207. Men kan alleen in twijfel staan, of in eene samenstelling al dan niet eene verbindings-s aanwezig is, wanneer het tweede lid begint met eene s, of met eene z, die scherp (als s) wordt uitgesproken; b.v. in dorpsschout, varkensziekte, baatzucht. Wanneer de z zacht klinkt, gelijk in hondeziekte, geelzucht, waterzucht, zal niemand het aanzijn eener s (hondesziekte, waterszucht) vermoeden.
In nog een geval bestaat er geen grond om eene s te onderstellen, namelijk achter den stam van een werkwoord, b.v. in stuifzand, drijfzand, waarin de z door den invloed der voorgaande f verscherpt wordt. Daar men slechts bij uitzondering om den wille der welluidendheid achter verbale stammen eene s inlascht in de gevallen, die beneden opgegeven worden, heeft men alleen die woorden te onderzoeken, wier eerste lid een naamwoord is, hetzij een substantief, hetzij een bijvoeglijk woord.
Nog zal men bij het stellen der regels in het oog moeten houden, dat ss en sz op zich zelf geene welluidende klanken zijn, zoodat de inlassching eener s, waar zij voor de uitspraak kan worden gemist, en door de beteekenis of regelmaat niet gevorderd wordt, niet verkieslijk is. Men kan derhalve als algemeenen regel stellen, dat de s alleen dan behoort ingelascht te worden, wanneer de noodzakelijkheid ten duidelijkste blijkt.
208. De verbindings-s treedt als teeken van den 2den naamval in samenstellingen niet slechts achter manlijke en onzijdige substantieven, als in timmermansgereedschap, bakkersoven, levensbericht, kindskind, maar ook achter vrouwelijke, als zusterskind, dochtersman, stadspoort, vrijheidsboom, zielsverdriet enz.; vergelijk § 185.
Het onderscheid der geslachten kan derhalve geenen regel aan de hand doen, en men zal eeniglijk te letten hebben op de analogie en op de betrekking, welke inderdaad die van den genitief van het enkelvoud moet wezen.
Daar men volgens den bovengestelden algemeenen regel met de s spaarzaam moet zijn, kan zij alleen dan gewettigd worden, wanneer uit andere overeenkomstige samenstellingen duidelijk blijkt, dat het woord in de betrekking van den genitief de s verlangt. Zoo leeren b.v. de woorden bakkersnering, bakkersoven, bakkerswinkel, dorpsbestuur, dorpsherberg, dorpsleeraar, krijgsmansdeugd, krijgsmanseed, sergeantsrang, sergeantsuniform, sergeantsvrouw, stadsmuur, stadspoort, stadswal, vollersambacht, vollerskuip, varkensoog, varkensvleesch, varkensribbetje, veiligheidskaart, vrijheidsliefde, zuinigheidsmaatregel, landschapshuis, landschapsvergadering, burgerschapsrechten, vriendschapsband enz., dat de woorden bakker, dorp, krijgsman, officier, sergeant, stad enz., en die op -heid en -schap in de betrekking van den genitief de s vorderen, en dat men derhalve ook bakkersschotel (houten werktuig), dorpsschool, krijgsmansstand, sergeantsstrepen, stadsschout, varkensstal, varkensziekte, waarheidszucht, landschapsschrijver te spellen heeft.
Dat men wel degelijk op de onderlinge verhouding der deelen heeft te letten, blijkt uit landschapschilder, waar landschap een meervoud landschappen vertegenwoordigt, en dus niet in den 2den naamval van het enkelvoud voorkomt. Niemand zal dan ook op de gedachte komen om landschapsschilder te schrijven, dan in eene beteekenis, die niet in gebruik is en die overeenkomen zou met landschapsschrijver.
209. Moet men spaarzaam zijn met de s van den 2den naamval, nog meer is zulks het geval met die van het meervoud. De dubbele s, en evenzoo sz, is moeilijk uit te spreken, en klinkt onaangenaam achter eene liquida, l, m, n of r, voorafgegaan door eene toonlooze e; d.i. juist achter die substantieven, die hun meervoud doorgaans met s vormen. De woorden op -el, -em, -en en -er behouden daarom, gelijk reeds vroeger is aangemerkt (§ 189, aanm.), den enkelvoudigen vorm, ook waar de beteekenis dien van het meervoud zou vereischen; men zegt en schrijft: appelmand, sleutelbos, bezembinder, leugenbeest, wagenmaker, letterkast, letterzetter (niet appelsmand enz.), en evenzoo als het eerste lid een persoonsnaam is, b.v. burgerrecht, burgerwapening, dragonderregiment, ridderorde, rooverbende, ruiterbende, ruiterzalf enz. Neemt men zulks in aanmerking, dan zal men geene noodzakelijkheid zien, noch de vrijheid vinden, om achter de opgenoemde toonlooze lettergrepen eene s in te lasschen, die zou moeten dienen om het meervoud aan te duiden. Wij schrijven derhalve ankersmid, burgerstand, burgersociëteit, cijferschrift, dragonderstal, kachelsmid, letterspecie, leugenstoffeerder, priesterschaar, priesterschap, ridderstand, ruiterstal, vezelstof, zonder eene verbindings-s, die door de Analogie niet wordt geëischt en strekken zou om eene onwelluidende uitspraak te bevorderen.
Anders is het gelegen met het achtervoegsel -ier, dat den vollen klemtoon heeft. Het vordert de s van het meervoud, gelijk blijkt uit: officierstafel, officiersvereeniging, kanonnierskazerne, pontonnierscompagnie enz.; daarom zal men ook kurassiersstal, officierssociëteit enz. schrijven.
210. Wanneer het eerste lid een bijvoeglijk woord is, hetzij een bijvoeglijk naam- of voornaamwoord, hetzij een onbepaald telwoord, dan kan de s alleen het teeken zijn van den tweeden naamval, in welke dan ook het tweede lid staat, b.v. in blootshoofds.
Ook hier is alleen dan onzekerheid denkbaar, wanneer het tweede lid met s of z begint. Men kan b.v. een oogenblik weifelen tusschen de spelling goedschiks en goedsschiks. Wanneer men echter bedenkt, dat de geheele uitdrukking wel is waar een zoogenaamde genitivus absolutus is, overeenkomende met blootshoofds, goedsmoeds, gewapenderhand, maar dat het gebruik reeds in sommige dergelijke uitdrukkingen, als veeltijds, droogvoets, de s kennelijk heeft uitgestooten, dan zal men geene afdoende reden zien om, in strijd met de Welluidendheid, een woord te bezwaren met eene s, die voor de duidelijkheid niet gevorderd wordt.
211. Anders is het gelegen met woorden, waarin zin het tweede lid is, voorafgegaan door een bepalend woord, als alleszins, eenigszins enz., waarvan reeds boven gehandeld is. De z heeft daarin hare verscherping te danken aan de s van het eerste lid. Blijft deze weg, dan herneemt zij noodwendig haren zachten klank, en verkrijgt men alle-zins, geen-zins enz., hetgeen tegen de gebruikelijke uitspraak strijdt. De s is derhalve in al die woorden volstrekt onmisbaar; zie boven, § 125.
212. De verbindings-s had in de tot hiertoe behandelde gevallen, op weinige uitzonderingen na, nog altijd eene beteekenis. Deze mist zij natuurlijk, wanneer het eerste lid de stam van een werkwoord is, gelijk b.v. in leidsvrouw, scheidsman, raagshoofd, waarin zij kennelijk alleen om den wille der uitspraak is ingevoegd. Bedenkt men dit, dan zal men niet in de verzoeking komen om in woorden, wier eerste lid de stam van een werkwoord is, en wier tweede met s of z begint, b.v. in hebzucht, eene s te schrijven, die alleen zou moeten strekken om een sisklank voor te stellen, die zonder dat reeds in het woord aanwezig is, en, dubbel uitgesproken, onwelluidend klinkt. Wij schrijven derhalve leidstèr (leidstar), evengoed als het afgeleide leidstĕr, zonder s, niettegenstaande leidsman en leidsvrouw eene s hebben.