Quomodo sedet sola civitas plena populo! facta est quasi vidua domina gentium1. Ik was nog bezig aan deze canzone en had eerst de bovenstaande stanza ervan voltooid, toen de Heer der Gerechtigheid deze Allerlieflijkste opriep om te stralen onder het teeken dier gebenedeide Koningin, de Maagd Maria, wier naam steeds in hoogste eere geweest was in de woorden der zalige Beatrice. En ofschoon het misschien gepast zoude schijnen hier iets van haar verscheiden van ons te verhalen, is het toch niet mijne bedoeling daarover hier te spreken om drie redenen: de eerste is dat het niet in het plan ligt, indien wij slechts letten op de voorrede, welke dit boekske voorafgaat; de tweede is, dat, aangenomen dat het wèl in mijnen opzet lag, mijne taal toch niet bij machte zoude zijn dit te behandelen naar behooren; de derde is dat het, aangenomen het een zoowel als het ander, het mij toch niet zoude betamen hierover te handelen, omdat ik, er over handelende, mijzelf zoude moeten prijzen, hetgeen bovenal laakbaar is in wie zulks doet2; en ik laat dus deze behandeling over aan eenen anderen uitlegger3. Evenwel, aangezien herhaaldelijk het getal negen voorkwam in de voorgaande regelen, zoodat het duidelijk is dat dit niet zonder reden het geval is, en bij haar verscheiden ditzelfde getal eveneens eene belangrijke beteekenis schijnt te hebben gehad, past het dààrover hier iets te zeggen, omdat dit wèl bij het plan behoort. Zoodat ik allereerst zal zeggen welke rol het speelde bij haar verscheiden en vervolgens eene reden zal aanwijzen waarom dit getal nauw met haar verbonden was.
Ik zegge dan dat, volgens den kalender van Arabië, hare edele ziel verscheidde in het eerste uur van den negenden dag der maand; en volgens den kalender van Syrië verscheidde zij in de negende maand des jaars, omdat de eerste maand aldaar is Tisirin de Eerste, welke bij ons is October. En volgens onze eigen tijdrekening verscheidde zij in dàt jaar van onze aanwijzing—dat wil zeggen van de jaren des Heeren—waarin het volmaakte getal negen malen vervuld was in die eeuw waarin zij in deze wereld werd geplaatst; en zij behoorde tot de christinnen der dertiende eeuw4. Waarom dit getal zoo nauw met haar verbonden was; deze zou de reden hiervan kunnen zijn: aangezien er volgens Ptolomaeus en volgens de christelijke waarheid negen bewegelijke hemelen zijn, en aangezien volgens de gewone astrologische opvatting genoemde hemelen hier beneden invloed uitoefenen naar gelang van hunnen stand ten opzichte van elkaar, was dit getal aan haar verbonden om te verstaan te geven dat bij hare geboorte alle negen bewegelijke hemelen in het meest volmaakte evenwicht met elkaar stonden. Dit is ééne reden ervan; maar wanneer men er scherper over nadenkt en volgens de onbedriegelijke waarheid, was zijzelf dit getal, ik meen vergelijkenderwijs gesproken, en ik bedoel dit aldus: Het getal drie is de wortel van negen, zoodat het zonder hulp van eenig ander getal, met zichzelf vermenigvuldigd, negen uitmaakt, gelijk wij klaarblijkelijk zien dat driemaal drie is negen. Dus, gezien dat drie de schepper-uit-zichzelf van negen is en de schepper der wonderen uit zichzelf drie is, dat wil zeggen Vader, Zoon en Heilige Geest, welke drie één zijn—werd deze Vrouwe begeleid door het getal negen om te verstaan te geven dat zijzelve eene negen was, dat wil zeggen een wonder, welks wortel alleenlijk de wonderbaarlijke Drie-eenheid is5.
Misschien dat een scherpzinniger persoon hiervoor nóg dieper redenen zou vinden: maar deze is het welke ik er in zie en welke mij het meeste behaagt.
Nadat deze allerlieflijkste Vrouwe uit dit leven was verscheiden, bleef de bovenbedoelde stad achter als eene weduwe en als beroofd van alle waardigheid; zoodat ik, nog weenende in deze verlaten stad, iets schreef aan de voornaamste burgers der stad6 over haren toestand, nemende tot begin deze woorden van den profeet Jeremia: “Quo modo sedet sola civitas, etc”. En ik zeg dit opdat niemand zich er over verwondere dat ik dit hierboven heb aangehaald als het ware als eene intrede tot de nieuwe stof welke volgt. En indien iemand mij wilde verwijten dat ik niet nederschrijf wat op de aangehaalde woorden volgde, verontschuldig ik mij hiermede dat het van begin af niet mijne bedoeling was eene andere dan de volkstaal te schrijven: zoodat, aangezien de woorden welke volgden op de aangehaalde, allen in het Latijn waren, het buiten mijne bedoeling zoude vallen wanneer ik ze nederschreef: en ik weet dat deze mijn grootste vriend, tot wien ik dit schrijf, dezelfde bedoeling heeft, dat wil zeggen dat ik hem schrijve alleenlijk in de volkstaal.
Nadat mijne oogen een tijdlang geweerd hadden en zòò vermoeid waren dat ik door hen niet langer mijn droefenis kon uitstorten, bedacht ik te trachten haar uit te storten door eenige klagelijke woorden; en daarom nam ik mij voor eene canzone te maken, in welke ik klagende zou verhalen van haar, door wie eene zoo groote smart tot verwoesteres van mijne ziel gemaakt was, en ik begon toen eene canzone welke begint: “Mijn oogen, droevend om ’t gepijnigd hart....” En opdat deze canzone aan het slot meer verweduwd moge lijken, zal ik haar verdeelen vòòr ik haar neerschrijf: en deze manier zal ik in het vervolg volhouden.
Ik zeg dat deze ongelukkige canzone drie gedeelten heeft: het eerste is eene voorrede; in het tweede spreek ik over hààr; in het derde spreek ik medelijdend tot mijn lied. Het tweede begint hier: “Zoo woont de zaalge....”; het derde hier: “Mijn klaaglijk Lied....” Het eerste gedeelte kan worden verdeeld in drieën; in het eerste zeg ik wat mij beweegt te spreken; in het tweede zeg ik tot wie ik spreken wil; in het derde zeg ik van wie ik spreken wil. Het tweede begint hier: “En wijl ik weet....”; het derde hier: “En u verhalen....”. Vervolgens, wanneer ik zeg: “Zoo woont de zaalge....”, spreek ik van hààr; en hierover maak ik twee gedeelten: in het eerste zeg ik de reden waarom zij ons ontnomen werd; daarna zeg ik hoe men klaagt over haar verscheiden, en dit gedeelte begint hier: “Haar zuivre ziel....” Dit gedeelte kan worden verdeeld in drieën: in het eerste zeg ik wie haar niet beweent; in het tweede zeg ik wie haar wel beweent; in het derde verhaal ik mijnen eigen toestand. Het tweede begint hier: “Maar om zijn diepe smart....”; het derde hier: “Met zuchten zwaar”. Vervolgens, wanneer ik zeg: “Mijn klaaglijk lied....” spreek ik tot mijne canzone, haar aanwijzend tot welke vrouwen zij gaan moet, en dat zij bij hen moet blijven.
Mijn oogen, droevend om ’t gepijnigd hart,
Hebben zooveel geleden door lang weenen,
Dat voor altijd hun werking schijnt verstoord;
Dus, wil ik mij bevrijden van die smart
Die langzaam, langzaam leidt ten doode henen,
Moet ik ’t beproeven met mijn klagend woord.
En wijl ik weet hoe ’t ééns mij heeft bekoord
Van mijn Meestres, nog niet van de aard ontweken,
Tot u te zingen, vrouwen, schoon en zacht,
Wil ’k, naar ik vroeger placht,
Ook nu tot eedler vrouwen harten spreken
En u verhalen in mijn droeve klacht,
Hoe ze onverwacht ten hemel is getogen
En met mij Amor liet van smart gebogen.
Zoo woont de zaalge Beatrice7 omhoog;
In ’t rijk der englen toeft ze in eeuwgen vrede
En liet ook u, gij vrouwen, hier alleen.
Geen kou noch hitte was ’t die haar bedroog
En nam, als zooveel anderen, haar mede;
Maar ’t was haar groote nedrigheid alleen,
Die straalde zulk een glorie rond haar heen
En zoo den hemel met haar glans doorlichtte,
Dat God, verbaasd om ’t wonder dat hij schiep,
Voor zijn verlangen diep
Naar zooveel heil en heerlijkheden zwichtte
En haar van de aard voor altijd tot zich riep.8
Want wèl ook wist hij dat dit moeizaam leven
Niet waardig was een schoonheid zòò verheven.
Haar zuivre ziel, vol van genade9 leeft,
Nu zij het lieflijkst lichaam heeft verlaten,
Verklaard in ’t harer schoonheid waardig oord.
Wie niet om haren dood moet weenen heeft
Een hart van steen, zoo slecht en zoo verwaten
Dat het naar ootmoed nimmer heeft gehoord.
Geen laag gemoed, door hoogste kunst gespoord,
Kan zich maar iets verbeelden van haar wezen;
Zoodat geen rouw noch weedom het benart.
Maar om zijn diepe smart
Zuchtend en klagend moet te sterven vreezen,
En van àl troost berooft zijn droevend hart,
Wie gansch doorgrondt in zijn verlaten droomen,
Hoe schoon zij was en hoe ze ons werd ontnomen.
Met zuchten zwaar beklage ik mijnen nood,
Wanneer mijn geest, van droefenis bevangen,
Herroept het beeld dat dus mijn hart verscheurt.
En dikwijls wen ik peins over den dood,
Welt in mij op zòò smachtend-zoet verlangen,
Dat mijn gelaat reeds als ten doode ontkleurt.
En vat ik gansch waarom mijn ziele treurt,
Dan kwelt me een heir van smarten van al zijden,
Zoodat ik krimp van pijn om wat ik lijd
En zinloos klaag en krijt
En moet de menschen diepbeschaamd vermijden.
En weenend roep ik in mijn eenzaamheid:
“O Beatrice, gingt ge waarlijk henen?”
Dan troost haar naam me, als waar’ zij zelf verschenen.
Tranen van rouw en zuchten van verdriet
Waar ik ook toef mijn eenzaam hart verweeken,
Dat elk zou weenen die mijn lijden zag.
Hoe nu mijn leven in droefnis vervliedt
Sinds mijn Meestres ten hemel is ontweken:
Geen tong die ’t ooit te schilderen vermag.
Daarom, gij Vrouwen, zou geen zelfbeklag
U kunnen zeggen hoe mij ’t harde leven
Verwondt en met herinnring kwelt en pijnt
En hoe mijn ziel dus kwijnt
Dat iedereen: “U heb ik opgegeven”
Ziet hij mijn lippen veeg, te zeggen schijnt.
Maar zoo mijn woorden ’t u al niet vertelden:
Zìj ziet mijn leed en zal ’t mij ééns vergelden.
Mijn klaaglijk Lied, van tranen zwaar, nu ga,
En zoek opnieuw die maagdekens en vrouwen,
Wier liefelijk vertrouwen
Uw zusters menigmaal hebben verblijd.
Nu ga! maar gij, die Droefnis’ dochter zijt,
Blijf gij bij hen, ontroostbaar, voortaan rouwen.
Nadat deze canzone geschreven was, kwam er iemand tot mij die volgens de graden der vriendschap mijn vriend was onmiddellijk volgende op dien grootsten: en deze was door bloedverwantschap zoo nauw verbonden aan de glorierijke, dat niemand haar nader stond10. En toen hij bij mij was om mij te spreken, verzocht hij mij of ik voor hem iets wilde zeggen over eene dame die gestorven was; en hij veinsde zijne woorden, opdat het zou schijnen alsof hij over eene andere sprak, die korteling gestorven was: waarop ik, bemerkende dat hij alleenlijk sprak over de gebenedeide, hem toezegde te zullen doen wat zijn verzoek mij vroeg. Waarop ik, hierover nadenkende, mij voornam een sonnet te schrijven, waarin ik ietwat klaagde en dit te geven aan dezen mijnen vriend, opdat het schijnen zou als hadde ik het voor hem gemaakt; en ik schreef daarop dit sonnet: “O komt en luistert naar mijn zuchte’ en klachten....”
Hetzelve heeft twee gedeelten: in het eerste roep ik de getrouwen der Liefde aan opdat zij naar mij luisteren mogen; in het tweede verhaal ik van mijnen ellendigen toestand. Het tweede begint hier: “Hen dank ik ’t....”
O komt en luistert naar mijn zuchte’ en klachten,
Gij eedle harten: Meelij roept u aan!
Hen dank ik ’t, die zoo gansch ontroostbaar gaan,
Dat ik in stille smart niet moet versmachten.
Want ach, mijn oogen zijn niet meer bij machte
Te storten schuldgen tol van traan op traan,
En zoo mijn leed—zij hebben ’t lang gedaan—
Om mijne Vrouwe rouwend te verzachten.
Zoo luistert hoe mijn wanhoop rustloos krijt
Om haar, wier schoone lieflijkheden gloren
Daar, waar alleen haar deugd vond waardge woon.
En raadloos zult ge mij beklagen hooren
Het leven dat mijn eenzaam harte lijdt
Nu al zijn heil en zaligheid ontvloôn.
Toen ik dit sonnet geschreven had, overwegende wie degene was wien ik het wilde geven als ware het voor hem gemaakt, leek het mij toe dat deze dienst armelijk was en schamel jegens iemand die zoo nauw verwant was aan de glorierijke. En daarom schreef ik, alvorens ik hem het bovenstaande sonnet gaf, nog twee stanza’s eener canzone; de eene werkelijk voor hem en de andere voor mijzelf, ofschoon beide voor éénzelfden persoon geschreven lijken voor wie niet scherp toeziet. Maar wie ze scherp beschouwt, ziet zeer goed dat er twee verschillende personen in spreken; voorzoover de een niet spreekt als van zìjne Vrouwe, doch de ander wel, gelijk duidelijk blijkt. Deze canzone en dit sonnet gaf ik hem, hem zeggende dat ik ze voor hem gemaakt had.
De canzone begint: “Altijd, eilaas!” en heeft twee gedeelten: in het eene, dat wil zeggen in de eerste stanza, klaagt deze mijn dierbare vriend, aan haar vermaagschapt; in het tweede klaag ik zelf, dat wil zeggen in de tweede stanza, welke begint: “Zoo mengen zich....” En zoo blijkt het dat in deze canzone twee personen klagen, de een van welke klaagt als haar broeder, de ander als haar dienaar. En dit is de canzone, welke begint:
Altijd, eilaas! wanneer ik val aan ’t peinzen
Dat ik hier nimmermeer
De Vrouwe weer zal zien die mij ontviel,
Ziet zulk een heir van pijnen rondom grijnzen
Mijn overdroeve ziel,
Dat ik mijzelven vraag: “Waarom begeer
Ik nog dit leed te dragen dat zoozeer
Mij pijnt en tot een last maakt heel dit leven,
Dat ik, vervuld van smart en vreeze groot,
Aanroep den zoeten Dood,
Of hij mij eindlijk rust en vree zal geven;
Zeggend: O kom! zòò gaarn ben ik bereid,
Dat ik nu elken stervende benijd.”
Zoo mengen zich mijn mijmerdroeve zuchten
Tot ééne stage klacht,
Die in den Dood mijn eenge troost begroet.
Tot hèm voortaan al mijn verlangens vluchten,
Sedert mijn Vrouwe zoet
Mij werd ontnomen door zijn wreede macht
En harer schoonheid heerelijke pracht
Omhoog, nu zij van ons gezicht moest scheiden,
Ontbloeide tot een blanke heiligheid,
Die Liefde’s licht verspreidt
Eeuwig tot aller engelen verblijden:
Want zelfs hun hoogen, zuivren geest verheugt
Het wonder van zòò liefelijke deugd.
Op dien dag waarop een jaar vervuld was sinds deze Vrouwe onder de burgers van het eeuwig Rijk werd opgenomen, was ik ergens gezeten alwaar ik, in herinnering aan haar verzonken, een engel teekende11 op een zeker tafeltje; en terwijl ik deze teekende sloeg ik de oogen op en zag naast mij eenige mannen, welken ik eerbied behoorde te betoonen. En zij keken naar hetgeen ik deed en, naar wat mij later gezegd werd, hadden zij daar reeds eenigen tijd gestaan eer ik hen bemerkte. Toen ik hen zag stond ik op, en groetende zeide ik tot hen: “Een ander was juist bij mij en daarom peinsde ik.” Waarop ik, nadat deze vertrokken waren, tot mijne bezigheid terugkeerde, dat wil zeggen tot het teekenen van engelengedaanten. Zulks doende kwam mij de gedachte woorden op rijm te zeggen als ter verjaring van hààr en te schrijven tot hen die tot mij gekomen waren: en ik schreef toen dit sonnet, hetwelk begint: “Weer zag mijn ziel....” en hetwelk twee beginkwatrijnen heeft12, zoodat ik het zal verdeelen volgens het eene en volgens het andere.
Ik zeg dat volgens het eerste dit sonnet drie gedeelten heeft: in het eerste zeg ik dat mijne Vrouwe reeds in mijne herinnering was; in het tweede zeg ik wat de Liefde mij dientengevolge aandeed; in het derde spreek ik van de uitwerkingen der Liefde. Het tweede begint hier: “Ook Amor voelde....”; het derde hier: “Zij togen uit mijn borst....” Dit gedeelte kan worden verdeeld in tweeën: in het eene zeg ik dat alle mijne zuchten sprekende uittogen; in het tweede zeg ik hoe enkele zekere woorden spraken verschillend van de andere. Het tweede begint: “Maar zij die ’t diepste....” Op dezelfde wijze kan het worden verdeeld volgens het tweede begin, behalve dat ik dan in het eerste gedeelte zeg op welk oogenblik mijne Vrouwe in mijne herinnering was gekomen, en dit zeg ik niet in het andere begin.
Eerste begin.
Weer zag mijn ziel de lichte heugnis doomen
Dier Vrouwe, die om haar ootmoedigheid,
God wonen deed waar hoogst-gebenedeid
Maria troont onder de nedrigst-vroomen.
Tweede begin.
Weer zag mijn ziel de lichte heugnis doomen
Dier Vrouwe om wie de Liefde zelve schreit;
Toen gij, als lokte u hare lieflijkheid,
Kwaamt tot me en zaagt wat mij zoo stil deed droomen.
Ook Amor voelde die herinnring komen,
En in mijn hart ontwaakt, vol droevigheid,
Sprak tot mijn zuchten hij: “Nu gaat en schreit”
En nauwlijks konden zij hun smart betoomen.
Zij togen uit mijn borst weenende heen,
En telkenmale als ik hen hoorde bracht
Hun droeve roep de tranen mij in de oogen;
Maar zij die ’t diepste leden zeiden zacht:
“O eedle geest! ’t is heên een jaar geleên
Dat gij verklaard ten hemel zijt getogen.”
Eenigen tijd hierna, toen ik mij bevond op eene plaats alwaar ik mij den vervlogen tijd in herinnering bracht, was ik zeer peinzend en zoozeer vervuld met smartelijke gedachten dat zij mij uiterlijk deden vertoonen een gelaat vol schrikkelijke verbijstering. Waarop ik, mijne verandering gevoelend, de oogen opsloeg om te zien of iemand mij gezien had. Toen zag ik dat eene edele dame, jong en zeer schoon, voor een venster zeer medelijdend, naar haren aanschijn te oordeelen, naar mij keek; zoodat alle deernis in haar vereenigd scheen13. Vandaar dat,—aangezien ongelukkigen, wanneer zij medelijden met hen bij anderen zien, spoediger beginnen te weenen, alsof zij met zichzelf medelijden hebben—ik in mijne oogen het verlangen gevoelde te gaan weenen; en dus, vreezende mijn ellendig leven te toonen, ging ik heen uit de oogen dier teedere; en ik zeide daarop in mijzelf: “Het kan niet anders of bij deze deernisvolle Vrouwe woont de edelste liefde.” En hierop nam ik mij voor een sonnet te schrijven, in hetwelk ik zou spreken tot haar en in hetwelk ik vervatten zou al wat ik hier verhaald heb. En omdat het door deze verklaring reeds voldoende duidelijk is, zal ik het niet verdeelen. Het sonnet begint:
Mijn oogen zagen ’t zoete mededoogen
Lichten over uw stil en bleek gelaat,
Toen gij aanschouwdet mijn verslagen staat
En mijn gestalte, door de smart gebogen.
Ik dacht: “Dus heeft mijn donker leed bewogen
Haar, die zoo deernisvol mij gadeslaat.”
En vreezend in mijn hart voor het verraad
Van gansch mijn zwakheid door mijn weenende oogen,
Wendde ik van u mijn angst-beschaamde blikken,
Wijl traan op traan van niet te stillen smart
Opwelde als door uw deerenis ontkluist.
En tot mijn droeve ziel zeide ik: “Wel huist
De Liefde in dezer Vrouwe teeder hart,
Dat hij haar blik zoo overdroef doet snikken.”
Het geviel nu dat telkenkeer dat deze Vrouwe mij zag, zij een medelijdend gelaat en eene bleeke kleur, als van liefde, aannam: zoodat zij mij herhaaldelijk deed herinneren aan mijne edele Vrouwe, die steeds diezelfde kleur vertoonde. En het is een feit dat ik dikwijls, niet kunnende weenen, noch mijne droefenis uitstorten, heenging om deze deernisvolle Vrouwe te zien, die naar het scheen door haren blik de tranen uit mijne oogen trok. En daardoor kwam mij ook de begeerte iets er over te zeggen, sprekende tot haarzelf; en ik schreef dit sonnet, hetwelk begint: “Nooit deden Liefde....” en het is begrijpelijk zonder dat ik het verdeel, door zijne voorgaande verklaring. En dit is het:
Nooit deden Liefde en Medelijden bleeken
Een schooner aanschijn, meer bewondrenswaard,
En nooit heeft zulk een teedre glans verklaard
Stil-droevende oogen, ’wijl hun tranen leken,
Dan wen, als woudt ge om hulpe voor mij smeeken,
Uw blik op mijn ellendig wezen staart,
Zoodat mijn hart soms vreezen moet als waar ’t
Om u verdeeld en van zijn heil geweken.
Ik kan mijn brandende oogen niet verweren
Dat zij verlangend dikwijls wenden heen
Tot u, wier blik hun tranenvloed bevrijdt;
Want u aanschouwend is weenen alleen
’t Hen ganschelijk verteerende begeeren,
Schoon onvervuld zoolang ge aanwezig zijt.
Ik kwam tot zoover door den aanblik dezer Vrouwe dat mijne oogen begonnen zich al te zeer te verheugen wanneer zij haar zagen; zoodat ik dikwijls mij er over kwelde in mijn hart en mijzelf wel voor zeer laag hield; en nog herhaaldelijker vloekte ik de ijdelheid mijner oogen en zeide tot hen in mijne gedachten: “Vroeger placht ge te doen weenen al wie uwen droevigen toestand zagen en nu schijnt ge dit te willen logenstraffen door deze Vrouwe, die u aanziet, die u echter alleenlijk aanziet voorzooverre zij denkt aan de glorierijke Vrouwe over wie gij placht te weenen; doch wat ge doen kunt doet dat maar, want ik zal u dikwijls genoeg aan haar herinneren, vermaledeide oogen; want nooit, dan slechts na den dood, behoordet ge uwe tranen te doen verdrogen”. En toen ik in mijzelf aldus tot mijne oogen had gesproken, besprongen mij wederom zware en bange zuchten. En opdat deze strijd welke in mij gevoerd werd niet slechts alleen bekend bleve aan den ongelukkige die hem gevoelde, nam ik mij voor een sonnet te maken en in hetzelve dezen verschrikkelijken toestand te vervatten, en ik schreef dit sonnet, hetwelk begint: “Gij oogen mijn....”,
en het heeft twee gedeelten: in het eerste spreek ik tot mijne oogen zooals mijn hart in mijzelf sprak; in het tweede neem ik een zekeren twijfel weg door te openbaren wie het is die aldus spreekt; en dit gedeelte begint hier: “Zoo spreekt mijn hart....” Men zoude ook zeer wel meerdere verdeelingen kunnen aannemen, maar zij zouden overbodig zijn, omdat het duidelijk is door de voorgaande verklaring.
Gij oogen mijn, die om mijn droefnis schreiden
Zoo bitterlijk en staag nu reeds zoo lang,
Ge zaagt hoe dikwijls ge ook langs andrer wang
Deedt tranen vloeien van diepst medelijden.
Vergeten hebt ge, schijnt wel, heel uw lijden;
Want ach, ik heb, voor zooveel pijnen bang,
U niet genoeg herinnerd aan dien drang
Tot hààr, aan wie ge alleenlijk u moest wijden.
Zoozeer ontrust nu mijn beschaamd geweten
Uwe ijdelheid dat ik in vreeze groot
Den aanblik ducht dier deernisvolle vrouw.
Want nooit behoordet, dan slechts in den dood,
Gij onze doode Vrouwe te vergeten.—
Zoo spreekt mijn hart en zucht in zwaar berouw.
De aanblik dezer Vrouwe bracht mij in zulk eenen vreemden toestand, dat ik dikwijls aan haar dacht als aan iemand die mij al te zeer bekoorde; en ik dacht over haar aldus: “Deze is eene lieflijke Vrouwe, schoon, jong en wijs, en wellicht verschenen door den wil der Liefde, opdat mijn leven rust zoude vinden.” En dikwijls genoeg dacht ik over haar nog teerder, zoozeer dat mijn hart er mede instemde, dat wil zeggen met deze gedachten. Maar wanneer het aldus had toegestemd, begon ik, als door de Rede daartoe aangespoord, opnieuw te overpeinzen en zeide in mijzelf: “Eilaas, welk eene gedachte is deze, welke mij op eene zoo lage wijze wil troosten en mij haast niets anders laat denken!” Dan verhief zich eene andere gedachte en zeide: “Nu ge in zoo groote beproeving geweest zijt, waarom wilt gij u niet terugtrekken uit zulke bitterheid? Gij ziet dat dit eene inblazing der Liefde is welke de begeerten der Liefde met zich brengt en welke komt van eene zoo lieflijke zijde als de oogen dezer Vrouwe die zich zoo deernisvol heeft betoond.” Zoodat ik, na aldus herhaaldelijk in mijzelf te hebben gestreden, er eenige woorden over zeggen wilde; en omdat diegenen in dien strijd van gedachten overwonnen welke voor hààr spraken, scheen het mij dat ik tot haarzelf moest spreken; en ik schreef dit sonnet, hetwelk begint: “Een lieflijke, teer-fluistrende gedachte....”. En ik zeg “lieflijke” omdat zij sprak over eene lieflijke Vrouwe, ofschoon zij overigens allerlaagst was. In dit sonnet onderscheid ik in mijzelf twee deelen, naarmate mijne gedachten verdeeld waren. Het eene noem ik hart, dat wil zeggen begeerte; het andere noem ik ziel, dat wil zeggen Rede; en ik zeg wat het eene aan het andere zegt. En dat het juist is de Begeerte “hart” te noemen en de Rede “ziel”, is duidelijk genoeg voor hen van wie het mij lief is dat zij het begrijpen. Het is waar dat ik in het voorgaande sonnet de partij van het hart kies tegen de oogen, en dit schijnt in strijd met wat ik nu zeg; en daarom zeg ik dat ik ook dààr het hart als Begeerte heb verstaan, aangezien mijn verlangen om te denken aan mijne allerlieflijkste Vrouwe toch grooter was dan dat om die andere te zien, ofschoon ik daartoe wel eenige begeerte gevoelde, welke echter nog licht scheen; zoodat de eene uitspraak niet in strijd is met de andere.
Dit sonnet heeft drie gedeelten: in het eerste begin ik met tot die Vrouwe te zeggen hoe mijn verlangen zich geheel en al tot haar keert; in het tweede zeg ik hoe de ziel, dat wil zeggen de Rede, spreekt tot het hart, dat wil zeggen de Begeerte; in het derde zeg ik hoe dit antwoordt. Het tweede gedeelte begint hier: “Dies vraagt mijn ziel...”; het derde hier: “En ’t antwoordt haar....”
Een lieflijke, teer-fluistrende gedachte,
Van u vervuld, toeft bij mij menigmaal,
En spreekt van liefde zulk een zoete taal
Dat zij mijn hart met haar doet medesmachten.
Dies vraagt mijn ziel aan ’t hart: “Wie is die zachte,
Die wil dat troost en vree weer in ons daal’?
Dat niets in ons nog naar iets anders taal’,
Tot zulke werking is haar deugd bij machte?”
En ’t antwoordt haar: “Eilaas, bezorgde ziel,
Een nieuwe boô der Liefde kwam getogen,
Die van een nieuw verlangen mij vertelt;
En heel zijn leven, heel zijn sterk vermogen,
Straalt uit den blik dier deernisvolle ziel
Wie ’t leed om ònze martelingen kwelt.
Tegen dezen tegenstander der Rede verhief zich op eenen dag, omstreeks het negende uur, eene sterke verbeelding in mij; het scheen mij namelijk dat ik de glorierijke Beatrice aanschouwde, met dit lichtroode kleed, in hetwelk zij voor het eerst mijnen oogen verschenen was; en zij leek mij zeer jeugdig, van denzelfden leeftijd als toen ik haar voor het eerst zag. Daarop begon ik over haar te peinzen, en mij alles herinnerende volgens de orde des tijds, begon mijn hart smartelijk zijne begeerte te berouwen, door welke het zich zoo lagelijk eenigen tijd had laten in bezit nemen, in strijd met de bestendigheid der Rede. En, dusdanige slechte begeerte geheel verdreven hebbende, wendden zich al mijne gedachten wederom tot hunne allerlieflijkste Beatrice. En ik zegge dat ik van toen af zoozeer aan haar begon te denken met heel mijn hart vol schaamte, dat mijne zuchten het dikwijls openlijk getuigden, aangezien bijna allen bij hun uitgaan zeiden wat in mijn hart gesproken werd, dat wil zeggen den naam der Allerlieflijkste en hoe zij van ons verscheidde. En dikwijls gebeurde het dat eene gedachte zooveel smart medebracht, dat ik haarzelf vergat en eveneens waar ik mij bevond. Door deze wederopleving mijner zuchten ontwaakte ook het weenen, hetwelk had opgehouden, op zulk eene wijze dat mijne oogen twee dingen geleken welke niets anders begeerden dan te weenen: en dikwijls gebeurde het dat, door hun lang voortgezet weenen, rondom hen een purperen kleur zich vertoonde, gelijk te verschijnen pleegt bij iemand die den marteldood sterft: waaruit blijkt dat zij waardiglijk voor hunne ijdelheid werden gestraft; zoodat zij sindsdien niemand zouden hebben kunnen aanzien die naar hen mocht kijken op eene wijze welke hen tot eene dergelijke afdwaling hadde kunnen bewegen. Waarop ik, wenschende dat het bleek dat deze begeerte en ijdele bedoeling inderdaad vernietigd waren, en wel zoo, dat de berijmde woorden welke ik daarvòòr geschreven had, tot geen enkelen twijfel meer aanleiding zouden kunnen geven, mij voornam een sonnet te maken, in hetwelk ik den zin van het hier gezegde zou vervatten. En ik schreef toen: “Eilaas, door veler zuchten stage klacht....” En ik zeide “Eilaas” omdat ik mij er over schaamde dat mijne oogen aldus ijdellijk gedwaald hadden. Dit sonnet verdeel ik niet omdat zijne verklaring duidelijk genoeg is.
Eilaas! door veler zuchten stage klacht,
Uit ’s harten droef herinneren geboren,
Hebben mijn oogen zwak de kracht verloren
Den blik te zoeken die hun groet verwacht.
’t Is of in hen slechts één verlangen smacht:
In tranen iedren lach van vreugd te smoren;
Een vuurgen kring doet Liefde rond hen gloren,
Gelijk de kroon die martelaren wacht.
De zuchten en gepeinzen mijner rouwe
Vervullen zòò mijn weedomzware hart
Dat Amor zwijmt van droefheid overgroot,
Omdat hij hen, de stille boôn der Smart,
Den zoeten naam hoort fluistren mijner Vrouwe
En woorden, ach, over haar vroegen dood.
Na deze beproeving14 geschiedde het—in dien tijd waarop veel volks kwam om de gebenedeide beeltenis te zien, welke Jezus Christus ons heeft achtergelaten van zijn allerschoonst gelaat15, hetwelk nu mijne Vrouwe in glorie aanschouwt—dat een aantal pelgrims door eene straat trokken, welke nagenoeg midden door de stad liep waar de Allerlieflijkste werd geboren, leefde en stierf; en zij gingen, naar het mij toescheen, ernstig peinzend. Waarop ik, over hen denkende, in mijzelf zeide: “Deze pelgrims schijnen mij van zeer verre te komen en ik geloof niet dat zij zelfs over deze Vrouwe hebben hooren spreken; zij weten van niets; veeleer zijn hunne gepeinzen over andere zaken dan over haar hier; misschien denken zij aan hunne verre vrienden, die wij niet kennen.” Daarop zeide ik in mijzelf: “Ik weet dat, wanneer zij uit eene naburige streek kwamen zij in eenig opzicht in hun uiterlijk bedroefd zouden schijnen, aldus midden door de bedroefde stad gaande.” Daarop zeide ik in mijzelf: “Indien ik hen eene wijle kon ophouden, zoude ik hen zekerlijk doen weenen alvorens zij deze stad verlieten, omdat ik woorden zou zeggen die wien ook die ze hoorde zoude doen weenen.” Waarop ik, nadat zij uit mijn gezicht waren voorbij gegaan, mij voornam een sonnet te schrijven, in hetwelk ik zou openbaren datgene, wat ik in mijzelf gezegd had; en opdat het nog klagelijker zoude schijnen, nam ik mij voor het te schrijven alsof ik tot hen gesproken had; en ik schreef dit sonnet, hetwelk begint: “Ai pelgrims, die zoo ernstig langs mij gaat....”. En ik zeide “pelgrims” in de ruime beteekenis van het woord: want “pelgrims” kan in dubbelen zin verstaan worden, eenen ruimen en eenen engen; in ruimen voorzoover ieder die buiten zijn vaderland toeft pelgrim is; in engeren heet slechts diegene pelgrim die naar het huis van den heiligen Jacobus gaat of er vandaan komt. En voorts wete men dat de lieden die naar den dienst des Allerhoogsten tijgen op drie wijzen kunnen worden genoemd: zij heeten “Palmdragers” voor zoover zij overzee gaan, vanwaar zij dikwijls palmbladen meebrengen; zij heeten “pelgrims” voor zoover zij naar het huis van Galizia16 gaan, omdat het graf van den heiligen Jacobus verder van zijn vaderland verwijderd ligt dan dat van eenig ander apostel; zij heeten “Rome-gangers” voor zoover zij naar Rome gaan, waarheen ook zij, die ik hier pelgrims noemde, togen. Dit sonnet verdeel ik niet, omdat zijne verklaring het genoeg verduidelijkt.
Ai pelgrims, die zoo ernstig langs mij gaat,
Verdiept wellicht in der herinnring droomen,
Zijt ge uit een land zòò vreemd en ver gekomen—
Als mij getuigt uw aanschijn en gewaad—
Dat niet de tranen langs uw bleek gelaat,
Nu gij doorschrijdt deez’ stad der Rouwe, stroomen;
Als lieden die nog niets hebben vernomen
Van haar verlaten, deerniswaardgen staat?
Mijn zuchtend hart zegt mij met zekerheid
Dat, zoo ge bleeft om naar mijn klacht te hooren,
Ge niet dan weenend gaan zoudt van hier henen:
Haar Beatrice heeft zij, ach, verloren!
En ieder woord over haar lieflijkheid
Heeft het vermogen elkeen te doen weenen.
Hierop zonden twee edele dames tot mij om mij te verzoeken dat ik hen eenige rijmen zenden mocht; waarop ik, denkende aan hunnen hoogen stand, mij voornam hen iets te zenden en tevens iets nieuws te maken, hetwelk ik hen met de andere zenden zou, opdat ik op meer waardige wijze hun verzoek vervulde. En ik schreef toen een sonnet, hetwelk mijnen staat verhaalde, en ik zond het hen, van het voorgaande vergezeld en van nog een ander, hetwelk begint: “O komt en luistert”. Het sonnet, hetwelk ik toen maakte begint: “Boven die sfeer....”
hetwelk uit vijf gedeelten bestaat: in het eerste zeg ik waarheen mijn geest gaat, hem noemend bij den naam van een zijner uitwerkingen. In het tweede zeg ik waarom hij omhoog gaat, dat wil zeggen wie hem aldus doet stijgen. In het derde zeg ik wat hij aanschouwt, te weten eene Vrouwe die daarboven geëerd wordt, en ik noem hem dan “pelgrim-geest” omdat hij geestelijk zoo hoog stijgt en, gelijk een pelgrim, die buiten zijn vaderland is, daar toeft. In het vierde zeg ik hoe hij haar aldus ziet, dat wil zeggen van zulke hoedanigheid, dat ik deze niet kan begrijpen, dat wil zeggen dat mijn geest opstijgt tot hare hoedanigheid in zulk een graad dat mijn verstand het niet bevatten kan, aangezien ons verstand zich verhoudt tot deze gelukzalige zielen gelijk ons zwakke oog tot de zon; en dit zegt ook de Filosoof in het tweede boek der Metaphysica. In het vijfde zeg ik dat, ofschoon ik niet kan begrijpen waarheen mijn geest mij voert, namelijk tot hare wonderbare hoedanigheid, ik toch tenminste dit begrijp dat heel deze gedachte is van mijne Vrouwe, aangezien ik herhaaldelijk haren naam in mijne gedachte hoor. En aan het slot van dit vijfde gedeelte zeg ik: “Dan, vrouwen dier....” om te verstaan te geven dat het vrouwen zijn tot wie ik spreek. Het tweede gedeelte begint hier: “Een nieuw begrip....”; het derde hier: “En daar, waarheen....”; het vierde hier: “Hij schouwt haar zòò....”; het vijfde hier: “Maar ’k weet....” Men zoude het nog nauwkeuriger kunnen verdeelen en nog nauwkeuriger doen begrijpen, maar deze verdeeling kan volstaan en dus zal ik mij niet ophouden met het nog verder te verdeelen. En dit is het sonnet, hetwelk hier begint:
Boven die sfeer die ’t allerwijdste kringt,17
Vermag mijn geest als stille zucht te stijgen;
Een nieuw begrip, dat Liefde in leed verkrijgen
Mij deed heeft hem tot zulk een vlucht bezwingt.
En daar, waarheen heel zijn verlangen dringt,
Ziet hij een Vrouwe voor wie de englen neigen;
Zòò stralend dat mijn pelgrim-geest in d’eigen
Lichtgloed haar schouwt, die uit haar wezen blinkt.
Hij schouwt haar dus, dat wen hij, weergekomen,
’t Verhalen wil, ’t droef hart dat hem doet spreken
Niet vatten kan een taal zoo wonderbaar.
Maar ’k weet: van Beatrice komt hij spreken;
En heb ik haren zoeten naam vernomen,
Dan, vrouwen dier, is alles tòch mij klaar.
Na dit sonnet verscheen mij een wonderbaarlijk gezicht18, in hetwelk ik dingen zag welke mij deden besluiten niet meer over deze gebenedeide te spreken alvorens ik op eene waardiger wijze over haar zou kunnen handelen. En om dit te bereiken, beijver ik mij zooveel ik kan, gelijk zij wèl weet19. Zoodat, indien het Hem, door wien alles leeft, behaagt dat mijn leven nog eenige jaren dure, ik van haar hoop te zeggen wat nooit nog van eenige Vrouwe gezegd werd. En daarna moge het Hem, die de Heer aller Hoofschheid is, behagen dat mijne ziel henen ga om de glorie harer Vrouwe te zien, dat wil zeggen dier gebenedeide Beatrice, die verheerlijkt schouwt in het aangezicht van Hem, “qui est per omnia saecula benedictus”20. Amen.
Einde.
1 Hoe zit die stad zoo eenzaam, die vol volks was! Zij is als eene weduwe geworden, zij, die groot was onder de heidenen. (Klaagliederen van Jeremia I. 1).
2 Deze derde reden heeft tot heel wat onderstellingen aanleiding gegeven. Aannemelijk lijkt mij dat Dante wil zeggen: door haar op waardige wijze in haar hemelsche heerlijkheid af te beelden, zou ik mijzelf min of meer een brevet van heiligheid geven.
3 Een anderen uitlegger (chiosatore, glossateur) Cina da Pistoia, die eene canzone schreef om Dante te troosten over het verlies van Beatrice. (Zie Aanhangsel)
4 De kalender van Arabië. Beatrice stierf in den avond van 8 Juni 1290. Volgens Arabische dagverdeeling begon de dag na zonsondergang. Dante roept die dagverdeeling dus te hulp om den datum 8 te kunnen veranderen in 9, en den Syrischen kalender opdat Juni de 9de maand zou zijn.
Tisirin de eerste. Er zijn namelijk twee maanden welke dien naam dragen.
Het volmaakte getal = 10.
5 Dante’s kabalistische negen-fantasie, overigens geheel naar de mode des tijds, komt alleen voor in het proza. Blijkbaar heeft hij dus in den tijd waarin hij de gedichten schreef nog niet aan dit quasi-mystieke verband gedacht. De behoefte om het wezen van Beatrice te vergeheimzinnigen en zijn liefde tot haar te vergoddelijken is eerst nà haar dood, zooniet ontstaan, dan toch sterker geworden. Als Beatrice niet gestorven was, zou Dante stellig vroeger of later haar dood hebben “verzonnen”.
6 Aan de voornaamste burgers. A li principi de la terra. Volgens sommigen “aan de vorsten der aarde”. Maar “terra” wordt door Dante herhaaldelijk als “stad” gebruikt en met “principi” kan hij, onder de suggestie van het “principes” in zijn Latijnschen brief, “principali” bedoeld hebben, d.w.z. de aanzienlijksten. De uitbreiding van zijn smart over de geheele stad (zie ook § XL) is in Dante’s toestand verklaarbaar, vooral waar hij herhaaldelijk gewaagd van haar algemeene bemindheid; doch een brief aan de “vorsten der aarde” ware slechts belachelijk.
7 Hier wordt Beatrice voor het eerst in een voor publiciteit bestemd gedicht bij den naam genoemd.
8 Vergelijk Americ de Belenoi:
Mas dieus vos a mandat a se venir
Quar saubes luy e joy e pretz servir.
9 Vol van genade: piena di grazia. Vergelijking met Maria (Ave Maria, gratia plena).
10 Nauw verbonden. Hoogstwaarschijnlijk Beatrice’s broeder Manetto, van wien althans bekend is dat hij met Cavalcanti bevriend was. Wetend, dat niemand de nagedachtenis zijner zuster zoo zou kunnen eeren als Dante, durfde hij hem uit kieschheid toch niet direkt het verzoek daartoe te doen.
11 Een engel teekende. Juist in dezen tijd begon de teeken- en schilderkunst in Florence tot bloei te komen. Cimabue (1240–1302). Of Dante deze kunst ernstig beoefend heeft of alleen als dilettant, is niet uit te maken. Opmerkelijk is wel dat Dante, die als alle welgestelde Florentijnen tot een bepaald gilde moest behooren, werd ingeschreven bij dat der “medici e speciali” onder welke laatste rubriek o.a. ook de schilders vielen.
12 Twee beginkwatrijnen. Waarschijnlijk had Dante het sonnet reeds geschreven met het tweede begin, toen de gedachte bij hem opkwam het aan zijn aanzienlijke bezoekers op te dragen. Verlenging van een sonnet door aanhanging van een of meer terzinen (z.g. “staart”, sonetto caudato) komt in de Italiaansche poëzie meer voor.
13 Wie deze “Vrouwe aan het venster” was is niet bekend. Sommigen meenen een zekere Lisette (zie Aanhangsel), anderen Gemma Donati, met wie Dante huwde. Enkelen, die blijkbaar noch van dichters, noch van liefde en de verteedering van het medelijden begrip hebben, gelooven dat zij niemand anders was dan de.... “filosofie”, welke hem van de contemplatie van het “geloof” afhield. Het moge waar zijn dat Dante ook deze liefde achteraf deze symbolische beteekenis heeft gegeven, oorspronkelijk moet zij een even reëelen grondslag hebben gehad als zijn liefde voor Beatrice zelf.
14 Sommige commentatoren meenen dat deze paragraaf eigenlijk behoort te worden ingelascht tusschen XXXIII en XXXIV. Immers Dante’s woorden tot de pelgrims over de “stad der rouwe” klinken veel natuurlijker wanneer zij werden gesproken kort nadat Dante zijn brief aan “de aanzienlijke burgers” had geschreven. Bovendien zouden de beginwoorden “Dopo questa tribulazione” bezwaarlijk kunnen slaan op Dante’s avontuur met de “Vrouwe aan het Venster”, wel echter zijn zij volkomen op hun plaats onmiddellijk na Beatrice’s dood. Ik voer hiertegen echter aan dat het woord tribulazione (door mij vertaald met “beproeving” misschien nog juister weer te geven door “verzoeking”) ook voorkomt in § XXXVIII, dus juist wel slaande op bedoelde episode. Voorts valt te bedenken dat de aanschouwing der zg. Veronica voor de middeleeuwsche geloovigen gold als een voorproefje van de aanschouwing van Christus in den hemel, en dat in het volgende sonnet Dante’s pelgrimgeest zich inderdaad tot den hemel verheft om er Beatrice te aanschouwen. Het is natuurlijk wel mogelijk dat ook dit sonnet eerder werd geschreven dan die aan de “deernisvolle Vrouwe”, maar zéker behoort het het slotgedicht te zijn en is Dante dan opzettelijk van de chronologische volgorde afgeweken. De evenwichtige compositie van het werk eischt dat het eindigt met juist dìt sonnet, waarin een “nieuw begrip, in leed geboren” Dante’s geest opvoert tot de hoogste contemplatie.
15 In dien tijd. In Rome werd ieder jaar in de maand Januari de zg. Veronica (vera icona, waarachtige beeltenis) rondgedragen en gedurende de heilige week in de St. Pieterskerk ter bezichtiging gesteld. Het heette de afdruk van Jezus’ gelaat in den sluier der heilige Veronica, welken zij hem, toen hij den Calvariënberg beklom, had gereikt om zich het zweet af te wisschen.
16 Het huis van Galizia. Het heiligdom van den apostel Jacobus in de Spaansche provincie Galizia.
17 Boven die sfeer. Dat wil zeggen buiten het Primum mobile, in het Empyreum dus. (Zie aanteekening 1.) In de Divina Commedia aanschouwt Dante in eigen persoon Beatrice, hier is het nog slechts zijn “zucht” d.w.z. zijn verzen, welke tot die hoogte vermag te stijgen.
18 Een wonderbaarlijk gezicht. Zeer waarschijnlijk was onder het schrijven van den prozatekst het plan in Dante gerijpt om de behandelde stof nog eens, maar op veel grootscher wijze, te herhalen. Reeds de canzone in § XIX bevat, zooals reeds werd opgemerkt, waarschijnlijk een toespeling op zijn tocht door de Hel.
19 Beijver ik mij. Studio wordt hier zonder twijfel ook door Dante bedoeld in den zin van “studeeren”, als intellektueele voorbereiding.
20 Die gezegend is door alle eeuwen.