L.
Lachen, God van het. Zie Hotei, 196, 198.
Ladder des Hemels. Ama-terasu, de Zonnegodin, klimt langs de, 3; Tsuki-yumi, de Maangod, klimt ook langs de, 3.
Land van den Eindeloozen Overvloed. Shikaiya Wasōbiōye bezoekt de, 367.
“Land, Het Eeuwige Groene.” Komt voor in de Japansche ballade “De Visschersknaap Urashima” als het Drakenpaleis, 313.
Land van de Ochtendkalmte. Chosen, de oude naam voor Korea, 367.
Land van de Paradoxen. Shikaiya Wasōbiōye bezoekt het, 367.
Land van de Reuzen. Shikaiya Wasōbiōye bezoekt het, 367.
Land van de Volgelingen van het Oude. Shikaiya Wasōbiōye bezoekt het, 367.
Land van Bedrog. Shikaiya Wasōbiōye, bezoekt het, 367.
Land van het Volmaakte Geluk. De jeugdige Keizer, Antoku Tenno, gebracht naar, 289.
Lang-als-de-Rotsen, Prinses. Andere naam voor Iha Naga, 14.
Legenden. Vlinder, 201–204; uit Het Dagboek van een Winde, 231–237; Donder, 238–242; over Tooverdieren, 243–264; de Kojiki (“De Witte Haas van Inaba”), 245–248; de drie geheimzinnige Apen in, 261; vogels in, 265–270; over waterjuffers, 271; over glimwormen, 274–278; over de theeplant, 287, 288; over het afschuwelijke, 289–294; over de zee, 312–331; over Urushima,312; Japansch bijgeloof, de bron van, 332; over het zeemonster Shōjō, 350–353; gemengde, 361–370.
Levenselixir. Door het Maanvolk aan de Edele Kaguya gebracht, 59; Rosei drinkt van, 102; de Fuji, de plaats van het, 115.
Lichten. Wonderbaarlijke. Verschillende, in Japan, 348.
Liefde. Meisje legt een proef op van, als lijkeneter, 300, 301; de Godin van de, 192.
Lijkeneter. Zie Musō Kokushi, 295–297; meisje, dat de liefde harer vrijers op de proef stelde als, 300, 301.
Liu-Kiu-eilanden. Chineesche naam voor den Japanschen naam Luchi-eilanden, 313.
Longford, Joseph H. In verband met De Geschiedenis van Korea door, 317.
Lotus, De Gouden. Legende van den, 61–63; de heilige bloem van het Buddhisme, 153.
“Lotus der Wet”. Yōshō studeert, 348.
Luchu-eilanden. De Japansche uitspraak voor de, 313; Chineesche naam, Liu-kiu, 313.
Luwuh. De eerste Chineesche theemeester, 281; zijn Chaking (“De Heilige Schrift der Thee”), 281; door Keizer Taisung gezocht, 282.
M.
Maan. Geloof der Japansche boeren aan den Haas in de, 146.
Maangod. Tsuki-yumi, de zoon van Izanagi en Izanami, 3.
Maanland. De hoofdstad van, de geboorteplaats van Kaguya, 56; Kaguya vertrekt naar, 60.
Maanmeisje. De visscher vindt het kleed van vederen van het, 110, 111.
Maan, Paleis van de. De dans, die veroorzaakt, dat het ronddraait, 110.
Maanvolk. De Edele Kaguya en het, 56–60.
Madonna, De Japansche. De Godin der Barmhartigheid zeer eigenaardig genoemd, 185.
Maki. Moeras, waar Tokutari uitgedaagd werd, heen te gaan, 80.
Maki Hiogo. Beproeft den Geest der Pioenroos te grijpen, 157.
Maleische elementen. Hun invloed op Japansche karakteristieke eigenschappen, XI.
Mamikiko. Buurman van Yurine, zijn onvriendelijkheid tegen Koyuri, 351–353.
Mason, W.B. In verband met den tempel te Kawasaki, gewijd aan Kōbō Daishi, in Murray’s Handboek voor Japan, door, 227.
Matakichi. Zoon van Kansuke, 329, 330.
Matsu. Kamenier van Shingé, 152.
Matsue. I. Dochter van een visscher te Takasago, 173; bevrijdt Teoyo, hun liefde, 174; II. Brug. Offers in verband met, 333, 334; Horiō Yoshiharu en, 333. III. Het Bronzen Hert van, 264.
Matsumura. Een Shintō priester, belast met het toezicht op den tempel van Ogawachi-Myōjin, 176; het vreemde verschijnsel, dat hij het gelaat van een schoone vrouw in een put zag, 177; de Vergif-Draak en, 178; de Ziel van den Spiegel en, 176–179.
Matsunoo-Dera. Plaats in Wakasa, één van de drie en dertig plaatsen aan Kwannon gewijd, 189.
Matsuyama. De Spiegels van, 181–183.
Meisje. “Graf van het”, Begraafplaats van het Meisje van Unai, 304, 305.
Meisje van Katsushika, Het. Het verhaal van, vertaald door Prof. B.H. Chamberlain, 305.
Meisje van Unai, Het. En haar minnaars, 302, 303; het graf van, 304, 305.
Meisje met de Houten Kom. Het vreemde verhaal van, 306–311.
Miidera. I. De Klok van, 124. II. Plaats bij Oshu, in Omi, één van de drie en dertig plaatsen, aan Kwannon gewijd, 189.
Midzunoe. Dorp in de provincie Tango, waar Urashima woonde, 313.
Mimuroto-Dera. Plaats te Uji, in Yamashiro; één van de drie en dertig plaatsen, aan Kwannon gewijd, 189.
Minamoto Stam. Groot zeegevecht tusschen den Taira Stam en den, 290.
Miné. Vrouw van Tomozō, 219.
Minokichi. Bemind door de Sneeuwbruid, 133–135.
Mio. Strand van, waarop het Kleed van Vederen van het Maanmeisje door Hairukoo werd gevonden, 110.
Mionoseki. De God van, is de God der Zeelieden, 265; heeft een afschuw van hanen en hennen, 265.
Mitford, A.B. (Lord Redesdale). In betrekking tot zijn oude sprookjes van Oud Japan, 145.
Miushi. De Sadaijin Dainagon Abe no, één van de vijf vrijers van Kaguya, 46–52.
Miwa Daimjojin. Japansche God, in verband met wien het Lachfeest werd ingesteld, 211.
Miyadzu, Prinses. Prins Yamato ontmoet en huwt, 36.
Miyuki. De Chiunagon Otomo no, één der vijf vrijers van Kaguya, 46–54.
Mizaru. De drie mystieke apen in de Japansche legenden zijn Kikazaru, Iwazaru en, 261.
Mochida-no-ura. Boer van een dorp, die zijn kinderen in een rivier wierp, 300.
Modder, Zee van. Door Shikaiya Wasōbiōye bezocht, 366.
Moeder, De Spook. 297.
Momotaro (“zoon van een Perzik”). Zijn romantische ontdekking, 39; zijn avonturen in de Noord-Oostelijke Zee, 39–42.
Momoye, Kino. Het werk van Kōbō Daishi belachelijk gemaakt door, 224.
Mongolen. Hun invloed op Japansche karaktertrekken, XI; legende in verband met hun inval in Japan, 238.
Monju Bosatsu. De God der Wijsheid; Kōbō Daishi en, 224.
Morokoshi, Het Land van. Miushi krijgt het bevel, te gaan naar, 48.
Morotada. De Heer van Iso; één van de vijf vrijers van Kaguya, 46—52.
Morris, William. Verhaal van “het Kleed van Vederen”. Gelijkt op een Noorsche legende. Zie Het Land ten Oosten van de Zon en ten Westen van de Maan, 109.
Mosaku. Zijn dood door de Sneeuwvrouw, 135.
Mubara. Eén der minnaars van het Meisje van Unai, 302–304.
Mugenyama. De priesters van, verlangen een klok, 180; één spiegel, die gebruikt wordt voor de vervaardiging van de klok, kan niet smelten, 180.
Murakumo-no-Tsurugi. Een heilig zwaard, ontdekt door Susa-no-o, en door hem aan de Goden van den Hemel gegeven, 10; zwaard van, aan Yamato gegeven, 35.
Mushimaro. Een dichter, die schreef over de minnaars van het Meisje van Unai, 302.
Musō Kokushi. Een priester; zijn ijzige ervaring met den lijkeneter, 295–297.
Myokei. Een beroemd schilder, onder wien Sawara studeerde, 104.
Mythologie. De Draak, nauw verbonden met Japansche, 353; de Draak in de Chineesche en Japansche mythologie, 354.
N.
Naizen-no-jo, Vorst. De vader van Prinses Aya, 155.
Nakayma-Dera. Plaats bij Kōbe in Settsu; één van de drie en dertig plaatsen, aan Kwannon gewijd, 189.
“Namudaishi.” Een Japansch gedicht, waarin het leven van den beroemden heilige Kōbō Daishi wordt beschreven, 221.
Nanao. Visschersdorp, door een aardbeving verwoest, 329; wat Kansuke en zijn zoon Matakichi bij het visschen in de nabijheid van, overkwam, 330.
Nan-endō. Plaats te Nara in Yamato, één van de drie en dertig plaatsen, aan Kwannon gewijd, 189.
Nap. De bedelnap van Buddha. Zie Buddha, 48, 49.
Nareai-ji. Plaats in Tango; één van de drie en dertig plaatsen, aan Kwannon gewijd, 189.
Nariai, Berh. Saion Zenji en Kwannon op, 190, 191.
Naruse Tsushimanokami. Een beambte, die het zwaard, door Sankichi medegebracht, als een heiligen schat beschouwde, 326.
Nasu. Genno komt bij het moeras van, 76.
Nasu no Yoichi. Een waaier, in den vorm van een boog, 230.
Natuur. Liefde der Japanners voor, 145.
Nichiren. De stichter der Buddhistische secte van dien naam, 227; naam van, beteekent Zonnelotus, 227; zijn pogingen om het Buddhisme in zijn oude zuiverheid te herstellen, 228; gedurende dertig jaar naar Ito verbannen door Hojō Tokiyori, 228; zijn ontsnapping aan den dood, 228; weer verbannen, en houdt verblijf op den berg Minobu, 229; tracht de gewone mantra te vervangen, 228; schrijft “Boek om het Land tot Rust te brengen”, 228.
Nieuwjaar. Pijnboom en het Nieuwjaarsfeest, 161; Daikoku en oorsprong van het toovermiddel, verbonden aan, 197; vreemde gebruiken op, 205, 206.
Ni-gwarsu-do (“Zaal van de Tweede Maan”). De Buddhistische tempel van, 189; klein koperen beeld van Kwannon in den tempel van, 189.
“Nihongi” (“Kronieken van Japan”). Geschreven in het Chineesch en voltooid in 720 n.C.; het behandelt de mythen, legenden enz., van de oudste tijden tot 697 n.C; mannelijke en vrouwelijke beginsels, besproken in, 1.
Niidono. Neemt den jeugdigen Keizer, Antoku Tenno, mede naar het Reine Land van Volkomen Geluk, 289.
Nikko. Eerste Buddhistische tempel te, gesticht door Shōdō Shonin, 229; mededeeling aan Tengu en andere geesten, vóór het bezoek van den Yedo Shogun naar, 346.
Nikōbō. Een priester, beroemd om zijn macht kwade geesten uit te bannen, 349.
Ninigi. Kleinzoon van Taka-mi-musubi; gezonden om het Middenland van Riet-Vlakten te bestudeeren, 10; begiftigd met geschenken door Ama-terasu, 13; geeft Uzume tot vrouw aan den God der Veldwegen, 14; ontmoet en huwt Ko-no-Hana, 14; Hoderi (“Schijnend-Vuur”) en Hoori (“Uitdoovend-Vuur”), zonen van, 15.
Nippon. Kamakura, eertijds de hoofdstad van, 63; de schilderkunst geschonken aan, door het Buddhisme, 95; de No of het lyrische drama van, 101; klokkenmaker, bekwaamheid van, 123; waaier van, 230; theedrinken in, in verband met het Buddhisme, 282.
Nipponsche. Vrouwen; gekleurde prenten, die haar afbeelden, doen weinig gemoedsbeweging zien, 94; spiegels, beteekenis van, 175.
Nirwana. Genno bidt, dat het Juweeltje Nirwana moge bereiken, 78; het verlangen naar niet-bestaan, ten slotte bereikt in, 90; beteekenis tegenover Karma, 127.
“No”. Het lyrische drama van Nippon, 101; de Takasago, één der schoonste onder de, 172.
Noguchi, Yone. Zie Yone Noguchi.
Noodlot. Jizō aan de voeten van het, 90.
Noto. Yōshō, geboren te, 347.
O.
O-ana-mochi. Een godheid van den Fuji, 114.
Oba Kage-chika. Yoritomo bevrijd van de macht van, door twee duiven, 266.
O Cho San. Woont op het eiland Hatsushima, 327; Gisuke, de broeder van, 327; Shinsaku, de begunstigde vrijer van, 328; dood van, 328; tempel, opgericht voor, 328.
Ochtendkalmte. Het Land der. Ook wel Chosen, de oude naam voor Korea, 317.
Offer. Menschen. Zie Bijgeloof.
Ogawachi-Myōjin. Tempel van, 176; Matsumura de Shintō-priester, belast met het toezicht op den tempel, 176.
O-Hina-San. Kleine pop, genaamd, 200.
Oho-Kuninushi. De Godheid van Kitzuki; het Bronzen Paard en, 263.
Oho-yama. Ook wel Bezitter van den Grooten Berg en Geest van de Bergen; vader van Ko-no-Hane en Iha-Naga, 14; biedt zijn dochter aan Ninigi aan, 14.
Ojin. Zoon van Keizerin Jingo, 322; De Drakenkoning biedt de Getijde-juweelen aan Ojin aan, 322.
Oka-dera. Plaats in Yamato; één van de drie en dertig plaatsen aan Kwannon gewijd, 189.
Okakura Kakuzo. Het Boek over Thee, 279.
Oki-Eilanden. Oribe Shima verbannen naar Kamishima, één der, 323.
Oki-yama. Sonobé, gezonden naar den grooten cryptomeriaboom op den, 167.
Omi. Provincie. Yamato Take doodt een slang, 37.
Onderwereld. Kwanjin gezonden naar en uit de, 185, 186; Vreemde gebeurtenissen in de, 188.
“Onna Daigaku”, (“Grootere kennis voor vrouwen”). Een verhandeling van Kaibara, 94.
Onomo Toku. Het werk van Kōbō Daishu belachelijk gemaakt door, 224.
Ono-no-Kimi, Verschijnt voor den Rechterstoel van Emma-Ō, den Rechter over de Zielen, 123.
Onstuimige Jongeling. Zie Susa-no-o, 3.
Onuitputtelijke Beurs. Gedeelte der lading van het schip met Wonderschatten, 97.
Oribe Shima. Beleedigt Hojo Takotoki en wordt verbannen naar Kamishima, 323, 324; zijn smart, toen hij zijn dochter, Tokoyo verliet, 323; door Tokoyo opgezocht, 324, 325; door Hojo Takatoki vrijgelaten, 325.
Otohime, Prinses. De dochter van den Drakenkoning der Zee, 314; wordt de bruid van Urashima, 314; schenkt de “Doos der Juweelen Hand” (Tamate Bako) aan Urashime, 316.
O-Toku-San. Meisjespop, levensgroot, 200.
Ototachibana, Prinses. Vrouw van Prinses Yamato, 31; verdronk, toen zij de zee-engte van Kadzusa overstak, 37.
O Toyo. Gunstelinge van Prins Hizen, 253; een kat in den vorm van een vrouw doet Prins Hizen ernstig kwaad, 255–257.
Oud Japan. Poppen van het ééne geslacht op het andere, 200.
Owari, Provincie. Yamato Take trekt door, 37.
Oyama, Generaal. Een Japansch held, X.
Oyasu. Aangenomen naam van de Sneeuwvrouw, waaronder zij zich aan Kyuzaemon bekend maakt, 137.
Oyeyama. De Booze Geest van, 25–28.
Ozaki, Madame. Verhaal van, over Koso en Kohaku, Jo, 69, 70.
P.
Paard. De Godheid van Kitzuki (Oho-Kuninushi) en het Bronzen, 263.
Paleis, Draken. “Eeuwig groen Land”, zooals dit in de ballade “De Visschersknaap Urashima” voorkomt, 314.
Paradijs, Het Buddhistische. Borduursel, vervaardigd door Kwannon, dat het Buddhistische Paradijs beschrijft, 136.
Pierre Loti. In verband met zijn Madame Chrysanthème, IX.
Piggott, Sir F.T. De Tuin van Japan in verband met Kersen- en Pruimenbloesems, 159.
Polynesische Mythologie. Rangi (Hemel) en Papa (Aarde) komen overeen met de Japansche In en Yo, 1.
Pootoo. Kwanjin overgebracht naar het eiland, 186.
“Priester, Eén-duims”. Ook wel Issunboshi, en eveneens Klein-Duimpje of Graankorrel, 355.
Purperen Zaal van de Noordster. De Keizer ziek in de, 18.
R.
Raiden. De Dondergod, 238; dikwijls in gezelschap van Fugin of Raitaro, 238; zijn goede gezindheid jegens Japan, 238.
Raijū. Het Donderdier, 239.
Raiko. I. Een onverschrokken Ridder, die den Boozen Geest op den berg Oye uitdaagt en doodt, 25–28; hem wordt een kruik met tooversaké aangeboden (Shimben-Kidoku-Shu), 26; geeft saké aan den Boozen Geest, 26; doodt den Boozen Geest, 28; keert naar Kyōto terug, 28; zijn ziekte, 28; herstelt, nadat de Tooverspin gedood was, 29; een andere lezing, 30–32. II. Een rijk, maar gierig man, die door Inari van zijn gierigheid wordt genezen, 83, 84.
Raitaro. Raiden, de Dondergod, wordt dikwijls gevonden in gezelschap van, 238; Bimbo en, 240, 241.
Rat. Het uur van de, 57. De Rat van Daikoku, 197.
“Ratana Sutra”, De. In verband met het Karma, 128.
Redesdale, Lord. Zie Milford, 145.
Rein. Meening van, over Japanners en Mongolen, XI.
Rendai, Vlakte van, 30.
Rijst, God van de. Zie Inari.
Rijzende, Zon. Geest van den Steen des Doods, in de gedaante van den Juweel aan het Hof der, 79.
Rikiu. De grootste onder de theemeesters, 285; de vriend van Taiko-Hideyoshi, 285.
Rin-Jin, Koning der Zee. Yamato wekt den toorn op van, 36; toorn van, gestild door Prinses Ototachibana, 37; huwt een Drakenprinses, 260; de Zeekwal, de aap en, 261–263.
Rip van Winkle. Visu, de, van het Oude Japan, 118.
Rivier, Kind der. Zie Kappa, 341.
Rokkaku-dō. Plaats te Kyōto; één van de drie en dertig plaatsen, aan Kwannon gewijd, 189.
Roko. Als een vliegende schildpad afgebeeld als één der sennin in de Japansche kunst, 348.
Rokuhara-dera. Plaats te Kyōto, één van de drie en dertig plaatsen, aan Kwannon gewijd, 189.
Rōsan. Chineesch geleerde, onthaald op spookachtige verhalen over vlinders, 201.
Rosei. Zijn Tooverkussen der Droomen, 101–103.
Rotseiland. Kansuke en Matakichi zien den Geest van den Grooten Awabi op, 330
Ruiten. Een priester, die bidt voor Prins Hizen, 253.
Rusland. Een militaire voorpost, te Wiju gevestigd, is de oorzaak van den oorlog met Japan, 318.
Ryōseki. Hoogeprisster van Shin-Banzui-In; Shinzaburō door Yusai gezonden naar, 217.