[64] Langs de oostkust van Nippon hebben wij op de lengtebepalingen van Vries niet gelet, omdat in het Journaal gedurende dezen togt de afstand van de Japansche kust telkens naauwkeurig opgegeven is. Wij hebben echter opgemerkt dat de in het Journaal opgegevene gegiste lengte van het eiland Fatsisjo met ongeveer +2° moest verbeterd worden. Die van den hoek Bosho levert reeds een verschil van +2° 22′ O. en die van Kaap Misaki en Kaap Taneitsi ruim +3° O. op. Volgens deze verbetering zoude zich Vries op den middag van den 7 Junij op 143° 39′ 36″ O.L. v. Greenw. bevonden hebben, en den „S.O.hoeck van Eso” Kaap Jerimo, 9 à 10 mijlen uit het N. peilende, op 41° 24′ N.Br. Beide waarnemingen zijn, voor zoo verre wij tot heden de aardrijkskundige ligging van den Z.O.hoek van Jezo kennen, zeer goed; de lengte verschilt bijna niets met die van de kaart van den Hof-sterrekundige en de breedte +9′ met die op Broughton’s originele kaart.
[65] Von Siebold, Atlas von Land- und Seekarten, no. 11. E.
[66] Rerum a Societate Jesu in Oriente gestarum Volumen. Coloniae. 1574. in 8o. pag. 426. Nicolaes Witsen, Noord-Oost Tartarye, Deel II, pag 57. „Bericht wegens het rijk Jesso, volgens zekeren brief van den vader Hieronymus de Angelis, geschreven in ’t jare 1622.”
[67] Beschrijvinge van het Eylandt Eso soo alst eerst in ’t selvige jaer door het Schip Castricum bezeylt is. Tot Amsterdam. 1646. Vergelijk daarmede ook N. Witsen, Deel II, pag. 50.
[68] Noord- en Oost-Tartarye, Deel I. AA. pag. 66.
[69] von Krusenstern, Reise um die Welt, Atlas n. 104.
[70] von Siebold, Atlas von Land- und Seekarten, n. 2. Die Insel Jezo und die Japanischen Kurilen nach einer Originalkarte von J. Sakusajemon, Bai von Atkesi nach M. Toknai.
[71] De schrijver dezes heeft daarom reeds in 1852, toen hij een ontwerp van een gezantschap naar Japan en van een tractaat met dat rijk te sluiten, aan Z. E. den toenmaligen Minister van Koloniën aanbood, in § 4 gezegd: „worden twee stations voor stoomscheepvaart, een in het Noorden van het rijk, de Baai van de Goede Hoop op Jezo enz. aangewezen.” Vergelijk hiermede het Rapport aan Z. M. den Koning over de Japansche aangelegenheden, uitgebragt door Z. E. den Minister van Koloniën, onder dagteekening van 12 Febr. 1855. Art. 4. l.
[72] „Hier in de bocht ende ree van Ackys maeckt een O.N.O. ende W.S.W. maen hoochwater.”
[73] Voor scheepsbouw zijn bijzonder geschikt de Pinus jezoensis (in de Aino-taal Fuppo genoemd), P. densiflora (Kui), Abies bifida (Sunk), Q. dentata (Gomuni) en eene andere eiksoort, Beroni. Ook leveren berken (Tatsbi), linden (Kobergen) en ahorn (Fusini en Tobeni) goed timmerhout.
[74] Rubus palmatus (Imare fureppi).
[75] Het zijn de vruchten van Rosa rugosa en Kamtschatica (Mau), die van de Aino’s en Kamtschadalen algemeen gegeten worden.
[76] Nicolaes Witsen, Deel II. A. pag. 65.
[77] Von Siebold’s Atlas von Land- und Seekarten. No. 2. A.
[78] Catalogus librorum ac manuscriptorum Japonicorum a Ph. Fr. de Siebold collectorum Lugduni-Batavorum 1845. No. 177. Jezono dsu, Mogami Toknai geographi Jap. illustrissimi mappae geographicae quinque.
[79] Catalogus librorum et manuscriptorum Japonicorum, No. 178. „Matsumaë Jezono dzu est viro tabula geogr. exhibens insulam Jezo cuius caput est Matsumaë.”
[80] N. Witsen, Deel II. pag. 65. A.
[81] Nouvelle Carte des découvertes faites par de vaisseaux Russiens etc. in Muller’s Découvertes etc.
[82] Ik had het genoegen den grooten zeevaarder, bij mijn verblijf te St. Petersburg in 1834, van dezen misslag te mogen overtuigen.
[83] N. Witsen, Deel II. pag. 65. E.
[84] Volgens Sakusajemon’s kaart noemen deze eilandjes en rotsen naar hare N.O. strekking: Sîsjo, Utsuki, Akiroro, Juru, Harukaru, Sibots, Imukusibe, Taraku, Itasibets en Kabiof.
[85] Volgens Toknai’s kaart zijn de eilandjes naar hare grootte: Sîsjô, Sibjuts, Taraku, Juru, Akiroro, Harukaru, Onekinasi, Tomari, Moimosiri, Utsuki, Masirika, Honkinasi tomari en Monrika genoemd. De rotsen en klippen willen wij overslaan en nog bemerken, dat onsiri in de Aino-taal eiland en tomari verblijf of dorp beteekent, en dat bij al deze namen mosiri (muschir, Russische uitspraak) gevoegd is. Op de oude kaart van Jezo van den bovengenoemden geneesheer Kensok zijn ook reeds negen eilandjes met namen opgegeven, en noemen naar hare grootte: Sîsjo, Sirots, Kinasitoma, Juru, Harukaru, Akiroro, Monrika, Uritsi en Mojomosiri.
[86] von Siebold, Atlas von Land- und Seekarten, n. 2 en n. 2 A.
[87] Singelgrond is langs de Oostkust van Japan en het land van Jezo een kenmerk, dat men niet ver van den mond eener rivier is.
[88] Voyages et découvertes faites par les Russes, T. I. pag. 218.
[89] Von Krusenstern, Reise um die Welt, Atlas, No. 1. Deszelfs Erläuterungen zu einer Charte des ganzen Erdkreises, etc. 1 Band. 4o. Leipzig, 1819. pag. 88.
[90] Записки Василія Михайловича Головнина, въ плѣну у японцевъ въ 1811, 1812 и 1813 годахъ. САНКТПЕТЕРБУРГЪ. 1851. Daar is de breedte op 43° 44′ 35″ N. en de lengte op 145° 9′ 46″ O. aangegeven.
[91] „Quaemen ten ancker, als synde 2⁄3 myl van lant op 20 vadem santgront; synde onder het N.O. eynt van Eso 2 mylen bewesten het Canael Antony.”
[92] Het schijnt toch, dat de top of krater van dien vuurberg in 1796 eene andere gedaante aangenomen had. „In the bearing of the peaked hill the coast formed a bay, with a fine sandy beach; and the mountain, which in this point of view formed a saddle hill, presented a very magnificent appearance from its great height and extensive base.” Broughton, Voyage of discovery, pag. 116.
[93] N. Witsen. pag. 65 N.
[94] De roode vos, door de Aino’s Furetsup genaamd, is de vuurvos der Kamtchadalen en de algemeen in deze gewesten verspreide verscheidenheid.
[95] Vries, „Gedaene coursen” in von Siebold, Atlas No. 11. E. Veronderstellende namelijk de Commandeur, dat de Santberch bij het vaste Lant van Eso behoorde en zoo mede de baai ook voor O. en N.O. winden beschut was.
[96] L’isle de Rounaski ne se trouve pas dans la dernière édition (de 1820) des Cartes de l’Océan Pacifique, par Arrowsmith. v. Krusenstern, Recueil de mémoires hydrographiques. p. 200.
[97] Helaas! heeft de oude Vereenigde Nederlandsche Oost-Indische Compagnie, die den edelen Commandeur uitgezonden heeft, om de Gout- ende Silverrycke Eylanden te ontdekken, de belangrijke uitkomsten van zijne ontdekking van het land van Eso en het Staten- en Compagnys lant—een eerst Californië—omdat het goud en zilver niet aan den dag lag, nimmer begrepen en gewaardeerd en helaas! heeft ook ons Bestuur van Koloniën, sedert de omwenteling en de teruggave van onze Overzeesche Bezittingen nooit verder dan tot op het eilandje Dezima zijne blikken gevestigd. Toen in het jaar 1778 de Japansche aardrijkskundige Fajasi Sivei het opperhoofd Arend Willem Feith omtrent de door Quast en Tasman ontdekte Bonin eilanden ondervraagde, antwoordde die „Dat de Compagnie daarvan maar zeer weinig voordeel zou kunnen trekken, omdat zij te ver afgelegen en te klein waren” (Vergelijk: San kok tsou ran to sets. par Fr. J. Klaproth. pag. 261).
Even weinig werdt daarna geluisterd, als toen de Schrijver dezes, van 1825 af, over de in regtmatig eigendom aan Nederland toebehoorende Staten- en Compagnie-eilanden sprak en op Witsen’s vertooning van het Compagnie-eyland heenwees, waar het wapen van Amsterdam opgerigt te zien is; ook heeft men, uit bezorgdheid van den Japanschen handel te benadeelen, gedurende twee volle eeuwen nimmer den steven naar het Noorden van Japan gewend, om het spoor van onze stoute voorvaderen op te zoeken. „Had men (zoo schreef de Schrijver dezes in zijn Verslag nopens zijn wetenschappelijk onderzoek op Japan aan het Nederl.-Ind. Gouvernement, in dato 30 November 1825) voor 50 jaren, waar de Japanners met de strekking van hun land en de ligging der eilanden in het Noorden reeds zeer goed bekend geweest zijn, pogingen gedaan deze landen nader te onderzoeken, zoo zoude men van Dezima uit eene straat van Tsugar en van Lapérouse hebben kunnen opspeuren en de eere van deze ontdekking was aan de Hollanders behouden geworden.”
[98] Op de kaart van Jansson en die van Vries „gedaene Coursen” draagt de N.O. hoek er niet, zoo als Lapérouse en volgens hem von Krusenstern en Golownin aangenomen hebben, de N.W. hoek den naam van Vries.
[99] „We were abreast of a hill which rose from the sea shore, with a steep ascent to a considerable elevation of a conical shape and evidently volcanic: we passed within two miles of it, and plainly perceived it covered with stones and cinders down to its base, as an eruption had lately happened. Round the Crater it presented ragged and misshapen points; and some small shrubs were growing on the S.W. side very low down. This abrupt hill was connected with the islands by a low isthmus, which receded from it on each side, so as to form circular bays; and the land continued low to some distance.” Broughton, Voyage, pag. 117.
[100] „Le cap Trou est placé par 45° 35′ (moet zijn 39′) sur la carte de Lapérouse et par 45° 10′ (moet zijn 7′) sur cette de Broughton, la première latitude est certainement trop boréale.” Recueil de mémoires hydrographiques, pag. 198.
[101] Noboru is een oud Japansch woord en beteekent opklimmen en nobori eene hoogte, een top. De Japanners gebruiken het niet voor vulkaan, waarvoor zij het woord Take hebben; bij de Aino’s wordt het volgens Dawidow en Toknai uitsluitend voor vulkanische gebergten gebezigd b. v. Iuwau nobori, zwavelberg.
[102] Vergelijk de inleiding, waar de woorden van Lapérouse tot motto aangehaald zijn: „La navigation du Capitaine Uries (Vries) est la plus exacte qui ait pu être faite, dans un temps, où les methodes d’observation étaient très grossières.”
[103] Daaronder ook „suering, gelyck in ’t patria wast.” „Alhier op de wal wassen op de grond blaeden met dicke holle steelen, dewelke in ’t geheel 9 vadem lanck syn, do. bladeren vint men aen troppen veel in see dryven, synde door malcanderen gevlochten, onder dit lanck geblaed croos onthouden haer bij duizende see-honden, ook lammeties ende duyckers.” Over 50 voet lange bladen te spreken, schijnt overdreven en ongelooflijk te zijn; en toch is het waar. Dit croos kan niet anders als de Fucus esculentus Lin. zijn, die ook aan het strand van Jezo gevonden en ruim 50 voet lang en een voet breed worden. Dezelve groeit dikwijls digt bij het strand en wordt overal in het meer van Ockots als drijf-zeegras aangespoeld, ontmoet. Men heeft daarvan ook eene verscheidenheid met holle steelen opgemerkt, die door Agardh (Species Algarum, I. p. 143) als Alaria fistulosa beschreven en onlangs door Dr. E. J. Ruprecht als eene soort van zijn Phasgonum herkend is. Deze kruidkundige heeft dan ook den Fucus esculentus zeer omstandelijk als Phasg. alatum beschreven (v. Middendorff’s Siberische Reise, Band. I, Th. 2, pag. 353 ff.) Erman heeft aan het strand bij Ockots afgescheurde stukken van dit zeegras gevonden, die meer dan 50 voet lang waren; het dient tot voedsel van de Phoca nautica en wordt in tijd van nood van de Zee-Tungusen gegeten (Deszelfs Reise, III, pag. 48.) De Fucus esculentus, Kombu genoemd, wordt op Japan algemeen gegeten en heeft een zeer aangenamen smaak, en wordt als zeer gezond en voedzaam geroemd. De 72jarige grijsaard Toknai verzekerde aan den schrijver dezes, door het genot van dat zeegras gedurende zijn veeljarig verblijf op Jezo en Krafto zijne gezondheid te hebben behouden. Mogt deze opmerking tot onderrigting van zeevaarders dienen. Ook de Chinezen weten deze Fucus-soort op waarde te stellen. De jaarlijksche uitvoer daarvan van Nagasaki naar Shanghai gedraagt 51,000 Pikol, van den inkoopsprijs van 170,000 Tail of ongeveer 340,000 Guldens (Nippon VI, Vom Japanischen Handel, p. 52). Er bestaan op Jezo en de Kurilen zeegras-visscherijen, die door de regering aangemoedigd en beschermd worden.
[104] Zoo als bekend is, was men nog in het begin van de 17de eeuw van meening, dat Amerika slechts door eene zee-engte, den Fretum Anian, van het rijk van Mongol, het noordoostelijke uiteinde van de oude wereld, was afgescheiden. Op Jansson’s kaart en op die van de van „Gedaene coursen” (Atlas No. 11 E) wordt het Compagnyslant als een groot land zonder einde vertoond. Op de kaart echter van de „Gedaene ontdeckinghe onder den Commandeur M. G. Vries” is het Companyslant als een eiland uitgeteekend en door eene straat van een uitgebreide landstreek, op welke de woorden „Americae Pars” staan, gescheiden, en in deze straat is geschreven „Hier is ’t Jacht Breskens geweest.” Men heeft dus de herkenning van het Compagnyslant als een eiland aan dat schip te danken. In het jaar 1739 werd dit eiland door den meergenoemden Russischen zee-officier Spangberg omzeild. De smalle landtong naar het W. uitstekende op het vermeende gedeelte van Amerika is hoogst waarschijnlijk Simushir, het XVIe van de Russische Kurilen. Op de kaart van Japan, behoorende tot de Verhandeling over de Nederlandsche ontdekkingen van Bennet en van Wijk, vindt men in het Z.W. van dat eiland twee eilandjes Rond eiland en Heuvel eiland, die waarschijnlijk ook door het schip Breskens ontdekt en zoo genoemd zijn. Thans noemen zij deze eilandjes Broughton’s Island en Tsirpoi.
[105] De inbezitneming van Urup is eene te belangrijke daadzaak, om die niet hier woordelijk uit het Journael van Coen over te nemen: „Ick heb van de bevinding aen den Commandeur van alles rapport gedaen, seyn doen beneffens hem naer een steyle vlacke berch gegaen ende syn daer opgeclommen, daarop synde heeft de Commandeur een houten cruys op een verheven berchie laeten oprechten, waarop dit volgende opgehouden stont: anno 1643. Heeft alsoo possessie van wegen onze E. Heeren Meesters van dit land genomen, ende het selfde den naem gegeven van het Companyslant, ende deze hoeck genaempt de Cruyshoek. Hebben op het Companyslant gegeten ende gedroncken, ende toen ter eere van onse E. Heeren Meesters 3 salvo’s met musquets gedaen.”
[106] Van Enydris marina, door de Aino’s en de Japanners Rakko en door de Kamtschadalen Rakku genoemd.
[107] Op de kaart van Japan, behoorende tot de bovengenoemde verhandeling van Bennet en van Wijk, is de naam van Blydeberg aan den Pic de Langle toegepast. Op alle originele kaarten van Vries zeetogt ligt de Blydeberg ten minste 50′ noordelijker als het eilandje Risiri, waarop zich deze piek bevindt. Ook laten zich de voormelde peilingen hoegenaamd niet daarmede overeenbrengen.
[108] Von Krusenstern, Reise um die Welt, Atlas, no. LXXI en LXXII.
[109] Atlas de l’Océan Pacifique, par de Krusenstern, no. 25.
[110] Von Siebold, Atlas von Land- und Seekarten l. c. no. 3. Ik wil hier opmerken, dat het eenige, in Japan bestaande Exempl. van Toknai’s „Originele M. S. Kaarten van Jezo, de Kurilen, Krafto en den Amur,” aan mij op den 16 April 1826 te Jedo door dezen reiziger is afgestaan geworden, onder de voorwaarde, dezelve niet vroeger dan na verloop van 25 jaren bekend te maken. De 72jarige grijsaard was toenmaals, ondanks zijne groote verdiensten voor de kennis van de aan Japan onderhoorige noordelijke landen, in ongenade gevallen, en in nood en ellende gedompeld, omdat hij van zijne ontdekkingen geen geheim maakte, te vrijborstig en oud was; en toch niet gebukt wilde gaan. Zoo kwamen zijne onschatbare kaarten in mijn bezit en werden eerst in 1852 in het licht gegeven.
[111] „Art. 2. De grenzen tusschen Rusland en Japan zijn voortaan tusschen Iturup en Urup. Het geheele eiland Iturup (Staatenland) behoort aan Japan, het eiland Urup (Compagnieland) met de noordelijke Kurilen, tot de Russische bezittingen, terwijl het eiland Krafto (Saghalien) tusschen de beide rijken neutraal blijft.” Journal de St. Petersbourg, 28 Avril 1857.
[112] Von Krusenstern, Reise um die Welt, Th. II, pag. 68.
[113] Voyage de Lapérouse l. c. Tom. III, pag. 93.
[114] San-kok-tsu-ran-dsu-ki en Klaproths vertaling, pag. 187.
[115] Hinter dieser Spitze erhob sich ein abgerundeter Berg, an welchen nach Norden zu sich wieder hohe mit Schnee bedeckte Berge anreihten. Von Krusenstern, Reise um die Welt, Th. II. p. 87.
[116] „Das ganze Land gewährte uns einen viel angenehmern Anblick als jene südlicheren Länder die uns seit unsern Absegelen von Japan zu Gesicht gekommen waren, die weissen, schroffen Ufern mit ihren Einschnitten, Berge hinter ihnen von mässiger Höhe in verschiedenen Gestalten und mit dem schönsten Grün bedeckt, welche mit holzreichen Thälern abwechselten, gewannen uns ein sehr gunstiges Vorurtheil für diesen Theil von Sachalin ab. Auch hat er unstreitig unendliche Vorzüge von dem, von uns später untersuchten, mittlern und nördlichen Sachalin.” Von Krusenstern, Reise um die Welt, Th. II, pag. 92.
[117] Het gebergte van Urunsiri, waarvan op Jansson’s kaart gezegd is: „Gebergte op vijftien graden gesien,” en op de kaart van „Gedaene Coursen” te lezen staat: „alhier lach ’t sneeuw in de maend Augustus nog op de bergen tot op strand toe.” Ook von Krusenstern zag hier „tief im Lande hohe Schneeberge.”
[118] Von Krusenstern, Reise um die Welt, Th. II, pag. 95. Hoogst merkwaardig is het dat deze rivier, eene halve eeuw later, het eerst en door eenen Russischen reiziger Dr. L. Schrenk, in het binnenland van Krafto is gevonden en beschreven geworden. Nadat Dr. Schrenk den 30 Januarij 1856 het vaste land (het Amurland) verlaten had, kwam hij langs de westkust van Krafto tot aan de baai de la Jonquière, Lapérouse (op 50° 54′ N.Br. en 142° 16′ O.L.), waar ten Z. van kaap Dui (Itoi, Toknai) de Giljaksche bevolking woont en de noordelijke grens der Aino’s is. Op den 8 Febr. bij het dorp Arkei (Ar’koi, Toknai) begaf hij zich in eene schuinsche rigting over het eiland naar deszelfs oostkust, die van den Grooten Oceaan bespoeld wordt. Naar het zeggen der inboorlingen moest hij drie berghoogtens overtrekken totdat hij aan het gebied van de rivier Pym kwam. Deze rivier is de Boronai, aan welke von Krusenstern den naam van Newa gegeven heeft. De Pym-rivier, die van zijne bron tot de monding in zee (in het W. der Bogt Patientie) talrijke dorpen der Giljaken besproeit, noemt Schrenk de levensader van het eiland. Deze rivier heeft een snellen stroom, zoodat zij wel op een bergstroom gelijkt, het bovenste gedeelte bevriest nooit, ondanks de hevige koude, waardoor de temperatuur somtijds tot onder het vriespunt van het kwik daalt; het water is uiterst vischrijk en somtijds in den herfst aan zalm, waaronder de Salmo lagocephalus, even als in de Amur, op verre na de voornaamste is. De groote vangst der Giljaken verzekert hun een onbezorgd leven voor zich zelven en hunne honden in den langen winter, daarenboven komen daardoor vele naburige stammen telken winter naar het Pym-dal, als: Aino’s van de Golf Patientie, met Japansche waren; Oroken (Orotsko, Toknai), met pelterijen, de opbrengst van hunne jagt; de Giljaken van beide kusten, met zeehondenvleesch en vellen, benevens eenige stammen van het vasteland, zoo als Mangoenen van den Amur (Manko, Rinso), met Mandsourische en Russissche produkten, die tot de Pymi-Giljaken komen, om zich bij hen deels van visch en jukkola (vischkuit), deels ook van de toestroomende vreemde goederen te voorzien.
Toen men de rivier volgde om naar de oostkust (Bogt Patientie) te komen, daalde de temperatuur op den 18 Februarij ten 7 ure des morgens tot -42° R., en op den volgenden morgen tot -31° R. „Zulke gestrenge koude,” zegt Dr. Schrenk, „doet onderstellen, dat het binnenste van het eiland een klimaat heeft, dat meer met het vasteland overeenkomt, dan men van een eiland kan verwachten.” Dit bewees ook de plantengroei. In het bovendeel van het Pym-dal ziet men overal de denneboom (Abies jezoënsis?) terwijl de lork (Larix leptostachys) naar den zeekant alle andere boomen verdringt. Men vindt hier noch herten, noch elanden, wel het muskusdier (Likonkamui, Aino) en het rendier. Ook bestaat nog op Krafto een stam Tungoesische rendiernomaden, terwijl de Tungoesen, aan de Amur, reeds lang de rendierteelt hebben opgegeven. Op den 20 Februarij bereikte Schrenk de oostkust van het eiland en nam den terugtogt langs dezen zelfden weg aan.
(Bulletin de la Classe Physico-mathématique de l’Académie Impériale des Sciences de St. Petersbourg. Tome XIV. 1856.)
[119] Von Krusenstern, Reise um die Welt, Th. II, pag. 98, 99.
DE STAM DER AINO’S.
Aino beteekent man, mensch en is de naam, die deze volkstam zichzelven geeft en onder welke dezelve bekend is. De Aino’s, die in de Geschiedenis van Japan Asuma Jebisu, dat is: Oostwilden, genoemd worden, bewoonden in den oudsten geschiedkundigen tijd (660 voor Christus) het noordelijkste gedeelte van het eiland Nippon, te weten de tegenwoordige landschappen Mutsu, Dewa en het noorden van Jetsigo, welke toenmaals Jebisu no Kuni, het Land der Wilden heetten. Nog in de 7de eeuw waren de Jebisu in Mutsu en Dewa tot op 38° N.Br. verspreid en bestendig met de Japanners in oorlog. In het begin van de 9de eeuw was het eiland Nippon reeds geheel onder de heerschappij van de Mikado’s, de Erfkeizers van Japan, gekomen; desniettegenstaande vocht bij voortduring de beschaafde, uit het zuiden van Japan naar het noorden voortrukkende bevolking met dat ruwe noordelijke volk, totdat dit eindelijk ten onder gebragt werd en met de overwinnaars tot éen volk versmolt, of deels vernietigd, deels verdreven werd. Velen, die niet wilden bukken, hadden zich allengs naar Jezo over de Straat van Tsugar, die Nippon van dat eiland afscheidt, begeven en zich daar met hunne oude landgenooten vereenigd. Doch in de 14de eeuw werden ook de Aino’s in het zuiden van dat eiland door de Japanners ten onder gebragt. Thans bewonen de Aino’s het eiland Jezo en de Kurilen, en het zuidelijke gedeelte van Krafto, waar zij zich langs de Westkust tot op 48° N.Br. en op de Oostkust tot naar de Bogt van Patientie uitbreiden.
Voor de ontdekking van het land van Jezo, door Maerten Gerritz. Vries, beperkte zich de kennis van dat land en deszelfs inwoners tot de mededeelingen van de Patres Aloisius Froes en Hieronymus de Angelis en van Joan Saris en Françoys Caron. In zijnen brief van den 11 Maart 1565, dus 22 jaren na de ontdekking van Japan, uit Mijako, de hoofdstad van dat rijk, geschreven, beschrijft Froes dat volk alzoo: »In het noorden van het land van Japan, drie honderd Leucas[120], ligt een ver uitgebreid gewest door wilde menschen bewoond[121]. Deze zijn bekleed met beestenvellen, ruig over het geheele ligchaam, hebben een verschrikkelijk grooten baard en zeer grote knevels, welke zij, wanneer zij drinken willen, met een stokje opligten. Zij lusten gaarne drank, zijn stout in den oorlog en door de Japanners zeer gevreesd. In den strijd gekwetst zijnde, wasschen zij de wonden met zoutwater; dit is hun eenig geneesmiddel. Men zegt dat ze op de borst eenen spiegel dragen; zij binden de zwaarden om het hoofd in dier voege vast, dat het gevest op de schouders nederhangt. Zij hebben geene godsdienst, het schijnt dat zij den hemel plegen aan te bidden enz.”[122]. Meer breedvoerig is het berigt van het land van Jezo en deszelfs inwoners, dat door Hieronymus de Angelis in zijnen brief, uit Japan in 1622, een jaar voordat hij te Jedo verbrand werd, geschreven, medegedeeld en door Nicolaes Witsen in zijne »Noord-Oost Tartarye”[123] overgenomen is. Deze schets van de Aino’s, van hunne zeden en gebruiken is te belangrijk om ze niet letterlijk uit dat zeldzame boek over te nemen, ten einde te kunnen dienen tot vergelijking met de berigten van onze Nederlandsche zeevaarders.
»Wat belangt den aert der inboorlingen, die zijn grof, en grooter van lichaem, als de menschen in ’t gemeen zijn; meer hellende na de blanke als bruine verwe. Zij dragen lange baerden zomtijts tot aen den middel toe. Hun hoofthair scheeren zij, van vooren, half af, zoodat zij aen de slaep van ’t hooft gantsch geen hair hebben: maar wel van achteren, daer zommige van hen het zoo lang dragen, als de Japanders. Zij hebben in ’t gemeen de ooren doorboort, en, in plaets van pendanten, dragen daer zilvere ringen in: maar die geen zilver hebben, dragen daer een vlok zijde deur, die lang afhangt. En dit doen zoowel de vrouwen als de mannen. De kleederen, zoo wel van mannen als vrouwen, zijn lang, met zijde doorwroght, beleit met cieraet van kruissen of rozen van de zelve stof, zoo klein als groot. Hunne stoffen zijn van zijde, katoen, of linnen. Tot wapenen gebruiken zij pijlen, boogh, lancen en zwaerden, die niet grooter zijn, als een gemeene Japansche pook. In plaets van harnassen, gebruiken zij rokken, als gemaliede wambassen van kleine plankjens bij een gezet, ’t geene belacchelijk is in ’t aenschouwen. Zij hebben vergiftige pijlen, waer van iemant gewont zijnde, noit genezen kan worden. Zij zijn zeer twistgierig, echter dooden elkanderen zelden. Tot Matsumay wert veel gedrooghde visch, ook haring, zwanen en kranen, zoo levendigh, als doot, en ook gedroogt, als mede valken, en ander gevogelte, te koop gebraght. Walvisschen worden daer mede gevangen en de Todonoeno (Robben), waer van het vel ruighairigh, niet ongelijk dat van een verken, en vier voet lang is. Deze visch is aldaer voor een zeer geringe prijs veil. Zij handelen met geen goude of zilvere munte; maer verwisselen hunne waren tegen rijs, katoen, gaern, linnen en stoffen, of ook wel tegen gemaekte kleederen. De heer van Matsumay verzekerde mij, dat de inwoonders van Jesso visch-vellen, die zij Raccon (Rakko, Enydrys marina) noemden, aen drie eilanden, niet verre van hun lant afgelegen, quamen koopen: waer van d’inwoonders geen baert, en een zeer verschillende tale met die van Jesso hadden, doch hij wist niet of die eilanden bezuiden of benoorden Jesso lagen. Wat de kennis aengaet, die zij van d’andere werelt, en het toekomende leven hebben, dezelve is zeer klein of niet. Zij eeren eenighsins de Zon en Maen, als de twee voordeelighste lichten; behalven noch eenige bergh- en zee-duivels: want alsoo zij zich meest in ’t geberghte, op de jacht, en met houthakken, en ter zee, met de visscherije erneren, zoo hopen zij daer door veel vangst te krijgen, en noit gebrek van hout, om te branden of te bouwen, te zullen hebben. Zij hebben noch Bonsen, of offerpapen, noch tempels, of eenig plaets, daer zij bij een kommen, om van hunne zaligheit te handelen.
Niemant onder hen kan ook lezen of schrijven.
Elk onder hen heeft zijn eige en wettige vrouw, doch, zo zommige meinen, wel twee; hoewel er noch veele gevonden worden, die, op de Sineesche wijze, bijzitten houden. Als de man gestorven is, begeeft zich de vrouw veeltijts ten huize van den schoonvader, of bij iemant van ’s mans vrienden, onder beding, dat zij ’er noit uit zal gaen, of hertrouwen.
Een vrouw, die in overspel bevonden is, wert het hoofthair afgeschooren, op dat zij daer over bekent zoude zijn; en den overspeelder, of den gene, waer mede zij de vuiligheit bedreven heeft, van zijn degen berooft, en al zijn lijfcieraet, door den beledigden man of door zijn vrienden, zo dikwils als zij hem ontmoeten, afgenomen.”
Joan Saris heeft als gezant van de Engelsche Maatschappij aan het Hof te Jedo in 1613 door een Japanner, die twee maal op Jedzo (Jezo) geweest is, berigten van daar verkregen, waardoor het woeste voorkomen van dat volk bevestigd en ook over den handel met hetzelve eenig licht verspreid wordt. »De menschen syn ’er wit of blank, en wel gemaekt, maar heel ruw en haijrig het geheele Lijf over, gelijk als de meirkatten en aapen. Hun geweer bestaat uijt boogen en vergiftige pijlen. Die aan de zuijdelijkste kant woonen, verstaan haar op gewigt en maat, maar dertig dagen landwaards in weet men daar niet van. Sij hebben veel silver en sand-goud, dar sij de Japanners mede betalen voor rijs en andere waren. Rijs en Japansche cottoenen worden hier wel gesogt. Yser en Loot krijgen sij uijt Japan. Alle eetwaren, en ’t geene daar men sig mede kleeden kan, wil hier best aan de man. De rijs van Japan na Yedzo gebragt, leverd vier voor een tot winst uijt.
De Stad daar de Japanneesen alhier hun meeste verblijf hebben en markt houden, word Matchma (Matsmaë) genaamd. In deselve sijn 500 Japansche huijsgesinnen, die hier ook een Fort hebben en die daar in commandeerd, Matchmadonna (Matsmaë Dono) noemen. Deze Stad Matchma is de voorname handel-plaats van geheel Yedzo, werwaards meest alle ingeboorne gaan om te kopen en te verkopen, bijsonder in de maand van September, om haar winter-voorraad op te doen. In de maand van Maart brengen sij salm, en allerley soort van visch, neffens ander waren die de Japanners in ruijling aannemen, en liever hebben als hun silver. Verders hebben die van Japan, behalven Matchma, geen andere vaste woon- of handel-plaats. Die in het selve eijland verder na het Noorden woonen sijn seer kleijn, en gelijk als dwergen, maar de andere Yedsoers sijn van postuur en grootte, gelijk als die van Japan. Zij hebben geen kleeding, als die hen uyt Japan gebragt word.
Tusschen Yedzo en Japan gaat een seer sterke stroom, die van Corea komt, en Oost- Noord-oost aan loopt. De winden sijn daar gemeenlijk soo als in Japan; te weten, de Noordelijke winden beginnen in September, en duuren tot de maent Maart, en dan begind de Zuidelyke wind te waaijen.”[124]
Françoys Caron, in de jaren 1639 en 1640 Opperhoofd van den Nederlandschen Handel in Japan, deelt eenige minder belangrijke op Japan vernomen tijdingen van Jezo en de Aino’s mede, die wij echter wegens de volledigheid van de toenmalige wetenschap van dat merkwaardig land en volk tevens willen aanhalen.
»Men reyst noch 27 dagen Noordtoost, wel so Oostlijke aen, eer men komt bij de uijterste hoeck van ’t lant T’sungaar (Tsugar) genaemt, aen de zee gheleghen; van daer vaert men over een water, onghevaerlijke elf mijlen wijt, ende men komt in ’t landt Jeso ofte Sesso, daer kostelijcke bonten, ende peltwerk valt, welk lant vrij woest, berchachtigh, ende weijnigh bewoont is; dit lant Sesso is seer groot, door den Jappanderen dickweijls doorsocht, diep, ende verre doorreijst, doch noyt tot den eijnde, noch seeckerheijt des selfs gekomen, so dat het haer ghemeenelijke aen victualie ontbroken heft, ende gedwongen waren, t’elcken reijse wederom te keeren; de rapporten der visitateurs zijn ook sodanigh geweest, dat sijn Majest. curieusheijt, om verder ondersoeck te doen, wederhouden is, want het lant (als geseijt) is woest, ende werdt in sommige plaetsen bewoont van een volck die ruijgh over ’t lichaem zijn, dragen lanck Haer, ende baert, als den Chinesen brutael, beter den wilden, dan de andere menschen gelijck.”[125]
Hoe vervelend dan ook deze berigten voor den lezer zijn mogen, zoo hebben wij het toch voor doelmatig gehouden, dezelve zoo veel mogelijk volgens den oorspronkelijken tekst uit boeken getrokken, die allengs zeldzamer worden, hier te zamen te stellen, om hem een duidelijk denkbeeld te verschaffen van den toenmaligen staat van de kennis van het land van Jezo en deszelfs inwoners, de Aino’s, voor dat wij de volkenkundige waarnemingen op den denkwaardigen Zeetogt van Vries gedaan, aan een nader onderzoek onderwerpen.
Kort na de ontdekking van het Land van Jezo door Vries en van den ongelukkigen zeetogt van ’t Jacht Breskens, zijn in ’t vaderland onderscheiden berigten omtrent Jezo en de bewoners van dat land ontvangen en van lieverlede door den druk bekend gemaakt. Het eerst berigt is reeds in 1646 te Amsterdam uitgegeven onder den reeds meermalen aangehaalden titel: Korte Beschryvinghe van het Eylandt Eso enz. Dit stuk is later (1692) ook door Witsen overgenomen en toegelicht geworden[126]. Insgelijks deelde deze geleerde aardrijkskundige eenen brief mede »die nopende de ontdekking van het lantschap Eso of Jesso en Tartarye uit Batavia in den jare 1644 herwaarts is geschreven geworden.” De inhoud daarvan beperkt zich echter tot eenige aardrijkskundige berigten omtrent Vries’ ontdekkingen en over de goud- en zilvernasporingen, die de hoofdbeweegreden der uitzending van Quast en Tasman, en van Vries en Schaep naar het noorden van Japan geweest zijn. Ook vermeldde Nicolaes Witsen een berigt van Philips Jacobsz. de Bakker, onderstuurman aan boord van ’t Castricum[127]. Van de door Jansonius uitgegeven kaart, als ook van andere onuitgegevene kaarten van den meergemelden zeetogt en van de »Opdoeningen en lant-verkentenissen van de zeekusten des lants van Jesso, en van het Compagnies lant” door Witsen bewaard, hebben wij reeds breedvoerig gewaagd. De meest belangrijke waarnemingen en berigten, bijzonder met betrekking tot den stam der Aino’s, hunne zeden en gebruiken, die wij aan zeevaarders van den lateren tijd, en aan de Japanners, die het Land van Jezo bezocht en beschreven hebben, te danken hebben, zijn door den Schrijver dezes onlangs tot een geheel gebragt en in zijne »Beschrijving van Japan” geboekt geworden[128]. De herhaling daarvan is hier overtollig, zoo dienstig ook de verhandeling op zich zelve zal zijn, om de mededeelingen van onze Oude Nederlandsche zeevaarders te bevestigen, toe te lichten en te verrijken.
Wij zullen ons dus ten doel stellen om den merkwaardigen stam der Aino’s te beschrijven volgens de berigten die in ’t teruggevonden Journael aangeteekend zijn, en volgens al de oorkonden, die ons de Nederlandsche pers van Vries’ zeetogt bewaard heeft. Daarbij willen wij ons, zoo veel mogelijk, aan de letterlijke bewoordingen houden, waarin de onderscheiden waarnemingen opgeschreven zijn, om de reeds aan onze stoute zeevaarders voor hunne verdiensten voor de aardrijkskunde opgerigte gedenkzuil ook met zoo belangrijke bijdragen voor de volkenkunde te versieren[129].
Gedaante, Gelaatstrekken der Aino’s. »De Inwoonderen van dese Eijlanden Eso, zijn alle den anderen seer gelijck, kort ende dick gedrongen van stature, hebben langh ruijgh haïr ende baerden, soo dat het aenghesicht daer bijkans mede bedeckt is, doch het hooft is vooren geschooren, zijn wel besnede van tronien, swart van oogen, kort, tamelijck dick, ende niet plat van neusen, laegh van voorhooft, geel van vel, over het lijf seer ruijgh. De vrouwen zijn so bruijn niet als de mans, laten eenighen het hair in ’t ronde scheeren, so dat het haer aengesicht niet en belet, anderen laten het langh wassen, ende stricken ’t op als de Javaensche vrouwen, haer wijnbraeuwen ende lippen swart ende blaeuw geverft, hebben soo wel mans, vrouwen als kinderen gaten in haer ooren, daer sij silvere ringen in dragen, oock schortjens van Armosijde, met loode ende koopere ringen.” (K. B.)[130].
Op Krafto zijn de vrouwen blanker als op Jezo: »zaegen (in den Golf van Aniwa) ook eene vrouw in eene prauw sitten, blank synde met swart lanch hangent haer op het hooft, hadde in elcke oor een groote blauwe gecraelde ketting, waeronder eenige andere craelen geregen waren[131]. (J.)
»Vonden daer (in de bogt Patientie) eene blancke vrouw, fraey van trony, hebbende lanck swart haer met een stroock bont om haer hooft van een bever (Zeeotter), gecleet heel in ’t bont, by haer hebbende een cleyn meysie, hebbende een bonte rock aen, met een stroock bont van een saebel, dat seer schoon was om haer hooft ende had een jongen by haer staen gecleet mee met een bonte rock.” (J.) Ook is in ’t Journael van eenen blanken man gewaagd: mogelijk dat die een door schipbreuk daarheen gekomen Japanner was; doch door de gebreken van den ouderdom minder aan de open lucht blootgesteld, kunnen, zoo als de vrouwen van de betere klasse in dit land, ook oude lieden verkleuren en witter van gelaat worden.
»Wat van de prauw af sat een oudt blanck man, met een lange grijse baert, op een matien (matje), op de Japansche wijse, aenhebbende een gebloemde catoene rock, sijnde op sijn Japansch gemaeckt. Mijn leijtsman wees ick sou bij die oude man gaen.” (J.)
Regeering, Aino-hoofden, Geregtszaken, Straffen. Ten tijde van Vries’ bezoek op Jezo stonden reeds lang de Aino’s van het zuidelijke gedeelte van dat eiland onder een’ Japanschen Vorst, die zijnen zetel had in de stad Matsmaë. »Den Matsmay Simadonne (Matsmaë Sima dono), Gouverneur ofte Overste van ’t voorsz. Eylant, gaet jaerlycx de Keyserlycke Majesteyt van Japan tot Jedo begroeten, tot geschenken mede nemende veel silvers, vogelsveederen (om aen Pylen te ghebruycken) ende fyne bonte vellen, hem met een berck van Eso ladende oversetten tot aen de Japansche Cust Nabo[132], van waer hy dan voorts te lande naar Jedo reyst.” (K. B.)
»Onder haer is geen wettelijcke regieringhe ofte politie, geschrift ofte boecken, konnen lesen noch schrijven.” (K. B.) Zij hebben echter hoofden, die hun gezag over een min of meer uitgebreid gebied uitoefenen, en onder hen in aanzien staan en geëerbiedigd worden.
»Quamen de habytanten met twee prouwen ons te gemoet, waarvan drie persoonen over in onze prouw quaemen, ende syn doen saemen naer haer dorp gevaeren, hetwelk sy Ackys (Atkesi op Jezo) noemden, syn met de meeste gesach hebbende in syn huys gegaen, wiens naem was Noiasack.” (J.) Het zijn meestal oude mannen die zich door ervarenheid en burgerlijke deugden kenmerken: »Ten anker leggende, quam ’er een hoop volks aen boort dat een blinden man by zich had, en dien zeer eerde en ontsagh. Dese oude blinde man, eer hij weer naer lant voer, hief zijn handen op, en deed over ’t scheepsvolk een lange rede, die d’onzen niet verstonden.” (S. B.)
»Heeft de Commandeur aen den outste een cleyn Prince vlaggetie vereert, waermede hy bly scheen te wesen, sette het op syn huys ende liet het waeijen.” (J.)
De ontmoeting van Aino-hoofden in de Bogt van Patientie zal hier eene geschikte plaats vinden, ten einde zich een denkbeeld van zulke krijgshaftige mannen te vormen.
»Saegen twee treftige (deftige) persoonen op een grooten boom, die van de see op het strant geworpen lach, sitten, sijnde cloeck van leden, den eene met een ruijgen baert, hebbende pijl ende booch in de handen, met een pijlkoocker vol pijlen aen sijn hooft hangen, met een houwer op sijn sij, den ander wat jonger, met een groot gramschap geschooten, hebbende twee groote knevels, had oock pijl ende booch in sijn hand ende voorts gewaepent met een houwer ende pijlkoocker vol pijlen; after haer stonden twee sterke mannen, geweert (gewapend) als de twee voorige, gecleet met rocken van vellen.
Den outste sette sijn booch in ’t sant met een pijl daerbij, ende nam een lange pieck van 18 voet in sijn hant, ende sij bleven alle beij sitten, ende de andere twee staen. Wat dicht hij haer comende seij Tacoij jankarate ende vreef mijn handen, gelijck gesien hadde aen Tamarij, waerop de outste sprack Tacoij; sijn doen toegetreden, ende naem sijn hant ende wesen dat wij vrienden waren, in mijn beijde handen sijn rechterhant nemende, ende soo saemen gedruckt; naem doen de pieck, ende smeet hem neer, waerop ons volck is comen aentreden, dien sij doen met haar tween te gemoet gingen ende welcom heeten, seggende Tacoij, ende douden met haer beijde handen ons volcx rechterhant, gelijck ick haer gedaen had, maer de twee andere pasten op haer geweer. Dese twee persoonen waeren gecleet met sijde gebloemde Japansche rocken, gevoert met Sineese cangangs, waertusschen sijde watten waeren; soodat ick vertrou de twee andere lijfschutten ofte haer dienaers waeren. Dese twee treftige persoonen was haer hooft voor geschooren tot halfwegen het hooft ende voorts hadden lang hangent haer tot heel aan haer midden, de plaeten van haer houwers waeren oock met silver beslagen ende doorluchtich.” (J.)[133].
Deze hoofden doen onderzoek hij overtreding van de wetten, vonnissen en straffen. »Hij (het Aino-hoofd) zittende met een houte knuppel in sijn hant, alwaer sij recht mee doen, saegen het meysie met het aengesicht op de aerde liggen.” (J.)[134].
»Als sij eenige straffe doen des doots schuldigh ofte eenige van haer vijanden gevangen crijgen, slaen die doot met een swaeren kneppel in de lenden.” (J).
Deze straf, zoo als ze aan gevangenen voltrokken wordt, is nader beschreven. »Eenighe van haere vijanden gevangen bekomende, die straffen ende dooden zij in dieser voegen; den gevangen wort recht over eijndt gestelt, het bovenlijf naeckt zijnde, de armen ofte handen worden hem in de zijde geset, alsoo staende wort van vier persoonen vastgehouden, twee aen de armen, ende twee aen den voeten; dan komt een vijfde persoon met een knodse, daer eenighe swaerte van ijser vooraen is, die ghepast hebbende hoe hij den patient treffen wil, treet 10. a 12. treden achterwaert, komt dan, de knodse om ’t hooft slingherende, al dansende aen, t’ elckens (met beijde de handen de knodse gevat hebbende) een slagh in kruijs van des patients rugge brengen, tot dat hij de geest geeft. In dier voegen straffen mede, die bevinden dat met haer wijven ofte dochter oncuijsheit bedrijven.”
Godsdienst, Begraafplaatsen. »So veel als konden vernemen ende bespeuren, soo hadden weynigh ofte geen religie ofte superstitie; doch wanneer sij ontrent het vijer sitten en drincken, soo sullen sij eerst op verscheijde plaetsen ter zeijden het vijer eenige droppelkens storten, ghelijck of sulcx offerden. Hebben eenige gesnede vuijre stocxkens, daer krulletjens ende spaendertjens bij hangen, die sij op veel plaetsen in de aerde stecken, ende in de huijsen aen de wanten hangen[135]. Wanneer ijemant onder haer sieck is, soo schaven sij met een mes van langhe vuijre stockjens, lange schaeffels, ofte krullen, winden die de siecken om het hooft ende de armen.” (K. B.)
»Als hij eeten zou, deed hij zijn gebed, gelijk de Kristenen, met gevouwen handen.” (S. B.)
»Haere graven (in den Golf van Aniwa) waeren boven de aerde gelijck een cap van een huys, een mans lengte lanck ende 3 voet hooch, wel besorcht ende dicht toe benaijt met groote basten van boomen.” (J.)
»Vonden (in de Bogt Patientie) 10 graeven, daerin sommige dooden noch in laegen. Deze graeven waren heel raer gemaeckt van vuereplancken, omtrent een voet verheven van de aerde, staende op stuties ende was onder een viercante kist, onder de boom (bodem) sijnde houte tralijs, doorluchtig, alwaer de doode op lach met een crans van spaenderties fijn gesneden sijnde om sijn hooft gevlochten; hadde een oude blauwe catoene rock aen gehadt, maer die was al vergaen, vonden bij hem in de kist schuetelties ende eetenbackies, ende eenige andere snuijstering met pijl ende booch, had eten oock in een doos gehadt, soo het scheen, lach oock een cleijn block om rijst te stampen, met een rijststamper daerbij in sijn kist. De kist was boven met een cap wel dichte toe, gelijk een cap van een huijs, daer boven op het scherp van de cap een fraeij gesneden houten cap lach. Langs de kist aan elcken endt fraeij met een leeuw ofte draecken cop uijt gesneeden, met houten ringen van het selfde hout in haer mont, (ende) liep soodanich gesneeden hout aen alle vier hoecken oock neerwaert aen, al uijtgesneden, als gesegt is. Dese graeven met verwondering aengesien hebbende, saegen daerbij veel stockies staan met fijne gesneden crulleties ende spaenderties daer aenhangen.” (J.)[136].
Bij Atkesi, op Jezo, heeft men opgemerkt dat de plaats: »Alwaer de dooden onder de aerden legghende, het graf met Oesters schelpen bedeckt wert. Op andere plaetsen staense in een Hutteken in de kisten boven de aerde, op vier staekjens, zijnde het huttecken met konstig lof-werk ghesneden, sonder dat men eenige andere Offerhande daer bij vint.” (J.)
De hut met een geraamte, op Urup gevonden, was zonder twijfel eene begraafplaats, de daarvoor opgehangen sabel bewijst dit. In het Jezoki staat[137]: »Wanneer de Aino’s iemand plegtig willen begraven, hangen zij over zijn graf, aan een 5 tot 6 voet hoogen paal, den sabel van den overledene op.”
»Rapporteerden in eenige huties geweest te hebben, alwaer een menschengeraemte ende een dootshooft in lach. Deze huties waren gemaekt van tacken van boomen ende met lanck gras gedeckt, vonden bij do. huties een paal in de gront geset, alwaer een houwer hangen.” (J.)
Ook getuigen de lidteekens, zoo algemeen aan de voorhoofden der inboorlingen waargenomen, het bestaan van den zoogenoemden doodenkamp, die daarin bestaat, dat zich de naaste bloedverwanten met een mes (makiri) sneden aan het voorhoofd geven en het bloed van de afgescheiden zielen offeren.[138] »Sijn meest op het hooft met verscheijde houwen ende kerven gequetst geweest, ghelijck sulcks de groote litteeckens getuigen.” (K. B.) Daarom werden de vreedzame Aino’s van de onze uitgemaakt voor: »Boschloopers ofte Banditen van eenighe plaetsen te wesen, een ijder even veel Meester zijnde.” (K. B.)
Zeden en Gebruiken, Levenswijze en Voedsel. »Schijnen door haere ruijhe baerden ende hair seer wreedt, maer weten haer tegens de vreemde Natien soo sinceer ende eenvoudigh te houden, dat men niet anders soude konne oordeelen, ofte het waren civilen ende gepoliceerden menschen. Waeneer sij bij vreemde Natien komen, soo vercieren haer met haer beste kleederen, ende weten haer seer modest te houden, toonen hare courtosien ende beleeftheijt met het hooft te buijghen, en gevouwen handen, de selvigen voorbeij den andern heen ende weder strijckende; singen met bevende stemmen, als de Japanders doen; doch waneer sij een weynigh commissie bekomen, soo sijn sij haest familiaer, dan met een vriendelijck ende vrolijck gelaet.” (K. B.)
»Ende greep mij voorts eens vriendelijck om mijn midden tot teijcken van vrientschap ende gingen soo hant aen hant naer zijn huijs toe.” (J.) Zijn ook gastvrij: »aen lant komende wierden van de inwoonders wel onthaelt.” (S. B.) »presenteerden mij souden in haer huties comen.” (J.)
»IJder man heeft twee vrouwen, die maken biese-matten, naijen haers mans rocken, ende koocken het eten; en waneer de mans het hout om te branden in ’t bosch vergaderen ofte kappen, soo draeght het de vrouwe in de prauw; ende moeten dan soowel roeijen als de mans.” (K. B.)
De vrouwen, vooral de oude, zijn niet onkundig en schijnen veel te zeggen te hebben, »waerop de outste vrouw mijn meening eerst verstaende etc.” (J.) »Een hutie alwaer een stockoude vrouw uijtquaem, leunende op een stockien, scheen veel hebben te zeggen.” (J.) »De mans zijn voor vreemdelingen op haer vrouwen ende dochters seer jalours, soodat niet mogen lijden dat men met haer stoeijt ofte speelt: wanneer bemerken dat ijemant haer tot hoerereije versoeckt, sullen hem dooden, soo in haer macht bekomen.” (K. B.)
»Waneer haer vrouwen baren, ende in kinder-bedt zijn, so houden sij hare residentie in een huijsjen apart, daer gedurende den tijdt van 2 a 3 weecken geen mans-persoonen bij haer komen; hare kinderen te werelt brengende zijn heel blanck; wanneer sij die de borst sullen geven, ende datter eenighe van onse Nederlanders ontrent waren, soo deden ’t gantsch bedecktelijck, haer borsten niet wijders ontblotende, als de kinderen de tepels even met de mont vatten konden. Ja selfs de meijsjens ende kleijne kinderen, daer veel tijdts met schoon weder naeckt loopende, en de Nederlanders siende, sullen met hooft, handen ende beenen in malkanderen krimpen, ende haer seer beschaemt toonen. De vrouwen dragen haere kleijnen kinderen in haer rocken, met een bant om ’t hooft[139], op haer ruggen, zijn op haer matjens daer sij de vloer mede bedecken, ende op haer spijs ende dranck veel reijndelijcker, als over haere lichamen en kleederen, die veel tijdts (soo wel van mans, vrouwen als kinderen) seer vuijl ende smeerigh daer uijt sien, ende weijnigh vernieut ofte gewassen worden. Haer spijs ende voetsel is visch, walvischspeck, traen, groente, knoppen van roode roosen, die in Acqueis in overvloet zijn; welke afgepluckt zijnde, de groote hebben van een mispel, ende worden teghens de winter gedrooght, ende zijn haer winterprovisie. Hebben verlackte kopjens, ende vierkante backjens daer sij haer eten in opschaffen, ijder een kopjen voor haer hebbende, etende met stockjens op de Japansche maniere, behalven op 48 graden 50 minuten (in de bogt van Patientie), die wel op de Japansche maniere geschooren, ook met sijde rocken bekleet zijn, en wat blancker, ende veranderlijck van spraecke zijn, maer nemen haer eten met de vinghers, sonder de voorsz. stockjens te gebruijcken.” (K.B.) »Sy hebben geen sout in gebruike” (J.) »De mans ende vrouwen zijn tot stercken drank seer ghenegen, en worden daer oock heel licht droncken van” (K. B.) »Droncken saemen in ’t ront eens om een arackie ende toebackie, waernaer sij allegaeder begeerich waeren”. (J.) »Als sy drincken lichten haer knevels op met een vinger” (J.) »Sitten op zyn Japansch op de matten” (J.)
Woning, huizen, hutten, voorraadschuren, forten enz. »Hare huijsjens, die meest voor aen strant in ’t hangen van ’t geberghte, ende eenige daer boven op staen, zijn van planken, gheschaeft ende het een in den andern gevoeght, met basten van boomen gedeckt; doch de meeste part met opgerechte stijlen, met breede basten van boomen, soo wel ter zijden, als boven bedeckt, met een veijnster boven versien om den roock van ’t vijer uijt te trecken, dat midden in ’t huijs gemaeckt word; zijnde van binnen een camer met afgeschutte deelen, die rontom curieus met enckelde biesematten langs de aerde bedeckt is, 10 a 12 treden langh, ende 6 breed zijnde, alles seer poliet ghemaeckt, eenigen met een stacketsel van sparren rontom beset. Hare huijsen zijn boven de twee mans langhte niet hoogh, even als de boeren-hutten in de Nederlanden, ende de deuren so laegh, dat men daer al bockende in gaen moeten; staen niet veel bij den anderen; ’t meeste ghetal, dat van de onsen bij den anderen ghesien wierdt, was 18 à 20, ordinaris 6, 7, 9, ende 12, dan meer als een half mijl van den anderen, oock de meesten part leedigh ende onbewoont. Hebben geen huijsraedt als enkele biesematten, hare Japansche rocken zijn benevens ’t silver-werk haer cieraet, hebbende weijnigh deekens om op te sitten ofte te slapen” (K. B.)
Daarmede stemmen ook de op verscheiden plaatsen in ’t Journaal te lezen beschrijvingen en de afteekeningen, die wij van Japanners verkregen hebben, overeen[140]. Daarin wordt ook van hutten, voorraadsschuren en van hokken voor beeren, voor arenden en andere vogels gewaagd. Eene in den golf van Aniwa aan het strand staande hut of tent wordt alzoo beschreven: »was maer van matten opgestelt met stocken in een driehoeck, waer in ’t midden vuur aenlach, daer een ysere ketel met salm ende groen cruyt over hinck ende coockte” (J.)[141].
»Cleyne packhuysen, omtrent een mans lengte boven de aerde, staende op 4 stutten ofte steylen, alwaar gedroochte visch in lach, de deuren daarvan waren van vurenhout ende maer toegebonden.”[142]
»Bij dit huys stont een groot gemaeckt hock alwaar eertijts scheen eenig gedierte in gezeten te hebben. Veel cleyne hoeckies daer noch eetens ende drinckens backies aen vast waren” (J.) »hier stont een groot vierkant hock, alwaer een groote swarte beer in sat[143], aen elke hoeck van ’t hock was een lange spar met een mey by opgericht, daeraen hangende veel spaenderties; ik vermoede, dat het tot triumf was over den gevangen beer ofte eenige afgodendienst.” (J.)[144].
Ten tijde dat het schip Castricum in de Baai de Goede Hoop zich ververschte, vernam men, dat de inwoners van Atkesi met hunne zuidelijke naburen in geen goede verstandhouding leefden, en stuurman Coen zag daar eenige bevestigde wooningen. »Dese forten waeren gemaeckt als volcht: op den berch, daer die op gestelt waren, was maer een smal opcomende wech, hetwelck steijl was om op te climmen, ende waeren pallisaeden in ’t viercant gestelt van de lengte ende de hoochte van 11⁄2 mans lengte, daer stonden 2 à 3 huijsen in; waren groote vueren deuren in de pallissaeden met groote clampen; als die toe waeren, werden dan met twee dicke houten geslooten, sijnde door de clampen heengestoocken. Op twee hoecken van dese viercante gestelde pallissaeden, is ’t met verheven stellagie gemaeckt van vueren plancken, om daerop uijt te kijcken, voorts sijn de pallissaeden wel met dwarshouten aen malcander geslooten.” (J.)
Kleeding en andere opschik. »Haere kleedinge is meest op de Japansche maniere, doch weynigh van sijde, meest van water-bloemen geschilderte blaeuwe cangans, met ofte sonder ghevoerde Japansche rocken; maeken eenige van kleetjens selfs haere rocken, de mouwen aen de handen niet soo wijdt, maer bijkans sluijtende; benaijen die met stroockjens ende lapjens van sijde kruijs-weeghs, met kirimirien, desgelijcks maecken oock rocken van beestevellen; de mans de rocken voor open, ende de vrouwen die als een hembt toe hebbende.” (K. B.)
Meer bijzonder zijn de kleederen en andere opschik in het Journaal beschreven; op de Oostkust van Jezo: »Sij hadden grove rocken van hennipe linnen aen[145], daerover rocken van vellen gemaeckt, sij hadden gaeties in haer ooren waer touties in hingen, den eene had een ring in sijn oor, het welck was van specij als coper ende half gout.” (J.)[146].
In den Golf van Aniwa. »De man had een rock aen van catoen, blau met witte oochies; zijn vrouwen waeren gecleet de een met een hennipe grove rock wat vernaeijt sijnde, de ander vrouw had een rock aen van robben vellen.” (J.)[147].
»Ende waeren op sommige plaetsen wat vernaeijt met root ende blauw catoene gaeren.” »Sommige hadden rocken van vellen aen.”
»Vonden daer op een verheven plaets waer matten op laegen (het Aino-hoofd) zitten, zijnde gecleet met een blauwe catoenen rock met witte bloemen, sijn vrouw aen sijn slincker sij, gecleet met een rock die met veel strickies ende cruijsies vernaijt was, met alderhande coleur van catoene gaeren; deze rocken waeren als de Japansche catabers (Kata hira, eene soort neteldoek).
»De stockoude man (een Aino-hoofd) had een blauw catoenen rock aen alwaer Japansche caracters met gout op gedruckt stonden in een groote vierkante perk; deze rok was met alderhande coleuren van catoene gaeren genaeijt ende versiert.” (J.)
»Hadden alte gaeder schrooties armosijn van alderhande coleuren in haer ooren.” (J.)
»Des huijsheers vrouw hadde een groot blau gecraelde ketting om haer hals, waer copere teijckens tusschen geregen waeren ende eenige andere coralen.” (J.)
»Sommige van haer hadden groote silvere ringen in haer ooren.” (J.)
»Waervan de eene vrouw een cleijn kintie op haer schoot had, soo schoon als ooijt gezien heb, ’t welk een meysie was, hebbende eene blauwe craelde kettingh om sijn hals, waer tusschen silvere teijckens geregen waeren; aen do. ketting hingen twee groote silvere ringen, sierlijck gemaect, wegende met haar tween wel 1⁄2 pond swaer.” (J.)[148].
Wapenen, vaartuigen, jagt- en vischvangst-gereedschappen. »Haere wapenen zijn pijlen en boogh, nevens een houwer, de Japansen seer gelijck, alle met een dun silver rantjen om de plaet beslagen; dragen de selvige met een draegh-bandt op sijn Persiaens, de pijl-koocker met een bandt om haer hooft, op de rechterzijde hangende; hare booghen zijn 4 à 5 voeten langh, van elsen ofte esschenhout, ende de pijlen een half ellen, seer subtijl gemaeckt, voor aen een harpoentje van riedt hebbende, dat met swart fenijn bestrijcken, soo dat wie daer mede ghequetst wordt, die moet terstont sterven”[149]. (K. B.)
Dit wordt bevestigd.
»Presen dat haer pijlen waeren seer suptyl gemaeckt, sommige met fenyn bestreecken” (J.).
»Den outste had een pylkooker met aen syn hooft hangen met een booch in syne hant ende een houwer op syn sy, saegen anders geen geweer”[150].
»De inwoonders (van den golf van Aniwa) hadden sommige houwers op haer sy, daar de plaeten rontom met silver waeren beslagen ende ook de scheen (scheden) aan de eynden seer sierlijk, haer heften van haer houwers ook sierlijk met silver in geleijt einde gewrocht.” (J.)
»Dese lieden zijn in de natuer luijaerts, niet vlijtigh om te arbeijden, zaeijen nochte maeijen niet, geneeren haer met een kleijn praucken, ’twelk uijt een dicke boom gehackt is, ende aen beijde zijden met vier plancken opgeboeijt, een voet hoogh[151], roeijen daer mede ghelijck de boeren met haer melck-schuijten, dan slaen de riemen niet gelijck in ’t water, gaen daer mede schieten ende visschen robben ende andere zeeghedierte; waer toe sij mede ghereetschap hebben, als harpoenen van been, de punct met een stuckjen ijser ofte kooper versien; hadden oock segens op de Hollandtsche maniere ghebraeijt, het gaaren van hennep gesponen, die daer in’t wildt wast, houdende het eene eijnde in de mondt, soo weten met de handen het gaeren soo ’t samen te draeijen, ende bequam te maecken.” (K. B.)