HOOFDSTUK I

Geschiedenis van don Raphaël.

Ik ben de zoon van een actrice uit Madrid, bekend door haar voordrachten, maar meer nog door haar galante avonturen; ze heette Lucinde. Wat een vader betreft, zonder vermetelheid kan ik mij er geen geven. Een voornaam heer was wel verliefd op mijn moeder toen ik op de wereld kwam, maar dat is nog geen overtuigend bewijs, dat ik aan hem mijn geboorte heb te danken.

Lucinde stoorde zich niet aan praatjes, ze liet mij in het geheim opvoeden, maar vertoonde zich met mij aan de hand in den schouwburg en overal elders zonder acht te slaan op de praatjes en hatelijke glimlachjes, die mijn verschijning opwekte. In één woord, ik was haar dierbaar en alle mannen, die bij haar kwamen, haalden mij aan. Men zou zeggen, dat bij hen de stem des bloeds sprak. In de eerste twaalf jaar van mijn leven had ik zeer veel amusementen. Lezen en schrijven leerde men mij ternauwernood, godsdienst in het geheel niet. Wel leerde ik goed dansen, zingen en guitaar spelen; dat was alles, wat ik kende, toen de markies de Léganez mij vroeg om bij zijn eenigen zoon te komen, die ongeveer van mijn leeftijd was. Lucinde stemde er gaarne in toe en toen begon ik mij ernstiger bezig te houden. De jonge Léganez was niet verder dan ik; dat heertje scheen niet voor de wetenschap geboren te zijn; hij kende nog bijna geen letter van het alphabet, hoewel hij sinds vijftien maanden een gouverneur had, zijn andere onderwijzers hadden het niet verder gebracht, hij stelde hun geduld op een zware proef. Weliswaar hadden zij de opdracht om geen strengheid tegenover hem te gebruiken. Met, dat bevel en den slechten aanleg van den jongen, waren alle lessen tamelijk nutteloos. Maar de gouverneur vond, zooals ge zien zult, een goed middel om den jongenheer te treffen, zonder het bevel van zijn vader te overschrijden; hij besloot mij af te ranselen, als de kleine Léganez gestraft moest worden. Dat was niet erg naar mijn zin. Ik liep weg en ging mij bij mijn moeder beklagen over zulk een onrechtvaardige behandeling. Hoe goed ze overigens ook voor mij was, had ze kracht om weerstand te bieden aan mijn tranen en daar ze het als een zeer groot voorrecht beschouwde, dat haar zoon bij den markies de Léganez kon zijn, liet ze mij er dadelijk weer heen brengen. Zoo was ik dus overgeleverd aan de willekeur van den gouverneur en daar hij merkte, dat hij eenig effect had met zijn methode, ging hij voort met mij te slaan. Om nog meer indruk te maken, deed hij het zoo hard mogelijk. Voor iedere letter van het alphabet, die de kleine Léganez leerde, kan ik wel zeggen, dat ik honderd slagen heb gekregen.

Dat was echter nog niet het eenige onaangename wat ik in dat huis had te verdragen. De dienstboden verweten mij steeds mijn geboorte. Dat begon mij zoo tegen te staan, dat ik op een goeden dag de vlucht nam, nadat ik het middel had gevonden om mij van alles meester te maken wat de gouverneur aan contant geld had, ongeveer honderdvijftig ducaten. Die wraak was, meen ik, gerechtvaardigd en ik geloof, dat ik den man moeilijk zwaarder had kunnen treffen. Ik verliet Madrid en kwam te Toledo, zonder dat men mij had kunnen aanhouden.

Ik ging toen mijn vijftiende jaar in. Wat een genot om op dien leeftijd onafhankelijk te zijn. Weldra maakte ik kennis met jongelieden, die mij ontgroenden en mij hielpen, om mijn ducaten op te maken. Vervolgens associeerde ik mij met eenige chevalliers d’industrie, die mij zooveel leerden, dat ik, dank zij mijn goeden aanleg, na eenigen tijd, tot de sterksten van het gilde behoorde. Na verloop van vijf jaren kwam de lust tot reizen in mij op. Ik ging naar Alcantera, maar voor ik er aankwam, vond ik nog een gelegenheid om mijn talenten op de proef te stellen, die ik niet ongebruikt liet voorbijgaan. Daar ik te voet was en bovendien mijn bagage bij mij droeg, ging ik nu en dan onder de schaduw van een boom aan den weg zitten rusten. Bij een van die gelegenheden trof ik twee kinderen aan, die er uitzagen of ze tot een goede familie behoorden. De oudste was nog geen vijftien jaar. Wij raakten in gesprek en ze schenen daar genoegen in te vinden. Ze waren beiden zeer onnoozel. “Mijnheer,” zei de jongste, “wij zijn de zoons van rijke burgers uit Plasencia. Wij vinden veel lust om Portugal eens te zien en om onze nieuwsgierigheid te bevredigen, hebben wij ieder honderd pistolen van onze ouders genomen. Hoewel wij te voet gaan, geloof ik niet, dat wij met die som ver zullen komen. Wat denkt u er van?” “Goede hemel!” riep ik, “als ik tweehonderd pistolen had, zou ik de heele wereld kunnen doortrekken. Het is een verbazend groote som. Als ge het goedvindt, zal ik u vergezellen tot Almerin, waar ik de erfenis van een oom in ontvangst ga nemen, die daar ongeveer twintig jaar heeft gewoond.”

De jongelieden zeiden mij, dat mijn gezelschap hun zeer aangenaam zou zijn. Zoo wandelden wij met ons drieën op naar Alcantara, waar wij ’s avonds aankwamen. Wij gingen in een goed hotel en vroegen een kamer, men gaf ons er een met een kast, welke op slot kon. Wij bestelden eerst avondeten en ik stelde mijn reisgezellen voor, om de stad nog eens te gaan bezichtigen. Zij stemden toe en wij deden ons goed in de kast, waarvan een der jongens den sleutel bij zich stak. Wij gingen de kerken bezien en toen wij in een van de gebouwen waren, vertelde ik, dat ik een boodschap te doen had. “Heeren,” zei ik, “ik herinner mij daar, dat ik even een koopman moet spreken, die hier dicht bij de kerk woont. Wacht hier op mij; ik ben in een oogenblik terug.” Ik liep naar het hotel, brak de kast open en vond de pistolen. Ik liet den armen kinderen er slechts één om hun logies te betalen. Daarop ging ik op weg naar Mérida, zonder mij er om te bekommeren wat er van hen werd.

Dit avontuur stelde mij in staat om vroolijk te reizen. Hoewel ik jong was, wist ik mij voorzichtig te gedragen; ik mag wel zeggen, dat ik mijn leeftijd veel vooruit was. Ik besloot een muilezel te koopen en deed dat in het eerste dorp; ook schafte ik mij een valies aan en ik begon mijzelf een man van gewicht te vinden. Den derden dag ontmoette ik een man, die langs den weg liep te zingen. Naar zijn uiterlijk te oordeelen, was het een koorzanger. “Wel mijnheer!” riep ik, “dat gaat best. U schijnt hart van uw vak te hebben.” Hij antwoordde, dat hij koorzanger was. Zoo kwamen wij in gesprek en ik merkte dat ik met een geestige en aangename persoonlijkheid te doen had. Hij was vier- of vijfentwintig jaar oud. Daar hij te voet was, liet ik mijn muilezel stappen, om met hem te kunnen praten. Het gesprek kwam op Toledo. “Ik ken die stad heel goed,” zei de koorzanger mij; “ik ben er lang geweest en had er zelfs vrienden.” “En in welke straat hebt gij in Toledo gewoond?” vroeg ik hem. “In de Nieuwstraat. Ik woonde er met don Vincent de Buena Garra, don Mathias de Cordel1 en twee of drie andere nette heeren. Wij sliepen daar, aten er en brachten den tijd aangenaam door.” Die woorden verbaasden mij, want hij noemde mij de namen van de slimmerts, met wie ik in Toledo had samengewerkt. “Mijnheer de koorzanger,” riep ik uit, “de heeren van wie ge mij de namen noemt, zijn kennissen van mij en ik heb ook met hen in de Nieuwstraat gewoond,” “Dan zijt gij daar geweest, nadat ik ben weggegaan, dat is drie jaar geleden,” merkte hij op. “Eerst kort geleden heb ik hen verlaten,” antwoordde ik, “omdat ik lust kreeg in reizen. Ik wil Spanje doortrekken. Wanneer ik meer ondervinding heb opgedaan, zal ik meer waard zijn,” “Zeker,” stemde hij toe, “om zijn geest te beschaven, moet men reizen. Daarom heb ik ook Toledo verlaten, hoewel het mij er zeer goed beviel. Ik dank den hemel,” vervolgde hij, “dat ik een broeder ontmoet, nu ik er ’t minst op rekende. Laten wij met elkaar reizen en profiteeren van de gelegenheden, welke zich zullen aanbieden, om onze bekwaamheid te toonen,”

Hij deed mij dat voorstel met zooveel vrijmoedigheid en zoo vriendelijk, dat ik het dadelijk aannam. Hij won dadelijk mijn vertrouwen en schonk mij het zijne. Hij vertelde mij, dat hij van Portalegre kwam, waar een mislukte schelmenstreek hem gedwongen had overhaast te vluchten in de kleeding, die hij nu droeg. Nadat wij elkaar onzen levensloop hadden verteld, besloten wij naar Mérido te gaan, om daar ons geluk te beproeven en indien wij er in slaagden een goeden slag te slaan, daarna weer naar elders te vertrekken. Van dat oogenblik af hadden wij al wat wij bezaten gemeen. ’t Is waar, dat Moralès, zoo heette mijn compagnon, er niet al te best bijzat. Hij had niet meer dan vijf of zes ducaten en eenige kleeren in een zak; maar had ik meer contant geld, hij was daarentegen meer bedreven in de kunst, om de menschen te bedriegen. Wij bestegen om beurten mijn muilezel en kwamen zoo te Mérida.

Wij namen onzen intrek in een hotel en mijn vriend trok andere kleeren aan. Daarop gingen we de stad door, om het terrein te verkennen en te zien of zich ook ergens een gelegenheid aanbood om te werken. Terwijl we zoo aandachtig rondkeken en wachtten tot het toeval ons gunstig was, zagen we in een straat een heer met grijs haar, die, met den degen in de hand, zich verweerde tegen drie mannen. Getroffen door de ongelijkheid van den strijd, snelde ik den grijsaard te hulp. Moralès, om mij te toonen, dat ik mij niet met een lafaard had geassocieerd, volgde mijn voorbeeld en wij joegen de drie mannen op de vlucht.

Nadat ze verdwenen waren, putte de grijsaard zich uit in dankbetuigingen. Ik zei, dat het ons zeer veel genoegen deed, dat we hem hadden kunnen helpen en dat wij zeer gaarne zouden weten wien wij liet geluk hadden gehad ter zijde te kunnen staan en waarom de drie mannen hem hadden willen vermoorden. “Mijne heeren,” antwoordde hij, “ik heb te veel verplichting aan u, om uw nieuwsgierigheid niet te bevredigen. Ik heet Jérôme de Moyadas,2 en leef van mijn renten in deze stad. Een van de moordenaars, van wie ge mij hebt bevrijd, heeft mijn dochter lief. Hij liet mij haar dezer dagen ten huwelijk vragen en daar zijn wensch niet bevredigd werd, heeft hij zich op deze wijze willen wreken. “En mag ik vragen,” zei ik, “welke redenen u hadt om uw dochter niet aan dien heer ten huwelijk te willen geven?” “Ik zal het u zeggen,” antwoordde hij. “Ik had een broer hier in de stad, die koopman was, hij heette Augustijn. Voor twee maanden was hij te Calatrava, gelogeerd bij Jean Velez de la Membrilla3, een handelsvriend. Zij waren intieme vrienden en mijn broeder wilde dien band nog versterken, hij beloofde daarom de hand van mijn eenige dochter aan den zoon van dien vriend, er niet aan twijfelend, of ik zou daaraan mijn goedkeuring hechten. Toen mijn broeder in Mérida terug was en van het huwelijk sprak, gaf ik dadelijk mijn toestemming. Hij zond het portret van Florentine naar Calatrava, maar heeft helaas niet de voldoening mogen smaken zijn werk voltooid te zien; voor drie weken is hij gestorven. Stervende heeft hij mij bezworen om de hand van mijn dochter aan niemand anders te geven dan aan den zoon van zijn handelsvriend. Ik beloofde het hem en daarom moest ik Florentine weigeren aan den man, die mij zoo juist aanviel, hoewel hij een voordeelige partij was. Ik ben door mijn woord gebonden en wacht ieder oogenblik den zoon van Juan Velez de la Membrilla, om hem tot mijn schoonzoon te maken, hoewel ik hem nooit heb gezien, evenmin als zijn vader.”

Met de grootste belangstelling had ik dat verhaal aangehoord; er was een gedachte bij mij opgekomen, ik veinsde een groote verwondering, sloeg de oogen ten hemel en riep met veel pathos: “O! mijnheer de Moyadas, hoe is het mogelijk, dat ik, te Mérida komende, zoo gelukkig ben het leven van mijn schoonvader te redden!” Die woorden wekten een groote verbazing bij den ouden heer en niet minder bij Moralès. “Wat zegt gij mij daar?” riep de grijsaard, “Zijt gij de zoon van den handelsvriend van mijn broer??” “Ja, mijnheer Jérôme de Moyadas,” zei ik, terwijl ik hem omhelsde, “ik ben de gelukkige sterveling voor wien de aanbiddelijke Florentine bestemd is. Maar sta mij toe, voor ik de vreugde heb uw huis te betreden, dat ik hier eenige tranen stort, ter gedachtenis aan uw broer Augustijn. Ik zou de ondankbaarste van alle menschen zijn, indien ik niet levendig getroffen was door den dood van iemand aan wien ik het geluk van mijn leven te danken heb.” Nadat ik dit gezegd had, omhelsde ik den goeden Jérôme nogmaals en maakte een beweging, alsof ik mijn tranen wegveegde. Moralès, die dadelijk begreep welk voordeel wij bij dit spel konden behalen, hielp mij. Hij stelde zich voor als mijn bediende en putte zich uit in betuigingen van leedwezen over den dood van mijnheer Augustijn. “Mijnheer Jérôme!” riep hij, “welk een verlies moet de dood van uw broer voor u zijn geweest! Wat een eerlijk man was hij! Een juweel, een volkomen betrouwbaar koopman, zooals men er geen tweede vindt!”

Wij hadden met een onnoozel en lichtgeloovig man te doen. Verre van ons te verdenken, liep hij er gemakkelijk in. “Maar waarom,” vroeg hij, “zijt ge niet dadelijk bij mij gekomen, ge hadt uw intrek niet in een hotel moeten nemen!” “Mijnheer,” zei Moralès, het woord voor mij nemende, “mijn meester is vormelijk, hij heeft die fout en zal mij vergeven, dat ik hem die verwijt. Het is overigens wel te excuseeren, dat hij niet bij u is verschenen, zoodra hij in de stad kwam; wij zijn namelijk bestolen geworden, men heeft ons op reis onze koffers ontroofd.” “Die jongeman zegt de waarheid, mijnheer de Moyadas,” viel ik hem in de rede, “en dat is de reden waarom ik nog niet bij u was. Ik durfde in dit toilet niet te verschijnen voor een dame, die mij nog nooit gezien heeft en wachtte daarmee op de terugkomst van een knecht, dien ik naar Calatrava heb gezonden.” “Dit ongeval mag u niet beletten om dadelijk mijn huis te betreden,” zei de grijsaard, “en ik ben er op gesteld, dat ge met mij meegaat.”

Zoo sprekende, nam hij ons mee; voor wij aankwamen, spraken wij nog over den beweerden diefstal en ik betuigde er mijn groot leedwezen over, dat met mijn koffers ook het portret van Florentine was verloren gegaan. De goede man zei me, dat ik mij over dit verlies maar moest troosten en dat het origineel meer waard was dan een copie. Zoodra wij in huis waren, riep hij zijn dochter, die niet ouder dan zestien jaar en een mooi meisje was. “Hier,” zei hij, “is de dame, die mijn broeder u beloofd heeft.” “O, mijnheer!” riep ik met geestdrift, “het is niet noodig mij te zeggen, dat het de beminnelijke Florentine is, die zich aan mijn oogen vertoont, haar bekoorlijke trekken zijn in mijn geheugen gegrifd en meer nog in mijn hart. Het portret, dat ik verloren heb, was maar een zwakke weergave van zooveel bekoorlijks.” “Uw woorden zijn al te vleiend voor mij,” zei Florentine, “en ik ben niet ijdel genoeg om mij in te beelden, dat die gerechtvaardigd zijn.” “Ga maar door met haar het hof te maken,” viel de vader in de rede. En hij liet mij alleen met zijn dochter, terwijl hij Moralès meenam. “Mijn vriend,” zei hij, “de dieven hebben al uw goed meegenomen en zonder twijfel ook uw geld, want daar beginnen ze gewoonlijk mee.” “Ja, mijnheer,” antwoordde mijn kameraad; “een groote troep roovers heeft ons overvallen bij Castil-Blazo; men heeft ons niet anders gelaten dan de kleeren, die wij aan ons lichaam hadden; maar wij zijn spoedig een brief met geld te wachten en dan zijn we weer klaar.”

“In afwachting van dien brief,” hernam de grijsaard, en hij haalde een beurs uit zijn zak, “zijn hier honderd pistolen, waarover ge kunt beschikken.” “O, mijnheer,” riep Moralès, “mijn meester zou ze niet willen aannemen. U kent hem niet. Mijn patroon is zeer fijngevoelig in dit opzicht. Hij is niet een van die jongelieden, die alles maar aannemen. Hij houdt er niet van, om schuld te maken, hoe jong hij ook is. Hij zou liever bedelen dan een cent leenen.” “Ik acht hem daar des te meer om,” zei de oude heer; “daar ik hem niet onaangenaam wil zijn, moet ge maar niet van dit aanbod spreken,” en hij wilde de beurs weer in zijn zak steken. Moralès wilde dat voorkomen en zei: “Mijnheer, welk een tegenzin mijn meester ook heeft om te leenen, geloof ik niet, dat hij er bezwaar tegen zou hebben, om uw honderd pistolen aan te nemen; het is maar de manier, waarop men het hem voorstelt. Van vreemden zal hij niets aannemen, maar met zijn familie is het een ander geval. Van zijn vader heeft hij ook wel geld gevraagd, als hij het noodig had en u, mijnheer, moet hij als een tweeden vader beschouwen.”

Door dergelijke praatjes maakte Moralès zich meester van de beurs van den grijsaard, die ons daarna weer kwam opzoeken en zijn dochter en mij in een levendig gesprek vond. Hij deelde aan Florentine mee, hoe ik hem had geholpen en ik merkte, dat hij mij zeer erkentelijk was. Ik wilde van die gunstige stemming profiteeren en ik zei, dat hij mij het beste bewijs van zijn dankbaarheid kon geven, door mijn huwelijk met zijn dochter te bespoedigen. Hij verzekerde mij, dat ik binnen drie dagen de echtgenoot van Florentine zou zijn en voegde er bij, dat hij inplaats van de beloofde bruidschat van zesduizend ducaten er tienduizend geven zou, om mij te toonen hoezeer hij den bewezen dienst waardeerde.

Moralès en ik werden zeer goed behandeld bij den ouden Jérôme de Moyadas en genoten bij het vooruitzicht de tienduizend ducaten op te steken, waarmee wij ons direct na de ontvangst uit Mérida wilden verwijderen. In onze vreugde mengde zich echter de vrees, dat, voor de drie dagen zouden zijn verstreken, de echte zoon van Juan Julez de la Membrilla ons geluk zou komen verstoren. Onze vrees bleek niet ongegrond. Na twee dagen kwam er bij den vader van Florentine een soort van boer, met een valies. Ik was er niet bij, maar mijn kameraad wel. “Mijnheer,” zei de boer, “ik behoor bij den heer uit Calatrava, die uw schoonzoon moet worden, bij mijnheer Petro de la Membrilla. Wij komen zoo juist in de stad en hij zal in een oogenblik hier zijn.” Nauwelijks had hij uitgesproken, of zijn meester verscheen, wat den grijsaard zeer verwonderde en Moralès een beetje van zijn stuk bracht.

De jonge Pedro was een knappe jonge man, Hij sprak den vader van Florentine aan, maar deze gaf hem geen tijd om uit te spreken en zich tot mijn compagnon wendende, vroeg hij wat dat te beteekenen had. Moralès, die in slimheid zijns gelijke niet had, zei op rustigen toon: “Mijnheer, de twee mannen, die ge daar ziet, behoorden tot de roovers, die ons onderweg hebben aangevallen, ik herken hen en vooral dengeen, die de brutaliteit heeft, om te zeggen, dat hij de zoon is van mijnheer Juan Velez de la Membrilla.” De oude heer geloofde Moralès dadelijk en overtuigd dat de nieuw aangekomenen schelmen waren, zei hij tot hen: “Heeren, ge komt te laat, men is u voor geweest. Pedro de la Membrilla is reeds bij mij.” “Let op uw woorden,” zei de jonge man uit Calatrava, “men bedriegt u, ge hebt een indringer in uw huis. Weet wel, dat Juan Velez de la Membrilla geen anderen zoon heeft dan mij.” “Vertel dat maar aan anderen,” riep onze gastheer. “Herkent ge dien jongeman niet en herinnert ge u niet, dat ge zijn meester hebt bestolen op den weg van Calatrava?” “Wat, bestolen!” riep Pedro, “als ik niet in uw huis was, zou ik dien vlegel, die de onbeschaamdheid heeft mij voor dief uit te schelden, de ooren afsnijden. Dank zij uw tegenwoordigheid, houd ik mijn toorn in, maar ik herhaal u, dat men u bedriegt. Ik ben de man, aan wien uw broeder Augustijn de hand van uw dochter heeft beloofd.” “Wilt gij, dat ik alle brieven toon, die hij aan mijn vader over dit huwelijk heeft geschreven of het portret van Florentine, dat hij eenigen tijd voor zijn dood zond?” “Neen,” antwoordde de oude heer, “het portret zal mij evenmin overtuigen als de brieven. Ik weet op welke wijze ze in uw handen zijn gevallen en ik zou u aanraden om Mérida zoo spoedig mogelijk te verlaten om te ontkomen aan de straf, die gij en uw gelijken verdient.”

“Dat is te veel!” riep de jonge man. “Ik zal niet dulden, dat men mij straffeloos mijn naam ontrooft en nog bovendien voor een struikroover wil doen doorgaan. In de stad ken ik eenige menschen; ik zal hen gaan opzoeken en met hen terugkeeren, opdat ze geconfronteerd kunnen worden met den bedrieger, die voor mijn persoon wil doorgaan.” Hij ging met zijn bediende weg en Moralès bleef triomfantelijk achter. Dat avontuur nu gaf Jérôme de Moyadas aanleiding om te besluiten, dat ik nog denzelfden dag met zijn dochter zou trouwen en hij ging daarvoor dadelijk de noodige maatregelen nemen.

Hoewel mijn kameraad zeer verheugd was, dat de vader van Florentine ons zoo gunstig gezind was, was hij niet geheel vrij van ongerustheid. Hij vreesde voor de stappen, welke Pedro zeker doen zou en wachtte met ongeduld op mij. Ik vond hem in gedachten verdiept. “Waarom zijt ge zoo in gepeins verzonken, mijn vriend?” vroeg ik hem. Hij deelde mij alles mee en zei: “Ge hebt ons door uw vermetel stuk in moeilijkheden gebracht. De onderneming was schitterend, dat moet ik toegeven en als ze geslaagd was, zoudt ge er alle eer van hebben gehad, maar het heeft allen schijn, dat ze slecht voor ons zal afloopen en om alles te voorkomen, geloof ik, dat wij maar het beste doen door de vlucht te nemen, met de veer, die wij reeds van den ouden heer geplukt hebben.”

“Mijnheer Moralès,” zei ik, “ge deinst te spoedig voor moeilijkheden terug. Ge doet weinig eer aan don Mathias de Cordel en aan de andere heeren met wie ge in Toledo hebt gewoond. Wanneer men bij zulke meesters in de leer is geweest, moet men zich niet zoo spoedig ongerust maken. Wat mij betreft, ik wil in de voetsporen van die heeren wandelen en toonen, dat ik een leerling ben hunner waardig, ik zal mij verzetten tegen den tegenstand, die u verschrikt.” “Indien u dat gelukt,” zei mijn compagnon, “zal ik u stellen boven alle groote mannen van Plutarchus.”

Toen Moralès dat gezegd had, kwam Jérôme de Moyadas binnen. “Ik kom,” zei hij, “om alles gereed te maken voor uw huwelijk, vanavond reeds zult ge mijn schoonzoon zijn. Uw bediende,” voegde hij eraan toe, “heeft u zeker reeds gezegd, wat er gebeurd is. Wat zegt ge wel van den schelm, die mij heeft willen opdringen, dat hij de zoon was van den handelsvriend van mijn broer?” Moralès was benieuwd hoe ik mij uit die moeilijkheid zou redden en hij was niet weinig verbaasd, toen hij mij op treurigen toon tot den ouden heer hoorde zeggen: “Mijnheer, het hangt slechts van mij af, om u bij uw dwaling te doen volharden en daarvan te profiteeren, maar ik ben niet geboren om een leugen vol te houden. Ik ben de zoon niet van Juan Velez de la Membrilla.” “Wat hoor ik,” riep de oude verbaasd, “zijt gij de man niet aan wien mijn broeder....” “Pardon, mijnheer,” viel ik hem in de rede, “daar ik een eerlijk en getrouw verhaal begonnen ben, moet ge mij tot het einde toe aanhooren. Sinds acht dagen bemin ik uw dochter en mijn liefde heeft mij hier in Mérida doen blijven. Toen wij u te hulp snelden, was het mijn plan u haar ten huwelijk te vragen, maar gij sloot mij den mond, door te zeggen, dat ze voor een ander bestemd was. U zei me, dat uw broeder u stervende bezworen had, haar aan Pedro de la Membrilla te geven, dat ge gebonden waart door uw woord. Die mededeeling, ik moet het zeggen, maakte mij diep ongelukkig en door mijn liefde tot wanhoop gebracht, verzon ik een krijgslist, waarvan ik mij bediende. Ik heb mijzelf daarvan een ernstig verwijt gemaakt; maar ik heb geloofd, dat gij mij zoudt vergeven, wanneer u dit ontdekte en wanneer ge zoudt weten, dat ik een Italiaansche prins ben, die incognito reist. Mijn vader is souverein in eenige valleien, die liggen tusschen Zwitserland, Milaan en Savoye. Zelfs stelde ik mij voor, dat het u aangenaam zou zijn, wanneer ik, na mijn huwelijk met Florentine, u deze mededeeling omtrent mijn geboorte had kunnen doen en ik verheugde mij erop het Florentine als mijn vrouw mede te deelen. De hemel heeft mij die vreugde niet toegestaan. Pedro de la Membrilla is verschenen; ik moet hem zijn naam teruggeven, hoeveel mij dat ook kost. Uw gelofte beweegt u om hem tot schoonzoon te nemen. Ik kan daarin slechts berusten; ik kan mij slechts beklagen; gij moet hem boven mij de voorkeur geven, zonder te letten op mijn rang en stand, zonder medelijden te hebben met den toestand, waarin ge mij hebt gebracht. Ik zal u niet voorhouden, dat uw broeder slechts de oom was van uw dochter, terwijl gij de vader zijt en het dus rechtvaardiger zou zijn u, ten opzichte van mij, van uw verplichting te kwijten.”

“Ja zeker, dat is rechtvaardiger!” riep Jérôme de Moyadas, “en ik weifel dan ook niet tusschen u en Pedro de la Membrilla. Wanneer mijn broeder Augustijn nog leefde, zou hij het niet afkeuren, dat ik de voorkeur gaf aan iemand, die mij het leven gered heeft en bovendien een prins is, welke zich verwaardigd tot ons af te dalen. Ik zou wel een vijand moeten zijn van mijn eigen geluk en mijn verstand moeten verloren hebben, indien ik u mijn dochter niet gaf en indien ik niet aandrong op een, voor haar zoo voornaam huwelijk,”—“Mijnheer!” zei ik, “handel niet onberaden, overleg eerst rijpelijk.”—“Neen, prins, ik aarzel geen oogenblik en zal mijn dochter dadelijk meedeelen welk schitterend lot haar wacht.”

Terwijl de goede man zich haastte om zijn dochter dit te gaan vertellen, viel Moralès voor mij op de knieën en zei: “Mijnheer de Italiaansche prins, zoon van den souverein van de valleien, die liggen tusschen Zwitserland, Milaan en Savoye, sta mij toe, dat ik mij aan de voeten van uw hoogheid werp, om u mijn vereering te betuigen. Ik dacht, dat ik de slimste gauwdief was, maar ik moet nederig betuigen, dat gij het van mij wint, hoewel ge minder ervaring hebt.” “Dus zijt gij niet ongerust meer?” vroeg ik. “O, neen,” antwoordde hij, “laat dien mijnheer Pedro nu maar komen en doen wat hij wil,” Wij spraken reeds af welken weg wij zouden nemen, als wij het geld zouden hebben, maar de afloop van het avontuur beantwoordde niet aan onze verwachtingen.

Spoedig zagen wij den jongen man van Calatrava terugkomen. Hij was vergezeld door twee burgers van de stad en den Commissaris van politie. De vader van Florentine was bij ons. “Mijnheer de Moyadas,” zei Pedro, “ik breng u hier drie geloofwaardige personen; zij kennen mij en zullen u zeggen wie ik ben.” “Zeker,” zei de commissaris, “ik ken en verklaar aan ieder, die het weten wil, dat gij Pedro heet en dat gij de eenige zoon zijt van Juan Velez de la Membrilla; wie het tegendeel beweert, is een bedrieger.” “Ik geloof u, mijnheer,” zei de goede Jérôme de Moyadas. “Uw getuigenis is heilig voor mij, evenals dat van de beide heeren kooplieden, die gij meebrengt. Ik ben er ten volle van overtuigd, dat de jonge man, die u hier heeft gebracht, de eenige zoon is van den handelsvriend van mijn broer. Maar wat beteekent dat? Ik ben niet meer van plan hem de hand van mijn dochter te geven. Ik ben van meening veranderd.”

“O, dat is een andere kwestie,” zei de commissaris. “Ik ben alleen in uw huis gekomen, om u te verzekeren, dat deze jongeman mij bekend is. Gij zijt zeker meester over uwe dochter en men zal u niet noodzaken haar, tegen uw zin, uit te huwelijken.” “Ik wil mij ook niet aan den heer de Moyadas opdringen,” zei Pedro, “maar hij zal mij toch zeker wel toestaan, om hem te vragen, waarom hij van meening is veranderd. Heeft hij zich in eenig opzicht over mij te beklagen? Nu ik de hoop verlies zijn schoonzoon te worden, moge het tenminste buiten mijn schuld zijn.” “Ik beklaag mij niet over u,” zei de grijsaard; “Ik wil u zelfs niet ontkennen, dat het mij spijt, dat ik in de noodzakelijkheid ben mijn woord te breken en ik verzoek u mij dat te vergeven. Maar ik ben ervan overtuigd, dat gij het billijken moet, wanneer ik de voorkeur geef aan iemand, die mij het leven heeft gered. Gij ziet hem hier,” zei hij, op mij wijzende, “dat is de heer, die mij aan een groot gevaar onttrokken heeft en om mij nog meer bij u te verontschuldigen, kan ik u zeggen, dat hij een Italiaansche prins is, die, niettegenstaande de ongelijkheid van stand, wil trouwen met Florentine, op wie hij verliefd geworden is.”

Bij die laatste woorden bleef Pedro verlegen staan. De twee kooplieden zetten groote oogen op en schenen zeer verlegen. Maar de commissaris, gewoon om de zaken van de donkere zijde te bekijken, vermoedde, dat er wat achter dit avontuur stak. Hij keek mij oplettend aan en toen het hem bleek, dat mijn trekken hem onbekend waren, beschouwde hij mijn kameraad met evenveel attentie. Ongelukkigerwijze herkende hij Moralès, dien hij in de gevangenis te Ciudad-Réal had gezien. “Ah! riep hij, “ik herken een van mijn klanten en geef u de verzekering, dat die jongeman een van de grootste schelmen is in het koninkrijk Spanje.” “Maar mijnheer de commissaris,” zei Jéróme de Moyadas, “het is een bediende van den prins.” “Dat kan wel,” zei de man van de wet, “maar ik beoordeel den meester naar den knecht, en zeg u, dat het twee avonturiers zijn, die u bedrogen hebbn.” “Maar,” zei de grijsaard, “al is de knecht een deugniet, daarom behoeft de meester het toch niet te zijn. Het is niets nieuws een schelm in dienst van een prins te zien.” “Praat toch niet van den prins!” zei de andere, “Die jongeman is een intrigant en ik neem hem evengoed gevangen als den ander. Ik zal hun een tête-à-tête verschaffen met den rechter en ze zullen ondervinden, dat nog niet alle zweepslagen verbruikt zijn.” “Hou op, Mijnheer de Officier,” zei de grijsaard, “laten wij de zaak niet zoo ver drijven. Gijlieden zijt nooit bang fatsoenlijke menschen te beleedigen. Zou de knecht niet een bedrieger kunnen zijn en de meester niet? Is het iets nieuws, dat vorsten schelmen in dienst hebben?” “Wat praat gij toch van vorsten,” viel de commissaris hem in de rede. “Ik arresteer beiden. Gaan ze niet goedschiks meê, dan heb ik maar te roepen; beneden heb ik twintig gewapende mannen.”

Ik was zeer ontdaan over die woorden en Moralès niet minder. Aan Jérôme de Moyadas zag ik, dat hij nu aan onze houding begon te merken, dat wij bedriegers waren. Maar hij was een goed en eerlijk man, daarom zei hij: “Mijnheer de commissaris, u kunt gelijk heben, maar uw vermoedens kunnen ook valsch zijn. Laten wij ons daarin niet verdiepen, maar ik verzoek u, geef dien twee mannen vrijheid om heen te gaan, waar zij willen; ik vraag u dat, omdat ik groote verplichtingen aan hen heb.” “Indien ik mijn plicht deed, zou ik hen moeten gevangen nemen, maar ter wille van u, wil ik hen laten vertrekken,” zei de commissaris. “Zie ik hen echter morgen nog hier in de stad, dan zullen wij zien, wat er met hen gebeurt.”

Toen wij hoorden, dat wij vrij waren, kwamen Moralès en ik weer eenigszins op ons verhaal. Wij wilden flink van ons afspreken en verklaren, dat wij zeer betrouwbare personen waren, maar de blikken van den commissaris doorboorden ons en deden ons zwijgen. Ik weet niet, waarom sommigen van die lieden macht over ons hebben. Wij moesten dus Florentine en de bruidschat overlaten aan Pedro de la Membrilla, die ongetwijfeld de schoonzoon werd van Jérôme de Moyadas. Mijn kameraad en ik sloegen den weg in naar Truxillo en troosten ons er mee, dat wij tenminste honderd pistolen bij het avontuur hadden gewonnen. Tegen den avond kwamen wij in een dorp, maar wij hadden besloten nog verderop een nachtverblijf te zoeken. Intusschen zagen wij een hotel, dat er, voor die plaats, goed uitzag. De hotelhouder en zijn vrouw zaten voor hun deur. Hij was een magere en bejaarde man en tokkelde op een slechte guitaar, waarnaar zijn vrouw met genoegen luisterde. “Heeren!” riep hij, “ik raad u aan hier op te houden en niet verder te gaan, het naaste dorp is nog drie mijl weg en ’t is er niet zoo goed als hier. Gelooft mij, komt mijn huis binnen, ge zult het goed en goedkoop hebben.” Wij lieten ons overhalen en, toen wij zaten, begonnen wij over verschillende onderwerpen te spreken. De waard zei ons, dat hij tevens dienaar van den heiligen Hermandad was.

Ons gesprek werd afgebroken door de aankomst van twaalf of vijftien ruiters, sommige op muilezels, andere op paarden en gevolgd door wel dertig muilezels, die met allerlei pakken waren beladen. “Hemel!” riep de waard, op het gezicht van zooveel menschen, “hoe moet ik die alle herbergen!” In een oogenblik was het heele dorp vol mannen en beesten. Er was gelukkig naast het hotel een groote schuur, waar men de muilezels en de bagage kon opbergen. Maar ’t scheen dien mannen aanvankelijk meer om een goed maal te doen te zijn, dan om een slaapplaats. De waard, zijn vrouw en de dienstmaagd gingen dus zoo hard aan het werk als ze konden.

Moralès en ik keken die heeren eens aan, die, op hun beurt, ons ook opnamen. Eindelijk raakten wij in gesprek en wij spraken af met elkaar te soupeeren. Zoo kwamen wij dus met elkaar aan tafel. Er was er een onder hen, die orders gaf en door de anderen met een zekeren eerbied werd behandeld. Het gesprek aan tafel liep o.a. over Andalousie en toen Moralès Sevilla prees, zei de man van wien ik zooeven sprak: “Mijnheer, ik hoor u vol lof spreken van de plaats, waar ik geboren ben, dat is te zeggen, in de onmiddellijke nabijheid daarvan, in Mayrena.” “Ik kan u hetzelfde zeggen,” zei mijn metgezel, “ik ben ook van Mayrena en daar ik er iedereen ken, zal ik uw ouders ook wel kennen. Van wien zijt gij een zoon?” “Van een eerzamen notaris,” zei de vreemdeling, “van Martin Moralès.” “Van Martin Moralès!” riep mijn kameraad met evenveel blijdschap als verrassing, “alle duivels, dat is een zonderling toeval! Dus zijt ge mijn oudere broer Manuel Moralès?” “Juist,” zei de andere, “en gij zijt Louis, die nog in de wieg lag, toen ik het ouderlijk huis verliet.” De twee broers omhelsden elkaar en bleven, ook na tafel, nog lang met elkaar zitten praten, terwijl de anderen dronken en pleizier maakten.

Na hun lang onderhoud, riep mijn kameraad mij apart en zei: “Al die mannen zijn bedienden van den graaf de Montanos, die door den koning benoemd is tot onderkoning van Majorca. Zij gaan met al dat goed naar Alicante, waar ze zich zullen inschepen. Mijn broer is als intendant aangesteld en heeft mij voorgesteld hem te vergezellen. Toen ik zei dat ik bezwaar maakte om u te verlaten, heeft hij mij beloofd u eveneens een goede betrekking te bezorgen, als ge wilt meegaan. Waarde vriend, ik raad u aan, dit aanbod niet af te slaan. Laat ons samen naar Majorca gaan. Indien het er ons bevalt, kunnen wij er blijven en, zoo niet, dan gaan we naar Spanje terug.”

Ik nam het voorstel gaarne aan. Wij sloten ons bij de andere mannen aan en verlieten voor zonsopgang het hotel. Spoedig bereikten wij Alicante, waar ik een guitaar kocht en wij ons van betere kleeren voorzagen. Ik dacht aan niets anders dan aan het eiland Majorca en mijn vriend deed hetzelfde. Om de waarheid te zeggen, wilden wij bij die lieden voor eerlijke menschen doorgaan en geen schelmenstreken uithalen. Eindelijk scheepten wij ons in en hoopten spoedig op de plaats van onze bestemming te zijn, maar nauwelijks waren wij uit de golf van Alicante, of we werden door een hevigen storm overvallen. Ik zou u hier een mooie beschrijving van den storm kunnen geven, de lucht in vlammen, het knetteren van den bliksem, het huilen van den wind, de hooge golven, etc. Maar ik zal dat achterwege laten en alleen zeggen, dat het een verschrikkelijk onweder was en wij verplicht waren op het eiland Capri te landen, een eiland, dat vrijwel verlaten is en waar men een klein fort vindt, bewaakt door vijf of zes man en een officier, die ons zeer beleefd ontving.

Daar wij er verscheidene dagen moesten blijven, omdat er veel reparatie aan de zeilen en het touwwerk was, zochten wij verstrooiing, om de verveling te verdrijven. Ieder volgde daarbij zijn eigen neiging, sommigen speelden en ik behoorde tot hen, die veel wandelden. Wij sprongen op dit ongelijke terrein vaak van rots op rots. Op zekeren dag werden wij getroffen door een aangename geur en daarop afgaande, vonden wij, tusschen de rotsen, een plateau, waarop de prachtigste kamperfoelie groeide. Naar beneden gaande, vonden wij eenige beekjes, die hun kristalhelder water van de rotsen kregen. Het kostte ons moeite, om deze plaats te verlaten en wij besloten er den volgenden dag terug te komen. Wij deelden onze ontdekking aan onze kameraden mee, maar de commandant van het fort raadde ons aan er niet meer heen te gaan. “Waarom niet?” vroeg ik. “Is daar dan iets te vreezen?” “Zeker,” antwoordde hij. “De zeeroovers van Algiers en Tripolis komen daar soms, om water in te nemen en bij een van die gelegenheden hebben ze twee van mijn soldaten overvallen en als slaven meegevoerd.” Hoe ernstig de officier ook sprak, wij dachten, dat het maar gekheid was en den volgenden dag ging ik er, met drie anderen, weer heen. Wij waren zonder vuurwapenen en mijn vriend Moralès was niet meegegaan; hij hield, evenals zijn broer, er meer van om kaart te spelen.

Wij hadden een paar flesschen wijn meegenomen en koelden die eerst in het heerlijke water af. Daarna dronken wij en ik speelde wat op mijn guitaar. Terwijl wij ons zoo aangenaam bezig hielden, zagen wij plotseling, op de rotsen, verscheidene mannen komen, die lange baarden en snorren hadden, een tulband droegen en op Turksche wijze gekleed waren. Wij dachten eerst, dat het onze mannen waren, die een aardigheid wilden hebben en ons bang maken, maar spoedig werden wij ontgoocheld. “Geeft u over, honden,” riep een van hen, “of ge zult allen sterven!” Men dreigde ons met karabijnen en zou ons bij den geringsten weerstand hebben neergeschoten, Wij verkozen de slavernij boven den dood, gaven gewillig onze degens over en werden geketend naar een schip gevoerd, dat daar dichtbij lag en met volle zeilen koers zette naar Algiers,

Zóó werden wij er dus voor gestraft, dat we geen gehoor hadden gegeven aan de waarschuwing van den officier. Het eerste wat de aanvoerder van de zeeroovers deed, was ons te fouilleeren en ons alles te ontnemen, wat wij aan geldswaarde bij ons hadden. Een goede vangst voor hem! De twee honderd pistolen van de jongelieden uit Plasencia, de honderd, die Moralès had ontvangen van Jérôme de Moadas en welke ik ongelukkigerwijze ook bij mij droeg, alles werd zonder genade buit gemaakt. Om ons te plagen, dronken de zeeroovers de flesschen wijn, welke wij hadden meegenomen, op onze gezondheid uit.

Mijn metgezellen, die zich hadden voorgesteld op Majorca een aangenaam leven te gaan leiden, waren zeer gedrukt. Ik voor mij besloot mijn lot gelaten te dragen, kreeg spoedig mijn opgewektheid terug en dat beviel den aanvoerder. Hij zei: “Jongeman, je manier van doen bevalt mij, ’t is beter zich te schikken, dan om te zuchten. Ge draagt een guitaar, speel daar eens een stukje op.” Mijn armen werden losgemaakt en daar ik goed thuis was op mijn instrument en ook een goede stem had, voldeed het zeer, wat ik ten gehoore bracht. Het bleek mij, dat de Turken, op het gebied van muziek althans, smaak hadden. De hoofdman fluisterde mij in het oor, dat ik het als slaaf niet slecht zou hebben en dat, met mijn talenten, mijn gevangenschap zeer goed te dragen zou zijn.

Die woorden deden mij wel eenig genoegen, maar zeer rooskleurig zag ik mijn toekomst toch niet in. Toen wij de haven van Algiers naderden, zagen wij een groot aantal menschen en wij waren nog niet ontscheept, of ze begonnen luide vreugdekreten te uiten. Daarbij voegden zich trompetten, Moorsche fluiten en andere in dat land gebruikelijke instrumenten. Het geheel was een symphonie, die meer luidruchtig dan welluidend was. De oorzaak van die vreugde was een valsch gerucht, dat men in de stad verspreid had. Men had namelijk verteld, dat Méhémet (zoo heette onze zeeroover) omgekomen was bij den aanval van een schip uit Genua en nu bereidden hem zijn bloedverwanten en vrienden zulk een feestelijke ontvangst.

Nauwelijks hadden wij voet aan wal gezet, of men geleidde mijn kameraden en mij naar het paleis van den pacha Soliman, waar een Christen-schrijver ons elk afzonderlijk ondervroeg naar onzen naam, ons vaderland, onzen godsdienst en onze bekwaamheden. Toen Méhémet mij aan den pacha toonde, prees hij mijn stem en zei hij, dat ik daarbij verrukkelijk op de guitaar speelde. Soliman besloot mij voor zijn dienst in den harem te bestemmen; de anderen werden naar de markt gebracht, om daar volgens gewoonte, aan den meestbiedende te worden verkocht. Wat Méhémet mij op het schip voorspeld had, werd bewaarheid, ik had een gelukkig lot. Soliman bracht mij samen met vijf of zes slaven van goede afkomst, die weder ingekocht zouden worden en aan wien men geen zwaar werk gaf, het verzorgen van de oranjeboomen en het begieten van de bloemen.

De Pacha was een flink gebouwd man van veertig jaar en voor een Turk zeer beleefd. Voor favorite had hij een vrouw uit Cachemir, die, door haar geest en schoonheid een bijna onbeperkte macht over hem had. Hij beminde haar tot verafgoding toe. Iederen dag bijna gaf hij voor haar een feest, nu eens een concert, dan weer een comedie, op Turksche wijs, d.w.z, drama’s in verzen, waarin de kuischheid en de zedigheid niet meer geëerbiedigd worden dan de regels van Aristoteles.

De favorite heette Farrukhnar4. Ze was een hartstochtelijk liefhebster van het tooneel en voerde dikwijls met hare vrouwen Arabische stukken voor den pacha op. Zij bekoorde dan steeds de toeschouwers door haar gratie en de levendigheid van haar voordracht. Op een dag, dat ik, tijdens een voorstelling, onder de muzikanten zat, beval Soliman mij op mijn guitaar te spelen en in een entr’acte alleen te zingen. Ik had het geluk Soliman te behagen; hij applaudiseerde, niet alleen door in de handen te klappen, maar ook met luide stem en het scheen mij, dat de favorite mij met een welwillend oog aanzag.

Den volgenden morgen, toen ik in de tuinen de bloemen begoot, ging er een eunuch voorbij, die, zonder iets te zeggen, een brief voor mijn voeten liet vallen. Ik raapte hem op, met een mengeling van genoegen en vrees. Om niet gezien te kunnen worden door de vensters van het serail, verschuilde ik mij achter een broeikast en opende daar den brief. Ik vond er een diamant in van groote waarde en de volgende woorden in goed Spaansch: