WeRead Powered by ReaderPub
Mythen & Legenden van Japan cover

Mythen & Legenden van Japan

Chapter 309: J.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A curated anthology of traditional Japanese myths and folktales arranged thematically, presenting origin stories, heroic and warrior episodes, Buddhist and Shinto legends, and domestic and supernatural tales. Chapters gather narratives about mountain and sea mysteries, animal and shape-changing spirits, ghosts and festival customs, and objects such as mirrors, fans, bells, and textiles. Each retelling emphasizes customary motifs, seasonal observances, and moral or ritual resonances, and brief commentary highlights how these legends intersect with visual art and popular celebration without privileging a single narrative voice.

J.

Jachtpartij, Keizerlijke. De Mikado beveelt een jachtpartij te houden, 55; de Mikado overvalt Kaguya op de, 55.

Japan. Ook genaamd “Land van de Rijzende Zon”, IX; haar overwinning op Rusland, IX; ontwikkeling van, X; eerste bewoners van, XI; Ainu, Mongoolsche en Maleische elementen vormden één natie tegen het jaar 500, XI; nationale karaktertrekken van, XI; door de Chineezen Jih-pén genoemd, XII; Kama-Yamato-Iware-Biko eerste menschelijke keizer van, 17; Buddhisme in Indië en China ontleend aan, ten opzichte van de godsdienstige leerstellingen, 61; de Bronzen Buddha van Kamakura één der meest merkwaardige beelden van, 63; Vossen-legenden in, 74; Hol in, waarin het beeld van Jizō te zien is, 90; kunst van, ontleend aan het Buddhisme, 95; Buddha’s onderwijs geeft de tuinbouwkunst aan, 95; kunst ontwikkeld onder Chineeschen invloed, 95; gelukkig in de namen voor chrysanthemums, 147; Ama-no-Hashidate, één der “Drie Groote Tafereelen” van, 190; vlinder in verband met folklore in, 201; legende over den inval der Mongolen in, 238; Donderdier van, 239; theedrinken in Europa en in, 279, 280; sinaasappels ingevoerd uit het “Eeuwig-Groene Land” naar, 313; reden, waarom Japan een wereldmacht is geworden, 318; invloed op Korea, toen Rusland een militairen voorpost te Wiju plaatste, 318; Korea een kolonie van, 318; Draak van, 353.

Japansch. Karakter niet westersch, X; vaderlandsliefde, bron van, XI; kunst en godsdienst onder den invloed van het Buddhisme, XI; invloed van het Shintoïsme op, XI; theorieën over den oorsprong van het ras, XI; bijgeloof over de Kappa (riviermonster), XII; godheden en helden bij de, XIIIXVII; hun kunst, beschreven door Sir Alfred East, 93; kunstenaars, werk van, 93; kunst, het gelaat in, 93; kunstenaars, de Zeven Goden van het Geluk, een geliefkoosd onderwerp voor, 96; Feest van Tanabata, 108; klokken, algemeene beschrijving van, 123; vrouw, kersen- en pruimenbloesems in verband met schoonheid en deugd van, 159; spiegels, beteekenis van, 175183; onze poppen vergeleken met, 199, 200; waaier, beteekenis van, 230, 231; oorsprong van den naam Kanamé, toegepast op waaiers, 231; kat, 252, 253; kunst, sennin in, 348.

Jeugd. Het Land der Eeuwige. Sentaro bezoekt het, 116.

Jih-pén. Chineesche naam voor Japan, XII.

Jimmu Tennō. Andere naam van Kamu-Yamato-Iware-Biko; eerste menschelijke Keizer van Japan, 17.

Jimpachi. Kanshiro en, 276278.

Jingo, Keizerin. Longford schrijft over, 318; legenden van den eersten Japanschen inval in Korea door, 319322; geboorte van haar zoon Ojin, 322; gebed van een oud paar om een kind, gericht tot, 355.

Jizō. De God van Kinderen, 75, 85; vergeleken met Kwannon, de Godin der Barmhartigheid, 85; de schepping van de Japansche moeders, 85; kleine kinderen spelen in de Sai-no-Kawara (“Droge Bedding van de Rivier der Zielen”) met, 87; loflied op, 88, 89; Hol van de Geesten der Kinderen, 90; Fontein van, 90; Soga Sadayoshi beloond door, 91, 92; afbeelding van, tegenover die van een Japanschen boozen geest, 96.

Jofuku. Tracht het geheim van het Eeuwige leven aan den Fuji te ontworstelen, 115; Shikaiya Wasōbiōye ontmoet, 366.

Jōshi. Naam voor den zelfmoord door minnaars gepleegd, ook wel “liefdesdood” genoemd, 128.

Jurōjin. Eén der Zeven Goden van het Geluk, 97.

Juweelen. Kostbare, 8; De Juweel van het Stijgende water en het Vallende water, 17; de Juweelen dragende Tak van den Berg Horai, 49, 50; de Juweel in den Drakenkop, 52, 53; de Juweel van het Stijgende Water en die van het Vallende Water door den Drakenkoning aan Keizerin Jingo aangeboden, 320; de Juweelen-tranen van Samébito, 367370.

Juweeltje. De geschiedenis van het, 7779.

K.

Kaibara, Verhandeling van, bekend als Onna Daigaku, 94.

Kadzusa, Zeeëngte van. Prinses Otatachibana verdrinkt bij het oversteken van, 36, 37.

Kadzutoyo. Verhaal van den das en, 248251.

Kagu-Tsuchi. De God van het Vuur, kind van Izanagi en Izanami, 3.

Kaguya, De Edele (“Kostbaar Slank-Bamboe-van-het-Herfstveld”). Ontdekt en opgevoed door Sanugi no Miyakko, 46; Prins Ishizukuri, Prins Kuramochi, de Sadaijin Dainagon Abe no Miushi, de Chiunagon Otomo no Miyuki, en Morotada, de Heer van Iso, vrijers van, 4652; haar plan, de vrijers op de proef te stellen, 4854; de roem der schoonheid van, bereikt den Mikado, die Fusago naar haar toezendt, 54; de hoofdstad van Maanland, de geboorteplaats van, 56; vertrekt naar Maanland, 60.

Kamakura, Een tijdlang de hoofdstad van Nippon, 63; zetel der Shoguns, 63; de Bronzen Buddha van, en de Walvisch, 6367; de stad gebouwd door Generaal Yoritomo, 64; de klok van Enkakuji, de grootste in, 123.

Kamatari. Een Minister van Staat in Japan; vader van Kohaku Jo, 67.

Kami-Daigo-Dera. Plaats te Uji in Yamashiro; één van de drie en dertig plaatsen, aan Kwannon gewijd, 189.

Kaminari. Dondervrouw, 240.

Kamishama. Eén der Oki-eilanden, waarheen Oribe Shima was verbannen, 323.

Kamo, De Edele De. Ziel van den Spiegel (Yayoi) komt in het bezit van, 179.

Kamo No Ch Mei. Een Buddhistisch kluizenaar uit de twaalfde eeuw; uit zijn boek Hō-jō-ki blijkt, dat hij een groot liefhebber der Natuur was, 144.

Kamo Yamakiko. Een toovenaar, door Yosoji geraadpleegd, 116.

Kamu-Yamato-Iware-Biko. Afstammeling van Hoori, als eerste menschelijke Keizer van Japan Jimmu Tennō genoemd, 17.

Kakagawa. Graf van Urashima, nog steeds aanwezig in een tempel te, 317.

Kanasoka. Een groot kunstenaar; legende over het geschilderde paard van, 98.

Kano Hogai.Borduurwerk, waarop Kwannon is afgebeeld als de Goddelijke Moeder door, 186.

Kanshiro. De wraak van, 276278.

Kansuke. Vader van Matakichi, 330.

Kantans Kussen. Rosei rust op, 101.

Kappa, De. Een riviermonster; beschrijving van, 341; de dorpsbewoners van Izumo noemen hem Kawako (“Het Kind der Rivier”), 341; het verhaal van de belofte van, 342.

Karma. De macht van, één der belangrijkste Buddhistische leerstellingen, 126; beteekent het verlangen om te leven, in tegenstelling met Nirwana, het verlangen om niet te leven 127; betrekking tot, in de Ratana Sutra, 128; Kiyo en macht van, 128132; de macht van, duidelijk gemaakt door de geschiedenis van Tsuyu, 214, 219.

Karper. Legende van den Draak 206; vlag in den vorm van, 206; symbolische beteekenis van, 206; Bakin over den, 240.

Kashima. Oorsprong van kanamé, naam voor Japansche waaiers, en 231.

Katsuo-Dera. Plaats in Settsu, één van de drie en dertig plaatsen, aan Kwannon gewijd, 189.

Katsushika. Het meisje van, Ballade van, 305, 306.

Katten. De Japansche, niet populair, 250; de slang en de, weenden niet toen Buddha stierf, 252; verhaal van den vampier, 253257; Shippeitarō en het spook, 257259.

Kawachi. Rivier, in de nabijheid van den tempel Kawako-no-miya, 341.

Kawachi-Mura. Gehucht bij Matsue, 341.

Kawako (“Het Kind der Rivier”). Zie Kappa, 341.

Kawako-no-miya. De tempel van den Kawako, of Kappa, 341.

Ken-cho-ji. Bezoek van Soga Sadayoshi aan den tempel van, 91.

Kenkō-Hōshi. Legende over Kaiko en den Boozen Geest door, 3032.

Kikazaru. De drie mystieke apen, die in de Japansche legenden voorkomen, zijn Mizaru, Iwazaru en, 261.

Kiku (“Chrysanthemum”). Sawara huwt, 105; Sawara zendt haar terug naar haar ouders, 107.

Kikuo (“Chrysanthemum-Oude-Man”). Onderhoorige van Tsugaru; verhaal van, 150, 151.

Kimi. Verhaal van haar trouweloos gedrag jegens Kurosuke, 166.

Kimi-Dera. Plaats bij Wakayama, in Kishū, één van de drie en dertig plaatsen aan Kwannon gewijd, 188.

Kimitaka. De booze geest van den berg Oye rooft de dochter van, 25.

Kinderen. Jizō, de God der, 8592; het Hol van de Geesten der, 90; bijgeloof in verband met, 337, 338.

Ki-no-o-baké. Een boomgeest, 161.

Kintaro. Ook wel de Gouden Knaap, 358, 359; door Yorimitsu Sakata Kintoki genoemd, 360.

Kishiwada, De Heer van. Zendt Sonobé naar den grooten cryptomeria-boom op den Oki-yama, 167.

Kitzuki. De Godheid van (Oho-kuninushi) en het Bronzen Paard, 263; de Godheid van brengt een groot deel van zijn tijd door met het vangen van visschen en vogels, 266.

Kiuchi Heizayemon. Avonturen van, die een voorstelling geven van de Tengu-kakushi, 234.

Kiyo. Het schoonste meisje in het theehuis bij den heuvel “de Drakenklauw”, 128; haar liefde voor een Buddhistischen priester en zijn noodlottige dood, 128132.

Kiyomizu-Dera. Plaats te Kyōto, één van de drie en dertig plaatsen aan Kwannon gewijd, 189.

Kiyomori. Aanvoerder van den Tairastam, 21; Tokiwa, de weduwe van Yoshitomo, trouwt met, 21.

Kleed. Het Hemelsche Kleed. Kleed van Vederen. Aan Kaguya gebracht door het Maanvolk, 58.

Klokken, Japansche, 123; de grootste in den Jodo-tempel van Chion te Kyōto, 123; de klok van Enka Kuji, de grootste in Kamakura, 123; de klok van Miidera, 124, 125.

Kōbō Daishi. (“Eere den Grooten Leeraar”). De beroemdste der Japansche Buddhisten-heiligen, 221; bij zijn leven Kūkai genaamd; Kōbō Daishi een titel na zijn dood, 223; stichtte een Buddhistische secte, de Shingon-shū genaamd, 223; door een Chineeschen Keizer Gohitsu-Osho (“De Priester, die met vijf borstels schrijft”) genoemd, 223; Monju Bosatsu, de Heer der Wijsheid, en, 224; schildert de ten door zijn borstel omhoog te werpen, 224; zijn werk belachelijk gemaakt door Kino Momoye en Onomo Toku, 224, 225; zijn reis naar Japan, 225; Inari, de God van de Rijst en, 226; zijn dood, 226; tempel te Kawasaki gewijd aan, 226.

Kobori-Enshiu. De groote Japansche tuinarchitect, 140.

Kochō. Komt voor in het tooneelspel “De Vliegende Haarspeld van Kochō”, 203.

Kōdō. Plaats te Kyōtō, één van de drie en dertig plaatsen aan Kwannon gewijd, 189.

Kofukuji. Tempel van, 68, 69.

Kohaku Jo. Dochter van Kamatari, 67; Keizer van China hoort van de schoonheid van, 68; Keizer van China wil haar huwen, 68; zeilt weg naar China, 99; huwt den Keizer van China, 69; zendt schatten naar den tempel van Kofukuji, 70.

Kojiki. Bevat het verhaal, dat Izanagi aan zijn kinderen spiegels schonk, 176.

Kōjin. De God. Geest van, woont in den enoki-boom; de God, aan wien zeer oude poppen gewijd zijn, 162, 201.

Kokawa-Dera. Plaats in Kishū; één der drie en dertig plaatsen, aan Kwannon gewijd, 188.

Kom. Het Meisje met de kom op het Hoofd, 306311.

Komagawa Miyagi. Een onderhoorige van één der daimio’s; zijn liefde voor Miyuki, 232237.

Kompira. Oorspronkelijk een Indische God, vereenzelvigd met Susa-no-o; de tempel van, bezocht door Kiyo, 130.

Koning der Booze Geesten. Shutendoji, de; zijn woning op den Berg Oye, 2528.

Ko-no-Hana-Saku-ya-Hime, “De Prinses, die de Bloemen en boomen doet bloeien; dochter van Oho-yama, 14; trouwt met Ninigi, 14; moeder van Hoderi en Hoori, 15; zie Sengen, 114.

Korea. Legendarische verovering van, 271; Chosen, het Land der Ochtendkalmte, 317; legers van China en Japan tegen, 317; onder de betoovering der Chineesche beschaving, 318; wordt een Japansche Kolonie, 318; legende van den eersten overval van, door Japan, 319322; Koning van, geeft zich over aan Keizerin Jingo, 323.

Koreaansche Torens. Lampen in Japansche tuinen, nog wel bekend als, 141.

Korinji. De priesters van den tempel van, baden voor Kimi, 107.

Koriyama, De Edele. Idzumi, plaats waar hij leefde, 154; hij werd met vrouw en kind aangetast door een vreemde ziekte, 154; genezen door het planten van lotusbloemen voor het kasteel, 155.

Kōshin, De God der Wegen, 161.

Koso, Keizer van China; trouwt met Kohaku Jo, 69.

Koyuri. Zoon van Yurine, 351353.

Kostbare Zaken. Zie Hotei, 96.

Kristal, Het, van Buddha, 6773.

Kronieken van Japan (“Nihongi”), XIII.

Kumaso. Roover, door Yamato verslagen, 33.

Kumé, Eén der sennin, die uit zijn wolkenwagen valt, in de Japansche Kunst beschreven, 348.

Kuni-toko-tachi. Een Japansche God. Oorsprong van, 1.

Kunst. Japansche. Een uitvloeisel van het Buddhisme, 95; Chineesche invloed, 95; buitengewone schoonheid en leelijkheid in, 96; het schip met wonderschatten, 97; het wonderdadige in, 97; geesten en spoken in, 99; sennin in, 348.

Kuramochi. Prins. Eén van de vijf vrijers van Kaguya, 4660.

Kurando, Sakata. Een officier van de lijfwacht des Keizers, 358; wordt verliefd op Yaégiri, 358; zie Kintaro, 359.

Kurosuke. Hoe hij door Kimi vergeten werd, 166.

Kushi-nada-hime. (“Bewonderenswaardige-Inada-Prinses”); Dochter van Ashi-nadzuchi en Te-nadzuchi, 9; huwt met Susa-na-o, 10.

Kwanjin. Chineesche naam voor Kwannon, 185.

Kwannon. De Godin der Barmhartigheid; twee der metgezellen van Raiko bezoeken den tempel van, 26; de oud-keizer Toba wenscht een tempel te bouwen voor, 164; gelijkt op Jizō, 184; somtijds beschreven als Senjiu-Kwannon of Kwannon-met-de-Duizend-Handen, 184; beschrijving van Jiu-ichi-men-Kwannon (de Kwannon-met-de-Elf-Gezichten), 184; de tiara van, dikwijls Batō-Kwannon (Kwannon-met-den-Paardekop), 184; Bato-Kwannon, de Godin, die stomme dieren beschermt, 185; Hito-Koto-Kwannon, de Kwannon, die slechts één gebed wil beantwoorden, 185; de Goden der Liefde en der Wijsheid worden dikwijls voorgesteld in verbinding met, 185; zeer eigenaardig de Japansche Madonna genoemd, 185; in de Chineesche mythen als Kwanjin bekend, 185; is in China de geestelijke zoon van Amitâbha, 185; Chūjō Hime, een Buddhistische non, een incarnatie van Buddha, 186; de Goddelijke Moeder, 186; drie en dertig tempels aan Kwannon gewijd, 186189; Onze vrouw van Barmhartigheid, 187; Godin der Barmhartigheid, 188; koperen beeld van, in den tempel van Ni-gwarsu-dō, 189; offer van, in den vorm van een hert, ten behoeve van Saion Zenji, 190, 191; Prinses Sanjo bezoekt den tempel van, 356.

Kwannonji. Plaats in Omi; één van de drie en dertig plaatsen, aan Kwannon gewijd, 189.

Kyōto. Verhalen verspreid in, betrekking hebbende op den Boozen Geest van Oyeyama, 25; Matsumura reist naar, 177; drie en dertig tempels aan Kwannon gewijd, 186.

Kyu-Kukedo-San. Een oud hol in Japan, in verband met Jizō, 90.

Kyuzaemon, de Sneeuwvrouw, 136.