; Kadzutoyo en de, 248, 249.
Davis, F. Hadland. Verwijzing naar Land van de Gele Lente, door, 74.
Dengyō Daishi. Buddhistische heilige, die het eerst de thee in Japan ingevoerd heeft, 282.
Dieren. Legenden, daarop betrekking hebbende, 243–264.
Dierenriem. De Draak (Tatsu), één van de teekenen van den, 354.
Dierkunde. Lafcadio Hearn en spoken-dierkunde, 75.
Donder. Legenden in verband met, 238–242; Bakins Kumono Tayema Ama Yo No Tsuki in zake den God van, 238; Donderdier (Raijū) 239; Wondervogel (Raicho), 239; Dondervrouw (Kaminari), 240; Raitaro, zoon van den Dondergod, 241; Shinraiki, verslag van den, 239.
Dondergoden. Acht verschillende soorten rusten op Izanami, 4; Zie Raiden, 238; Zie legenden, 238–242; Shokuro en de, 242.
Doodskloppertje. In het Japansch Bimbomushi, 340.
Door den Duivel Bezeten. Toegeschreven aan den kwaden invloed van vossen, 75.
Doos der Juweelen Hand. Zie Tamate-Bako, 316.
Draak. Nauw verbonden met Japansche mythologie, 353; van Japan en van China, 353; één der teekens van den Dierenriem, 354; volgens de oude opvatting der aarde werden vier zeeën beheerscht door vier Drakenkoningen, den Hemelschen, den Onstoffelijken, den Aarddraak en den Draak der Verborgen Schatten, 354; een vogel, O-Goncho genaamd, in een witten Draak veranderd, 354.
Drakenkoning (der Zee). Steelt het kristal van Buddha, 71; Urashime in het paleis van, 314–316; Otohime, de dochter van, 314; zendt de Getijden juweelen naar Keizerin Jingo door tusschenkomst van Isora, 320; biedt de Getijden juweelen aan Ojin aan, 322; Mamakiko ontmoet een Shojō, die woont bij het paleis van, 352.
Drakenpaleis. Het Eeuwiggroene land komt in de ballade “De Visschersknaap Urashima” voor als, 313; Samébito en het, 370.
Drakenrijk. Samébito en, 367–370.
Drijvende Brug des Hemels. Uzume en haar metgezellen rusten op, 13.
Droomen Verslinder. De Baku bekend als de, 340.