Succulenten of Vetplanten.

(Uitgezonderd de Cactussen.)

De Vetplanten, zoowel de inheemsche als de tropische, behooren tot de hardste en daardoor tot de meest geschikte planten voor kamercultuur. De bladeren van de meeste tot deze groep behoorende planten hebben een dikken cylindervorm, en slechts weinige uitwasemingsorganen; zij zijn vaak bedekt met een wasachtige afscheiding, en krijgen daardoor dikwijls in plaats van een groene een blauwachtige, grijze of witte kleur. De geheele bouw van deze dikbladige planten is er op ingericht, dat zij het hoofd kunnen bieden aan een langdurige droogte, terwijl zij door overvloedig vocht zeer gemakkelijk ten gronde gaan. Deze bouw is geheel in overeenstemming met de dorre, meestal zandige streken, waar zij gevonden worden.

In de cultuur komen de uitheemsche Succulenten tamelijk wel met de Cactussen overeen; over het algemeen zijn de eersten zelfs nog harder en hebben zij nog minder behoefte aan warmte. Wil men Succulenten met succes kweeken, dan heeft men een op het zuiden gelegen luchtige kamer noodig, daar deze planten des zomers de volle zon en des winters een zeer lichte standplaats verlangen; hebben zij zulk een standplaats niet, dan worden zij gemakkelijk door rotziekte aangetast, waardoor zij zeer licht verloren gaan. Gedurende den zomer moet men den Succulenten een plaats geven in het bloemrekje voor het venster, op een zonnig balkon of in den tuin, waar zij voor de beplanting van rotspartijen en ook voor mozaïekvakken uitstekend gebruikt kunnen worden.

Gedurende den rusttijd, in den herfst en den winter, is het noodzakelijk, dat de aarde zoo droog mogelijk gehouden wordt, mits men er slechts voor zorgt, dat zij niet verdrogen en als gevolg daarvan ineenschrompelen. In haar groeitijd echter moeten zij geregeld begoten worden; men zorgt er dan voor, dat de aarde niet te droog wordt en op bijzonder warme dagen is een besproeiing der bladeren des avonds zeer bevorderlijk voor den groei.

Alle Succulenten moeten in een niet te vetten, kleiachtigen grond geplant worden; deze grond moet geheel vrij zijn van rottende bestanddeelen; het best groeien zij in een mengsel van gelijke deelen oude heide- en broeiaarde, kleiaarde en scherp zand; beter is nog de kleiachtige grond, die ontstaat bij het afbreken van oude huizen, door het uit elkander vallen der verweerde steenen. Heeft men jonge planten, dan moeten zij elk voorjaar verpot worden; oudere exemplaren daarentegen kan men gerust twee of drie jaar in denzelfden pot laten staan. De potten, die men gebruikt, moeten in verhouding tot de plant tamelijk klein zijn, daar de Vetplanten slechts zeer zelden veel wortels maken en bijna altijd langzaam groeien. Dit is ook de reden, waarom men de potten van een zeer goede drainage moet voorzien, opdat het overvloedige water gemakkelijk kan wegloopen, daar anders de aarde zeer licht zou verzuren en de wortels daardoor zouden afsterven.

De Succulenten laten zich zeer gemakkelijk voortkweeken. Heeft men soorten, die een wortelstok vormen, dan doet men dit bij het verplanten door verdeeling daarvan; anderen kweeken bijna vanzelf voort door wortelscheuten, die men slechts behoeft af te snijden en op te planten; weer anderen laten zich door stekken vermenigvuldigen, die juist als Cactus-stekken moeten behandeld worden. Eenige soorten der Vetplanten, zooals bijv. de Echeveria’s, laten zich gemakkelijk voortkweeken door bladstekken. Hiertoe scheurt men voorzichtig een blad van de plant en pot dit op, na verloop van korten tijd zal zich dan een jong plantje aan de basis ontwikkelen.

Fig. 201. Aloë saponaria.

Fig. 201. Aloë saponaria.

Onder de Succulenten zijn als zeer harde en mooie kamerplanten enkele Aloë-soorten zeer in trek. In sommige streken komen deze soorten onder den naam van “Eksteroogen-planten” voor. Er wordt namelijk beweerd, dat het bittere sap, dat uit enkele soorten gewonnen wordt, als een uitnemend middel tegen eksteroogen wordt gebruikt. De tot dit geslacht behoorende planten zijn meest zeer saprijk en week. De zeer fraai gedoornde bladeren zijn nu eens éénkleurig, dan weder fraai bont of ook wel dicht bezet met kleine getinte wratjes. Zeer fraai zijn ook de meestal op lange bloemstengen verschijnende pijpvormige bloempjes, die meestal rood of geel, nu en dan groenachtig zijn. Die soorten, welke stengels vormen, laten zich des zomers gemakkelijk door stekken voortkweeken; bij de overige geschiedt dit door wortelscheuten. Een zeer schoone rozet-vormige soort is de Aloë longearistata met groene, op de achterzijde en langs de randen met mooie dorens bezette bladeren. De breedbladerige Aloë latifolia groeit struikachtig. De breede bladeren, die aan de randen gedoornd zijn, zijn omgebogen, hebben een groene grondkleur, die door talrijke lichte vlekken en punten wordt afgewisseld. Goed gekweekte planten van deze soort bloeien geregeld elken zomer. De bloemsteng wordt ongeveer ½ Meter lang, groeit dagelijks ongeveer 4 cM. en is met mooie, geelachtige bloemen rijk bezet. Een zeer mooie, kleine kamerplant is de Aloë variegata, met spiraalvormige, rechtop staande, bonte bladeren. Ook de op onze plaat afgebeelde Aloë arborescens is een mooie, dankbare kamerplant evenals de Aloë saponaria, met lichtgroene, geelachtige, wit gevlekte bladeren.

Zeer schoone planten bevat ook het geslacht Gasteria. Deze soorten kenmerken zich meestal door mooi gevlekte bladeren en roode of groenachtige bloemen. De Gasteria acinacifolia heeft donkergroene bladeren, waarvan de nerven met paarlachtige wratjes dicht bezet zijn; ook de Gasteria pulchra, die men nogal eens aantreft, heeft witgevlekte bladeren en heel aardige pijpvormige bloempjes.

Fraaie Succulenten zijn ook de verschillende in Mexico te huis behoorende Echeveria’s. De planten zijn voor het meerendeel zeer sierlijk; zij hebben dikke, vleezige bladeren, die rozetvormig gerangschikt zijn.

Fig. 202. Succulenten.

Fig. 202. Succulenten.

Tegenwoordig worden vele soorten van dit geslacht gekweekt om gebruikt te worden bij het beplanten van rotspartijen en van mozaïekvakken. Plant men ze echter in kleine potjes, dan maken zij ook in de vensterbank een zeer aardig figuur. Van de verschillende soorten van dit geslacht is de Echeveria Desmetiana, met haar blauwgroene bladeren wel een van de fraaiste. Een zeer mooie grootbladige soort is de Echeveria metallica, met betrekkelijk dunne, naar boven omgebogen bladeren, die een metaalachtigen glans hebben. Streng genomen is dit slechts een variëteit van de Echeveria gibbiflora; zij vormt vrij groote rozetten en is in jongen toestand het fraaist; van oudere, leelijk geworden planten snijdt men den kop af, die daarna als stek wordt behandeld. De Echeveria discolor heeft donkergroene bladeren en ontwikkelt gedurende den zomer talrijke, wijd openstaande, oranje bloemen. De Echeveria agavoïdes vormt kleine, witachtig groene bladrozetten en de Echeveria Scheideckeri is ook een lieve, mooi bebladerde soort. Verscheidene Echeveria’s zijn uitstekende winterbloeisters zooals de Echeveria fulgens, met vuurroode bloemen, de Echeveria mucronata, met schitterend roode bloemen en de Echeveria rosea, met rozeroode bloemen. Ook de Echeveria retusa is een winterbloeister bij uitnemendheid. Deze soorten hebben een vleezigen stengel, met betrekkelijk kleine bladeren bezet die in een bloeiwijze eindigt. Alle Echeveria’s moeten vorstvrij en droog overwinteren; die, welke gedurende den winter bloeien, verlangen gedurende dit jaargetijde een lichte standplaats, zoo mogelijk voor een op het Zuiden gelegen raam.

Fig. 203. Echeveria metallica.

Fig. 203. Echeveria metallica.

De vermenigvuldiging geschiedt zeer gemakkelijk door kleine zijscheuten, die, in een potje gestoken, zeer vlug wortel maken, wanneer men ze een zonnige plaats voor het venster geeft. Men kan ook, zooals reeds gezegd, is, de bladeren voorzichtig afbreken en die als stekken behandelen; er ontwikkelt zich dan aan den voet een knop, die spoedig doorgroeit en een lief plantje vormt.

Veel gelijkenis met enkele Echeveria’s hebben de Sempervivums (Huislook), vooral in de groeiwijze. De saprijke bladeren der Sempervivum-soorten zijn dun en groen, enkele soorten zijn voorzien van zwarte spitsen, terwijl bij anderen de geheele plant met een wit spinnewebachtig weefsel is overtrokken. Verscheidene Huislook-soorten houden het hier te lande des winters buiten uit; deze worden dan ook veel voor het begroeien van rotsen en het beplanten van mozaïek-vakken gebruikt; ook zijn zij zeer geschikt voor de cultuur in kleine potten. Het gewone Huislook wordt veel aangetroffen op oude muren en daken. De oude Grieken noemden deze plant Aizoon, de Romeinen sempervivum, welke beide namen beteekenen: “altijd levend” en welke slaan op de eigenschap van deze planten, dat zij de grootste droogte uitstekend kunnen verdragen. Bij de oude Germanen werd het Huislook “Donnerbart” genoemd, wijl de rozeroode bloemen herinnerden aan den baard van den Dondergod “Donar”.

Fig. 204. Echeveria agavoïdes.

Fig. 204. Echeveria agavoïdes.

In de bloemen van deze plant zag men een bliksemafleider en daarom vaardigde Karel de Groote een bevel uit, dat iedere boer het Huislook op zijn erf moest hebben. Slechts goed volwassen Sempervivums zijn bloeibaar; de bloemsteng ontwikkelt zich uit het hart der bladerrozet en aan haar uiteinde vertakt zij zich meestal, welke zijtakjes dicht bezet zijn met stervormige bloemen, die bij verschillende soorten verschillende kleuren hebben. De uitgebloeide plant sterft; zij vormt echter, voordat zij doodgaat, een groot aantal jonge uitloopers, die spoedig tot gezonde planten doorgroeien. Een zeer interessante plant is de Sempervivum arboreum; deze vormt een tot 2 Meter hoogen stam, die spadelvormige bladeren draagt, welke boven aan den stam fraaie rozetten vormen. De bloemen zijn zeer sierlijk en geheel geel. Van deze soort bestaan vele variëteiten met geelbonte, rood gerande en purperroode bladeren. Laatstgenoemde variëteit, de Sempervivum atropurpureum, is op onze plaat afgebeeld.

Mooie Succulenten worden ook gevonden in het geslacht Sedum, waarvan er ook eenigen hier te lande inheemsch zijn.

Reeds bij de Ouden waren deze planten bekend: zij gebruikten de fijn gestampte, slijmige bladeren als geneesmiddel tegen wonden.

Zoo zou Telephos, de zoon van Hercules, van de wond, welke de speer van Achilles hem toebracht, genezen zijn door de toepassing van de gekneusde bladeren eener Sedum, die men later, naar een leiding daarvan, den wetenschappelijken naam van Sedum Telephium heeft gegeven. Een zeer fraaie soort is de grootbladige Sedum spectabile, die volkomen winterhard is, en in den herfst tot aan den grond afsterft. In de lente vertoonen zich dan kleine bladrozetten boven de aarde, die spoedig doorgroeien en dan scheuten vormen met heldergroene bladeren. Deze scheuten worden in den herfst gekroond met schermen van kleine, rozeroode bloemen. Als bloeiende plant is de Sedum spectabile zeer fraai en zij is dan ook uitstekend voor potcultuur.

Een zeer schoone soort van den lateren tijd is de Sedum sempervivoides, afkomstig uit den Kaukasus. Deze soort is tweejarig en wordt uit zaden voortgekweekt, die in het voorjaar in pannen met zandige aarde gezaaid en in de kamer tot ontkiemen gebracht worden. De jonge plantjes moeten spoedig in andere potten gerepikeerd en daarna afzonderlijk in potjes uitgeplant worden.

Des zomers worden zij in het bloemenrekje gekweekt; daarna laat men ze in een koele kamer overwinteren en den tweeden zomer zet men ze weder buiten. Tegen het einde van dezen zomer zullen zij dan met honderden rozeroode bloemen prijken.

Een half houtachtige, veel om haar bloemen gekweekt wordende Vetplant is de Kalosanthes coccinea, ook wel Crassula coccinea genoemd. Deze plant vormt des zomers aan de uiteinden van alle twijgen groote schermen scharlakenroode bloemen, die, door de zon beschenen, een schitterend effect maken. Niet minder schoone bloeisters zijn de Rochea-soorten. Een dezer, de Rochea (Crassula) falcata, heeft dikke, groote, sikkelvormige bladeren en vormt fraaie schermen van vuurroode bloemen. Beide laatstgenoemde planten worden tegenwoordig als marktplanten in grooten getale gekweekt.

Fig. 205. Crassula Bolusii.

Fig. 205. Crassula Bolusii.

Zeer fraaie Succulenten treft men ook aan in het geslacht Crassula en eenige der hiertoe behoorende kunnen met zeer goed gevolg als ampelplanten worden gebruikt o.a. de Crassula Cooperi en de Crassula spathulata, die beiden zeer schoone bloemen voortbrengen. Een zeer lief miniatuurplantje is de Crassula Bolusii, met, in den winter verschijnende, zeer kleine, witachtige bloempjes en heel aardige, bruin gevlekte bladeren.

Planten met zeer interessante en schoone, doch zeer onaangenaam riekende bloemen zijn de Stapelia’s. Er zijn zeer veel soorten van bekend, met grootere of kleinere, meer of minder interessant gevormde of geteekende bloemen. Onze afbeelding toont de Stapelia variegata, die het meest wordt aangetroffen; zij heeft een zwavelgele, met fraaie, bruine vlekken geteekende bloemkroon.

Fig. 206. Stapelia variegata.

Fig. 206. Stapelia variegata.

Interessante soorten omvat ook het geslacht Euphorbia (Wolfsmelk). De familie der Euphorbiaceeën bevat ruim 3600 soorten van het meest verschillende voorkomen. Veel meer dan tegenwoordig het geval is, verdient o.m. de Euphorbia splendens gekweekt te worden. Deze, en nog eenige andere soorten, bloeien een gedeelte van den winter; zij verlangen een wintertemperatuur van 60° Fahr.

Interessante Vetplanten zijn ook nog de Kleinia’s, waarvan een fraaie soort, de Kleinia canescens, door Fig. 207 is afgebeeld; de Mesembryanthemums, waaronder vele fraai bloeiende soorten, en o.a. de IJsplant; de Mesembryanthemum cristallinum; de Haworthia’s met fraai geteekende bladeren en de Kalanchoë’s, die, jammer genoeg, in deze streken niet zeer dankbaar bloeien.

Fig. 207. Kleine canescens.

Fig. 207. Kleine canescens.

Wij voegen hieraan nu nog enkele planten toe, die gewoonlijk tot de Vetplanten worden gerekend, hoewel zij, streng genomen, daartoe niet behooren, maar toch bijna op dezelfde wijze gekweekt moeten worden. Van de schoonste en interessantste dier planten noemen wij in de eerste plaats de Agave’s. Dit geslacht bevat meer dan honderd verschillende soorten en variëteiten, die bijna alle een verschillend voorkomen hebben. Haar vaderland is hoofdzakelijk Midden- en Zuid-Amerika. Daar zijn de Agave’s nutplanten van groot gewicht: zij worden er gebruikt voor het maken van ondoordringbare heggen, de gedroogde bladeren voor dakbedekking, de bladvezels worden tot touw gesponnen en de punten der bladeren dienen als pennen. Het merg van deze planten wordt gegeten, terwijl er ook een soort zeep uit wordt bereid. Door het uitsneden der bloemsteng verzamelt zich in de ontstane holte een groote hoeveelheid sap, dat, na gisting, een bedwelmenden nationalen drank oplevert, de zoogenaamde “pulque”. De Agave’s zijn stengellooze planten; de in scherpe punten uitloopende bladeren zijn òf breed en dik en dan meestal langs de randen gewapend, òf lang en smal, met ongewapende bladranden; steeds vormen zij echter een rozet. Gewoonlijk worden de Agave’s bestempeld met den naam van ”Honderdjarige Aloë”. Deze dwaling as hierdoor ontstaan, omdat enkele soorten sterk op Aloë’s gelijken, en wijl het in den volksmond heet, dat de plant slechts eens in de honderd jaar bloeit. Het zal wel onnoodig zijn er op te wijzen, dat dit een dwaling is. Gewoonlijk bloeien de Agave’s pas als zij verscheidene jaren oud zijn, en in de cultuur kan het voorkomen, dat een Agave americana 30 à 40 jaar oud is, voordat zij bloeibaar wordt. Is de plant eenmaal bloeibaar geworden, dan verheft zich uit haar hart de krachtige, houtachtige bloemsteng, die een imposanten indruk maakt. Deze wordt toch ruim 6 Meter hoog en neemt bij haar ontwikkeling, binnen 24 uren, 30–35 cM. in lengte toe. Door haar vertakkingen, die horizontaal uitgespreid staan, waarop weder de bloemen verticaal zijn geplaatst, gelijkt zij op een reusachtige candelaber. Bij andere soorten is de bloemsteng niet vertakt; hier heeft zij het voorkomen van een zeer groote bloemaar, waarvan de bloemen dicht op elkander zitten. Zijn de vruchten eenmaal tot rijpheid gekomen, dan sterft niet alleen de bloemsteng, maar ook de geheele plant; er ontwikkelen zich dan echter tal van wortelscheuten, die, afgesneden, weder tot nieuwe planten opgekweekt kunnen worden.

De Agave’s leenen zich bij uitstek voor het beplanten van groote vazen, die gedurende den zomer op balkons, hekingangen of zuilen worden gezet, mits deze vazen van talrijke drainage-gaatjes zijn voorzien. Des winters moeten zij in huis gezet, en kunnen dan gebruikt worden ter versiering van vestibules. Ook als middenplanten voor mozaïek-vakken of ter beplanting van rotspartijen zijn zij zeer geschikt.

Fig. 208. Agave americana aureo-marginata.

Fig. 208. Agave americana aureo-marginata.

Fig. 209. Agave Victoria-Reginæ.

Fig. 209. Agave Victoria-Reginæ.

Van de bekende Agave americana komen eenige bontbladige variëteiten voor, die wel niet zoo groot worden als de typische soort, doch zeer fraaie sierplanten zijn. Een zoodanige variëteit toont Fig. 208 in de Agave americana aureo-marginata. Deze vorm heeft groene bladeren, omzoomd met een breeden, gelen rand. Een zeer schoone soort is ook de Agave Verschaffeltii; deze heeft een zeer gedrongen voorkomen en betrekkelijk breede, sterk bewapende bladeren, die een blauw-grijze kleur hebben. Een geheel andere groeiwijze heeft de Agave stricta, met smalle, groene, zeer talrijke bladeren. Een der schoonste en opmerkenswaardigste soorten is zeker wel de Agave Victoria-Reginæ. De donkergroene, naar binnen omgebogen bladeren zijn met zuiver witte, draadvormige strepen geteekend. Deze soort, die nog betrekkelijk nieuw is, wordt niet groot, daar zij geen grooter diameter dan ± 50 cM. bereikt. De onvertakte bloemsteng daarentegen, die, wanneer de plant goed doorgroeit, reeds na 6 à 8 jaar kan verschijnen, bereikt een lengte van 3–4 Meter. Jammer is het, dat deze soort tamelijk duur is, daar zij geen scheuten maakt en dus steeds uit zaden of ingevoerde planten moet voortgekweekt worden. Bijna al de bekende Agave-soorten moeten gedurende den winter zoo goed als geheel droog gehouden worden; daarbij verlangen zij een zeer lichte plaats, in een vertrek met een temperatuur van 40°–45° Fahr. Even weinig moeite vereischen ook de soorten, die tot de geslachten Dyckia en Yucca behooren, welke planten eenigszins de groeiwijze van een Dracæna hebben. De meest bekende soort van het eerste geslacht is de Dyckia sulphurea; deze heeft geelachtige bladeren en des zomers geeft zij chromaatgele bloemen, die op lange bloemstengen verschijnen. Van het tweede geslacht wordt vaak aangetroffen de Yucca aloëfolia fol. var., een plant met lichtgroene bladeren, die geel en rood gerand zijn en die een eigenaardig voorkomen aan de plant geven. Verscheidene Yucca-soorten, zooals bijv. de Yucca gloriosa, munten ook uit door haar sierlijke, groote, witte, klokvormige bloemen, die, op forsche bloemstengen, midden in het hart der plant verschijnen. De Dyckia’s en Yucca’s moeten des winters koel, doch niet geheel droog gehouden worden.

Bladplanten.

Onder bladplanten verstaat men die gewassen, welke hoofdzakelijk ter wille van hun fraaie bladeren gekweekt worden. Natuurlijk geven ook de bladplanten, eenige hiertoe gerekende Cryptogamen uitgesloten, min of meer fraaie bloemen; eenige echter, zooals bijv. de Palmen, bloeien hier te lande slechts uiterst zeldzaam of in het geheel niet, en bij allen worden de bloemen door den fraaien bladertooi overschaduwd.

Struik- en boomachtige bladplanten voor koele vertrekken.

Fig. 210. Aralia (Fatsia) japonica.

Fig. 210. Aralia (Fatsia) japonica.

Aralia. De Aralia is een zeer dankbare en fraaie bladplant, die men vaak in de kamer gekweekt aantreft. Het is vooral de Aralia (Fatsia) japonica uit Japan, met groote, handvormige, glanzend groene bladeren, die veelvuldig als kamerplant wordt gekweekt. Van deze soort bestaan ook fraaie bontbladige variëteiten, die wel schooner, doch ook veel duurder zijn, daar zij zich slechts door stekken laten voortkweeken, die niet zeer gemakkelijk wortelen. Een andere zeer schoone soort, die, jammer genoeg, tegenwoordig niet veel meer wordt aangetroffen, is de Aralia papyrifera, met aan de onderzijde zilverwitte bladeren. Uit het merg dezer plant wordt in China een soort papier vervaardigd. Er bestaan nog verscheidene andere soorten van dit geslacht, die zeer schoone kamerplanten zijn; zoo de Aralia Veitchii, met zeer smalle, aan de randen gegolfde bladeren, en de Aralia Chabrieri, een zeer elegante plant met fijne smalle bladeren.1 Hoewel de Aralia’s veel gekweekt worden, treft men er toch slechts zelden werkelijk schoone planten van aan. Over het algemeen worden zij veel te warm gehouden; dit heeft tot gevolg, dat de oudste, dus onderste, bladeren geel worden en afvallen, terwijl de andere bladeren slap neerhangen, niettegenstaande zij horizontaal tegen den stengel moeten staan. Al de genoemde soorten verlangen gedurende den winter een lichte standplaats in een vertrek met een gemiddelde warmte van 40°–50° Fahr.; alleen de beide laatstgenoemde soorten verdragen een hoogere temperatuur. De bladeren moeten stofvrij en zindelijk gehouden en de planten mogen gedurende den rusttijd slechts weinig begoten worden. Begint in het voorjaar de nieuwe groeiperiode, dan moeten de Aralia’s in goeden grond, bestaande uit gelijke deelen blad- en broeiaarde, waaraan een weinig graszodengrond wordt toegevoegd, verpot worden. Gedurende den zomer worden de planten rijkelijk begoten en wortelen zij door, dan kunnen zij nu en dan gegierd worden, terwijl zij, wanneer dit noodig blijkt, nog eens verpot moeten worden. Van Mei tot tegen het einde van September doet men het best de Aralia’s op een half beschaduwde plek in den tuin of op het balkon te zetten.

Fig. 211. Aralia Chabrieri. (Elæodendrum orientale).

Fig. 211. Aralia Chabrieri. (Elæodendrum orientale).

De Aralia japonica en Aralia papyrifera laten zich zeer gemakkelijk uit zaden voortkweeken, die in zaagsel zeer goed kiemen. De bontbladige soorten en die, waarvan geen zaden te verkrijgen zijn, worden in de kweekerijen steeds door stekken vermenigvuldigd, die, zooals wij reeds gezegd hebben, lang niet gemakkelijk wortelen.

Aucuba japonica. De Aucuba japonica is een zeer harde bladplant, met ovale, groen met geel gevlekte bladeren. Deze plant is reeds een paar eeuwen bekend; daar zij echter tweehuizig is en alleen de vrouwelijke plant was ingevoerd, bracht zij eertijds geen vruchten voort. Sinds de invoering, enkele tientallen van jaren geleden, van een mannelijke plant, is men er pas in geslaagd haar met fraaie, koraalroode bessen te kweeken. De Aucuba wordt echter hoofdzakelijk om haar fraaie bladeren gekweekt, die, in de talrijke variëteiten, telkens anders geteekend zijn. Zij is een zeer harde sierplant, die, op niet te koude plaatsen, het hier te lande, in den vollen grond uitgeplant, zeer goed uithoudt en dan ook geen hooge eischen stelt. Men kan haar gedurende den winter in den kelder laten overwinteren, hoewel zij gedurende dit jaargetijde ook zeer goed gebruikt kan worden ter versiering van vestibules, trappenhuizen en onverwarmde kamers. Des zomers verlangt zij een zonnige standplaats in den tuin of op het balkon. Jonge planten moeten jaarlijks, oudere om de twee of drie jaar verplant worden. Dit verplanten moet zeer voorzichtig geschieden, daar de vleezige wortels zoo min mogelijk beschadigd moeten worden; men gebruikt daartoe goede, middelmatig zware aarde of veengrond, waaraan een weinig graszodengrond wordt toegevoegd. De voortkweeking geschiedt in het voor- of het najaar door stekken, die zeer gemakkelijk wortelen. Wordt de Aucuba in een gesloten vertrek of wel te warm gehouden, dan wordt zij licht door insecten (hoofdzakelijk schildluizen) aangetast; deze zijn door goed afwasschen wel te verwijderen, maar zij richten toch altijd belangrijke schade aan. Tot het verkrijgen van een flinke vertakking moeten de plantjes herhaaldelijk ingesneden worden. Giert men de Aucuba’s gedurende den zomer enkele keeren, dan geven zij groote, fraai geteekende bladeren.

Coprosma Baueriana. Dit is een lieve halfheester, afkomstig uit Nieuw-Zeeland, met rondachtige, glanzend witte of gele bladeren, die aan de randen groen zijn, waardoor zij geheel het voorkomen van een sierlijke bladplant verkrijgt. De Coprosma is zeer dankbaar; zij stelt zich gedurende den winter tevreden met een temperatuur van 40°–50° Fahr.; zij groeit des zomers buiten in het bloemenrekje en laat zich zeer gemakkelijk door stekken voortkweeken.

Heeft men krachtig groeiende planten, dan moeten zij in ’t voorjaar en in den zomer nogmaals verplant worden in goede broeiaarde, waaraan een weinig graszodengrond wordt toegevoegd.

Eucalyptus. De Eucalyptussen zijn karakteristieke planten van Nieuw-Holland; zij worden echter ook in Zuidelijk Europa, vooral in moerassige streken aangekweekt, die zij door haar snellen groei en sterke verdamping, na enkele jaren aanmerkelijk verbeteren. In haar vaderland treft men de Eucalyptussen als ware reuzenboomen aan, die een hoogte van meer dan 100 Meter kunnen bereiken. In haar jeugd hebben deze planten blauwgroene, zittende of stengelomvattende bladeren, en eerst later ontwikkelen zich de gesteelde afhangende bladeren. Voor potcultuur zijn slechts jonge, één-, hoogstens tweejarige planten geschikt, wanneer zij een goeden pyramidalen vorm hebben. Des winters moeten zij in koelere vertrekken en des zomers steeds in de open lucht staan. Gedurende den zomer kunnen zij rijkelijk begoten en moeten zij eenige keeren in een zeer vetten grond verplant worden. Plant men de Eucalyptussen des zomers op een gunstige plaats in den tuin uit, dan kunnen zij in één zomer een hoogte van 4 à 6 Meter bereiken. Stekken groeien slecht of in het geheel niet, waarom de voortkweeking steeds uit zaden geschiedt. De bekendste soort is de Eucalyptus Globulus, met blauwgroene bladeren. De Eucalyptussen behooren tot de familie der Myrten, en wanneer men de bladeren tusschen de vingers kneust, verspreiden zij een sterk aromatischen geur. Het aangenaamst is deze geur bij de Eucalyptus citriodorus, die, in de eerste plaats, voor potcultuur kan aanbevolen worden.

Eugenia australis. Dit is een harde plant, die mede tot de familie der Myrten behoort. Zij draagt ovale bladeren, welke niet zoo groot worden als die der grootbladerige Myrtus en aardige witte bloemen, die zeer talrijk bij oudere exemplaren, welke niet te dikwijls ingesneden worden, verschijnen. De jonge bladeren en scheuten hebben een interessante roodachtige kleur.

De Eugenia australis groeit gemakkelijk en is zeer dankbaar; zij verdraagt het insnijden zeer goed, zoodat men er gemakkelijk mooie pyramide- of zuilvormige boompjes van kweeken kan; zij is echter ook zeer schoon, wanneer men haar vrij laat doorgroeien. Evenals alle Nieuw-Hollandsche decoratieplanten, verlangen ook de Eugenia’s een mengsel van blad- en heide-aarde, vermengd met een weinig graszodengrond. In elk voorjaar moeten zij verpot worden, waarbij men moet oppassen, dat de stam niet in de aarde komt, daar het veeleer beter is, dat de bovenste wortels vrij liggen. Des zomers moeten zij nogal rijkelijk des winters echter minder begoten worden, waarbij men er op moet letten, dat de kluit niet geheel uitdroogt, daar men haar dan niet gemakkelijk weder vochtig krijgt. Een wintertemperatuur van 40°–45° Fahr. is voldoende. De vermenigvuldiging geschiedt gewoonlijk door stekken, die in Augustus van het rijpe hout gesneden worden, en die, gewoonlijk pas na een week of zes, wortel maken.

Evonymus (Kardinaalshoed). Als harde decoratieplant is vooral de Evonymus japonicus zeer verspreid. Zij heeft ovale, gezaagde, lederachtige, groene bladeren; ook zijn er een aantal bontbladige variëteiten bekend. Van nature vormen deze tamelijk kleinbladige planten magere struikjes; door ze echter in het voorjaar en den zomer herhaaldelijk in te snijden, verkrijgt men fraaie, bossige planten. De cultuur, voortkweeking en aanwending is geheel dezelfde als die van de Aucuba. De Evonymus radicans is een soort met ovaal-elliptische blaadjes. Haar op den bodem liggende takken maken zeer gemakkelijk wortel; ook van deze soort is een bontbladige vorm bekend.

Fig. 212. Evonymus japonicus variegatus.

Fig. 212. Evonymus japonicus variegatus.

Ficus. De Ficussen behooren zeker wel tot de meest geliefde kamerplanten, en bijna overal treft men de Ficus elastica met haar groote, lederachtige, glanzend groene bladeren aan.

Heeft deze plant ook al niet direct een zeer elegant voorkomen, zoo maakt zij toch op een bloemenstandaard, als alleen-staande plant, een goed figuur, en zij wordt overal met voorliefde gekweekt, daar zij bij een weinig nauwkeurige behandeling, zich in de kamer flink ontwikkelt. Daar de Ficus elastica niet vrijwillig zijtakken maakt, moet men haar, wanneer zij een hoogte van 1½ à 2 Meter bereikt heeft, den kop afsnijden; zij vormt dan een kroontje en ziet er, vooral wanneer zij haar bladeren aan den stam heeft laten vallen, niet onaardig uit. Na verloop van eenige jaren doet men goed de takken der kroon nogmaals in te snijden. De afgesneden koppen kunnen dan, voorzien van drie bladeren, weder als stekken dienen. Men steekt ze, wanneer de wond een weinig opgedroogd is, in een met water gevuld medicijnfleschje, waarin zij, wanneer men ze voor een zonnig venster zet, na vier weken geworteld zullen zijn. Ook stengelstukjes, van één blad voorzien, laten zich zeer goed als stekken gebruiken (Fig. 23). Deze worden in kleine potjes gezet, matig warm, vochtig en beschaduwd gehouden. Na eenigen tijd zal het stengeldeel wortel schieten, het in den bladoksel slapende oog doorgroeien en een nieuwe plant vormen.

Gewoonlijk gaat het met de Ficussen in de kamer juist als met de Aralia’s; de bladeren staan niet horizontaal tegen den stam, doch zij hangen er slap bij, wijl men haar te veel begiet en te warm houdt. De Ficus elastica is volstrekt geen plant voor de warme kamer als hoedanig zij meestal aanbevolen wordt, doch een wintertemperatuur van 40°–50° Fahr. is haar voldoende; terwijl zij des zomers in den tuin of op het balkon kan staan. De kweekers, die in één zomer uit stekken zeer fraaie planten kweeken, houden de Ficussen gedurende een groot gedeelte van den zomer buiten, en wel bij voorkeur in de volle zon. Meestal steken zij de stekken in een warmen bak, harden ze door veelvuldig luchten, en nemen in het begin van Juni de ramen er van af. Bij een goede cultuur kan een Ficus vanaf de lente tot den herfst alle acht dagen een nieuw blad vormen, terwijl de oude bladeren dan niet geel worden en afvallen. Worden de jonge bladeren kleiner, hangen de oude slap langs de plant, en worden zij spoedig geel, dan kan men zeker zijn, dat de plant gebrek heeft aan voedsel en lucht, of wel dat zij in een te droge of warme lucht staat.

Fig. 213. Ficus elastica.

Fig. 213. Ficus elastica.

De Ficus moet jaarlijks in de lente in goede, zandige broeiaarde verplant, gedurende den zomer eenige malen gegierd en zeer dikwijls bespoten worden, terwijl men haar des winters een paar keer per week met een zachte spons geheel afwascht, om zeker te zijn, dat zij goed schoon blijft. Op de bovenvlakte der bladeren toch komt zeer gemakkelijk stof en aan de onderzijde huist maar al te vaak schadelijk ongedierte. Koopt men een Ficus, dan is het zaak er vooral goed op te letten, of aan de onderzijden der bladeren geen ongedierte voorkomt, wat nog wel eens gebeuren wil.

Een kleinbladerige, minder schoone, maar zeer harde soort is de Ficus australis, voor welke een wintertemperatuur van 31–45 Fahr. ruimschoots voldoende is. Deze soort is echter niet gemakkelijk in den handel te verkrijgen.

Grevillea robusta. Onder de bladplanten voor koudere kamers zijn er slechts weinigen, die zoo elegant zijn als deze sinds lang bekende, doch tegenwoordig zeer veronachtzaamde Australische Grevillea. Deze plant vormt een slanken stam, die dubbel gevinde bladeren draagt, welke zóó fijn ingesneden zijn, dat zij bijna aan varenbladeren doen denken. Deze bladeren zijn groot en fraai donkergroen. De jonge Grevillea groeit onvertakt door; eerst op ouderen leeftijd vertakt zij zich, zonder echter daardoor aan schoonheid te verliezen. Deze zeer sierlijke plant, die tegenwoordig dreigt vergeten te worden, is zeer waard, dat men meer de aandacht aan haar gaat schenken, vooral ook, omdat zij zich zoo gemakkelijk uit zaden laat voortkweeken. De cultuur is zeer eenvoudig: des winters verlangt zij een lichte, koele, des zomers een zonnige standplaats, dan echter bij voorkeur buiten. Geregeld alle jaar moet zij verplant worden in zandigen bladgrond vermengd met een weinig graszodengrond; de potten, die men gebruikt, moeten iets grooter zijn dan die, waarin zij stond. Vooral des winters moet men met gieten nogal voorzichtig zijn.

Ilex (Hulst). De gewone groene Hulst (Ilex Aquifolium) is een plant, die het hier te lande zeer goed buiten uithoudt en dan ook zeer verspreid is. Er bestaan talrijke, zeer fraaie variëteiten van, met zeer afwijkende en bonte bladeren. Hoewel de typische soort, des winters buiten gehouden, weinig of niet lijdt, zijn de bontbladerige variëteiten zwakker, waarom men voorzichtig doet, die in potten of kuipen te kweeken, ten einde ze des winters binnenshuis te kunnen zetten. Deze fraaie heesters, waarvan de bladeren zeer stekelig zijn, verdragen het insnijden heel goed, waardoor er fraai gevormde exemplaren van kunnen gekweekt worden. Des winters verschijnen aan het tweejarige hout een aantal roode bessen, die een aardig effect maken tusschen de bonte bladeren. De zaden kiemen niet gemakkelijk en de voortkweeking der bonte soorten gaat ook veel beter door veredeling op de gewone groene Hulst. De Ilex-soorten verlangen een goede, zware aarde en gedurende den zomer een eenigszins beschaduwde plaats buiten.

Laurus nobilis (Laurier). De Laurier vormt in haar Zuid-Europeesch vaderland lang niet zoo’n mooien heester als men zich in de noordelijke streken wel voorstelt. Hier te lande is zij een zeer belangrijke handelsplant. Meestal wordt zij in pyramide- of kroonvorm gekweekt, en in kuipen staande is zij dan een zeer sierlijke decoratieplant, hetzij als koppel- ter versiering van het ingangshek, het terras of het balkon, hetzij als alleen-staande gazon-plant. Vooral hier te lande en in België worden de Laurieren in zeer groot aantal gekweekt. Een liefhebber doet het best zich jonge, goed gevormde pyramide- of kroonboompjes aan te schaffen; men behoeft er dan slechts voor te zorgen, de planten door een goede behandeling gezond te houden.

Daar de Laurier een zeer harde plant is, die best enkele graden vorst kan verdragen, behoort zij onder de eersten, die in het begin van April buiten worden gezet. Om te beletten dat de kuipen van onderen rotten, te zorgen dat er geen regenwormen in de kluit dringen en de toevoer van lucht in de aarde mogelijk te maken, worden de kuipen op drie of vier baksteenen gezet. Wil men voorkomen, dat de planten bij zwaren wind omwaaien, dan slaat men drie stevige stokken vlak langs de kuip, er voor zorgende, dat zij er niet boven uitsteken. Het is nu een voorname zaak er op te letten, dat de kuipplanten goed begoten worden. Als regel giet men eens per dag, bij voorkeur des avonds; is het weer echter zeer warm, dan moet men des morgens nog eens gieten; ook moet men van tijd tot tijd gieren. Van veel belang is het ook, dat men dagelijks, na het gieten, de kronen goed natspuit. Verzuimt men dit spuiten, dan worden de bladeren zeer spoedig door schild- en bladluizen aangetast, die in zoo grooten getale kunnen optreden, dat de plant doodgaat.

Zorgt men voor geregeld gieren, dan kunnen de Laurieren zeer lang in dezelfde kuip blijven staan; gewoonlijk verplant men ze eerst, wanneer de kuip verrot is, of wanneer de kluit zóó zwaar beworteld is, dat het water er niet meer in doordringt. Zeer moet men er ook op letten, dat kroon of pyramide haar vorm behouden, waarom men ze elken zomer behoorlijk moet insnijden; dit geschiedt het best tegen het einde van Augustus, wanneer de scheuten volgroeid zijn.

Na het insnijden hebben de oogen nog volop tijd om zich goed te vormen, zoodat zij in het voorjaar direct gaan doorgroeien. De overwintering van de Laurier geschiedt het best in een half vorstvrijen kelder of schuur. Bij strenge vorst moet men er op letten of zij niet àl te koud staan. Veel licht hebben zij des winters niet noodig.

Melaleuca. De Melaleuca-soorten, die in grooten getale in Australië worden gevonden, behooren tot de familie der Mirten en kenmerken zich alle door lancetvormige blaadjes, die des winters aanblijven. De bloemen, die pas aan oudere planten verschijnen, gelijken zeer op die van de Callistemon; zij zijn echter lang zoo schoon niet en bij sommige soorten zelfs tamelijk onbeduidend. De Melaleuca’s hebben dan ook slechts waarde als harde decoratieplanten, geschikt voor versiering van koelere kamers. De behandeling is juist dezelfde als die van de Eugenia’s.

Het ook tot de familie der Mirten behoorende geslacht Leptospermum, waarvan de soorten ook in Australië te huis behooren, heeft evenals de Melaleuca’s lancetvormige blaadjes, maar kenmerkt zich door witte bloemen. Deze planten laten zich op dezelfde wijze kweeken en zijn voor hetzelfde doel geschikt. De voortkweeking geschiedt, evenals bij de Melaleuca’s, uit stekken in de maand Augustus.

Pittosporum. Verscheidene der in China en Japan thuis behoorende Pittosporum-soorten zijn fraaie decoratie-planten. Men zou deze heesters ook onder de bloemplanten kunnen rekenen, want zij brengen lieve bloemschermpjes voort, bestaande uit witte bloempjes, die een heerlijken oranje-geur verspreiden; doch zij bloeien pas op tamelijk hoogen leeftijd, wanneer de planten veel te groot geworden zijn voor de kamer. De Pittosporum is een harde plant; zij moet gekweekt worden in heide-aarde, vermengd met een weinig graszodengrond. Des winters wordt zij in een koud, doch vorstvrij vertrek gezet, en des zomers houdt men haar bij voorkeur buiten. De meest voorkomende soort is de Pittosporum Tobira, met glanzend groene, lederachtige omgekeerd-eironde bladeren. In de Europeesche tuinen wordt slechts één variëteit gevonden, met geelachtige bloemen; er moet echter in Japan een veel mooiere voorkomen, met zuiver witte bloemen. De voortkweeking geschiedt in Augustus door middel van stekken.

Struik- en boomachtige bladplanten voor warme vertrekken.

Acalypha. De tot dit geslacht behoorende planten, die zich door de fraaie teekening van haar bladeren kenmerken, zijn half heesters, die in Nieuw-Caledonië en op de Fidji-eilanden worden aangetroffen. Zij hebben gezaagde, ovale en hartvormige bladeren.

De bekendste en zeker ook wel de schoonste soort is Acalypha musaica met gele bladeren, die zeer fraai met rood gemarmerd zijn; bij andere soorten zijn de bladeren rose of donkerrood. Deze planten, die niet zeer gevoelig zijn en midden in den zomer ook wel buiten gekweekt kunnen worden, ontwikkelen zich vooral zeer fraai, wanneer men ze in het kamerkasje kweekt. Zij groeien zeer goed in broeiaarde, houden van veel spuiten en over het algemeen van een vochtige lucht. Plaatst men ze in te droge lucht, dan worden de bladeren spoedig door thrips en roode spin aangetast. De voortkweeking geschiedt in het voorjaar door kruidachtige stekken, die zeer gemakkelijk wortelen.

Coffea arabica (Koffieboom). Deze tropische nutplant is een uitstekende kamerbladplant; zij wordt echter, jammer genoeg, niet veel daartoe gebruikt. De Koffieboom, die feitelijk slechts een heester vormt, welke zelden hooger dan 3 à 4 Meter wordt, is in jongen toestand een zeer fraaie kamerplant; zij vormt dan meestal een stammetje, waarvan horizontale takjes afstaan, zoodat zij een zuiveren pyramide-vorm heeft. De bladeren zijn ovaal, aan de punt toegespitst en glanzend groen. Is de plant eenmaal vrij groot, en goed ontwikkeld, dan geeft zij in den zomer kleine, witte bloempjes, die een jasmijngeur verspreiden. Op deze bloempjes volgen eerst groene, later roode bessen, die ieder twee zaadkorrels bevatten. Deze vruchten worden ook in de kamer rijp. Uit de zaden, die ook in den handel verkrijgbaar zijn, kan men zeer gemakkelijk jonge plantjes kweeken. Zoodra de zaden goed rijp zijn, moeten zij gezaaid worden in potten, die gelijkmatig warm en vochtig gehouden worden. De kieming heeft dan pas na vier à zes weken plaats.

Fig. 214 vertoont een jonge Coffea arabica en het opmerkenswaardigst daaraan zijn de kiembladeren, die buitengewoon groot worden en geheel het voorkomen van gewone bladeren verkrijgen. Wil men Koffieboompjes uit zaden kweeken, dan moet men die in een zaadhandel koopen, aangezien de gewone ongebrande koffieboonen in de meeste gevallen niet kiemkrachtig meer zijn. Een Koffieboom verlangt een lichte, tamelijk warme standplaats; gedurende den zomer heeft hij echter veel frissche lucht noodig. De bladeren moeten dikwijls bespoten en afgesponsd worden, opdat de plant niet aangetast wordt door ongedierte, iets wat anders zeer gemakkelijk gebeurt. Des zomers kan men rijkelijk gieten; des winters daarentegen moet men veel spaarzamer met water zijn. Zeer nuttig is het, de planten des zomers eenige malen met een aftreksel van hoornspaanders te begieten. Een andere goede Coffea-soort voor de kamer is de Coffea liberica, die veel grooter bladeren heeft. Ook van deze soort kan men in een goeden zaadhandel zaden verkrijgen.

Fig. 214. Jonge Coffea arabica.

Fig. 214. Jonge Coffea arabica.

Cycas revoluta (Sagopalm). Niettegenstaande haar Hollandschen naam heeft deze plant niets gemeen met de echte Palmen. De Cycas levert de bladeren, als Palmtakken bekend, die tegenwoordig zeer veel bij begrafenisplechtigheden worden gebruikt. Juist om die bladeren wordt deze plant tegenwoordig in zeer grooten getale gekweekt. Deze bladeren hebben eenigszins het voorkomen van die van een Vederpalm; zij zijn glanzend groen, stijf en daardoor tamelijk broos. Een Cycas groeit slechts één keer per jaar uit; zeer dikwijls echter rust zij daarna één, somtijds zelfs twee jaar. Gewoonlijk begint zij in den voorzomer uit te groeien. Uit het hart der plant ontwikkelt zich dan een groot aantal bladeren, soms wel veertig te gelijk; deze ontrollen zich juist als varenbladeren; in den beginne zijn zij lichtgroen en week, later worden zij donkergroen en vrij stevig. Een Cycas zal haar nieuwe kroon niet licht in een kamer ontwikkelen; zij heeft daartoe de warme, vochtige kaslucht noodig; reden waarom zij voor kamercultuur feitelijk niet geschikt is. Is zij eenmaal uitgegroeid, dan heeft zij nòch zeer vochtige lucht, nòch veel warmte noodig, zoodat zij dán aan alle eischen van een gemakkelijke kamerplant voldoet, en er dan ook zeer geschikt voor is. Zoodra de kroon geheel ontwikkeld is, heeft zij niet veel water meer noodig en vooral des winters moet men met gieten uiterst voorzichtig zijn.

Pandanus (Schroefpalm). Evenals de Cycas heeft ook de Pandanus niets met de eigenlijke Palmen gemeen, en het is slechts de volksmond, welke deze plant dien naam gegeven heeft. De Pandanussen zijn fraaie, zeer aanbevelenswaardige kamerplanten, met schroefvormig ingeplante, lange, elegant gebogen bladeren. Aan de bladranden en aan de onderzijde van den middennerf hebben verscheidene soorten groote, scherpe dorens. De in den handel het veelvuldigst voorkomende soort is de Pandanus utilis, afkomstig van Madagascar. Deze soort heeft lange, groene bladeren, die zeer smalle, roode randen hebben; zij vertakt zich, in een kamer gekweekt, niet, maar kan er een fraaie bladerkroon vormen. Een zeer schoone bont-bladerige soort is de Pandanus Veitchii met witbonte bladeren; ook de Pandanus javanicus heeft bonte bladeren, die echter veel sterker gedoornd zijn. De beide laatstgenoemde soorten worden door de zijscheuten, die zich veelvuldig vormen en die als stekken behandeld worden, voortgekweekt; eerstgenoemde soort vermenigvuldigt men door ingevoerde zaden. De voortkweeking van Pandanussen in de kamer is echter niet geraden, daar zij bijna altijd mislukt.

Een gezonde, goed ontwikkelde Pandanus, die men het best tegen het najaar koopt, is een zeer fraaie plant om vrij op een bloemstandaard geplaatst te worden. Gedurende den winter heeft zij geen behoefte aan veel licht en men kan haar het geheele jaar door in de kamer houden. De bladeren moeten elke week met een sponsje afgewasschen worden. Men begint daartoe aan den bladvoet en wascht naar de spits toe, daar men anders kans heeft zich aan de dorens te verwonden. Veel spuiten behoeft men den Schroefpalm niet te doen, daar het niet wenschelijk is, dat zich water in den kop verzamelt, waardoor deze zou kunnen verrotten. De aarde moet matig vochtig gehouden worden; des zomers kan men wat meer gieten dan ’s winters, mits men er voor zorgt, dat er geen water in het plantenschoteltje blijft staan, wat hoogst nadeelig is. Is het noodig haar te verpotten, dan doet men dit bij voorkeur in het voorjaar, en gebruikt men daartoe goede broeiaarde, vermengd met graszodengrond. Men moet er voor zorgen, haar niet al te diep te planten, wat men, met het oog op de luchtwortels, die zich aan den stam vormen, al zeer licht zou doen. Daar de bladeren gemakkelijk brandvlekken krijgen, moet men haar des zomers goed tegen de zon schermen.

Pogostemon Patchouli. De Patchouli is een kleine, tamelijk onbeduidende halfheester, welks bladeren een sterk aromatischen reuk hebben, door den één meer bemind dan door den ander. In de parfumerie spelen deze bladeren een zeer groote rol, en in gedroogden toestand vormen zij, als middel tegen mot, een niet onbelangrijk handelsartikel. De bladeren zijn, vooral wanneer zij jong zijn, niet onaardig en daar zij in een warm vertrek groeit, vindt men ze hier en daar nog wel als kamerplant. Zij verlangt een voedzame aarde, doch stelt verder geen bijzondere eischen en laat zich zeer gemakkelijk uit stek voortkweeken.