WeRead Powered by ReaderPub
Uren met Schopenhauer cover

Uren met Schopenhauer

Chapter 10: Metadata
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A curated selection of translated passages from Schopenhauer's writings, accompanied by an introduction and notes, presents his core doctrines: the primacy of an unconscious will over intellect, epistemology seeing the world as representation mediated by ideas, and a metaphysics where blind striving underlies natural processes. The volume contrasts his voluntarism with intellectualist systems, explores moral implications of desire and suffering, and examines aesthetics as temporary escape from will. Editorial commentary contextualizes arguments, highlights tensions with contemporaries, and guides readers through key aphorisms and examples, offering a concise orientation to his pessimistic ethics, theory of knowledge, and views on art and human temperament.

[Inhoud]

SLOTWOORD

Ziedaar, hoofdzakelijk in de eigen woorden van Schopenhauer, een niet al te onvolledig beeld van zijn leer. Uit de „Parerga und Paralipomena” behoefde ik niets mede te deelen, want zij zijn voortreffelijk in het Hollandsch vertaald door Dr. van den Bergh van Eysinga, predikant te Zutphen.

Het is niet te loochenen, dat wij talrijke woorden van wijsheid te hooren kregen. Toch waagde ik het hier en daar een aanmerking in te vlechten. Ik had er meer [240]kunnen maken. Over ons kenvermogen spreekt Schopenhauer zóó, alsof het ons een beletsel is om te kennen. Hij meent dat alle begrippen, causaliteit alleen uitgezonderd, in aanschouwing wortelen. Die meening schijnt mij onjuist. Voorts: gelijk het niet raadzaam is margarine onder den naam van boter op de markt toe te laten of bedeeling voor pensioen te doen doorgaan, zoo is het bedenkelijk aan het begrip „wil” een zoo kolossale uitbreiding te geven, dat het echt menschelijke willen erdoor in de schaduw komt te staan. Maar dat zijn kleinigheden, immers in hoofdzaak enkel theoretische bedenkingen. Wat weerzin inboezemt en een rilling over het lijf jaagt, is de verachting van dezen genialen en bewonderenswaardigen man voor de wereld en het leven, zijn onverholen atheïsme, zijn pessimisme; welnu, dat alles vloeit uit een en dezelfde bron.

Van „waarde” kan volgens Schopenhauer enkel sprake zijn als er handel gedreven wordt: zooveel gerst staat met zooveel tarwe gelijk. Volstrekte waarde is er niet. Schopenhauer heeft, van die onderstelling uitgaande, gelijk: als niets op zichzelf begeerlijk is, als geen einddoel ons wenkt, dan is het leven een kringloop over een gloeiende plaat, die slechts hier en daar wat koeler plekken oplevert, dan kan er van vooruitgang evenmin als van achteruitgang sprake zijn, dan is er enkel zinloos loopen, plaatsverwisseling. Schopenhauer heeft gelijk: als wij ook in de diepste diepten der ziel enkel [241]doeleinden aantreffen, die niet waard zijn gewild te worden, als het geheele leven, zelfs dat der besten, een akelige klucht is, als wij ons enkel met zeepbellen vermaken, dan is het willen-leven onzin, en het niet-willen-leven de hoogste wijsheid. Schopenhauer heeft gelijk: als er geen vast doel is, dan moet alle geschiedenis onbelangrijk heeten, dan weet wie Herodotus gelezen heeft genoeg van den zwaren en verwarden droom, die het menschelijk leven uitmaakt en behoeft men niet nieuwsgierig te zijn naar wat nog andere historici te vertellen hebben.

Maar, mag ik vragen, verraadt het niet eenig gebrek aan zelfbezinning, te loochenen dat het leven een doel zou hebben? Vanwaar ons besef van volstrekte waarde, zoo alles, op de keper beschouwd, nietig en onbeteekenend is? Vanwaar ons denkbeeld van het onverderfelijke, wanneer wij in en buiten ons enkel het vergankelijke aantreffen? Hier geldt misschien het oude woord: „wij zouden u niet zoeken, o God, zoo wij u niet reeds gevonden hadden”. Men meene niet, dat dit een vermomde wederinvoering is van het ontologisch bewijs, een verkeerde conclusie van begrip tot bestaan. Mijn bedoeling is deze: als de waarde van alle bestaan nul is, waar halen wij dan den maatstaf vandaan, die ons veroorlooft het vonnis van nietigheid te vellen? Schopenhauer was veel te verstandig om de balans te willen opmaken van lust en onlust in deze wereld. Aan [242]het platte optimisme antwoordt hij terecht: het groote schandaal is niet het overwicht, maar het bestaan van het kwaad. Laten er duizenden in weelde en voorspoed leven; dat vermindert in geenen deele de ellende van een enkel ongelukskind. Wat wij echter moeten opmerken is, dat er onstoffelijke goederen zijn van duurzame beteekenis, zooals zielenadel en karaktersterkte, wetenschap en kunst, gerechtigheid, nationale onafhankelijkheid, staatkundige, maatschappelijke, geestelijke vrijheid, welke verder reiken dan de belangen van den nietigen enkeling. De individu kan aan zulke zaken zijn hart verpanden; het bewijst dat het individueele bestaan geen zonde is, doet zelfs vermoeden, dat de mensch meer is dan een ééndagsvlieg. De wereld is niet voltooid en de mensch evenmin. Licht en duisternis, het heilige en het onheilige, recht en onrecht worstelen om den voorrang. Het is onzen taak in dien strijd aan den goeden kant te staan.

Dat de mensch niet enkel voor zijn pleizier in de wereld is, wist men reeds lang voor Schopenhauer. Ook valt het te begrijpen dat iemand, die genot als maatstaf aanlegt, het leven slecht noemt. Geheel anders luidt het oordeel, als men meent dat het ’s menschen bestemming is in het rijk der geesten een rang te veroveren, zelf medebouwmeester te zijn van een geestelijk heelal.

Schopenhauer zegt: „het geweten is het protokol [243]onzer daden”. Hij voegt er aan toe, dat wij meestal ons zelven tegenvallen, als wij door onze handelingen aan ons zelven ontdekt worden. Wat wil dat anders zeggen dan dat wij tegenover een rechter staan, die in onzen boezem woont, beurtelings ons vrijspreekt en vonnist? En toch zou plicht een herschenschim zijn? Toch zou „het onvoorwaardelijk gebod” een misbaksel zijn, dat Kant enkel aan het toeval van zijn Joodsch-Christelijke opvoeding, aan zijn vroege kennismaking met de „de Tien geboden” te danken zou hebben? Neen, het „beter bewustzijn”, waarvan Schopenhauer zelf spreekt, „het beste in den mensch”, zooals hij het elders noemt, was bij hem, gelijk bij ieder onzer, een levende waarheid, maar mag tevens een afdoende weerlegging van zijn atheïsme en pessimisme worden genoemd. Schopenhauer prijst Mad. Guion, waar zij zegt: „mij is alles onverschillig; ik kan niets meer willen; ik weet dikwijls niet of ik leef dan wel niet leef”. Met Bossuet keuren wij dat quietisme af, dat jagen naar doode rust. Wij achten het beter den wil te stalen dan hem te dooden.

Hadden wij ongelijk, toen wij op de eerste bladzijde van dit boek beweerden, dat de mensch Schopenhauer en zijn wijsbegeerte niet van elkander te scheiden zijn? De groote grief der moeder was reeds: gij zijt zoo bedilziek en erkent niets boven u. [245]

[Inhoud]

INHOUDSOPGAVE

       Blz.

Werk en persoonlijkheid bij Schopenhauer niet te scheiden        1

Tweeërlei geestesrichting, die van den intellektualist en die van den voluntarist        1

Vergelijking tusschen Hegel en Schopenhauer        2

Schopenhauer’s pessimisme en sympathie voor Buddhisme        9

Zijn betrekkelijk Kantianisme        11

Zijn moraal vertoont een Indisch karakter        15

Geen onderscheid tusschen u en mij        16

Verwantschap tusschen Schopenhauer en hedendaagsche geestesstroomingen        18

Schopenhauer’s inborst en levensgeschiedenis        19

Goethe en Schopenhauer        23

Schopenhauer wordt op zijn ouden dag beroemd        27

Zijn testament en dood        29

Fragmenten uit: „Ueber die vierfache Wurzel des Satzes vom zureichenden Grunde        32

Verschil tusschen oorzaken, kengronden, zijnsgronden en beweegredenen        33

Oorzaken en hare werkingen zijn steeds veranderingen        35

Geen eerste oorzaak        37 [246]

Het begrip substantie: enkel de stof blijft        42

Maar de stof is er niet buiten het bewustzijn        45

Het intellekt roept de stoffelijke dingen in het aanzijn        46

Bouwt ze op uit gewaarwordingen met behulp van tijd, ruimte en causaliteit, welke drie subjektieve opvattingswijzen zijn        49

Dus zijn de lichamen enkel aanschouwelijke voorstellingen        50

Tot welke de dieren beperkt blijven, terwijl de mensch er afgetrokken voorstellingen, begrippen, van maakt        54

De mensch is zoo een redelijk en sprekend wezen        56

Wanneer komen de wolven?        64

Fragmenten uit: „Welt als Wille und Vorstellung        66

Vergelijking tusschen Locke en Schopenhauer        66

Het subjekt, dat alles kent, kent alleen zich zelf niet        70

Subjekt en objekt, de kenner en het gekende, zijn van elkaar onafscheidelijk        70

Daar tijd, ruimte en causaliteit manieren van opvatting zijn, worden zij van het subjekt uit, a priori, gekend, maar enkel bij de objekten aangetroffen        71 [247]

Gelijk Kant bewees en Schopenhauer met eigen argumenten nader staaft        72

Oorzaak en werking zijn niet gelijktijdig        81

Het materialisme is dwaasheid volgens Schopenhauer        84

Hoe kan hij dan de wereld een hersenphenomeen noemen?        89

Verschil tusschen droom en werkelijkheid        91

Intellekt past bij mensch en dier de causaalwet toe        95

Maar het onredelijk dier is slaaf van het oogenblik        97

De bron der taal is bij de begrippen te zoeken, welke zelve zijn afgeleid uit aanschouwingen        100

Verschil tusschen aanschouwelijke en begripmatige kennis en betrekkelijke waarde van beide        105

Waarom lacht alleen de mensch?        109

Twee soorten van het lachwekkende        110

Over scherts, ernst, ironie en humor        113

Rechtstreeksche evidentie voorwaarde van bewijs        115

En op meetkundig gebied te verkiezen boven bewijs        116

De wereld is niet enkel voorstelling, maar tevens wil        120

Vraagteekens bij Schopenhauer’s uitspraken geplaatst        121

In het zelfbewustzijn verschijnt men aan zich zelf als willend        124

Maar die zelfkennis is geen kennis van echte [248]werkelijkheid, daar zij aan den tijdsvorm gebonden is        125

Ons eigenlijk wezen is een wil, die van tijd, ruimte en gronden onafhankelijk is, een ongebonden en onredelijke wil, van welken zich enkel zeggen laat wat hij niet is        125

Die zelfde onkenbare wil is het wezen van alle andere dingen        126

Bewustzijn, kennis is secundair, enkel doellooze wil is oorspronkelijk        128

Willen en werken zijn één        136

Verschijning van wil is allerwege aan de wet der noodzakelijkheid onderworpen        142

De verschijningen van den wil staan op verschillend peil        144

Er spiegelen zich in haar verschillende onverderfelijke ideeën af        149

De kunstenaar in ons verliest zich in de blijde aanschouwing der ideeën en wordt zoo tijdelijk van zijn egoïsme bevrijd, onttrokken aan het vergankelijke. Voorbeelden van ideeën        150

Definitie van kunst        154

Definitie van genialiteit        155

Verhouding van genialiteit en fantasie tot elkaar        156

Hoe genialiteit en waanzin, schoon zeer verschillend, aan elkander grenzen        159 [249]

Wat hebben waanzinnige en dier gemeen en waarin verschillen zij?        161

In hoever een echt kunstwerk hooger staat dan de werkelijkheid        163

Uitnemendheid der Nederlandsche schilderschool        166

Verschil tusschen het schoone en het verhevene        169

In hoever ieder ding schoon is, maar de mensch het in schoonheid wint van alle schepselen        171

Over bouwkunst        172

Hoe de kunstenaar het schoone uit zich zelf put        175

Verschil tusschen ideeën en begrippen        176

Verschil tusschen echte kunstenaars en nabootsers        177

Over allegorie en symbool        178

Waarom muziek te midden der schoone kunsten een geheel eenige plaats inneemt        180

Hoe de natuur niet aan de individuen, enkel aan de soorten hecht        186

Waarom verliefdheid zich op een bepaald individu richt        189

Dit verschijnsel te vergelijken met werkingen van instinkt        192

Door welke enkel het belang der soort gediend wordt        194

Schopenhauer en Wagner        196 [250]

Fragmenten uit: „Ueber den Willen in der Natur        197

Copernicus en anderen noemen zwaarte een verlangen der stof        197

Waarom groote denkers dikwijls ietwat bijgeloovig zijn        199

Over magie        200

De onkreukbaarheid der natuurwetten is begrijpelijk        202

Hoe is zij te rijmen met Schopenhauer’s erkenning van magische gebeurtenissen?        203

Fragmenten uit: „Die beiden Grundprobleme der Ethik        204

Hoe onbegrensd egoïsme te verklaren        205

Hoe boosaardigheid te verklaren        207

Hoe gewetensangst te verklaren        209

Hoe medelijden, bron van de twee kardinale deugden, te verklaren        210

Rechtvaardigheid onthoudt zich anderen kwaad te doen        217

Liefde beijvert zich anderen goed te doen        217

Onontbeerlijk zijn goede stelregels        218

Waarom mannen meer tot rechtvaardigheid, vrouwen meer tot medelijden overhellen        219

In Europa werd liefde het eerst door het Christendom als deugd erkend        220 [251]

Onrecht is een positief, recht een negatief begrip        222

De Staatstaak worde beperkt opgevat. De Staat zij geen opvoedingsinstituut        224

Hongerlijders te voeden is geen „plicht”        226

Het karakter van ieder mensch is onveranderlijk        228

De motieven, voor welke een mensch toegankelijk is, worden door zijn karakter en zijn kennis bepaald en beslissen hoe hij zich gedraagt        229

De zoogenaamde „vrije wil” is een sprookje        230

Verantwoordelijk is ieder, want hij is wat hij wil        234

Raadzaam is het den levenswil te breken        337

Slotwoord        239

Hoe het kwam, dat Schopenhauer door den daemon van het pessimisme werd bezeten        240

Bevrijding er van slechts mogelijk door de erkenning van geestelijke waarden        241

Ook bij Schopenhauer ontbrak die erkenning niet geheel        243

Colofon

Beschikbaarheid

Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op www.gutenberg.org.

Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op www.pgdp.net.

Metadata

Codering

Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.

Documentgeschiedenis

  • 2023-11-19 Begonnen.

Verbeteringen

De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering Bewerkingsafstand
2 repenen redenen 1
5 wereldraadsal wereldraadsel 1
24 vrienn vriend 1
34 derhoeken der hoeken 1
44, 82 bv. b.v. 1
44, 75 [Niet in bron] , 1
48, 169 objectieve objektieve 1
55 halstarrig halsstarrig 1
64, 242 [Niet in bron] . 1
76, 153 subject subjekt 1
80 Bv. B.v. 1
88 subjeckt subjekt 1
93 toetsteen toetssteen 1
104 kerngrond kengrond 1
112 staat straat 1
114 doen doet 1
135 . , 1
136 de te 1
141 [Niet in bron] 1
142 openbariug openbaring 1
170 individneel individueel 1
214 metafysika metaphysica 3
219 drijveeren drijfveeren 1
239 Schoppenhauer Schopenhauer 1
240 , . 1
242 indivudu individu 1
243 ondekt ontdekt 1
250 Cerpernicus Copernicus 2