Derde ommegang.
1–21. Algeheele gesteldheid van dezen ommegang en hoe Cerberus daar de zielen ontvangt.
22–33. Cerberus door Virgilius tot bedaren gebracht.
34–99. Ontmoeting met den Florentijn Ciacco.
100–111. Een twijfel van Dante over de eeuwige straffen door Virgilius opgelost.
112–115. Verdere tocht langs dezen ommegang.
1 Bij het wederkeeren van den geest, die zich gesloten had voor de erbarmelijkheid der twee verwanten, welke van droefheid mij gansch had verward,
4 zie ik nieuwe martelingen en nieuwe gemartelden rondom mij, hoe ik mij ook beweeg en hoe ik mij ook wend en hoe ik ook spied.
7 Ik ben op den derden ommegang, (dien) van den regen, den eeuwigen, den gemaledijden, den kouden en den bezwaarlijken: nooit heeft die nieuwen regelmaat of hoedanigheid.
10 Grove hagel, grauwe waterdroppen en sneeuw giet daar neder door de duistere lucht: de aarde stinkt die dat ontvangt.
13 Cerberus, woedend, wreed en vreemdsoortig, blaft hondschelijk met drie kelen, over de volkeren die daar zijn ondergedompeld.
16 De oogen heeft hij vermiljoen, en den baard druipend en zwart, en den buik breed, en de handen genageld: hij grijpt de geesten, vilt ze en vierendeelt ze.
19 De regen doet ze huilen als honden: met de ééne zijde beschutten zij zich de andere: dikwijls keeren zij zich, de ellendige ontwijden.
22 Toen Cerberus, die groote worm, ons gewaar werd, opende hij die monden en toonde ons de tanden: geen lid had hij, dat hij stil hield.
25 En de Gids mijn, met de hand-palmen uitgespannen, greep de aarde en met volle vuisten wierp hij die binnen in de begeerige muilen.
28 Gelijk de hond is, die blaffende begeert, en zich stil houdt zoodra hij in het voeder bijt, daar hij dan alleen zich inspant en verweert om het te verslinden;
31 tot de zulken maakten zich die vale aangezichten van den demon Cerberus, die de geesten zoo overdondert dat zij doof wenschten te zijn.
34 Wij gingen verder over de schimmen, welke de bezwaarlijke regen ter neder slaat, en zetteden de voetzolen boven op hunne ijdelheid, die schijnt menschelijk te zijn.
37 Zij lagen allen ter aarde; behalve ééne, die zich oprichtte om te zitten, zoodra zij ons zich zag voorbijgaan.
40 „O Gij, die door deze Hel gegoten wordt,” zeide hij tot mij: „herken mij: indien gij weet, (wie ik ben): gij waart gemaakt, vóórdat ik ontmaakt was.”
43 En ik tot hem: „De benauwenis, welke gij hebt, onttrekt u wellicht aan mijnen geest, zoodat mij schijnt dat ik u nooit gezien had.
46 Maar zeg mij wie gij zijt, die op zoo droeve plaats gezet zijt en tot zoodanige straffe, dat, indien andere grooter, geene meer ongevallig is.”
49 En hij tot mij: „Uwe Stad, die zoo vol is van nijd, dat reeds de zak overloopt, hield mij in zich in het onbewolkte leven.
52 Mijne medeburgers noemden mij Ciacco: door de verdoemelijke schuld van den slokdarm word ik, zooals gij ziet, in den regen geweekt.
55 En ik, verlorene ziele, ben niet alleen, daar alle dezen tot ééndere straf door ééndere schuld hier zijn.” En meer zeide hij niet.
58 En ik antwoordde hem: „Ciacco, uwe bedroevenis weegt mij zoo zwaar, dat zij mij tot weenen noodt: maar zeg mij waartoe
61 zullen de burgers komen van de verdeelde stad: of er iemand rechtvaardig is; en zeg mij de oorzaak waardoor zoo groote tweedracht haar besprongen heeft.”
64 En hij tot mij: „Na lange spanning, zullen zij tot bloed komen, en de Bosch-partij zal de andere verjagen met veel letsel.
67 Voorts later voegt het dat deze valle binnen drie jaren en dat de andere bovendrijve met de kracht van dengenen die voor het oogenblik kust houdt.
70 Hoog zal zij langen tijd de hoofden houden, de andere houdend onder zware gewichten, hoe die daarover ook weene en zich verontwaardige.
73 Rechtvaardig zijn er twee, maar zij worden daar niet gehoord: verwatenheid, nijd en hebzucht zijn de drie vlammen, die de harten in brand houden.”
76 Hier maakte hij een eind aan het klagelijk geluid. En ik tot hem: „Nog wil ik dat gij mij onderwijzet en dat gij mij van meer te spreken de gave gevet.
79 Farinata en Tegghiaio, die zoo waardig waren, Jacobus Rusticucci, Arrigo en Mosca en de anderen, die hunne zinnen er op zetteden om goed te doen,
82 zeg mij waar zij zijn en maak dat ik ze herkenne; daar groote begeerte mij dringt om te weten of de hemel ze verzoet dan wel de hel ze vergiftigt.”
85 En hij: „Zij zijn te midden der zwartere zielen: andere schuld houdt ze onder aan den bodem: indien gij zooveel daalt, zult gij ze kunnen zien.
88 Maar wanneer gij in de liefelijke wereld zult zijn, breng mij te binnen aan anderer heuchenis: meer zeg ik u en meer antwoord ik u niet.”
91 De recht-gerichte oogen draaide hij toen tot loensche: een weinig (nog) keek hij mij aan en toen neigde hij het hoofd: en hij viel daarmede als gelijke van de (andere) blinden.
94 En de gids zeide tot mij: „Hij wordt niet meer wakker aan deze zijde van het geluid der engelsche bazuin. Wanneer de hun vijandelijke macht zal komen
97 zal ieder het droeve graf hervinden, hij zal zijn vleesch en zijne gestalte hernemen, en hij zal hooren dat wat in eeuwigheid nabauwt.”
100 Zoo gingen wij henen over het murwe mengsel der schimmen en des regens, met trage schreden, handelende een weinig van het toekomstige leven.
103 Waarom ik zeide: „Meester, die martelingen, zullen zij toenemen na het groote vonnis; of zullen zij minder worden, of zullen zij aldus op deze kookhitte blijven?”
106 En hij tot mij: „Keer weder tot uwe wetenschap, welke wil dat, hoe meer een ding volmaakt is, het te meer het goede voelt en evenzoo de pijn.
109 Hoewel dit gemaledijde volk nooit tot ware volmaaktheid komt, hoopt het aan gindsche zijde meer dan aan deze (volmaakt) te zijn.”
112 Wij beschreven de gansche rondheid van dien straatweg, nog veel meer sprekend dat ik niet herzeg: wij kwamen aan het punt waar men neder daalt:
Vierde ommegang.
1–15. Ontmoeting met Plutus.
16–66. De straffen der hebzuchtigen en der verkwisters.
67–96. Virgilius legt uit wat de Fortuin is.
Vijfde ommegang.
97–108. De Styx.
109–126. De straffen der toornigen en luiaards.
127–130. Verdere tocht langs dezen ommegang.
1 „Papé Satan, papé Satan aleppe,” begon Plutus met de klokkende stem. En die edele wijze, die alles wist,
4 zeide om mij te troosten: „U schade niet de vreeze, daar, wat voor macht hij ook hebbe, hij u niet het afklimmen van deze rots zal benemen.”
7 Voorts keerde hij zich tot dat opgeblazen gelaat, en zeide: „Zwijg, gemaledijde wolf: vreet u zelven van binnen op met uwe dolheid.
10 Niet zonder reden is deze tocht naar de diepte: gewild wordt hij in den hoogen, dáár waar Michaël wraak nam over de verwaten schennis,”
13 Gelijk de door den wind gezwollen zeilen slap neer vallen, wanneer de mast breekt: zoo viel het wreede beest ter aarde.
16 Zoo gingen wij neder in den vierden put, voortgaande langs den droevigen oeverrand, die het kwaad des heelals als in eenen zak opneemt.
19 O Gerechtigheid Gods, wie hoopt zoo vele ongehoorde arrebeiden en straffen opeen, als alle welke ik zag? En waarom wordt onze schuld aldus gedelgd?
22 En gelijk de golf doet, daar boven Charybdes, die stukslaat op die welke zij ontmoet; zóó geschiedt het dat hier het volk den rondedans danst.
25 Hier zag ik meer volks dan ergens anders, èn van de ééne zijde èn van de andere, met groot gehuil lasten wentelend door de kracht van de borst.
28 Zij botsten daar tegen elkander, en voorts wendde zich elk daar al maar weerom, schreeuwende: „Waarom houdt gij vast?” „En waarom gooit gij weg?”
31 Zóó draaiden zij langs den gruwelijken cirkel, van alle kanten naar het tegenovergestelde punt, elkander stadig het beschamend referein toe-roepend.
34 Voorts keerde zich elk, nadat hij daar gekomen was, weer langs zijnen halven cirkel, (om te komen) tot de volgende botsing. En ik die het hart benauwd had,
37 zeide „Meester mijn, nu toon mij aan, welk volk dit is, en of dat allen klerken zijn die geschorenen aan onze linker hand.”
40 En hij tot mij: „Alle dezen waren in den geest zóó scheel ziende gedurende het voormalige leven, dat zij met mate geen enkele uitgave deden.
43 Hunne stem roept het duidelijk genoeg, wanneer zij komen aan de twee punten van den cirkel, waar de tegengestelde schuld ze schift.
46 Dit waren klerken, die geen harig deksel op het hoofd hebben, en pauzen en kardinalen, op welken hebzucht hare oppermacht uitoefent.”
49 En ik: „Tusschen deze zoodanigen moest ik er wel eenige herkennen, die bevlekt waren met zoodanige onreinheden.”
52 En hij tot mij: „IJdele gedachte gaart gij: het niet onderscheidende leven, dat hen wond heeft gemaakt, maakt ze nu duister voor alle herkenning.
55 Ten eeuwigen dage zullen zij komen tot de twee botsingen; dezen zullen uit het graf opstaan met de vuist gesloten, genen de haren zich uitgetrokken hebbend.
58 Het verkeerd geven en het verkeerd houden heeft hun de schoone wereld ontnomen en ze gezet aan deze haarplukkerij: hoe die ook zij, het woord er voor vermooi ik niet.
61 Nu kunt gij zien, zoon, den korten asem der goederen, die onderworpen zijn aan de Fortuin, om welke het menschelijk geslacht elkander in de haren zit,
64 daar al het goud, dat onder de maan is en vroeger was, van deze vermoeide zielen er niet ééne zou kunnen doen verpoozen.”
67 „Meester,” zeide ik tot hem: „zeg mij dan nu ook: deze Fortuin, van welke gij mij even spraakt, wat is zij, die de goederen der wereld aldus tusschen de klauwen heeft?”
70 En hij tot mij: „O domme schepselen, hoe groote onwetendheid is die, welke u krenkt! Nu wil ik dat gij mijne uitspraak opneemt.
73 Degene, Wiens weten het al te boven gaat, maakte de hemelen en gaf hun wie ze geleidt, zoodat elk deel elk deel vóórlicht,
76 gelijkelijk het licht uitdeelende: zóó ordineerde hij voor de wereldsche schatten eene algemeene uitdeelster en leidsvrouw,
79 opdat deze bij tijden de ijdele goederen van volk op volk en van het ééne bloed op het andere zoude doen overgaan, boven de inmengingen van het menschelijk oordeel:
82 waarom (dan ook) het ééne volk heerscht, en het andere kwijnt, volgende Haar oordeel, hetwelk wegschuilt, als in het gras de adder.
85 Uw weten heeft geen (kracht tot) wederstand tegen haar: zij vóórziet, oordeelt en oefent haar bestuur uit, gelijk het hunne de andere goden.
88 Hare wisselingen zijn zonder oponthoud: noodzakelijkheid doet haar vlug zijn; zoo gebeurt het wel dikwijls dat iemand standverwisseling krijgt.
91 Zij is degene, die zoo vaak aan het kruis wordt gebracht, juist door degenen, die haar prijzen moesten, haar ten onrechte lakende en met kwade stem.
94 Maar zij is gelukzalig en hoort dat niet: met de andere eerst (geborene) schepselen wentelt zij haren kring en verheugt zich in welgelukzaligheid.
97 Nu laat ons nederdalen tot grootere erbarmelijkheid. Reeds dalen alle sterren, die stegen toen ik mij opmaakte, en het al te lang blijven is verboden.”
100 Wij gingen den cirkel langs naar den anderen kant tot op een bron, die kookt en uitwatert door een sloot, die van haar afloopt.
103 Het water was véél donkerder dan purper-zwart: en wij in gezelschap van de duistere golven, kwamen beneden-binnen langs moeielijken weg.
106 Die droeve goot, maakt wanneer zij neder gedaald is tot aan den voet der stugge, grauwe rotswanden een poel, die den naam van Styx draagt.
109 En ik, die opmerkzaam stond om rond mij te schouwen, zag bemodderde lieden in dat moeras, ganschelijk naakt en met het voorkomen geschonden.
112 Dezen sloegen zich-zelven, maar niet slechts met de hand, maar (ook) met het hoofd en met de borst en met de voeten, met de tanden zich uitrukkend lap bij lap.
115 De goede Meester zeide: „Zoon, nu zie de zielen van degenen, welken de toorn overwon: en ook wil ik dat gij voorzeker geloovet,
118 dat er onder dat water menschen zijn, die ademhalen, en dat water doen opborrelen naar boven, gelijk het oog u zegt, waarhenen het zich draait.
121 Vastgezet in het slijk, zeggen zij: „Onblijde waren wij in de liefelijke lucht, welke de zon vervroolijkt, binnen-in ons dragende den walm der zwaarmoedigheid:
124 dus worden wij nu bedroefd in de zwarte modder.” Dit gezang borrekikken zij in den strot daar zij het niet kunnen zeggen met volkomene woorden.”
127 Zoo gingen wij eenen grooten boog rond, van den gruwelijken put tusschen den droogen rand en het weeke, met de oogen gewend op al wie daar modder slikt:
130 en wij kwamen aan den voet van een toren aan het uiteinde.
Vervolg van den vijfden ommegang.
1–30. De vuursignalen op de torens der Stad Dis en ontmoeting met Phlegyas.
31–63. Overvaart van de Styx in het schuitje van Phlegyas. Ontmoeting met Phillippo Argenti.
Zesde ommegang.
64–einde. De stad Ditis. De daarin gelegerde duivelen willen de beide dichters niet binnenlaten.
1 Vervolgende zeg ik dat, lang vóór wij aan den voet van den hoogen toren waren, onze oogen boven naar den top gingen
4 wegens twee vlammetjes, die wij daar zagen plaatsen terwijl een ander (vlammetje) dat teeken beantwoordde van zóó verre, dat het oog het ternauwernood kon waarnemen.
7 En ik, mij gewend hebbende tot de zee van alle weten, zeide: „Dit, wat beteekent het? En wat antwoordt dat andere vuur? En wie zijn degenen, die dat doen?”
10 En hij tot mij: „Over de slijkerige wateren kunt gij reeds waarnemen dat wat verwacht wordt, indien de wasem des poels het niet voor u verbergt.”
13 Nooit schoot pees pijl van zich af, die zóó snel door de lucht liep, gelijk ik toen een klein schuitje zag
16 komen over het water te-ons-waart, onder het bestuur van eenen éénigen schipper, die schreeuwde: „Zijt gij nu gekomen, kwade ziel?”
19 „Phlegyas, Phlegyas, gij schreeuwt ditmaal voor niet,” zeide mijn Heer; „gij zult ons niet langer hebben dan gedurende den overtocht over het slijk.”
22 Gelijk degene, die groot bedrog verneemt, dat hem aangedaan is en voorts daar zich over bedroeft, zoo gedroeg zich Phlegyas in den opgegaarden toorn.
25 Mijn gids daalde af in de hulk, en voorts deed hij mij bij hem daar instappen; alleen toen ik er in was, scheen zij belast.
28 Zoodra als de Gids en ik in het hout waren, ging die oude schuit voort, meer van het water klievende, dan zij pleegt, met anderen (beladen).
31 Terwijl wij liepen over de doodsche molen-vliet, kwam er een voor mij, vol met slijk en zeide: „Wie zijt gij, die komt vóór (uwen) tijd?”
34 En ik tot hem: „Of ik ook kom, ik blijf niet; maar wie zijt gij die zóó bevuild zijt?” Hij antwoordde „Gij ziet wel dat ik er een ben, die ween.”
37 En ik tot hem: „Blijf dan, gemaledijde geest, in weenen en in rouw-misbaar, want ik ken u, al zijt gij ook gansch vuil.”
40 Toen strekte hij beide handen uit naar het hout: waarom de Meester, dit bemerkende, hem terugstiet, zeggende: „Weg gij daar, (blijf) bij de andere honden.”
43 Toen omgaf (de Meester) mij den hals met zijne armen, kuste mij het gelaat, en zeide: „Verontwaardigde ziel, gebenedijd zij de vrouw die met u begord was.
46 Deze was in de wereld een hoovaardig personaadje, geen goede hoedanigheid is er die zijne heuchenis siert: aldus is zijne schim hier razend.
49 Hoevele groote koningen vertoeven daarboven, die hier als zwijnen in de mest zullen staan, slechten dunk van zich achterlatende!”
52 En ik: „Meester, zeer begeering zoude ik zijn om hem te zien onderdompelen in deze brij, voor wij uit dit meer uitgingen.”
55 En hij tot mij: „Vóór de kust zich aan u zien laat, zult gij verzadigd zijn; over zoodanige begeerte, zal het passen dat gij u verheugt.”
58 Even daarna zag ik door die vuile luiden dezen zoodanige behandeling aandoen, dat ik er God nog voor prijs en bedank.
61 Allen schreeuwden: „Pakt Philips Argenti!” En de geest van dien toornigen Florentijn keerde zich met de tanden tegen zich zelven.
64 Daar lieten wij hem en ik vertel niet meer van hem: maar in de ooren trof mij een jammerkreet, waardoor ik het oog, vooruitgericht, openspalk.
67 De goede Meester zeide: „Nu, zoon, naderen wij de stad, die Dis geheeten wordt, met de sombere burgers, met de groote bevolking.”
70 En ik: „Meester, reeds onderscheid ik met zekerheid daar binnen in de vallei haar moskeeën, de vermilioene, alsof zij uit vuur waren opgekomen.”
73 En hij zeide tot mij: „Het eeuwige vuur, dat ze van binnen doet gloeien, toont ze als roode, zooals gij ziet in dit lage gedeelte der hel.”
76 Wij kwamen ondertusschen binnen de diepe grachten, die dat mistroostige land omwallen. De muren scheen het mij dat van ijzer waren.
79 Niet zonder eerst eenen langen omkring gemaakt te hebben, kwamen wij aan een gedeelte, waar de schipper hard tot ons riep: „Stap uit, want hier is de ingang.”
82 Ik zag meer dan duizend (uit den hemel) neergeregenden boven op de poorten die driftiglijk zeiden: „wie is degene, die zonder dood
85 gaat door het rijk der gestorvenen?” En mijn wijze meester maakte een teeken van dat hij heimelijk met hen wilde spreken.
88 Toen sloten zij een weinig van hun groot afgrijzen weg, en zeiden: „Komt gij alleen en dat gene wegga die zoo vermetel binnenkwam in dit rijk.
91 Alleen keere hij terug langs den dwazen weg: hij probeere of hij dien nog weet: daar gij hier blijven zult, die hem geleid hebt door zóó ongure contrei.”
94 Denk, lezer, of ik mij verontrustte in den klank der gemaledijde woorden: daar ik meende dat ik hier nooit zoude terugkeeren.
97 „O dierbare Gids mijn, die meer dan zeven malen mij de veiligheid teruggeven hebt, en mij getogen hebt uit het diepe gevaar, dat zich tegenover mij stelde,
100 laat mij niet los,” zeide ik: „nu ik zoo ontdaan ben; en indien het verder gaan ons ontzegd is, laten wij haastiglijk onze voetsporen terugvinden.
103 En die Heer, die mij tot daar-toe geleid had, zeide tot mij: „Vrees niet, daar niemand ons den doortocht kan ontnemen: door eenen zóódanigen is hij ons gegeven.
106 Maar wacht mij hier; en troost en voed den vermoeiden geest met goede hoop, daar ik u niet in de onderwereld zal laten.”
109 Zoo gaat de dierbare vader heen en laat mij daar en ik blijf in onzekerheid; daar het neen en het ja me in het hoofd (elkander) bestrijden.
112 Hooren konde ik niet wat hij hun toevoegde: maar hij bleef daar gansch niet lang bij hen, daar ieder om het hardst weer naar binnen terug-liep.
115 Gene onze tegenstanders sloten de poorten voor mijns Heeren borst, die buiten bleef, en met langzame stappen naar mij terug keerde.
118 De oogen had hij ter aarde en de brauwen geschoren van alle stoutmoedigheid en hij zeide in de zuchten: „Wie heeft mij de treurende huizen ontzegd.”
121 En tot mij zeide hij: „Gij, omdat ik mij vertoren, verschrik gij daarom niet, want ik zal de proef doorstaan, wat ook daarbinnen tot tegenweer zich gorde.
124 Deze hunne laatdunkendheid is niet nieuw, daar zij haar reeds gebruikten aan minder verholene poort, die men nog zonder vergrendeling vindt.
127 Boven haar zaagt gij dat doodsche opschrift: en reeds aan deze zijde van gene poort daalt de helling af, zonder geleide de ommegangen passeerende,
130 zoodanig één, dat door hem dit land ons ontsloten wordt.
Vervolg van den zesden ommegang.
1–33. Dante en Virgilius wachten voor den ingang der stad Dis.
34–54. De drie Furiën bedreigen hen.
55–64. Virgilius beveelt Dante de oogen te sluiten voor de Medusa.
65–103. De komst van den Engel die hen in de stad leidt.
104–132. Beschrijving der stad Dis, waar de Ketters gemarteld worden.
1 Die kleur, welke de lafhartigheid mij, toen ik mijnen Gids weerom zag keeren, op ’t gelaat verfde, drong (daarom) te eer zijn nieuwe (kleur) binnen in hem terug.
4 Opmerkzaam bleef hij stilstaan als een mensch die luistert, daar het oog hem niet verre kon leiden door de zwarte lucht en de dichte mist.
7 „Toch zal het moeten dat wij dezen strijd winnen,” begon hij: „tenzij.... een zoodanige heeft zich ons aangeboden. O, hoe lang duurt ’t mij dat die andere hier komt!”
10 Ik zag aldus zeer wel hoe hij zijn beginnen wegmoffelde met ’t andere dat daarna kwam, daar dat woorden waren, strijdig met de eerste.
13 Maar niettemin gaf zijn zeggen mij vrees, daar ik die afgeknotte rede misschien in eenen slechteren zin uitlegde dan zij bevatte.
16 „In deze diepte van de doodsche schulp daalt hier ooit iemand neder van de eerste trap, die tot eenige straf de gefnuikte hoop heeft?”
19 Deze vraag deed ik. En hij: „Zelden gebeurt het,” antwoordde hij mij: „dat er iemand van ons den weg aflegt langs welken ik ga.
22 Waarheid is het dat ik nog eenmaal daar omlaag was bezworen door die rauwe Erichtho, die de schimmen tot hare lichamen terug riep.
25 Kortlings was mijn vleesch van mij ontbloot toen zij mij in dezen muur deed binnengaan, om eene ziel te halen uit den cirkel van Judas.
28 Dat is de laagste en duisterste plaats, het meest verwijderd van den hemel, die alles omkringt: wel weet ik den weg: daarom stel u gerust.
31 Deze poel, die den grooten stank uitwasemt, omringt van rondom de treurende stad waar wij op geen manier zonder toorn kunnen binnenkomen.”
34 En hij zeide nog iets maar ik heb het niet in mijnen geest, omdat het oog mij geheel getrokken had in de richting van den hoogen toren met den rossen top,
37 waar in één oogenblik haastelijk gekomen waren drie helsche furiën met bloed bemorst, die vrouwelijke ledematen en voorkomen hadden;
40 en met gansch groene slangen waren omgord: adders en gehoornde slangen hadden zij voor lokken, waarmede de woeste slapen omwonden waren.
43 En gene, die de slonzen der koningin van de eeuwige jammerklacht goed kende, zeide tot mij: „Hoed u voor de wreede Erinyen.
46 Deze is Megere met het onheilspellend gezang: gene, die te rechter zijde weent, is Alecto: Tisiphone is in het midden.” En toen zweeg hij.
49 Met de nagels kliefde elk zich de borst; zij sloegen zich met de hand-palmen en schreeuwden zóó luid, dat ik mij uit vrees tegen den dichter aandrong.
52 „Medusa kome, dan zullen wij hem tot mortel maken” schreeuwen zij allen, naar beneden ziende: „Kwaad (doen wij zoo) wij ons niet wreken op Theseus voor zijn aanval.”
55 „Wend u naar achteren, en houd de oogen dicht; want indien de Gorgo zich vertoont en gij haar ziet, dan zoude er geene kans zijn om ooit weer naar boven terug te keeren.”
58 Aldus sprak de Meester; en hij keerde zelf mij om en hij vertrouwde zich niet op mijne handen, daar hij ook met de zijne mij de oogen sloot.
61 Gij, die gezond verstand hebt, bewondert de leer, welke zich verbergt onder het hulsel der vreemde verzen.
64 En reeds kwam over de troebele wateren eene davering van geluid vol van verschrikking, door het welk de beide oevers sidderden.
67 Niet anders dan het geluid van eenen wind, onstuimig door de hem in den weg staande hette, die het woud slaat, en zonder eenige vermindering
70 de takken rist, afrukt en mede-draagt, in stofwolken trots voorwaarts gaat, en de wilde dieren en de herders doet vluchten.
73 De oogen opende hij mij, en zeide: „Nu richt de scherpte van uwen blik over dit van oudsher schuimend water, in die richting waar de damp het ergste is.”
76 Gelijk de vorschen vóór het vijandig gesis (van de slang) door het water uitéén vluchten, totdat zij zich alle op het land vergaderen,
79 zoo zag ik meer dan duizend verlorene zielen vluchten vóór éénen, die op de plaats der overvaart de Styx met drooge voetzolen overging.
82 Van het gelaat verwijderde hij zich die dikke lucht, de linkerhand dikwijls daarvóór brengende; en enkel van die benauwdheid scheen hij vermoeid.
85 Wèl werd ik gewaar dat hij van den Hemel gezonden was en ik wendde mij tot den Meester: en hij maakte een teeken, dat ik stil moest staan en voor hem nijgen.
88 O hoe vol scheen hij mij te zijn van verontwaardiging! Hij kwam tot de poort, en met een takjen opende hij haar, daar hij daar gansch geen beletsel ondervond.
91 „O uit den hemel gejaagden, verachtelijk volk” begon hij op den gruwelijken drempel: „vanwaar voedt zich deze aanmatiging in u?
94 Waarom wederstreeft gij tegen dien wil, welks doel nooit verijdeld kan zijn, en die meerdere malen u de smart heeft doen toenemen?
97 Welke vreugde is erin het hoofd tegen de beschikkingen des noodlots te stoten? Die Cerberus van u, indien het ulieden wèl heugt, draagt er nog kinnebak en strot door onthaard.”
100 Voorts wendde hij zich tot den onguren straatweg, en sprak geen woord tot ons: maar hij deed gelijk een mensch doet, wien andere zorg nijpt en bijt,
103 dan die welke hem te voren is. En wij bewogen de voeten naar het land, vertrouwend na de heilige woorden.
106 Wij traden er binnen zonder eenigen strijd. En ik, die de begeerte had om den toestand (der zondaren) welke zulk eene vesting in zich opgesloten houdt, te zien,
109 sla de oogen, zoodra ik er binnen ben in het rond; en zie aan elke hand een groot landschap vol van pijn en gruwelijke marteling.
112 Gelijk bij Arles, waar de Rhône stil-staat, gelijk bij Pola aan de Canarische golf, die Italië afsluit en hare grenzen bespoelt,
115 de graven de gansche plaats oneffen maken; zoo deden (de graven) hier aan elke kant, behalve dat de wijze-waarop er nog bitterder was;
118 daar tusschen de graven vlammen verspreid waren, door welke zij van alle kanten zóó zeer in brand ontstoken gehouden werden, dat geen ijzer, meer verhit vuur vereischt.
121 Al hunne deksels waren opgelicht, en zoo harde jammerklachten kwamen er uit, dat zij bleken te zijn van wèl ellendigen en geschondenen.
124 En ik: „Meester, welke zijn deze luiden, die binnen de doodkisten begraven, zich hooren laten door zoo pijnlijke zuchten?”
127 En hij tot mij: „Dit zijn de Ketterhoofden met hunne volgelingen van elke secte, en veel meer dan gij gelooft, zijn de graven gevuld.
130 Gelijke is hier met gelijke begraven, en de graven zijn meer of minder heet.” En nadat hij zich naar de rechter zijde had gekeerd
133 gingen wij voort tusschen de gemartelden en de hooge tinnen.
Voortzetting van den zesden ommegang.
Deze zang bevat de ontmoeting met Farinata degli Uberti, gedurende welke Dante ook wordt toegesproken door Cavalcante Cavalcanti, den vader zijns vriends Guido Cavalcante.
1 Voort gaat nu, langs het enge pad tusschen den wand der aarde en de martelaren mijn Meester en ik achter zijne schouders.
4 „O hoogste deugd, die mij langs de onvrome cirkels rondleidt,” begon ik: „naar het u gevalt, spreek tot mij en voldoe aan mijne begeerten.
7 Het volk, dat in de graven ligt, zou men het kunnen zien? Reeds zijn alle de deksels opgelicht en niemand houdt de wacht.”
10 En hij tot mij: „Zij zullen allen gesloten worden, wanneer zij van Jozaphat hier zullen wederkeeren met de lichamen die zij boven hebben achtergelaten.
13 Aan dezen kant hebben hun graf mèt Epicurus alle zijne volgelingen, die de ziel met het lichaam voor dood verklaren.
16 Daarom in de vraag, die gij mij doet zult gij hierbinnen weldra voldaan worden en ook nog in de begeerte, die gij mij verzwijgt.”
19 En ik: „Goede leidsman, ik houd mijn hart niet voor u verborgen, tenzij om weinig te zeggen; en gij hebt mij niet alleen maar zoo pas daartoe geneigd gemaakt.”
22 „Toscaner, gij, die aldus eerlijk sprekende levend voortgaat door de Stad des vuurs, behage het u stil te staan op deze plaats.
25 Uwe spreekwijze toont u klaarblijkelijk geboren uit dat edele vaderland, aan hetwelk ik wellicht te lastig was.”
28 Plotseling ging dit geluid uit van eene der dood-bussen: daarom drong ik mij, vreezende, een weinig meer tegen mijnen leidsman aan.
31 En hij zeide tot mij: „Keer u om: wat doet gij? Zie daar Farinata, die zich heeft opgericht: van den gordel opwaart zult gij hem ganschelijk zien.”
34 Reeds had ik mijn blik in den zijnen gevest; en hij richtte zich met borst en voorhoofd op, alsof hij de Hel in groote minachting had.
37 En de moedige en vlugge handen van den Leidsman drongen mij tusschen de graven (door) tot hem, zeggende: „Laat uwe woorden wel overwogen zijn.”
40 Zoodra als ik aan het voeteneinde van zijn graf was, bezag hij mij een weinig, en voorts als minachtend vroeg hij mij: „Wie waren uwe voorouders?”
43 Ik, die begeerig was om te gehoorzamen, verborg ze hem niet, maar openbaarde ze hem allen: waarop hij de wenkbrauwen een weinig opwaarts trok.
46 Voorts zeide hij: „Wel heftiglijk waren zij tegenstanders van mij en van mijne voorvaderen en van mijne partij, zoodat ik ze twee keeren verdreef.”
49 „Indien zij ook verjaagd werden, twee malen kwamen zij terug van alle kanten,” antwoordde ik hem; „zoowel de eene als de andere keer; maar de uwen leerden die kunsten niet wel.”
52 Toen richtte zich voor het (ontdekt) kijkgat, een andere schimme langs dezen tot aan de kin op: ik geloof dat hij zich knielings verheven had.
55 Hij keek (rond) mij, als hadde hij begeerte om te zien of een andere mèt mij was; maar toen al zijne verwachting verbruikt was,
58 zeide hij weenende: „Zoo gij door dezen blinden kerker gaat door de hoogheid van uwe ingeborenheid, waar is mijn zoon, of waarom is hij niet mèt u?”
61 En ik tot hem: „Niet uit mij-zelven kom ik: hij, die daar wacht, leidt mij hier doorhenen, wien uw Guido wellicht in minachting hield.”
64 Zijne woorden en de soort zijner straffe hadden van dezen mij reeds den naam gezegd: daarom was mijn antwoord aldus volledig.
67 Plotseling opgericht schreeuwde hij. „Hoe zeidet gij „hij hield?” leeft hij dan niet meer? treft zijne oogen niet meer het zoete licht?”
70 Toen hij eenig aarzelen opmerkte dat ik maakte vóór hem te antwoorden, viel hij achterover en verscheen niet meer naar buiten.
73 Maar die andere groothartige, op wiens toespraak ik stil gestaan had, veranderde niet van aanblik, noch bewoog hij den hals of boog hij zijne zijde.
76 „En indien,” zeide hij, voortgaande op het eerstgezegde: „zij die kunst slecht geleerd hebben, dat foltert mij meer dan deze legerstede.
79 Maar niet vijftig malen zal het aangezicht der vrouwe, die hier heerscht, zich wederom verlichten, of gij zult weten hoeveel die kunst weegt.
82 En zoo waar gij eenmaal in de zoete wereld wederkeeren moogt, zeg mij waarom dat volk in elk van zijne wetten tegen de mijnen zóó onbarmhartig is?”
85 Waarop ik tot hem: „De slachting en het voorbeeld, dat de Arbia roodgekleurd maakte, doet zulke rede houden in onzen tempel.”
88 Nadat hij zuchtende het hoofd geschud had: „Bij dat feit was ik niet alleen,” zeide hij: „noch voorzeker zou ik zonder reden mèt de anderen vertoornd geweest zijn.
91 Maar toen, daar door allen goedgevonden werd om Florence te verdelgen, toen was ik wel alleen degene die het met open blik verdedigde.”
94 „Maar zeg, zoo waarlijk moge eenmaal uw nageslacht rusten,” bad ik hem: „maak mij dezen knoop los, welke hier mijne meening omwikkeld heeft.
97 Het schijnt dat gijlieden, als ik het wèl versta, vooruit ziet, dat wat de tijd met zich mede brengt, en in het tegenwoordige eene andere wijze houdt.”
100 „Wij zien, gelijk degenen die slecht oogenlicht hebben, de dingen,” zeide hij: „die ver van ons zijn zóóveel licht geeft ons nog de hoogste Leidsman:
103 Wanneer zij nader-komen of zijn, dan is ons gansche begrip ijdel; en, als een ander het ons niet aanbrengt, dan weten wij niets van uwen menschelijken staat.
106 Daarom kunt gij begrijpen, dat ons verstand geheel dood zal zijn van dat tijdstip af, dat de poort der toekomst zal gesloten zijn.”
109 Toen, als door mijne schuld gestoken, zeide ik: „Zult gij nu aan dien gevallene zeggen, dat zijn zoon nog met de levenden is verbonden?
112 En indien ik om hem te antwoorden stom was, doe hem weten wat dat veroorzaakte, daar ik namelijk reeds peinsde in de dwaling, welke gij mij hebt opgelost.”
115 En reeds riep mijn Meester mij terug: waarom ik den geest met meer aandrang vroeg dat hij mij zou zeggen wie daar met hem was.
118 Hij zeide tot mij: „Hier lig ik met meer dan duizend: dáárin is de tweede Frederik en de Kardinaal, en van de anderen zwijg ik.”
121 Daarna verborg hij zich: en ik wendde mijne schreden tot den ouden dichter, weder denkende aan dat spreken hetwelk jegens mij vijandig scheen.
124 Hij maakte zich op: en voorts, alzoo voortgaande, zeide hij tot mij: „Waarom zijt gij aldus verbijsterd?” En ik voldeed aan zijne vraag.
127 „Uw geest beware dat wat gij tegen u-zelven hebt gehoord,” beval mij die Wijze, „en hoor gij nu hier:” (en hij stak den vinger recht-op).
130 „Wanneer gij zult zijn voor de zoete straal van Haar, wier schoon oog alles ziet, zult gij van haar den reisweg uws (ganschen) levens weten.”
133 Daarna keerde hij den voet ter linker-hand: wij verlaten den wand en gaan naar het midden langs een pad dat naar een dal loopt,