Vervolg van den achtsten ommegang.
De beide Dichters zien in den vijfden Buidel de omkoopbare staatslieden, en ontmoeten een drom duivels, die hen eerst tegenhouden doch na onderhandeling geleide geven.
1 Aldus gingen wij van brug tot brug, nog andere dingen bepratend welke mijn blij-eindend Dicht niet mee te deelen acht, en wij bereikten den top, wanneer
4 wij stilstonden om de volgende kloof te zien van de Buidelen des Kwaads, en de volgende ijdele klachten; en ik zag die kloof verwonderlijk donker.
7 Gelijk in het Arsenaal der Venetianers des winters het kleverig pek ziedt om hunne kranke houten te heelen
10 die niet kunnen zeehouden, en te zelfder tijd bewerkt deze zijn nieuw hout en gene kalefatert de ribben van dat schip, dat meerdere reizen gemaakt heeft;
13 die hamert aan de voor- en gene aan de achtersteven; een ander weer maakt riemen en die weer draait kabels en gene stopt het kleine en het groote zeil;
16 zóó niet door vuur maar door goddelijke kunst kookte daar beneden een dik wak van pek, dat van alle zijden aan den klant bleef kleven.
19 Ik zag het pek, maar in het pek zag ik niets anders dan de bellen, welke het koken deed opstijgen en ik zag het pek gansch zich belgen en saamgeperst weer zinken.
22 Terwijl ik daar beneden met starren blik keek, sprak mijn gids: „Wacht u, wacht u,” en zoo sprekende trok hij mij tot zich van de plaats waar ik stond.
25 Toen draaide ik mij als de man, die te laat ziet, dat, wat hem voegt te ontvluchten en wien plotselinge schrik den moed beneemt,
28 zoodat hij om het zien het vertrekken niet uitstelt: en ik zag achter ons eenen zwarten duivel rennende over den rotsweg naderkomen.
31 Wee hoe woest was hij in het aangezicht en hoe bitter scheen hij mij in zijne gebaren met de vlerken gespreid en licht op zijne voeten.
34 Zijnen schouder, die spits en trotsch was, bezwaarde een zondaar met beide de heupen, en gene hield in den greep zijner vingeren de wreef van diens voeten.
37 Van onze brug riep hij: „Kwaad-klauwen, ziet hier een van de overheden van Santa Zita: legt hem onder, daar ik wederkeer
40 naar dat land dat er wel mede voorzien is: elk man is daar rechtverdraaier behalve Bonturo: van neen maakt men voor geld daar ja.”
43 Daar beneden smeet hij hem neer en hij ging weer heen over den harden rotsweg en nooit werd de bloedhond met zoo groote vaart losgelaten om den dief te achterhalen.
46 De zondaar dook onder en kwam tot een boog gebogen weer boven; maar de duivelen, die de brug tot beschutting hadden, schreeuwden: „Hier is ’t geen plaats voor de heilige buiging.
49 Hier zwemt men anders dan in den Serchio; daarom indien ge niet naar onze gaffels verlangt: kom dan niet boven op het pek.”
52 Voorts sloegen zij de tanden van meer dan honderd gaffels in hem en ze zeiden: „Ondergedompeld voegt het dat men hier danst, zoodat gij, als ge kunt, in geniep wat kunt weghalen.”
55 Niet anders laten de koks hunne dienaren het vleesch midden in den ketel met de haken onderdompelen opdat het niet boven drijve.
58 De goede meester: „Opdat niet blijke dat gij hier zijt,” zeide hij tot mij: „houdt u plat achter een rotsblok opdat gij eenige beschutting hebt.
61 En om eenige beleediging die mij wordt aangedaan, word daarom niet bang, daar mij deze dingen bekend zijn, omdat ik wel een andermaal bij zulk een ontmoeting was.”
64 Voorts schreed hij voort over het toppunt van de brug: en toen hij op den zesden oeverrand gekomen was, had hij wel noodig een rustig voorhoofd te hebben.
67 Met die woede en met die stormachtigheid waarmede de honden naar buiten loopen achter den armen man die om een aalmoes vraagt, plotseling, daar waar hij stil blijft staan,
70 zoo kwamen genen van onder de brug te voorschijn en richtten alle de gaffels tegen hem, maar hij riep: „Niemand van u zij gram.
73 Voordat uw vork mij grijpe, kome één van u naar voren, die mij hoore, en dan bezinne men zich of men mij zal prikken.”
76 Allen riepen: „Ga gij, Kwaad-staart!” waardoor een zich opmaakte, maar de anderen stonden stil; en hij kwam tot hem zeggende: „Wat baat het?”
79 „Gelooft gij, Kwaadstaart, mij hier gekomen te zien,” zeide mijn Meester: „tot nog ongedeerd door al uwe wapenen,
82 zonder goddelijken wil en de gunstige beschikking? laat mij gaan, daar men in den Hemel gewild heeft dat ik eenen anderen den woesten weg wijze.”
85 Toen was zijn trots dermate gevallen, dat hij zich den gaffel voor de voeten liet vallen, en tot de anderen zeide: „Nu worde hij niet gestoken.”
88 En mijn Gids zeide mij: „Gij, die daar gansch plat tusschen de rotsen van de brug zit, kom vreezeloos weer tot mij terug.”
91 Waarom ik mij opmaakte en snel tot hem kwam; en de duivelen kwamen allen naar voren zoodat ik vreesde dat zij zich niet aan het verdrag zouden houden.
94 En zoo zag ik eenmaal de krijgsknechten vreezen die onder verdrag uit Cabrona uitgingen, daar zij zich tusschen zoovele vijanden zagen.
97 Ik drong mij met mijn gansche persoon tegen mijnen leidsman, en ik draaide mijne oogen niet naar den kant van hunne verschijning, die mij niet malsch leek.
100 Zij streken de gaffels en: „Wilt gij,” sprak de één snel tegen den ander: „dat ik hem op het kruis rake?” En zij antwoordden: „Ja, maak dat gij hem raakt.”
103 Maar die duivel, die zich met mijnen Gids had onderhouden, wendde zich snel om en zeide: „Houd op, houd op, Pluk-haar!”
106 Voorts zeide hij tot ons: „Langs dezen rots-weg zult gij niet verder kunnen voort gaan, daar de zesde boog tot op den bodem gansch vermorzeld ligt:
109 en indien toch het verder voortgaan u gevalt, gaat dan voort over dezen dam: dicht bij is een andere rotsrug, die u een overgang geeft.
112 Gisteren, vijf uren later dan dit uur, hadden zich twaalfhonderd zes en zestig jaren vervuld, sedert hier de weg gebroken werd.
115 Ik zend daar henen dezen van de mijnen om te zien of iemand daar een luchtje schept: gaat met hen, want ze zullen niet kwaadaardig zijn.
118 Kom naar voren, Zeilstrijker en IJstrapper,” begost hij te zeggen: „en gij Hondsnoet: en laat Ruigbaard het vendel voeren.
121 Bes-luster kome achter hem, en Draken-muil, Everzwijn met de slag-tanden, en Bullebijter, en Schim-vlerk en Zotte Rood-mond.
124 Doorzoekt rondom de kokende pek-wakken; laat dezen ongedeerd zijn tot aan den volgenden rotsweg, die gansch ongebroken over de kuilen gaat.”
127 „Wee mij! Meester, wat is dat wat ik zie?” zeide ik: „zie, laat ons alleen en zonder geleide gaan, indien gij weet te gaan, want ik verlang dat geleide niet.
130 Indien gij zoo opmerkzaam zijt als gij pleegt, ziet gij niet dat zij de tanden knarsen en door de wenkbrauwen ons met pijn bedreigen?”
133 En hij tot mij: „Ik wil niet dat gij vreest. Laat ze maar tanden knarsen zooveel het hen lust, want dat doen ze tegen de pijn-lijdende gekookten.”
136 En over den linker rotsweg zwenkten zij; maar eerst had ieder tot teeken de tong uitgestoken en de tanden laten zien aan hunnen aanvoerder.
Vervolg van den achtsten ommegang.
Onder het schrikwekkend geleide van een drom duivelen gaan de beide Dichters den vijfden Buidel verder langs en zij aanschouwen eene schermutseling tusschen Duivelen en Rechtsverdraaiers.
1 Menigmalen zag ik ruiters uit de leger-plaats opbreken, den storm beginnen, of hunne monstering doen, en menigmalen den terugtocht blazen:
4 ren-vendels zag ik door uw land, o Aretijnen, en woud-patrouilles zag ik er loopen, spiegelgevechten houden bij drommen en bij tweeën,
7 dan eens met trompetten, dan met klokken, met trommelen en met vesting-signalen, en met in- en uitheemsche dingen,
10 maar nooit met zoo verscheiden blaas-tuig zag ik ruiters of voetknechten optrekken; noch schip op land- of hemelteeken manoeuvreeren.
13 Wij gingen met de tien duivels: wee om het woest gezelschap maar in de kerk verkeert men met heiligen en in de taveerne met gulzigaards.
16 Steeds maar was mijn aandacht gevestigd op het pek om den ganschen inhoud van het kokend vocht en al het volk dat daarin brandde, te zien.
19 Gelijk de dolfijnen, wanneer zij den zeeluiden met den boog van hun ruggegraat een teeken geven, dat zij er op bedacht moeten zijn om hun hulk te bergen;
22 zóó vertoonde, om zich de pijn te leenigen, soms een der zondaren den rug, en verborg dien weer in minder tijd dan het bliksemt.
25 En gelijk aan den sloot-kant de kikvorschen met den muil naar buiten staan, zoodat zij de pooten en het overige dikke verbergen;
28 zoo stonden aan alle kant de zondaren; maar toen Ruigbaard nader-kwam, trokken zij zich zóó terug onder de kook-bellen.
31 Ik zag, en nog gruwt mijn hart er van, éénen wachten zooals het wel gebeurt dat de ééne kikvorsch achterblijft terwijl de ander ver wegspringt.
34 En Bullebijter, die het meest tegenover hem was, sloeg hem met de bepekte haren aan zijn vork en trok hem naar boven, zoodat hij mij een visch-otter scheen.
37 Ik wist reeds van allen den naam, zoo goed had ik er op gelet, toen zij werden uitgekozen, en voorts als zij dan geroepen werden, merkte ik mij hoe.
40 „O Roodmond, maak dat gij hun de klauwen in den rug zet, zóó dat gij ze vilt,” zoo riepen te zamen alle de verdoemden.
43 En ik zeide: „Mijn Meester, maak, indien gij kunt zoodat gij wetet wie de rampzalige is, in de handen gevallen van zijne tegenstanders.
46 Mijn Gids klampte hem van ter zijde aan, vroeg hem van waar hij was en gene antwoordde: „Ik was geboortig uit het Rijk van Navarre.”
49 Mijn moeder stelde mij tot eenen knecht bij eenen heer, daar zij mij gewonnen had van eenen brasser, verderver van zich-zelven en van zijne goederen.
52 Voorts was ik lijfknecht van den goeden koning Tibaud: daar zette ik er mij toe om schelmerijen te bedrijven, waarvan ik nu rekenschap geef in dit heete.”
55 En Everzwijn, bij wien aan elken kant een slagtand uit den mond stak als bij een varken, deed hem gevoelen hoe de eene (tand) stak.
58 Tusschen kwade katten was de muis gekomen; maar Ruigbaard sloot hem in zijn armen en zeide: „Blijft gij lieden daar, terwijl ik hem aan de vork houd.”
61 En naar mijnen Meester wendde hij het gezicht en: „Vraag hem,” zeide hij: „zoo gij nog meer van hem verlangt te weten, voordat een ander hem stukscheurt.”
64 De Gids: „Dan spreek van de andere slechten: kent gij er eenen onder het pek die uit Italië is?” En hij: „Zoo even
67 ging ik weg van éénen, die daar uit die buurt was: mocht ik daar nog zoo goed geborgen met hem zijn, daar ik noch klauw noch gaffel vreesde.
70 En Bes-luster: „Te lankmoedig zijn wij geweest,” zeide hij; en hij greep zijn arm met zijn vork, zóó dat hij, rijtende, het eene lid er van weghaalde.
73 Ook Drakemuil wilde hem grijpen onder aan de beenen; waarom hun aanvoerder zich met kwaden blik omdraaide.
76 Toen zij een weinig tot bedaren waren gekomen vroeg mijn Gids zonder vertoef aan hem die nog zijne wonde beschouwde:
79 „Wie was dat, van wien gij zeidet dat gij tot uw leed gescheiden werdt om op den oever te komen?” En hij antwoordde: „Dat was Broeder Gomita,
82 die van Gallura, een vat van alle ongerechtigheid, die de vijanden van zijnen heer in zijne macht had, maar ze zoo behandelde dat ze hem allen prezen.
85 Zoo kreeg hij geld, en liet hij ze zonder verhoor vrij, zooals hij zelf zegt: en ook in de andere ambten was hij geen kleine schurk maar een opperhoofd onder dezulken.
88 Met hem verkeert heer Michel Zanche van Logodoro; en om te spreken van Sardinië voelen hunne tongen zich nimmer te moei.
91 Wee! zie hoe daar die ander de tanden toont; ik zou nog meer zeggen: maar ik vrees dat hij zich gereed maakt om mij de luis te krabben.”
94 En de groote hoofdman, gericht naar Schimvlerk, die de oogen reeds draaide om hem te slaan, zeide: „Pak u weg, kwade vogel!”
97 „Indien gij heer,” begon de gerustgestelde daarna: „Toscanen of Lombarden” wilt zien of hooren, dan zal ik er doen komen.
100 Maar laat de kwade klauwen een weinig in rust zijn, zoodat genen hunne wraak niet vreezen; en dan zal ik, op deze zelfde plaats blijvende zitten,
103 voor éénen, die ik ben, er zeven doen komen, wanneer ik fluiten zal, gelijk ons gebruik is om dan te doen opdat er een zich naar buiten begeve.”
106 Hondsnoet richtte bij dit woord den muil op, het hoofd schuddende en zeide: „Hoor den kwaden streek, die hij heeft bedacht om zich naar beneden te werpen.”
109 Waarop hij, die listigheid had in grooten rijkdom, antwoordde: „Voorwaar te kwade streken heb ik, als ik den mijnen grooter leed bezorg!”
112 Zeil-strijker kon zich niet weerhouden, maar tegen den zin der anderen in, zeide hij tot hem: „Als gij naar beneden gaat, ik zal u niet achterna komen in galop,
115 maar over het pek zal ik de vlerken klepperen: de hoogte worde ontruimd, en de dam zij u een schild, dan kunnen we zien of gij meer dan wij vermoogt.”
118 Gij die dit leest, nu zult gij van een nieuw spel hooren. Een elk richtte de oogen naar den anderen kant, en hij het eerst, die het stugst was geweest om dit te doen.
121 De Navarrees gebruikte wel zijn tijd; hij zette de zolen vast op den grond en in één wip sprong hij en ontkwam hij aan hun voornemen.
124 Elk stond plotseling hiervan versteld, maar hij het meest, die oorzaak was van het mislukken: daarom maakte hij zich op en schreeuwde hij: „Ik pak je.”
127 Maar weinig vermocht hij: daar (de vlugheid) zijner vleugelen de vrees (van den anderen) niet kon vóór komen: gene dook onder, en hij (Zeil-strijker) keerde vliegend terug met de borst naar boven:
130 niet anders duikt de eend, wanneer de valk nader komt, plotseling onder, en gene keert toornig en gebroken.
133 IJstrapper vertoornd om het spel, hield, verlekkerd om, daar gene ontkomen was, zelf de prooi te pakken, vliegende achter hem aan,
136 en daar de rechtsverdraaier verdwenen was, richtte hij zijne klauwen tegen zijnen gezel, en boven de sloot raakten zij in elkander verwikkeld.
139 Maar de ander was sperwer en grijpvogel genoeg om hem te pakken en beiden vielen zij midden in de kokende poel.
142 Het heete vocht was plotseling ontwikkelaar: maar daarom toch was het hun niet mogelijk zich op te richten, zóó hadden zij de vleugelen bepekt.
145 Ruigbaard, die met zijne andere gezellen stond te treuren, deed er vier naar den anderen kant vliegen allen met een gaffel, en wèl snel
148 gingen zij hier en ginds op hun post; zij staken de vorken toe aan de drenkelingen, die reeds gekookt werden binnen in de korst:
Vervolg van den achtsten ommegang.
Na eerst nog de achtervolging der duivels gevreesd te hebben, komen de dichters veilig in den zesden Buidel en zien daar de huichelaars en Pharizeërs.
1 Zwijgend, eenzaam, zonder geleide, gingen wij voort, de één vóór en de ander achter, gelijk de minrebroeders huns weegs gaan.
4 Op de fabel van Esopus was mijn denken gericht door het zoo-even aanschouwde krakeel, die fabel waarin hij spreekt van den kikvorsch en de muis:
7 daar niet meer „nu” lijkt op „thans,” dan het ééne geval op het andere gelijkt, zoo men eind en begin goed samen koppelt in den wèl oplettenden geest.
10 En gelijk de ééne gedachte uit de andere ontspringt, zoo werd uit deze voorts een andere geboren, die me de eerste vrees verdubbelde.
13 Ik dacht aldus: „Dezen zijn door ons verschalkt, en met dusdanige schade en schande dat ik wel denk dat het ze vernooit.
16 Zoo de toorn nog op hunne kwaadwilligheid zich stapelt, dan zullen ze nog wreeder ons achterna komen, dan een hond achter die haas, die hij met de tanden wil pakken.”
19 Reeds voelde ik mij alle de haren van vrees te bergen rijzen, en ik stond naar achter oplettend, wanneer ik zeide: „Meester,
22 zoo gij niet dadelijk u en mij verbergt, dan heb ik angst voor de Kwaad-klauwen: we hebben ze reeds achter ons: ik verbeeld me ze zoo, dat ik ze reeds voel!”
25 En hij: „Indien ik van gefoelied glas ware, dan zoude ik uw buiten-beeld niet vlugger tot mij trekken dan ik mij nu uw binnen-beeld gewin.
28 Daar juist kwamen uwe gedachten tusschen de mijnen, met welgelijkende gebaren en gelijkend gelaat, zoodat ik van beiden een enkel besluit heb gemaakt.
31 Indien het is dat de recht-kant zóó laag ligt dat wij in den volgenden buidel kunnen afdalen, zouden wij de ingebeelde jacht kunnen ontvluchten.”
34 Nog voleindigde hij niet dusdanig besluit uit te spreken, toen ik ze komen zag met de vlerken gespannen, niet zoo heel ver, om ons van daar te kunnen grijpen.
37 Dadelijk greep mijn gids mij, gelijk de moeder, die op het brand-gerucht is wakker geworden en dicht bij zich de vlammen ontstoken ziet,
40 zoodat zij haar zoon opneemt en vlucht, en niet blijft stil staan, meer voor hem dan voor zich zelven zorg hebbende, zoozeer dat zij zich maar een hemd omhangt.
43 En van den top van den harden dam, liet hij zich op den rug afglijden langs de hellende rots, die der eene zijde van den anderen buidel tot muur verstrekt.
46 Nooit liep water zoo snel door een molen-vliet om het rad van een water-molen te doen omdraaien, daar waar het water het dichtst bij de schepborden komt;
49 als mijn Meester langs dezen rand, mij mede dragende op zijne borst, als zijn kind en niet als zijn medgezel.
52 Nauwelijks waren zijne voeten op de bedding van den bodem benedengekomen, of zij kwamen op de hoogte boven ons: maar daar was geen rede meer tot vreezen,
55 daar de hooge Voorzienigheid, die ze heeft willen stellen tot bedienaren van de vijfde gracht, hun allen de macht ontnam om vandaar weg te gaan.
58 Daar beneden vonden wij een beschilderd volk, dat rond ging met zeer trage schreden, weenende en in het voorkomen vermoeid en gebroken.
61 Zij hadden pijen met de kappen omlaag over de oogen, en de pijen waren gemaakt naar dien snit, als ze in Keulen gemaakt worden voor de monniken.
64 Van buiten zijn zij verguld, zoodat het verblindend is ze te zien; maar van binnen zijn zij gansch van lood, en zoo wichtig, dat (hierbij vergeleken) Frederik ze van strooi deed aanleggen.
67 O in eeuwigheid afmattende mantel! Wij wendden ons maar weder naar de linker hand, gezamentlijk met hen, luisterende naar de droeve klacht:
70 maar door het gewicht ging dat vermoeide volk zóó langzaam, dat wij nieuw gezelschap hadden bij elke beweging van de heup.
73 Waarom ik tot mijnen Gids: „Maak dat gij iemand vindt, die aan daad of naam herkend worde, en beweeg, aldus gaande, de oogen in het rond.”
76 En één, die de Toskaansche sprake vernam, riep ons achterna: „Houdt de voeten stil, gij die dus snel door de duistere lucht loopt:
79 wellicht kreegt ge van mij dat wat gij zoekt.” Waarop de Gids zich omdraaide en zeide: „Wacht, en schrijd voorts naar zijnen tred.”
82 Ik bleef stil staan en ik zag er twee met het gezicht groote begeerigheid der ziel vertoonen om met mij te zijn; maar de last en de nauwe weg belemmerden ze.
85 Toen zij gekomen waren, beschouwden zij mij eenigen tijd met het loensche oog zonder te spreken, voorts wendden zij zich tot elkanderen en zeiden:
88 „Gene schijnt levend aan de beweging zijner keel: en indien ze dood zijn, door welk voorrecht gaan zij onbekleed met den zwaren mantel?”
91 Voorts zeiden zij tot mij: „Toscaner, die tot het droeve collegie der huichelaars gekomen zeidt, versmaad niet te zeggen wie gij zijt.”
94 En ik tot hen: „Ik ben geboren en gegroeid aan den schoonen Arno-stroom in de groote stad, en ik ben (nog) met het lichaam dat ik altijd gehad heb.
97 Maar gij lieden, wie zijt gij, wien, naar ik zie, zóó groote smart langs de wangen neerdruppelt; en welke pijn is er in u die aldus als licht naar buiten breekt?”
100 En de ééne antwoordde mij: „De oranje kappen zijn zóó bevracht met lood, dat de gewichten ervan aldus hunne weegschalen doen kreunen.
103 Broeders der Blijdschap waren wij, en Bolognezen, ik Catalano en gene Loderingo genaamd, en te zamen door uw land gekozen,
106 gelijk anders daar een eenig man pleegt gekozen te worden om er den vrede te bewaren; en wij waren dusdanig, als nog blijkt rondom het Gardingo.”
109 Ik begon: „O broeders, uwe rampen......” Maar meer zeide ik niet; daar ik in het oog kreeg éénen, die met drie palen in den grond gekruisigd was.
112 Wanneer hij mij zag, verwrong hij zich ganschelijk, blazende in zijn baard met zijn zuchten. En broeder Catelano, die dat opmerkte,
115 zeide tot mij: „Die gekruisigde, dien gij beschouwt, ried den Pharizeërs, dat het nut was een mensch voor het volk over te geven tot marteling.
118 Naakt ligt hij dwars over den weg uitgestrekt, gelijk gij ziet, en het is noodig dat hij van wie ook over hem henengaat, eerst voelt hoeveel hij weegt:
121 en op gelijke wijze wordt zijn schoonvader in deze gracht gerekt, en de anderen van den raad, die een slecht zaaisel was voor de Joden.”
124 Toen zag ik Virgilius zich verwonderen over genen, die op het kruis zoo vuig was uitgestrekt in de eeuwige ballingschap.
127 Voorts richtte hij deze woorden tot den broeder: „Niets misvalle u, indien het u vrijstaat, ons te zeggen, of naar de rechter hand eenige opening ligt,
130 waar wij beiden konden uitgaan, zonder eenigen van de zwarte duivelen te nopen dat zij uit de diepte komen om ons verder te brengen.”
133 Dus antwoordde hij: „Meer dan gij hoopt, komt een rots-weg nader, die van den grooten cirkel uitgaat en loopt over alle de wreede valleien,
136 behalve dat hij bij deze vallei is gebroken, en die niet overbrugt: maar gij zult kunnen opgaan over den puinhoop, daar die aan den kant laag is, maar hoog is in de diepte.”
139 De Gids stond een weinig met gebogen hoofd; voorts zeide hij: „Slecht vertelde mij de zaak degene, die de zondaren aan gindsche zijde aan de vork slaat.
142 En de broeder: „Ik hoorde voorheen te Bologna van vele slechtheden van den duivel vertellen, onder welken ik hoorde dat hij bedrieger is en vader van den leugen.”
145 Daarna ging de gids met groote schreden voort, in het voorkomen een weinig door toorn verstoord: waarom ik mij van de bevrachten afscheidde
Vervolg van den achtsten ommegang.
Na met groote inspanning uit den zesden Buidel te zijn gekomen, gaan zij nu over den zevenden dien zij vol van slangen zien.
1 In dat gedeelte van het jeugdig jaar, wanneer de Zon hare lokken onder den Waterman warmt en reeds de nachten ter halver dage weggaan:
4 wanneer de rijp over de aarde de beeltenis nateekent van hare witte zuster, maar weinig duurt de juiste koude-mate voor haar teekenstift;
7 de stulp-bewoner, wien het voer mankeert, staat op en kijkt, en ziet het landschap gansch wit zijn, waarom hij zich de heup slaat;
10 hij keert naar huis en plaagt zich her en der, gelijk de ongelukkige, die niet weet wat hij doen moet; voorts gaat hij weer en doet de hoop weer in de korf,
13 ziende dat de wereld in korte stonde haar voorkomen heeft veranderd, en hij neemt den herders-staf en hij jaagt de schaapjens naar buiten om ze te weiden:
16 zoo deed de Meester mij ontzetten, wanneer ik hem aldus het voorhoofd zag verstoren, en evenzoo snel kwam de pleister op de wond:
19 daar, toen wij aan de gebroken brug kwamen, de Gids zich tot mij wendde met dien zoeten blik, dien ik in het begin had gezien aan den voet van den berg.
22 De armen opende hij, na eenig beleid bij zich zelven verkoren te hebben, nadat hij eerst den puinhoop goed beschouwd had, en toen greep hij mij met vaste hand.
25 En gelijk degene, die werkt en beraamt, die altijd blijkt van te voren op zijne hoede te zijn, aldus, wanneer hij mij optilde naar den top
28 van een rotsblok, zag hij uit naar een andere klip, zeggende: „Wanneer gij daarop zijt, grijp u dan weer vast, maar voel eerst of het zoo is dat het u houdt.”
31 Geen weg was dit voor eenen met een pij bekleede, daar wij nauwelijks (zooals wij waren) hij zoo licht en ik (door hem) vooruit gedrongen, konden opstijgen van trap tot trap.
34 En indien het niet geweest ware, dat de kant van dien (zevenden) dam lager geweest was dan die van den vorigen, ik weet het niet van hèm, maar ik zoude er wel door overmand zijn geworden.
37 Maar daar het gansche gebied van de Buidelen des Kwaads helt naar den mond van den diepst-dalenden put, brengt de gelegenheid van elken buidel mede
40 dat de ééne rand rijst en de andere daalt: maar wij kwamen dan toch eindelijk tot aan dat punt, waar de laatste steen uitsteekt.
43 De adem was mij zóó schoon uit de longen gesnoten, toen ik boven was, dat ik niet verder kon, maar ik zette mij neder bij het eerste aankomen.
46 „Nu past het dat gij u aldus ontluiaardt,” zeide de Meester: „daar men niet zittende op het dons noch onder de dekens tot roem geraakt:
49 en wie zonder roem het leven slijt, zoo ’n spoor laat die op de aarde van zich na, als rook in de lucht of schuim op het water.
52 En daarom, richt u op, overwin de aemechtigheid met die zelfde geestkracht die elken strijd wint, indien zij zich niet met het zware lichaam vervuigt.
55 Nog langeren ladder voegt het te beklimmen; niet genoeg is het van genen vertrokken te zijn: indien gij mij begrijpt, maak dan dat het voor u gelde.”
58 Toen richtte ik mij op, mij beter voorzien van adem vertoonende dan ik mij voelde; en ik zeide: „Ga, want ik ben sterk en vol moed.”
61 Boven over de rots namen wij den weg, die ruw was, smal en moeielijk, en ook veel steiler dan die vorige.
64 Sprekende ging ik om niet vermoeid te schijnen; waarna er eene stem uitging van de volgende gracht, onmachtig om woorden te vormen.
67 Ik weet niet wat hij zeide, hoewel ik reeds boven op den rug was van den boog die daar loopt; maar wie daar sprak, hij was tot toorn bewogen.
70 Ik keek naar beneden; maar mijne levende oogen konden door de donkerte niet tot aan den bodem komen: waarom ik: „Meester, maak dat
73 gij komt op den volgenden ringmuur, en laten wij langs den wand afdalen, daar, gelijk ik hier hoor maar niet begrijp, ik aldus zie, maar niets onderscheid.”
76 „Geen ander antwoord” zeide hij: „geef ik u dan het doen: daar de eerlijke vraag zwijgend door de daad moet worden gevolgd.”
79 Wij daalden van het toppunt van de brug af tot waar hij raakt aan den achtsten oeverrand, en daar werd de Buidel mij duidelijk zichtbaar:
82 en daar binnen zag ik een gruwelijke menigte van slangen, en van zóó verscheiden beweging dat de heuchenis nog mij het bloed doet stollen.
85 Laat Lybië met haar zand zich niet langer verhoovaardigen; want, als het adders, vallende slangen en ander gebroed van kruip-dieren en slangen met twee koppen voortbrengt,
88 het toch nooit te zamen met Aethiopië, noch met dat land, dat boven de Roode Zee ligt, zoovele noch zoo kwade verderfsels vertoonde.
91 Door die rauwe en gure menigte liepen naakte onthutste luiden, zonder te hopen op een opening of op een heliotropium.
94 Met slangen hadden zij de handen op den rug gebonden: dezen staken staart en kop hun door de lendenen en waren aan den voorkant samengeknoedeld.
97 En zie, tot éénen, die aan onzen oever was, naderde een slang, die hem doorboorde daar waar de hals aan de schouderbladen vastzit.
100 En nooit kon men zóó snel een O of een I schrijven, als hij in brand vloog en afbrandde, en ganschelijk als asch in elkander viel:
103 en nadat hij aldus op den grond was te niet gedaan, verzamelde de asch zich wederom van zelf, en keerde op een bot tot die zelfde gestalte weer terug:
106 aldus wordt door de groote wijzen verklaard, dat de Phenix sterft en voorts herboren wordt, wanneer zij tot haar vijfhonderdste jaar genaderd is.
109 Kruiden noch korrelen eet zij in haar leven, maar enkel (leeft zij van) tranen van wierook en amomum; en nardus en myrrhe zijn hare laatste windselen.
112 En gelijk degene is, die valt en niet weet hoe, door kracht van geesten die hem naar den grond trekt, of door een andere belemmering, die den mensch bindt;
115 zoodat hij, wanneer hij zich opricht, verwonderd rond kijkt, gansch verbijsterd door de groote doodspijn, die hij heeft doorstaan, en al kijkende zucht;
118 zóó was die zondaar, toen hij weder was opgestaan. O de Rechtvaardigheid van God, hoe gestreng is zij, dat zij zulke slagen tot straf neer doet ruischen!
121 De Gids vroeg hem voorts wie hij was: waarom hij antwoordde: „Het is nog maar weinig tijd geleden sedert ik uit Toscane nederviel in deze wreede keel.
124 Een beestachtig en niet een menschelijk leven beviel mij, muildier die ik was: het beest Vanni Fucci ben ik, en Pistoia was mij een waardig hol.”
127 En ik tot mijnen Gids: „Zeg hem dat hij niet vertrekke, en vraag hem hoedanige schuld hem naar hierbeneden heeft gedreven: want ik heb hem vroeger wel gezien als man des bloeds en des toorns.”
130 En de zondaar, die dit verstond, hield zich niet schuil, maar aandacht en gelaat wendde hij naar mij en van doodsche schaamte verbleekte hij;
133 voorts zeide hij: „Meer leed doet het mij dat gij mij gevonden hebt in de ellende, waarin gij mij ziet, dan (het mij leed deed) wanneer ik uit het andere leven geholpen werd.
136 Ik kan niet weigeren dat wat gij vraagt; ik ben zoo laag gesteld, omdat ik in de sacristij een dief was van het schoon kerk-gerei;
139 en valschelijk werd dit reeds anderen geweten. Maar opdat gij weinig vreugde hebt van dit gezicht, indien gij ooit weer buiten de ongure plaatsen zult komen,
142 open de ooren voor mijne aankondiging en hoor. Eerst ontdoet Pistoia zich van de Zwarten, voorts hernieuwt Florence luiden en de regerings-wijzen.
145 Mars trekt de dampen op van het dal van Magra, dat van dikke nevelen bezet is: en door een woedenden en hevigen storm
148 zal hij bestreden worden boven Picenum: waarna hij plotseling de nevels zal verbreken, zoodat elke Witte er door getroffen wordt:
Vervolg van den achtsten ommegang.
Voortgaande te zien in den Zevenden Buidel, zien zij Cacus den centaur en voorts vijf aanzienlijke Florentijnen, van welken vier wonderbaarlijke gedaante-verwisselingen ondergaan.
1 Aan het einde van zijne woorden stak de dief de beide handen op met schend-gebaren, schreeuwende: „Pak aan, God, want op U heb ik het gemunt.”
4 Van nu aan werden de slangen mij lief, daar ééne zich om zijn hals krolde, alsof zij zeide: „Ik wil niet dat gij meer zegt!”
7 en een andere (kronkelde) zich om zijne armen, en zich voor hem heen slaande hield hij hem zóózeer gehouden, dat hij met zijne armen geen slag kon geven.
10 O Pistoia, Pistoia! waarom toch besluit gij niet om u zelve in de asch te leggen, zoodat gij niet langer bestaat, daar gij in kwaad-doen uwe afkomst overtreft.
13 Door al de donkere cirkels van de Hel henen, zag ik nooit geest, zoo hoovaardig tegen God, zelfs niet dengene, die te Thebe van de muren viel.
16 Hij ontvluchtte, zoodat hij geen woord meer sprak: en eenen Centaur zag ik vol van dolheid schreeuwende aankomen: „Waar is, waar is de bittere?”
19 Maremma geloof ik niet dat zoovele adderen heeft, als hij er had boven op zijn kruis, tot daar waar onze gedaante begint.
22 Boven op de schouderbladen, achter den nek, lag hem met geopende vlerken een draak, en die barnt al wie hem in den weg komt.
25 Mijn meester zeide: „Dat is Cacus, die onder aan de rots van den Aventijnschen Berg dikwijls een bloedplas maakte.
28 Niet gaat hij met zijne broederen éénen weg, door het bedriegelijk dieven dat hij deed van de groote kudde, die hij in de buurt had:
31 waardoor zijne slinksche streken ophielden onder de knots van Hercules, die er hem wellicht wel honderd slagen meê gaf, en hij voelde er geen tien van.”
34 Terwijl hij alzoo sprak, zoo snelde gene verder; en drie geesten kwamen onder ons, welken noch ik noch mijn Gids opmerkten,
37 tenzij toen zij schreeuwden: „Wie zijt gij?” waarom ons verhaal bleef stil staan, en letten wij enkel maar op hen.
40 Ik kende ze niet, maar het geviel, gelijk het te gevallen pleegt door eenig geval, dat de ééne den andere moest noemen,
43 zeggende: „Cianfa, waar is die gebleven?” waarom ik, opdat de Gids oplettend zou blijven stil staan, mij den vinger op (den mond) legde van kin tot neus.
46 Indien gij nu, lezer, traag zult zijn om te gelooven dat wat ik zeggen zal, dan zal dat geen wonder zijn, daar ik, die het zag, het me nauwelijks toegeef.
49 Terwijl ik de wenkbrauwen naar hen opgericht hield, zie een slang met zes pooten wierp zich van voren op den ééne, en klampte zich gansch aan hem vast.
52 Met de middelste pooten omwond hij hem gansch den buik, en met de voorste greep hij hem de armen; voorts sloeg hij hem de tanden in de ééne en de andere wang:
55 de achterpooten strekte hij om zijn dijen, en hij stak hem den staart tusschen beiden door, en achter bij de lendenen strekte hij dien naar boven.
58 Klimop was nooit zóó om boom tot een baard geworden, gelijk het gruwelijk beest door de leden, des anderen de zijne strengelde:
61 voorts zij aan het samen-smelten, alsof zij van warm was waren geweest, en aan het mengen van hunne kleur; noch den één noch den ander kon men meer zien wie of het was:
64 gelijk vóór het branden dóór het papier heen een bruine kleur boven komt, die nog niet zwart is, en het witte sterft.
67 De andere twee keken, en elk van beiden riep: „Wee mij, Agnel, hoe verandert gij! Zie dat ge reeds niet meer noch twee noch één zijt.”
70 Reeds waren de twee koppen er één geworden, wanneer de twee gezichten tot één voorkomen vermengd zich vertoonden, daar waar twee zoek geraakt waren.
73 Twee armen ontstonden er uit de vier uitsteeksels; de heupen met de beenen, de buik en de borstkas werden ledematen, die nooit waren gezien.
76 Elk vroeger voorkomen was daar gebroken: twee en geen scheen de verkeerde gestaltenis, en zóódanig schreed zij weg met tragen tred.
79 Gelijk de hagedis, onder den grooten geesel der hondsdagen, van doornstruik verwisselend, eene fonkeling schijnt, wanneer zij den weg oversteekt:
82 zóó verscheen, komende naar de buiken der andere twee, een (in drift) ontstoken slang, loodkleurig en zwart als een peper-korrel.
85 En dat deel, van waar het eerst ons voedsel genomen is, doorboorde hij bij den ééne van hen; toen viel hij uitgestrekt voor hem neder.
88 De gebetene zag hem aan, maar zeide niets: maar stil op de voeten staande, geeuwde hij juist zoo alsof slaap of koorts hem besprongen had.
91 Hij keek de slang aan en de slang hem: de een door de wond, en de ander door den muil rookten sterk, en beide rooken ontmoetten elkander.
94 Laat Lucanus voortaan zwijgen, daar waar hij rept van den ellendigen Sabellus en Nassidius, en laat hem passen te hooren wat hier afgeschoten wordt.
97 Laat Ovidius zwijgen van Cadmus en Arethusa: want als die genen in een slang en deze in een bron al dichtende deed verkeeren, ik misgun het hem niet:
100 daar hij nooit twee naturen van aangezicht tot aangezicht aldus veranderde, dat beide de gestalten klaar stonden om van grondstof met elkander te ruilen.
103 Zij antwoordden elkander naar deze regelen: dat de slang den staart tot eenen gaffel spleet, en de gebetene de voeten te samen drong.
106 De beenen en de heupen smolten zóó met elkander samen, dat binnen korte pooze de plaats der samenkomst geen teeken van bestaan meer vertoonde.
109 De gespleten staart nam den vorm aan, die dáár verloren werd, en zijn huid werd zacht, de gindsche hard.
112 Ik zag de armen naar binnen gaan door de oksels, en de twee pooten van het beest, die kort waren, zich zooveel verlengen als gene krompen.
115 Voorts werden de achterste poten, samengewrongen, tot dat lid, hetwelk de mensch verbergt, en de ellendige kreeg van het zijne twee uitgestrekte beenen.
118 En terwijl de rook den éénen en den anderen omhuift met nieuwe kleur en op den éénen haar doet groeien, en den anderen onthaart,
121 richtte de ééne zich op en de andere viel omlaag, maar daarom nog niet de wreede oogen afwendende, onder welke elk beiden van muil veranderde.
124 Diegene, die recht-op was, trok den muil naar de slapen, en van de al te vele matérie, die daarover kwam, gingen de ooren naar buiten uit de dwaze wangen.
127 Dat wat niet naar achter liep en bleef steken, van dat overschot maakte hij een neus voor zijn gezicht, en de lippen verdikte hij, zooveel het pas gaf.
130 Diegene, die lag, steekt den snuit vooruit en de ooren trekt hij over het hoofd terug, gelijk de slak het met zijne voelhorens doet:
133 en de tong, die hij éénig had en rad tot praten, splijt en de gevorkte gaat bij den ander dicht en de rook houdt op.
136 De ziel die beest geworden was, vluchtte sissende door de vallei, en de andere spuwt hem sprekende achterna.
139 Voorts keerde hij hem de nieuwe schouderbladen toe, en zeide tot den andere: „Ik wil dat Buoso, als ik gedaan heb, op handen en voeten langs dit pad loope.”
142 Zóó zag ik de zevende kiel-lading zich veranderen en wederom herveranderen; en hier ontschuldige mij de nieuwheid, indien mijn pen een weinig afdwaalt.
145 En hoewel mijne oogen een weinig verduisterd waren, en mijn geest verbijsterd, toch konden genen niet zoo verholen aan mij ontsnappen,
148 dat ik Puccio Sciancato niet goed opmerkte: en hij was het die alleen van de drie gezellen, die eerst gekomen waren, niet veranderd was:
151 en de andere was die, welken gij Gaville, beweent.