Barbicane was volkomen gerust, zoo al niet over den uitslag der onderneming, dan toch over de vaart van het projectiel. Het was klaarblijkelijk het beschreven nulpunt voorbijgevlogen. Derhalve zou het op dat punt niet onbeweeglijk blijven hangen. Er bleef slechts één der geopperde gevallen als mogelijk over, dat het projectiel zijn doel bereikte door de werking van de aantrekkingskracht der Maan.
»De zuurstof!” riep hij uit. Bladz. 147.
Dat zou een val zijn van 8296 mijlen, op een hemellichaam, dat wel is waar slechts 1/6 der aantrekkingskracht van de Aarde had; maar toch een geweldige val, tegen welken onverwijld alle mogelijke maatregelen moesten genomen worden.
Deze maatregelen waren tweeërlei: een om den schok te voorkomen op het oogenblik dat het projectiel de oppervlakte der Maan zou bereiken, de andere om dat nederkomen te vertragen, met andere woorden den val te breken.
Voor het eerste was het jammer, dat Barbicane niet meer in het bezit was der hulpmiddelen, welke bij het afschieten zoo uitmuntend hadden gewerkt, namelijk het water en de breekbare vakjes. Die vakjes bestonden nog wel onder hun bodem, maar hun ontbrak water om ze te vullen, ten minste hij durfde er den watervoorraad niet voor aanspreken, daar het niet zeker was of zij op de Maan, waar zij nederkwamen, wel water zouden aantreffen. Ook zou hun watervoorraad op verre na niet toereikend zijn geweest. De waterlaag, op welke de bodemschijf gelegen had, was 3 voet dik op 54 vierkante voeten. Het was dus een watermassa geweest van 6 kubiek meter, wegende 5750 kilo. En hunne waterbakken bezaten daarvan nog geen vijfde. Dit hulpmiddel verviel dus.
Gelukkig had Barbicane, niet tevreden met het water, de bodemschijf ook voorzien van sterke krulveeren ten einde den schok te breken, zooals wij reeds verhaald hebben. Deze veeren waren er nog altijd; zij moesten dus alleen op haar plaats worden gestoken, en dit ging gemakkelijk, want behalve dat zij zeer handelbaar waren, was hun gewicht nauwelijks merkbaar.
Dit gelukte uitnemend. Het was een zaak van schroeven en moeren. Aan gereedschap geen gebrek. Weldra lag de bodemschijf weder op haar stalen veeren, zooals een tafel op haar pooten staat. Het eenig onaangename voor de reizigers was, dat zij nu niet meer door het glas in den bodem konden zien, bijgevolg de Maan niet waarnemen, ingeval zij er loodrecht op nedervielen. Maar dat was niet anders. Door de zijglazen kon men de uitgestrekte maanlanden even zoo bezien als een luchtreiziger uit zijn schuitje die der Aarde.
Een uur hadden zij werk om de bovenschijf aldus in orde te maken en ’t was middag eer zij daarmeê gereed waren. Barbicane deed nieuwe waarnemingen om de helling van het projectiel te weten, maar het had zich nog niet genoeg omgewend voor een val—het scheen een kromme lijn te beschrijven, die evenwijdig met de maanoppervlakte liep.
»Zullen wij er komen?” vroeg Nicholl.
»Wij zullen doen alsof wij er moesten komen,” was Barbicane’s antwoord.
»Gij zijt onruststokers,” viel Michel Ardan in; »wij zullen er komen en wel spoediger dan ons lief is.”
Deze uitval deed Barbicane besluiten, alles nog eens goed na te zien.
De lezer zal zich herinneren, dat kapitein Nicholl, toen hij zich in de volksvergadering bij Tampa-Town zoo vinnig tegenover Barbicane uitliet, beweerd had dat het projectiel als glas zou springen, waarop Michel Ardan antwoordde dat men door middel van goed geplaatste vuurpijlen de kracht van den val zou breken. Deze bewering was gegrond op de overtuiging, dat afgeschoten vuurpijlen, een terugwerking op het punt vanwaar zij komen uitoefenende, de kracht der beweging naar dat punt in dezelfde richting noodwendig moeten breken. ’t Is waar, die vuurpijlen moesten in het luchtledige afgaan, maar het ontbrak hun niet aan zuurstof, waarvan zij zichzelven voorzagen. Zoo branden ook de vulkanen op de Maan, hoewel er geen dampkring is.
Barbicane had zich voorzien van vuurpijlen, die in kleine stalen kanonstukjes konden worden gestoken; deze stukjes konden in den bodem van het projectiel zoo worden vastgeschroefd, dat zij van binnen met den bodem gelijk kwamen, maar er van buiten een halve voet uit staken. Hij had er twintig. Zij konden zoo worden aangestoken, dat de gansche kracht naar buiten werkte. Met het in orde brengen van die toestellen verliep een uur of drie.
Intusschen naderde het projectiel de Maan al meer en meer. Het ondervond haar invloed blijkbaar in hooge mate maar zijn eigene snelheid dreef het ook in kromme lijn. Uit dien dubbelen invloed ontstond een lijn, die wellicht een tangens zou worden. Maar het was zeker, dat het projectiel niet anders dan in een schuinsche richting op de Maan zou vallen; anders toch moest de bodem van het projectiel naar dat hemellichaam gekeerd zijn.
Barbicane’s ongerustheid verdubbelde, toen hij bemerkte, dat hun verblijf niet onbepaald gehoorzaamde aan de aantrekking der Maan. Wat er op werkte wist hij niet. Hij, de wetenschappelijke man, meende het laatste woord gesproken te hebben met zijn drie alleen mogelijke gevallen; terugvallen op de Aarde, terecht komen op de Maan, blijven hangen op het nulpunt. Nu deed zich een vierde geval voor: een wachter te worden van de Maan.
Andere lieden zouden in dit geval gevraagd hebben; wat zal er met ons gebeuren? Zij niet: zij vroegen naar de oorzaak van het gebeurde.
»Wij zijn dus gederailleerd, zei Michel Ardan. »Maar hoe komt dat?”
»Ik vrees,” antwoordde Nicholl, »dat de Columbiad, in spijt van al de genomen voorzorgen niet juist genoeg gepointeerd was. Een vergissing, al is zij nog zoo klein, moest voldoende zijn om ons buiten de aantrekking der Maan te brengen.”
»Zou men dan het stuk niet goed gericht hebben?” vroeg Michel Ardan.
»Ik denk niet,” oordeelde Barbicane. »Het stuk stond volmaakt overeind. Toen dus de maan in het toppunt van Stone’s Hill kwam, moesten wij haar bereiken. Er moet een andere oorzaak in het spel zijn, maar ik weet ze niet te vinden.”
»Zouden wij niet te laat komen?” vroeg Nicholl.
»Te laat?” was Barbicane’s wedervraag.
»Ja,” antwoordde Nicholl. »Het rapport van de sterrenwacht te Cambridge zegt dat het projectiel juist 97 uren 13 minuten 20 seconden moet onderweg zijn. Dat wil zeggen: komt het vroeger aan de maanbaan, dan is de maan er nog niet; komt het later, dan is zij dat punt reeds voorbij.”
»Juist,” vond Barbicane. »Maar wij zijn vertrokken den 1sten December ’s avonds te 10 ure 46 minuten 44 seconden, en moeten dus den 5den te middernacht ter plaatse van onze bestemming komen juist op het oogenblik van Volle maan. Wij hebben nu den 5den December. Het is halfvier in den namiddag en wij hebben nog acht en een half uur om ons aan het einde van den tocht te brengen. Waarom zouden wij de Maan dan niet bereiken?”
»Zou het niet door overmaat van snelheid komen?” vroeg Nicholl, daarbij opmerkende, dat naar hun reeds gebleken was de aanvankelijke snelheid grooter scheen geweest te zijn dan berekend was.
»Neen! duizendmaal neen!” antwoordde Barbicane. »Indien de richting van het projectiel maar goed was, zou overmaat van snelheid ons niet verhinderd hebben op de Maan te komen. Neen! wij zijn van den weg af geraakt!”
»Waardoor?”
»Ik weet het niet.”
Michel Ardan meende er ook zijn gevoelen over te mogen zeggen. »Wij zijn van den weg af—dat is de zaak. Waarheen wij gaan raakt mij niet. Dat zullen wij wel zien. Wij zwemmen in de hemelruimte en zullen ten laatste wel onder de macht van het een of ander middelpunt van aanraking komen.”
Barbicane had volstrekt geen vrede met zooveel onverschilligheid aangaande het punt, dat hem boven alles ter harte ging. ’t Kostte wat het wilde, hij moest en zou weten waardoor zijn projectiel een verkeerde richting had genomen.
de groote kijker van lord Rosse. Bladz. 159.
Het gevaarte ging intusschen voort, zijwaarts van de Maan af te wijken, en daarmede ook de uitgeworpen voorwerpen. Barbicane kon zelfs aan kenbare punten op de Maan, daartoe nabij genoeg, bemerken dat hunne snelheid dezelfde bleef—een nieuw blijk, dat hun richting geen vallen naar de Maan was. De hun bij het afschieten medegedeelde snelheid had nog het overwicht over de aantrekking der Maan; maar de baan van het projectiel bracht hen ongetwijfeld nader bij de maanschijf, en zij mochten hopen, dat indien de afstand die hen van haar scheidde, nog meer afnam, de aantrekkingskracht der Maan het overwicht zou verkrijgen en hun vallen op haar oppervlakte veroorzaken.
Daar de drie vrienden niets anders te doen hadden, zetten zij hunne waarnemingen voort. Doch van de voorwerpen op de maansoppervlakte konden zij nog weinig gewaar worden, daar de zon er te steil op scheen.
Tot acht uur in den avond keken zij door de zijglazen. De Maan scheen hun toen zoo groot, dat zij de eene helft van het uitspansel bedekte. Het projectiel baadde zich in een zee van licht—aan de eene zijde de zon, aan de andere de maan. Barbicane achtte den afstand tusschen hen en de oppervlakte der Maan op omtrent 3000 meter, hun snelheid op 200 meter in de seconde. De bodem van het projectiel werd door de zwaartekracht der Maan naar hare oppervlakte getrokken, maar de middelpuntvliedende kracht werkte op een wijze, die scheen te voorspellen, dat het een kromme lijn,—welke was nog niet te zeggen—om de Maan zou beschrijven.
Barbicane zocht nog altijd naar de oplossing van het gewichtig vraagstuk.
Het eene uur verliep na het andere, maar zonder iets op te leveren. Het projectiel naderde blijkbaar de Maan, maar het was even blijkbaar, dat het haar niet zou bereiken.
»Ik begeer naar één ding,” zeide Michel Ardan, »dat wij dicht genoeg bij de Maan komen om haar geheimenissen te doorgronden!”
»Die vervloekte mispas, die ons deed afwijken!” riep Nicholl uit.
»Zeg liever,” vulde Barbicane aan, »die vervloekte vuurkogel dien wij tegenkwamen. Die is de eenige oorzaak. Wij zijn er wel een heel eind vandaan gebleven, maar zijn aantrekking heeft ons van het rechte spoor doen wijken, al was zij nog zoo klein!”
Barbicane had blijkbaar de eenige aanneemlijke reden van de afwijking gevonden. Hoe klein ook, had zij toch de baan van het projectiel gewijzigd. Het was erg. Het stoute waagstuk mislukte door een toevallige omstandigheid, en als er niets bijzonders gebeurde, behoefde men op geen bereiken der Maan te hopen. Zou men haar dicht genoeg naderen om eenige tot nog toe duistere vragen aangaande hare natuur te beantwoorden? Dat was de eenige vraag, die voor ’t oogenblik de reizigers bezig hield. Aan hun verder lot wilden zij niet eens denken. En toch—wat moest er van hen worden, indien hun lucht zou gaan ontbreken, zooals spoedig te verwachten was? Nog eenige dagen en zij zouden wezenloos in dat projectiel door de hemelruimte zweven. Maar eenige dagen waren zoovele eeuwen voor de onversaagden, die al hun tijd wijdden aan het waarnemen dier Maan, die zij wanhoopten te bereiken.
Naar hunne schatting scheidde hen nog een kleine 1000 meter van de Maan, maar de omstandigheden brachten mede, dat zij zich verder van haar verwijderd konden rekenen dan waarnemers op de Aarde, gewapend met hunne sterke kijkers.
Men weet, dat de groote kijker van lord Rosse te Parson-Town 6500 maal vergroot en de Maan tot een schijnbaren afstand van nog geen 8 kilometer aanhaalt. Het voortreffelijk instrument op Long’s Piek, dat 48,000 maal vergrootte, trok de Maan tot een afstand van slechts ruim een kilometer, zoodat men er voorwerpen van 10 meter doorsnede met voldoende duidelijkheid op zien kon.
Op dien afstand waren geene bijzonderheden met het ongewapend oog duidelijk te onderkennen. Het oog overzag de omtrekken der laagten, die men ten onrechte »zeeën” noemt, maar zonder er de natuur van te kunnen onderscheiden. De glooiïngen der bergen verdwenen in de schitterende weerkaatsing der zonnestralen. ’t Was een blik als op den blinkenden spiegel van een ketel gesmolten zilver, dien het oog niet kon verdragen.
Intusschen stond de Maan nog niet volkomen vlak tegenover de zon; zij had den vorm van een reusachtig ei, met de punt naar de aarde gekeerd. De Maan, zeker vloeibaar of kneedbaar in den eersten tijd van haar ontstaan, moest destijds een volkomen kogel geweest zijn; maar daar zij weldra onder den invloed van de aantrekking der Aarde geraakte, werd zij daardoor langwerpig uitgerekt. Toen zij een baan om de Aarde erlangde, verloor zij haar oorspronkelijke gedaante; haar zwaartepunt verplaatste zich, en hieruit nu leiden sommige geleerden af dat lucht en water hebben moeten afvloeien naar de zijde der Maan, welke van de Aarde is afgekeerd.
Doch onze reizigers konden slechts eenige oogenblikken deze afwijking der Maan van haren kogelvorm zien. De afstand tusschen haar en het projectiel verminderde met groote snelheid; die van het projectiel was wel veel geringer dan in de eerste oogenblikken, maar toch 8 of 9 maal grooter dan die der spoortreinen. De schuinsche richting gaf aan Michel Ardan eenige hoop om tegen het een of ander punt der Maan te stooten. Het wilde er bij hem maar niet in, dat hij er geen voet zetten zou, en dit zei hij gedurig. Maar Barbicane, die den waren staat van zaken beter doorzag, hield niet op hem met onverbiddelijke juistheid te betoogen, dat hij daarop niet behoefde te rekenen, daar de middelpuntzoekende kracht hen wel naar de Maan trok, maar de middelpuntvliedende kracht hen beletten zou op de Maan neder te komen.
Het gedeelte der maansoppervlakte waarheen zich het projectiel bewoog, was het noordelijk halfrond, op de maankaarten de benedenhelft; want de kaarten zijn doorgaans vervaardigd naar de gedaante der Maan in astronomische kijkers, die gelijk men weet de voorwerpen omkeeren. Dit is ook het geval met de groote maankaart van Beer en Mädler, die door Barbicane was medegenomen. Dat noordelijk halfrond bestaat uit uitgestrekte vlakten, hier en daar met afzonderlijk staande bergen.
Te middernacht was het volle Maan. Juist op dat oogenblik hadden de reizigers moeten aanlanden, indien de vermaledijde vuurkogel hen niet van de goede richting had afgetrokken. De Maan beantwoordde dus volkomen aan de berekeningen der sterrenwacht te Cambridge. Zij bevond zich juist in haar perigeüm en in het toppunt van 28° noorderbreedte. Indien een waarnemer op den bodem der Columbiad op dat oogenblik opwaarts keek, zou hij juist boven den mond van het stuk de volle maanschijf hebben zien staan.
Het is overbodig te zeggen, dat in dien nacht van 5 op 6 December geen van de drie een oog sloot. Al hun gedachten vereenigden zich in die ééne: zien! Zij waren immers de vertegenwoordigers der Aarde, de verleden en tegenwoordige menschheid! ’t Was immers door hun oogen dat die menschheid den blik liet weiden over gindsche maanstreken. Was dat geen ontroerend denkbeeld?
Hunne waarnemingen, met het gewapend oog gedaan, werden met de kaarten vergeleken.
De eerste waarnemer der Maan was Galileï. Zijn gebrekkige kijker vergrootte slechts 30-maal. Toch was hij de eerste, die bergen zag in die vlekken, welke op de Maan gezaaid zijn »gelijk de oogen in den staart eener pauw.” Zelfs mat hij van sommigen de hoogte, hij bepaalde die op ruim 1/20 van den straal der Maan, 8,800 meter. Galileï vervaardigde echter geen maankaarten.
bergen, ringgebergten en rillen. Bladz. 164.
Eenige jaren later leefde te Dantzig een sterrenkundige, met name Aevelius, die door waarnemingen, welke alleen bij het eerste en laatste kwartier nauwkeurig konden zijn, die door Galileï bepaalde hoogte tot 1/26 van den straal der Maan terug bracht. Deze geleerde gaf de eerste maankaarten. De heldere, ronde, vlekken zijn ringbergen, de donkere daarentegen uitgestrekte zeeën, in werkelijkheid eenvoudige vlakten. Aan die bergen en vermeende zeeën gaf hij namen, aan de Aarde ontleend. Hij noemde een der vlakke uitgestrektheden Arabië en een berg aldaar Sinaï; zoo ook een Etna in Sicilië, de Alpen, de Apennijnen, de Karpathen, de Middellandsche zee, het meer Moeris, de Zwarte Zee, de Kaspische zee—namen, die zeer misplaatst zijn, daar er geen de minste gelijkheid bestaat met de gelijknamige zeeën enz. op de Aarde. Het is niet iedereen gegeven, in de breede lichte vlek, welke zuidelijk aan uitgestrekte vlakten paalt en in een punt uitloopt, het Indische schiereiland, de Golf van Bengalen en Cochinchina te zien. Deze namen zijn dan ook niet in gebruik gebleven. Een ander sterrenkundige, die dieper blik geslagen had in de ijdelheid van ’s menschen hart stelde een nieuw stelsel van benamingen voor, dat gretig werd aangenomen—het beloofde aan velen een plaats op de maankaart.
Die sterrenkundige was pater Riccioli, een tijdgenoot van Hevelius. Hij vervaardigde een maankaart, grof en vol fouten. Maar hij gaf aan de maanbergen de namen van groote mannen uit de oudheid en van geleerden uit zijn tijd. Dit is sedert in gebruik gebleven.
Een derde maankaart werd in de zeventiende eeuw vervaardigd door Dominico Cassini; zij is beter uitgevoerd dan die van Riccioli, maar onnauwkeurig in de verhoudingen.
Lahire, vermaard als wiskundige en als teekenaar, teekende een maankaart, die echter nooit in plaat is gebracht.
Na hem begon in de vorige eeuw Tobias Mayer, een Duitsch sterrenkundige, een zeer fraaie maankaart uit te geven: maar deze met veel zorg en na strenge metingen uitgevoerde arbeid is wegens zijn dood onvoltooid gebleven.
Na hem kwamen Schröter en Liliënthal, met talrijke afbeeldingen van gedeelten der Maan, en Lohrmonn, te Dresden, die een maankaart in 25 gedeelten is begonnen te geven, doch van welke slechts 4 in plaat zijn gebracht.
In 1830 verscheen de beroemde maankaart van Beer en Mädler, vervaardigd in orthographische projectie. Zij geeft een zeer nauwkeurige voorstelling van de naar ons toegekeerde zijde der Maan; bergen en vlakten zijn echter slechts nabij het middelpunt juist daar meer naar de randen de voorwerpen zijn afgebeeld gelijk men ze ziet, derhalve in schuinsche richting. Deze maankaart, 85 centimeter hoog en in 4 gedeelten uitgegeven, is een meesterstuk van afbeeldingen der Maan.
Voorts heeft men ook nog de opgewekte maanafbeeldingen van Julius Schmidt, de platen van Secchi, de prachtige Engelsche van Warren de la Rue, en eindelijk een in orthographische projectie van Lecouturier en Chapuis, 1860, keurig net van teekening en uitvoering.
Deze zijn de voornaamste maankaarten. Barbicane bezat er twee; die van Beer en Mädler, en die van Lecouturier en Chapuis. Zij moesten dienen om hem bij zijn waarnemingen behulpzaam te zijn.
Zijn kijkers waren uitmuntend en bepaald voor deze reis vervaardigd. Zij vergrootten de voorwerpen 100 maal.
»Hebt gij ooit de Maan gezien?” vroeg eens een leermeester schertsend aan een zijner leerlingen.
De gevatte leerling antwoordde, »neen mijnheer, maar ik heb wel eens van haar hooren spreken.”
In zekeren zin zou het snedig antwoord van dien leerling door de meeste aardbewoners kunnen gegeven worden. Terwijl op de Aarde en op de planeet Mars de groote vastelanden op het noordelijk halfrond liggen, is dit bij de maan op het zuidelijke ’t geval. Die vaste landen zijn niet zoo scherp en regelmatig begrensd als met Zuid-Amerika, Afrika en het Indisch schiereiland het geval is. De hoekige, bochtige, grillige lijnen vertoonen tal van schiereilanden, kapen, golven en baaien, zooals de Oostzee vertoont. Indien op de maan ook scheepvaart heeft plaats gehad, moest zij zeer moeielijk en gevaarlijk zijn en de varenslieden en aardrijkskundigen op dat hemellichaam waren zeer te beklagen: de eersten indien zij op zulke gevaarlijke kusten verzeilden, de laatsten indien zij ze moesten afteekenen of beschrijven.
Op de maanschijf is het naar de zuidpool veel vlakker dan naar de noordpool. Op de noordelijke helft der Maan vindt men slechts een kleine strook lands, en de overige vastelanden gescheiden door uitgestrekte zeeën1. Naar het zuiden bestaat bijna het geheele halfrond in vast land. Het is dus mogelijk, dat de maanbewoners hunne vlag reeds hebben geplant op een hunner polen, terwijl op den aardbol een Ross, een Franklin, een Kane, een Dumon d’Urville en een Lambert dat punt nog niet hebben kunnen bereiken.
Eilanden vindt men op de oppervlakte der Maan in menigte. Bijna allen zijn langwerpig of geheel rond; zij vormen een uitgestrekte groep, die doet denken aan den archipel tusschen Griekenland en Klein-Azië, het tooneel der meeste verhalen uit de Grieksch-Romeinsche mythologie. Onwillekeurig plaatst men zich de namen Taxos, Tenedos, Milo, Karpathos voor den geest en zoekt met het oog het schip Argo der belegeraars van Troje of het vaartuig waarin Ulysses zijn tochten aanving.
Deze gedachten rezen althans op bij Michel Ardan. ’t Was een Grieksche Archipel dien hij op de maankaart aanschouwde. In de oogen zijner meer prozaïsche reisgenooten deden deze kusten veeleer denken aan Nieuw-Brunswijk en Nieuw-Schotland, en daar waar de Franschman de helden vond der aloude fabelleer, zochten de Amerikanen naar geschikte punten tot het vestigen van kantoren en factorijen ten behoeve van den handel met de maanbewoners.
Nog een paar woorden over het voorkomen van de vastelanden der Maan. Men onderscheidt er zeer gemakkelijk bergketenen, afzonderlijke bergen, ringgebergten en rillen. Hiermede is de geheele ons bekende maanoppervlakte aangeduid. Het is een bol vol hoogten en diepten, scheuren, kloven en bulten, een onmetelijk Zwitserland, een tweede Noorwegen, waar alles omgewoeld is door vulkanische werkingen. De geheele maanoppervlakte, ten minste de naar ons toegekeerde zijde, moet in den tijd der wording van dat hemellichaam blootgestaan hebben aan allerlei uitbarstingen, openscheuringen der korst, inzakkingen van den bodem en opheffingen der vlakten. Volgens de opmerkingen van sommige sterrenkundigen is haar oppervlakte, schoon ouder dan die der Aarde, jeugdiger gebleven. Men vindt daar geen wateren, die de oorspronkelijke oneffenheden van den bodem van lieverlede afschuiven en één vlakte doen ontstaan; geen lucht, die haren invloed uitoefent op het voorkomen der landstreek. De werking van het vuur wordt er niet belemmerd of gewijzigd door die van het water; zij bestaat er dus nog in haar oorspronkelijke zuiverheid. Het is er de Aarde, zooals zij was eer stroomen en vloeden haar hadden omkorst met vlakke lagen.
Wanneer het oog heeft geweid over die uitgestrekte vastelanden, rust het op zeeën die nog uitgestrekter zijn. Hare gedaante, ligging en voorkomen herinneren niet slechts aan de oceanen der aarde, maar ook de uitgestrekte plaats die zij beslaan. En toch zijn het geen vloeibare spiegels, maar vaste oppervlakten, welker ware natuur de reizigers eerlang hoopten te leeren kennen.
werd de arbeid aangevangen. Bladz. 167.
De latere sterrenkundigen hebben aan die zoogenaamde zeeën de grillige namen ontnomen die zij plachten te dragen. De zoogenoemde »Nevelenzee” (mare nebularum) is een uitgestrekte vlakte, bezaaid met eenige ringbergen; zij beslaat een groot gedeelte van het zuiderhalfrond. De »Stormen-oceaan” (oceanus procellarum) is de uitgestrektste der geheele naar ons toegekeerde maanzijde: zij ligt op het noorderhalfrond en binnen haar grenzen verheffen zich de schitterende bergen, naar Keppler en Aristarchus genoemd.
Meer noordelijk van de »Nevelenzee” door hooge bergketenen gescheiden, trekt zich de »Regenzee” (mare imbrium) uit; zij is bijna rond van gedaante. Niet ver van haar ziet men de kleinere »Vochtenzee” (mare humorum). De zeeën liggen op dat halfrond der Maan, hetwelk Michel Ardan het »mannelijke” geliefde te noemen.
Het door hem als »vrouwelijk” aangeduide heeft talrijker, maar kleinere »zeeën”. Naar het noorden de »Koude zee” (mare frigoris); voorts de »Helderheidszee” (mare serenitatis); de »Buitenzee” (mare crisium); de »Stille zee” (mare tranquillitatis); de »Nectarzee” (mare nectaris); de »Vruchtbaarheidszee” (mare foecunditatus); en eindelijk nog een »zee” naar Humbold genoemd (mare Humboldianum); en een naar hare ligging den naam »zuidelijke” dragende (mare australe). Midden op de Maan eindelijk heeft men de »Midden-golf” (sinus medii), die op den evenaar der Maan, als een ruiter op zijn paard, schrijlings gezeten is.
Aldus zagen Nicholl en Barbicane de oppervlakte der Maan; Michel Ardan zag haar met de oogen zijner verbeelding gansch anders. Zij gaven zich de moeite om al die kenbare plaatsen der Maan zoo na mogelijk te meten en dan te berekenen hoeveel er overschoot voor bergen, ringgebergten, rillen, en wat dies meer zij; aan Michel Ardan was dit alles volmaakt onverschillig. Zelfs had hij er nauwelijks ooren naar, toen zijn vrienden hem verhaalden, dat het naar ons toegekeerde halfrond der maan 13½ maal kleiner is dan een halfrond der Aarde, en dat men er toch reeds meer dan 50,000 kraters op heeft geteld. Het is dus een gebobbelde, puimsteenachtige oppervlakte, weinig in overeenstemming met de dichterlijke benamingen van schoone Diana, blonde Phoebe, beminnelijke Isis, liefelijke Astarte, haar door Michel Ardan gegeven.
1 Door »zeeën” verstaan wij in navolging der oudere maanbeschrijvers de uitgestrekte vlakten, welke naar veler meening in vroegere tijden met water zijn bedekt geweest.
Wij hebben reeds verhaald, dat het projectiel zijn richting nam naar het noorderhalfrond der Maan. De reizigers waren een heel eind verwijderd van het punt waar zij hadden moeten aanlanden, indien zij geen stoornis in de juiste richting hadden ondervonden.
Het was ’s nachts te half één. Barbicane schatte toen hun afstand van de maan op 1400 kilometer—een afstand, die afnemen moest naarmate zij de noordpool meer naderden. Het projectiel zweefde op dat oogenblik niet boven den evenaar, maar ongeveer 10 graden noordelijker, en op die breedte konden zij de Maan onder de gunstigste omstandigheden beschouwen.
Door het gebruiken van kijkers konden zij dien afstand van 1400 kilometers tot 14 minderen. De telescoop van het Rotsgebergte haalde de Maan nog meer aan, maar de dampkring der Aarde verzwakte de werking van den kijker aanmerkelijk. Barbicane ontdekte dan ook, door het glas turend, een en andere bijzonderheid die voor waarneming op de Aarde zoo goed als onbereikbaar bleef.
»Mijne vrienden,” zeide de voorzitter der Gun-club deftig, »ik weet niet waarheen wij gaan ook niet of wij wel immer onzen aardbol zullen wederzien. Maar laat ons handelen alsof hetgeen wij verrichten eenmaal ten dienste van onze natuurgenooten moet strekken. Wij moeten ons vrij houden van alle vooraf opgevatte meeningen. Wij zijn sterrenkundigen. Dit projectiel is een vertrekje van de sterrenwacht te Cambridge, in de hemelruimte zwevende. Wij moeten onze waarnemingen doen.”
Na deze toespraak werd de arbeid aangevangen met zoo groote nauwkeurigheid, dat zij een getrouwe afbeelding erlangden van die gedeelten der Maan, welke achtereenvolgens onder hun bereik kwamen.
Op het oogenblik toen het projectiel boven den parallel van 10° N zweefde, scheen het juist in de richting van 20° O. L. te zijn.
Wij hebben een niet onbelangrijke opmerking te maken aangaande de maankaart, van welke zij zich bij hunne waarnemingen bedienden. Daar, gelijk reeds is opgemerkt, de afbeeldingen der Maan haar in den regel zoo voorstellen als zij door sterrenkundige kijkers gezien wordt, d. i. ondersteboven, met het noorden naar beneden en het zuiden naar boven, zou men meenen, dat diensvolgens ook het oosten links en het westen rechts moest zijn. En toch is dit niet zoo. Indien de maankaart wordt omgekeerd, zoodat zij de Maan vertoont gelijk men haar met het bloote oog ziet, zou het oosten links en het westen rechts zijn, het omgekeerde van landkaarten. De reden daarvan is deze. De waarnemers op het noorderhalfrond, b. v. in Europa, zien de Maan te hunnen opzichte in een zuidelijke richting. Wanneer zij waarnemen, keeren zij den rug naar het noorden, terwijl zij integendeel bij het bezien van een gewone landkaart ondersteld worden het noorden vóór zich te hebben. En daar zij nu, de Maan beschouwende, het noorden achter zich hebben, ligt ook het oosten links van hen, het westen rechts. Voor de waarnemers op het zuiderhalfrond, b. v. Patagonië zou het westelijk gedeelte der Maan juist aan hunne rechter- en haar oostelijk gedeelte aan hun linkerzijde liggen; en dit dewijl het zuiden achter hen is.
Dit is de reden van de schijnbare omkeering dier twee hoofdpunten: het zuiden en het westen. Men moet dit in het oog houden om de waarnemingen van den voorzitter der Gun-club te kunnen volgen.
Met behulp der maankaart van Beer en Mädler konden de reizigers zonder feil dat gedeelte der maanschijf waarnemen, dat in het veld van hun kijker kwam.
»Wat zien wij op dit oogenblik?” vroeg Michel Ardan.
»Het noordelijk gedeelte van de Nevelenzee,” antwoordde Barbicane. »Wij zijn er te ver af om nauwkeurig waar te nemen hoe het er uitziet. Zijn het dorre zandvlakten, zooals de oudere sterrenkundigen beweerden? Of onmetelijke bosschen, volgens Warren de la Rue, die van oordeel is, dat de Maan een zeer lagen, maar tevens zeer dichten dampkring heeft? Dat zullen wij later wel ontdekken. Wij moeten niets aannemen zonder reden om zulks te doen.”
De »Nevelenzee” is vrij onjuist op deze kaarten aangeteekend.
Men onderstelt, dat die uitgestrekte vlakte is bezaaid met lavablokken, uitgeworpen door de vulkanen aan haar rechterzijde, Ptolemeüs, Purbach, Arzachel. Maar het projectiel naderde de Maan kennelijk, en weldra lieten zich de bergtoppen onderkennen, die de vlakte aan haar noordzijde omzoomen. Voor hen uit verhief zich een schitterende overschoone berg; zijn top scheen omgeven met een krans van zonnestralen.
»Dat is?”.... vroeg Michel Ardan.
»De Copernicus,” antwoordde Barbicane.
Deze berg ligt op 9° N. Br. en 20° O. L. en verheft zich 3438 meter boven den algemeenen spiegel der Maan. Men kan hem van de Aarde gemakkelijk zien en de sterrenkundigen kunnen hem zonder moeite nauwkeurig waarnemen, vooral tusschen Laatste kwartier en Nieuwe maan, dewijl alsdan de schaduw zich lang van oost naar west uitstrekt en men dus de hoogte van den berg gemakkelijk kan meten.
zeer reusachtige ossen moeten hebben. Bladz. 176.
Met uitzondering van den Tycho op het zuiderhalfrond maakt de Copernicus het belangrijkste gedeelte der maanschijf uit. Hij staat alleen, gelijk een reusachtige vuurtoren, op dat gedeelte der Nevelenzee, dat grenst aan den Stormen-oceaan en verspreidt dus zijn schitterende stralen over de beide vlakten. Het was voor de reizigers een onvergelijkelijk schoon schouwspel. In den vollen glans der Volle maan schitterden de prachtigste lichtstrepen, ver naar het noorden tot de Regenzee. Te één uur zweefde het projectiel als een reusachtige luchtballon boven dezen schitterenden berg. Barbicane kon den berg nauwkeurig waarnemen. De Copernicus behoort onder de grootste ringbergen der Maan. Evenals de Keppler en de Aristarchus in de Onwederzee vertoont hij zich somtijds als een schitterend punt te midden van het aschgrauwe licht, zoodat men hem dikwijls voor een nog brandenden vulkaan gehouden heeft. Doch het is slechts een uitgedoofde, evenals al de overige op deze zijde der Maan; zijn ringwal heeft een middellijn van ruim 9000 meter. Met het gewapend oog ontdekten zij de overblijfselen van lagen, veroorzaakt door achtervolgende uitbarstingen, terwijl de omtrek bezaaid scheen met vulkanische brokken, van welke sommigen nog binnen den omvang van den krater lagen.
»Er zijn,” zeide Barbicane, »onderscheidene soorten van bergringen op de oppervlakten der Maan, en het is gemakkelijk te zien, dat de Copernicus behoort tot die, van welke om zoo te zeggen naar alle zijden stralen uitgaan. Indien wij naderbij waren, zouden wij de kegels zien, die zich binnen den ring verheffen en in vroeger tijd zoovele vuurbrakende kraters waren. Zonderling en genoegzaam zonder uitzondering is het verschijnsel, dat de dalen, door de ringgebergten ingesloten, allen dieper zijn dan de omliggende vlakten, terwijl bij de kraters op onze Aarde het tegendeel plaats heeft. Hieruit volgt, dat de algemeene kromming van den bodem dier bekkens die van een bol is, kleiner dan de Maan zelf.”
»En hoe komt dat?” vroeg Nicholl.
Barbicane verklaarde, dat men dit niet weet.
»Welk een prachtig gezicht!” riep Michel Ardan uit. »Ik kan mij niet voorstellen, dat er een schooner zijn kan.”
»Wat zult gij dan wel zeggen,” antwoordde Barbicane, »indien onze tocht naar het zuiderhalfrond heenleidt?”
»Welnu, dan zal ik zeggen, dat het nog schooner is,” antwoordde Michel Ardan.
Op dit oogenblik stond het projectiel juist boven den Copernicus. Hij vertoonde een bijna volkomen ring, met zilver gloeiende wallen. Men kon zelfs een dubbelen ringvorm onderscheiden. Rondom den berg strekte zich een reusachtige vlakte uit, van een woest voorkomen, met hoogten van een grijsachtige kleur. Op den bodem van de ringvlakte schitterden een oogenblik twee of drie uitbarsting-kegels, als prachtige edelgesteenten, in zilver gevat.
Naar het noorden was de bergring afgebroken door eene laagte, alsof daar een opening geweest was om toegang te geven tot de ringvlakte.
Terwijl zij boven dit gedeelte der maanoppervlakte zweefden, kon Barbicane een groot aantal min belangrijke bergen aanteekenen, waaronder een kleinen ringberg, Gay-Lussac genoemd, die 23 kilometer wijd is. Zuidwaarts vertoonde zich alles zeer vlak, zonder eenige verhevenheid. Naar het noorden daarentegen, tot waar de stormenzee begon, had alles het voorkomen van eene zee, geteisterd door een orkaan, maar plotseling gestild. Naar alle zijden liepen verlichte rillen uit, die zich vereenigden op den top van den Copernicus. Sommigen hadden een breedte van 30 kilometer; hun lengte was niet te bepalen.
De reizigers bespraken den oorsprong dier zonderlinge rillen, maar zij wisten er even weinig van te maken als de waarnemers op Aarde.
»Maar waarom,” vroeg Nicholl, »zouden die strepen niet eenvoudig bergruggen kunnen zijn, die het zonlicht sterker weerkaatsen?”
»Neen,” antwoordde Barbicane, »in dat geval zouden bij bepaalde standen der Maan deze rillen een schaduw van zich werpen. En dat doen zij niet.”
Inderdaad, deze voorwerpen vertoonen zich niet dan bij Volle Maan, wanneer de zon vlak op haar schijnt, terwijl zij bij schuinschen stand ten aanzien der zon geheel onzichtbaar zijn.
»Maar wat heeft, men uitgedacht om die lichtende strepen te verklaren?” vroeg Michel Ardan; »want ik kan niet gelooven, dat de wetenschap er geen verklaring van zou beproefd hebben.”
»Zeker,” was Barbicane’s antwoord: »Herschel heeft daaromtrent een meening voorgedragen, maar hij durfde haar voor niet meer dan gissing houden.”
»Om ’t even: wat dacht hij er van?”
»Hij dacht, dat deze strepen gestolde lavastroomen moesten zijn, die het zonlicht weerkaatsen als het er recht op valt. ’t Kan zijn dat het zoo is, maar zeker is het niet. Overigens zullen wij de oorzaak van die weerkaatsing der zon beter kunnen nagaan wanneer wij den Thycho weer naderen.”
»Weet gij, mijn vrienden, waar die vlakte op gelijkt, van de hoogte waarop wij ons bevinden?” vroeg Michel.
»Neen,” antwoordde Nicholl.
»Op een knibbelspelletje; er ontbreekt niets aan dan een haakje om de stukken een voor een te halen.”
»Geen spotternij!” gelastte Barbicane.
»Nu dan,” hernam Michel Ardan, »een beenderenveld, waar de overblijfselen verstrooid liggen van ontelbare verdwenen geslachten. Vindt gij die vergelijking treffender?”
»De een is al niet beter dan de andere,” meende Barbicane.
»Verduiveld, gij zijt een lastig heer!” antwoordde Michel Ardan.
»Mijn waarde vriend,” sprak Barbicane ernstig, »het is de vraag nog niet waar het op gelijkt, zoolang wij nog niet weten wat het is.”
»Mooi geantwoord!” riep Michel Ardan uit. »Zoo leert men hoe met geleerden te spreken.”
Inmiddels zweefde het projectiel met een bijkans eenparige snelheid boven de maanschijf. ’t Spreekt van zelf, dat de reizigers er geen oogenblik aan dachten rust te nemen. Elke minuut hadden zij een ander gezicht. Tegen half twee in den morgen zagen zij de toppen van een anderen berg. Barbicane raadpleegde zijn kaart, waaruit hem bleek, dat het de Eratosthenes was.
’t Was een ringberg van 4500 meter hoogte, een van die ringgebergten welke op de Maan zoo talrijk zijn. En bij deze gelegenheid verhaalde Barbicane aan zijn vrienden de zonderlinge meening van Keppler aangaande den oorsprong dier ringgebergten. Volgens dezen beroemden sterrenkundige zijn zij door de handen van maanbewoners gegraven.
»Met welk doel?” vroeg Nicholl.
»Zeer natuurlijk,” antwoordde Barbicane. »De maanbewoners hebben die verbazende werken ondernomen en die reusachtige uitgravingen gedaan, ten einde wijkplaatsen te hebben tegen de stralen der zon, die veertien dagen achtereen op hen vallen.”
»De maanbewoners zijn nog zoo dom niet,” meende Michel Ardan.
»’t Is een zonderling denkbeeld,” vond Nicholl. »Maar waarschijnlijk kende Keppler de ware afmetingen dier ringgebergten niet, want het zou een werk van onmetelijken omvang geweest zijn, te zwaar voor de maanbewoners.”
»Waarom, indien de zwaarte op de Maan zesmaal geringer is dan op de Aarde?” vroeg Michel Ardan.
»Maar indien de maanbewoners nu ook zesmaal kleiner zijn?” vroeg Nicholl.
»En indien er eens in ’t geheel geen maanbewoners zijn,” voegde Barbicane er bij.
En dat woord maakte aan de geheele woordenwisseling een einde.
Weldra verdween de Eratosthenes onder den gezichteinder zonder dat het projectiel er nabij genoeg was gekomen voor een nauwkeurige waarneming. Deze berg scheidt de Karpathen van de Apennijnen, de belangrijkste bergketen der Maan, loopende ten oosten van de Regenzee. De hoogste spits verheft zich 5500 meter boven de gemiddelde vlakte.
Vraagt iemand hoe men de hoogte der maanbergen kan meten, dan is het antwoord, dat daarvoor zelfs meer dan éen methode is. De lengte der schaduw, die een aan de zon blootgesteld voorwerp achter zich werpt, hangt af van de hoogte der zon. Op den middag is de schaduw het kortst, als de zon nabij de kimmen is het langst. Daar men nu juist de hoogte der zon voor ieder punt der gedeeltelijk verlichte Maan weet, kan men, de lengte van den zwarten schaduwkegel metende, daaruit de hoogte van een berg afleiden. Ook kan men het oogenblik waarnemen, waarop de zon den top van een nog in het donkere liggenden berg begint te verlichten. Men meet den afstand van dat punt tot den verlichtingsrand en leidt daaruit, dewijl men wederom de hoogte der zon door berekening weet, de hoogte van dien bergtop af.
Deze metingen en berekeningen hebben een zoo groote juistheid, dat de hoogte van een menigte maanbergen met veel grooter nauwkeurigheid bekend is dan die van de vele bergtoppen op onze Aarde zelve.
»’t is de schuld van de Maan.” Bladz. 179.
De reizigers konden de toppen van het Apennijnsche gebergte slechts even waarnemen; het strekt zich uit van 10° W. L. tot 15° O. L. Beter zagen zij het Karpathische gebergte, dat zich van 18° tot 30° O. L. uitstrekt.
Eén onderstelling kwam hun zeer aannemelijk voor. Het geheele voorkomen van het Karpathische gebergte gaf den indruk alsof het vroeger verbazend groote ringgebergten bevatte, vaneengescheurd door een uitgestrekte overstorting, door welke de Regenzee ontstaan is. Dat Karpathische gebergte zou dan zijn hetgeen de ringgebergten Purbach, Arzachel en Ptolemeüs wezen zouden, indien een overstrooming hunne wallen aan de linkerzijde deed instorten, zoodat zij één doorloopende keten werden. De toppen zijn gemiddeld 3200 meter hoog—ongeveer zooals de Pyreneën. De zuidelijke hellingen dalen snel af naar de uitgestrekte Regenzee.
Tegen 2 uur in den morgen bevond Barbicane zich boven de 20°, niet ver van een berg, die Pythias heet en 1559 meter hoog is. Het projectiel was op dat oogenblik slechts 1200 kilometer van de Maan verwijderd.
De Buienzee (mare imbrium) breidde zich onder de oogen der reizigers uit als een onmetelijke vlakte, van welke men de bijzonderheden niet kon waarnemen. In de nabijheid, links, verhief zich de berg Lambert, wiens hoogte geschat wordt op 1813 meter; terwijl verder naar de grenzen de Stormenzee, op 23° N. B. en 29° O. L. de berg Euler schitterde. Deze berg slechts 1815 meter boven de oppervlakte der Maan uitstekende, is het onderwerp geweest van zeer nauwkeurige waarnemingen, door den Duitschen sterrenkundige Schröter te Liliënthal gedaan. Deze geleerde legde zich bij het zoeken naar den oorsprong der maanbergen de vraag voor, of de stoffelijke inhoud van een ringberg altijd gelijk stond met dien van den krater. Hij bevond, dat dit in het algemeen het geval was, en besloot er uit, dat éen enkele uitbarsting van vulkanische stoffen genoegzaam is geweest om de wallen te doen ontstaan, terwijl meerdere uitbarstingen de verhouding zouden hebben gewijzigd. Doch de Euler maakte op dien algemeenen regel een uitzondering; Schröter moest aannemen, dat onderscheidene uitbarstingen moeten hebben plaats gehad, daar de krater tweemaal zooveel stoffelijken inhoud heeft als de wallen.
Al die onderstellingen mag men vergeven aan waarnemers, die de Maan van de Aarde bespieden.
Maar Barbicane wilde er zich niet mede tevreden stellen, en daar hij bespeurde, dat het projectiel met eenparige snelheid de maanschijf naderde, wanhoopte hij niet haar grond te betreden, voor ’t minst haar zoo nabij te komen, dat hij de geheimen van de vorming der Maan zou kunnen onthullen.