WeRead Powered by ReaderPub
Mythen & Legenden van Japan cover

Mythen & Legenden van Japan

Chapter 304: E.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A curated anthology of traditional Japanese myths and folktales arranged thematically, presenting origin stories, heroic and warrior episodes, Buddhist and Shinto legends, and domestic and supernatural tales. Chapters gather narratives about mountain and sea mysteries, animal and shape-changing spirits, ghosts and festival customs, and objects such as mirrors, fans, bells, and textiles. Each retelling emphasizes customary motifs, seasonal observances, and moral or ritual resonances, and brief commentary highlights how these legends intersect with visual art and popular celebration without privileging a single narrative voice.

E.

East, Sir Alfred. Japansche kunst beschreven door, 93.

Eb-getijde Juweel. Zie Juweelen, 319 enz.

Ebisu. Eén der Zeven Goden van het Geluk, 96; zoon van Daikoku, 196; de God van den Arbeid, 196; meestal afgebeeld met zijn vader Daikoku, 198.

Echte Sakaki Boom. Met Juweelen behangen en versierd door Uzume, om Ama-terasu weer naar den Hemel te lokken, 8.

Eeuwig Groen Land. Zie Drakenpaleis, 313; sinaasappels het eerst gebracht uit, naar Japan, 313.

Eeuwigheid. Haar beteekenis voor den beroemden kunstenaar Hokusai, 99.

Eeuwig Land. De God “de Gedachten bijeen roepende”, brengt vogels van, 8.

Egyptisch. Verhalen omtrent het ontstaan der Wereld, 1; voorstelling van een toekomstig leven, 99.

Eisai. Een Buddhistische Priester, die een verhandeling schreef, welke tot titel draagt “De Heilzame Invloed van het Theedrinken, 283; poging, om Minamoto-no-Sanetomo van den wijn te bekeeren, 283.

Emma-Ō. De God en de Rechter van de dooden, 91, 92; Jizō is de voorspraak van Soga Sadayoshi bij, 91, 92; Doodenfeesten, 99; Ono-no-Kimi verschijnt voor, 123; Tokudō Shōnin geleid in de tegenwoordigheid van, 187; Shiro door hem gezonden, om den God van den Rijkdom te overweldigen, 197, 198; Doodenfeest en, 207, 312.

Emmei van Dogen-Ji. Wordt een sennin, 348.

Enkakuji. De groote klok van, 123.

Enoshima. Een beroemd eiland, in verband met de komst van Benten, 193.

F.

Feest. Dooden, 99, 145, 166; van Tanabata, 109; Nieuwjaars, 161, 205; der Meisjes, 205; der Poppen, 201; der Jongens, 206; Lachfeest van Wasa, 210; der Minige, en Ohokuninushi, het Bronzen Paard, 263.

Feest van Tanabata, of het Wevende Meisje; meest romantische van alle Japansche Feesten, 109.

Feesten der Dooden. Beste gelegenheid om vroolijk de wereld van Emma-Ō te verlaten, 99; het beste bewijs van de liefde der Japanners voor de Natuur, 145; Bon Odori, een dans bij, 166; plechtigheden en gebruiken in verband met, 207210; het Getijde der Terugkeerende Geesten en, 312.

Firmament, God van het, Tanabata, dochter van, 109.

Fudaraku-Ji. Plaats te Nachi in Kishū; één der drie en dertig plaatsen aan Kwannon gewijd, 188.

Fudo. I. God. Dezelfde als Dainichi, de God der Wijsheid; Kiyo bezoekt den tempel van, 130; tempel op den Oki-Yama, gewijd aan, 166, 167; de éénoogige priester in den tempel van, 166, 167. II. Kaap. Bekend als de Kaap van het Zwaard der vrouw, 326.

Fugin. Raiden, de Dondergod, dikwijls gevonden in gezelschap van, 238.

Fuji (Fuji-yama, Nooit Stervend). Naam van den hoogsten berg in Suruga, 60; Schijnt typisch Japansch te zijn, 112; de berg van den Lotus en den Waaier, 112; reeds honderden jaren lang een bedevaartsoord, 113; zijn top, door Lafcadio Hearn het Hoogste Altaar der Zon genoemd, 113; een uitgebrande vulkaan, 113; naam afgeleid van Huchi of Fuchi, de Godin van het Vuur bij de Aino’s, 113; de verblijfplaats van het Levenselixir, 114; Jofuku op den, 115; Sentaro bezoekt den, 115; de Godin van den, 116, 120; avonturen van Visu bij den, 119121; Yurine woonde bij den, 351.

Fujii-dera. Plaats in Kawachi, één der drie en dertig plaatsen, aan Kwannon gewijd, 188.

Fukurokuju. Eén der Zeven Goden van het Geluk, 97.

Fusago. Door den Mikado naar Kaguya gezonden, 54.

Futon (Deken), De, van Tottori, 298, 299.

G.

Gama, met zijn tooverpadde, beschreven als een sennin in de Japansche kunst, 348.

Gaven. De Acht, van het Buddhisme, 112.

Gedachten-bijeenvoegend. Een God, die vogels uit het Eeuwige Land medebrengt, om de Zonnegodin weer naar den Hemel terug te lokken, 8.

Geest. Van den Berg, 320; van de Velden, 320; van het Gras, 320; van het Zeestrand, 320; van het Zwaard, 325.

Geesten, van den kring der Boetedoening, gevoed in verband met het Doodenfeest, 208; de spookmoeder, 297; het Getijde van den Terugkeer en het Doodenfeest, 312.

Geesten en Spoken, 99, 100.

Gele Draak. Zie Gele Rivier, 354.

Gele Rivier. Fuk Hi ontvangt van den Gelen Draak een geheimzinnige rol aan de, 354.

Geluk, Land van het Volmaakte. Zie Land. De jeugdige Keizer, Antoku Tenno, gebracht naar, 289.

Gelukkige Regenjas. Deel der lading van het schip met Wonderschatten, 97.

Geluksgoden. Benten, één van de Zeven, 192; ook wel beschouwd als de Godin der Zee, der Liefde, der Schoonheid, der Welsprekendheid, 192; toovermiddelen om de Geluksgoden voor te stellen, 339.

Genno. Een Buddhistische priester; waarschuwing van den Geest van den Steen des Doods aan, 76; geschiedenis van het juweeltje verteld aan, 7679.

Gensuke. Slachtoffer bij den bouw van een brug over een rivier te Matsue, 334.

Gesshōji Tempel, De. De reusachtige schildpad van den, 264.

Getijde-Juweelen. Door Isora gezonden als een gift van den Drakenkoning aan Keizerin Jingo, 321.

Gilbert en Sullivan. Verwijzing naar hun De Mikado, IX.

Gisuke. Broeder van O Cho San, 327, 328; begunstigt het aanzoek van Shinsaku, 327; bouwt een tempel voor, 328.

God der Wegen. De pijnboom en de, 161; liefdeproef, door den God der Wegen aan te roepen, 336.

God der Zee. Hoori bezoekt het paleis van den, 15 16; vader van Toyotama (“Rijk-Juweel”), 16; schenkt Hoori den Juweel van het Rijzende Water en van het Vallende Water, 17.

Go-Fukakusa, Keizer. Saim-Yoji Tokiyori, een beroemd Regent tijdens de regeering van, 168.

Gohitsu Oshō. Naam aan Kōbō Daishi gegeven door Chineesch keizer, 223.

Gojo Brug in Kyōto. Benkei’s slechte handelingen tegenover ridders, die de brug overtrokken, 22.

Gongen. Twee van de ridders van Raiko bezoeken den tempel van, 26.

Go-Toba. De Stille Pijnboom en de Keizer, 102.

Gouden Lotus, Legende van den, 6163.

Graf van het Meisje. Begraafplaats van het Meisje van Unai, 304, 305.

Gras. De Geest van het, 320.

Gras-Klievende Zwaard, Aan Yamato geschonken, 35; de oorsprong van den naam, 35.

Greey, Edward. De Legende van den Gouden Lotus bewerkt door, 61.

Groote-Berg-Bezitter. Dezelfde als Oho-yama, de Geest der Bergen, 14.

Gulliver. Shikaiya Wasōbiōye van Nagasaki, een Japansche, 366, 367.

H.

Haas, Legenden in betrekking tot den, 243246; Taoïstische legenden en de, 243; geschiedenis van haas en das, op den Knetterenden Berg, 246248.

Hachiman, De Oorlogsgod; twee der metgezellen van Raiko bezoeken den tempel van, 26; tempel van, bestaat nog, 63; Yoritomo richt tempels op voor, 267; de jeugdige keizer, Antoku Tenno bij den tempel van, 289.

Hades (zie Yomi), 3; tijdingen van, 348.

Hanagaki Baishū, Een jong dichter, en Benten-van-het-Geboorte-Water, 193196.

Harakiri of Seppuku. Uitdrukkingen voor zelfmoord onder de samurai’s, 145.

Hase-Dera. Plaats in Yamato; één der drie en dertig plaatsen aan Kwannon gewijd, 189.

Hatsushima Eiland. Beroemd om zijn Narcissen, 327; Cho woont op, 327.

Hazoku, Prins. Bewijst eer aan een boozen geest in Ind, 78.

Hearn, Lafcadio. De vos in Japan beschreven door, 75; Jizō, de God der Kinderen, en, 86; verwijzing naar het Hol van de Geesten der Kinderen, en Jizō, 90; beschrijft den top van den Fuji als het Hoogste Altaar der Zon, 113; zijn verhaal, dat de macht van het Karma duidelijk maakt, 127; zijn verhaal van een Japansche non met haar voorliefde voor kleine dingen, 142; beschrijft den Lotus van het Paradijs, 154; Japansche poppen beschreven door, 199; de opvatting van Hearn over vlinders; 202; bespreking van de Bon-odori door, 209; verhaal van den Japanschen semi (boom-krekel) in Kottō, 270; verwijzing naar Yuki-Daruma in Een Japansch Mengelwerk, door, 288; Spooklegenden ontleend aan sprookjes door, in Kwaidan en Een Blik op het Onbekende Japan, 289.

Heilige Man. Andere naam voor Buddha, 61.

Heilige Sleutel. Gedeelte van de lading van het schip met wonderschatten, 97.

Heitaro. Een landbouwer, die met het Wilgevrouwtje trouwde, 162165.

Hel. Kwannon bekommert zich om hen, die in de hel komen, zooals Emma-Ō aan Tokudō Shonin mededeelt, 187.

Hemel. Ladder van den, 3; Vlakte van den Hoogen Hemel, 6; Rivier van den Hemel, 8; de os van Hikoboshi wandelt over de Vlakte van den Hoogen Hemel, 108.

Hemel en Aarde. Elementen die hemel en aarde vormden, 1.

Hemelsche Rivier. Hikoboshi en Tanabata, gescheiden door de, 108.

Hi. Rivier in de provincie Idzumo; Susa-no-o komt aan de, 9.

Hidaka. Een rivier, aan de oever waarvan Kiyo woonde, 128.

Hidari Jingorō. De beroemde beeldhouwer; legende van, herinnert ons aan de geschiedenis van Pygmalion, 97; wordt verliefd op een schoone vrouw, 175.

Hidesato. Ook wel genaamd Tawara Toda, “Mijn Heer Zak met Rijst”; zijn ontmoeting met den Drakenkoning van het Meer Biwa, 4245.

Hiei, Berg. Yoshitsune hoort, dat de priester Benkei woont op, 22.

Higo (“Wilg”). Vrouw van Heitaro, 162165.

Hikoboshi. Echtgenoote van Tanabata, 108.

Hinako-Nai-Shinnō. De Wonderbaarlijke Kastanje en de Prinses, 162.

Hinokawa. Rivier, waarin Yamato zwemt met Idzumo Takeru, 34.

Hiroshige. Denkbeeld voor één van zijn schilderijen ontleend aan de Heike Monogatari, 100.

Hito-Koto-Kwannon. Zie Kwannon, 185.

Hizen, Prins van. Verhaal van zijn liefde voor een kat in den vorm van een vrouw, O Toyo genaamd, 253257; de priester Ruiten bidt voor, 254; Ito Soda ontdekt de oorzaak der ziekte van, 255.

Hodori (“Schijnend Vuur”). Zoon van Ninigi en Ko-no-Hana, 15; twist met zijn broeder Hoori, 15; verzoent zich met zijn broeder, 17.

Hoed der Onzichtbaarheid. Deel der lading van het schip met wonderschatten, 97.

Hōïchi, De Man Zonder Ooren. Een blinde priester, die woonde in den Amidaji-tempel, 290; zijn voordrachten over den oorlog tusschen de Taira en Minamoto stammen, 290; bezoekt zonder het te weten het graf van Antoku Tenno, 292; waaraan hij zijn naam ontleende, 294.

Hōji. Geest van den Steen des Doods neemt den vorm aan van, in Groot-Cathay, 79.

Hōjō. Kamakura, de zetel der Regenten uit het geslacht van, 63.

Hō-jō-ki”. Vertaling van, door F. Victor Dickins, 144.

Hōjō Takatoki. Een groot heerscher, door Oribe Shima beleedigd, 323.

Hōjō Tokiyore. Nichiren naar Ito verbannen door, 228.

Hokkeji. Plaats in Harima; één der drie en dertig plaatsen, aan Kwannon gewijd, 289.

Hokusai. Een beroemd kunstenaar; en zijn “Honderd Gezichten op den Fuji”, 98; de Eeuwigheid en haar beteekenis, 99.

Hond. In Japan als een goedgezind dier beschouwd, 257.

Hoori (“Uitdoovend Vuur”). Zoon van Ninigi en Ko-no-Hana, 15; grootvader van den eersten Mikado van Japan, 15; gevoerd naar het Paleis van den Zeegod door Shiko-tsutsu no Oji (“Zoute-zee-oude”), 15; trouwt met Toyo-tama (“Rijk-Juweel”), de dochter van den Zeegod, 16; krijgt den Juweel van het Stijgende Water en dien van het Vallende Water, 17; vertrekt uit het Paleis van den Zeegod, 17.

Horai. Berg, Kuramochi krijgt de opdracht, daarheen te gaan, 48; de Tak, die Juweelen droeg. 49, 50.

Horiō Yoshiharu. Daimiō van Izumo; bouwt een brug bij Matsue, 333.

Hotei. Eén der Zeven Goden van het Geluk, 96; de God van het Lachen en de Tevredenheid, 198; bekend als de Wagenpriester, 198.

Huchi, zie Fuji en Aino, Godin van het Vuur, 113.

I.

Ichijo, Keizer. Verhalen, in Kyōtō in omloop over een boozen geest van Oyeyama, tijdens de regeering van, 25; Raiko uitgezonden door, om den boozen geest op te sporen en te dood en, 25, 26.

Ihanaga, ook wel Prinses Lang-als-de-Rotsen genoemd; dochter van Oho-yama, 14.

Iijima. Vader van Tsuyu (“Ochtenddauw”), 214.

Ima-Gumano. Plaats te Kyōto in Yamashiro; één der drie en dertig plaatsen aan Kwannon gewijd, 189.

“In” en “Yo”. Mannelijke en vrouwelijke beginsels, nog niet verdeeld, 1; komen overeen met de Chineesche Yang en Yin, 1; volgens Bakin in verband met den donder, 240.

Inaba. Legende van den Witten Haas van, 244246.

Inari. Oorspronkelijk de God van de Rijst, en later (elfde eeuw) verbonden met den Vossengod, 74, 226; verhoort het gebed van een vrouw, 82; verschijnt aan Kōbō Daishi, 226

Ind. Plaats waar den boozen geest door Hazoku eer werd bewezen, 79.

Indische Sraddha. Komt overeen met het Japansche Doodenfeest, 209.

Insecten. Legenden over, 270278; de Buddhisten gelooven, dat de ziel van een man of vrouw in een insect kan binnendringen, 270; Sanemori, een insect, dat rijst verslindt, 274; de shiwan beschreven, 274.

Ippai, Murata. Slaat in zijn onwetendheid een aantal lotusbloemen stuk en pleegt harakiri, 155, 156.

Isaburo. Kyuzaemon bezoekt, naar aanleiding van de geheimzinnige verdwijning van Oyasu, 137.

Isé. Prins Yamato bidt aan de altaren van, 32; De Goddelijke Spiegel, waarin de Zonnegodin staart, berust te Isé, 176; reusachtige waaier gebruikt bij het feest te Isé, 230; de jeugdige Keizer Antoku Tenno bij het altaar van, 289.

Ishidomaro. Zoon van Kato Sayemon, 362, 363.

Ishiyama-dera. Plaats bij Ossu, in Ōmi, één der drie en dertig plaatsen, aan Kwannon gewijd, 189.

Ishizukuri, Prins. Eén der vijf vrijers van Kaguya, 4753

Isora. De Geest van het Zeestrand; brengt de Getijde-Juweelen naar Keizerin Jingo als een geschenk van den Drakenkoning, 320.

Issunboshi (“Eénduims-priester”) ook wel Duimpje of Graankorrel genoemd, 355; trouwt met de jongste dochter van Prins Sanjo, 355.

Itsukushima. Tempel op het Eiland Myajima, 212; torii genaamd “Het Voetbankje van den Koning”, voor, 212.

Iuwao, Keizer. Geest van den Doodensteen, de echtgenoote van, in Groot Cathay, 79.

Iwama-Mera. Plaats in Omi; één der drie en dertig plaatsen aan Kwannon gewijd, 189.

Iwazaru. De drie geheimzinnige Apen, die in de Japansche legenden voorkomen, zijn Mizaru, Kikazaru en, 261.

Izanagi en Izanami (“De man, die uitnoodigt” en “De vrouw, die uitnoodigt”). Twee belangrijke godheden, 1; eiland Onogoro Jima gevormd door de speer van, 2; hoewel broeder en zuster, willen zij met elkander huwen, 2; hun huwelijk, 2; uit het huwelijk komen eilanden, zeeën, rivieren, kruiden en boomen voort, 2; wenschen een Heer van het Heelal voort te brengen, 2; hun wensch vervuld door de geboorte van Ama-terasu, de Zonnegodin, 3; zenden Ama-terasu de Ladder des Hemels op, 3; de ouders van Tsuki-yumi, den Maangod, die de Ladder des Hemels wordt opgezonden om met Ama-terasu te huwen, 3; Susa-no-o (“de Onstuimige Jongeling”), zoon van, 3; Kagu-tsuchi, de God van het Vuur, geboren aan, 3; Izanami sluipt weg naar het Land van Yomi (Hades), 3; Izanagi volgt zijn vrouw naar het land van Yomi (Hades), 3; Izanami boos op Izanagi, omdat hij schande over haar gebracht heeft, 4; Izanagi ontsnapt uit de onderwereld, 4; wordt vervolgd door de Acht Leelijke Vrouwen, 4; hij bereikt den Effen Doorgang van Yomi, 4; scheidt van Izanami, 4; bouwt zich een verblijfplaats op het eiland Ahaji, 5; kwikstaartjes gewijd aan, 265.

Izumi. Plaats, waar Chinu vandaan kwam, 302.

Izumo. Vreemd gebruik in, in verband met Jizō, 86, 87; verzameling van Goden in October in den tempel te, 211; de Kappa Kawako genoemd door de dorpsbewoners van, 341.