Er bestaat in des menschen geest een strijd tusschen de zucht naar toestanden, waarvoor hunne natuur, zooals zij thans is, zekere geschiktheid bezit en waaraan zij gewoon zijn, hetgeen eene soort van geschiktheid is, en de zucht naar hoogere, maar hun onbekende toestanden. Van daar dat bijv. menschen, geruimen tijd in de gevangenis vertoefd hebbende, aan hunne enge cel hechten, en er somtijds tegen op zien, om weder in de wijde en hun vreemd geworden maatschappij te treden1. Vandaar ook de liefde der menschen niet slechts voor bestaan in het algemeen, maar tevens voor het aardsche leven, dat wel is waar hun veel leed oplevert, maar met wiens aard zij bekend zijn, en waarvoor zij zekere geschiktheid verkregen hebben. Hoe lager des menschen trap van geestontwikkeling is, en aldus hoe zinnelijker zij en hoe meer bekrompen hunne denkbeelden zijn, hoe sterker (althans zoo men het zwakker zijn hunner zelfbewustheid niet in aanmerking neemt) hunne gehechtheid aan bekende levenstoestanden, en tegelijk hoe sterker hun afkeer voor door hen veronderstelde vreemde toestanden zal zijn. Dit kan nu de oorzaak zijn, dat de oude Grieken het verblijf in den Hades zoo weinig aanlokkend voorstelden, en dat de menschen zekere neiging bezitten om den zielstoestand na den dood wel verhevener, maar overigens gelijkende op die hier op aarde te stellen. Kan bijv. de meest philosophische mensch vurig verlangen naar een leven, waarin hij een veel hoogere ontwikkeling, maar tegelijk geheel andere denkvormen dan hier op aarde bezit, en dat hij aldus wel kan stellen te zullen bestaan, maar voor zich niet begrijpelijk kan maken? Naar ons inzien neen, maar zulk een philosoof zal zeggen, dat de aardsche levenstoestanden thans voor hem niet eene grootere absolute, maar slechts eene grootere relatieve waarde bezitten dan alle andere wier bestaan hij kan stellen, en dat die voorkeur voor het aardsche bestaat door zijne bekendheid er mede, aldus door eene oorzaak, die, wanneer hij eenmaal vertrouwd zal zijn met andere levenstoestanden, hem voor deze dezelfde voorkeur zal inboezemen, al thans voor de aardsche.
Wel zal hij, naar ons inzien, een oneindig, onveranderlijk en dus volmaakt, maar hem geheel vreemde denkvormen en denkbeelden bezittend en aldus hem onbegrijpelijk wezen, in waarde onvergelijkbaar hooger schatten dan de menschen, die hij liefheeft, maar toch, wegens de onmogelijkheid om het te kunnen begrijpen, dit wezen niet kunnen beminnen op de wijze als hij menschen bemint. Hiervoor zou hij dit Oerwezen moeten vermenschelijken en aldus een karakter moeten geven, dat zijne rede en wetenschap hem zegt, dat het niet bezitten kan. Die voor hem onbegrijpelijke aard van het Oerwezen zal die wijsgeer achten volmaakt geschikt te zijn voor het Heelal en zelfs voor zijn eigen geestelijken loopbaan, gedurende de eeuwigheid als een geheel beschouwt, maar voor zijn gemoedsgevoel, zooals dit thans is en zelfs, zoolang zijn geest binnen de palen der eindigheid besloten is, zijn zal, moet die onbegrijpelijke aard als iets ongeschikt voorkomen2.
Slechts wanneer de wezens, na eene oneindige groote geestontwikkeling bereikt te hebben, geheel met den Oergeest vereenigd zijn, moeten zij, naar ons inzien, zijne natuur door deze volkomen te deelen, volkomen begrijpen, en dan ook eene volmaakte wetenschap van hunne eigene bestemming en van het werelddoel bezitten. Voor dien tijd, terwijl die geestontwikkeling uiterst groot, maar nog eindig is en, ofschoon uiterst weinig, nog toeneemt zie blz. 200, kan dit begrijpen wel reeds uiterst goed, maar nog niet volkomen goed zijn, evenmin als eene kromme lijn ac (zie onderstaande fig.), een assymptoot lg bezittende, deze op uiterst groote eindige distantiën volkomen kan raken. Zoo nu, na het bereiken van zekere eindige grootte, de geestontwikkeling, na steeds verzwakkende vergrooting er van, niet meer toenam, zou na een uiterst langen tijd er (zie blz. 178) geene noemenswaardige dwaling en disharmonie bij onze denkbeelden meer moeten bestaan. Daar dan echter het begrijpen van het oneindige zeer onvolkomen zou zijn, zou het stellen er van in ’s menschen geest niet meer moeten plaats hebben, want anders zou de disharmonie zelfs niet zeer nabij weggenomen zijn. Van den anderen kant kan een niet in grootte van ontwikkeling afnemende geest, het stellen van het oneindige niet verleeren, en dit toont dunkt ons aan, dat dit stellen (door de wijsgeeren slechts bepaalder en naauwkeuriger dan door andere menschen geschiedende, en waarvan bij alle metaphysische godsdienstbegrippen zelfs de laagste, er reeds eene kiem bestaat) bewijst, dat de natuur van onzen geest zoodanig is, dat bij geen trap van eindige ontwikkeling er tusschen zijne denkbeelden eene volmaakte harmonie kan bestaan, en dat aldus binnen geen eindigen tijd hij in een volmaakt bevredigenden toestand kan geraken.
Het zich bevinden der stelling van het eeuwige, onveranderlijke en oneindige binnen de hierdoor nimmer derzelver aanhangers geheel bevredigende godsdienstbegrippen, heeft gemaakt, dat de vermogensvergelijking der goden slechts tot zekeren graad mogelijk werd. Bij den Oergod, tijdens het begin der tijden begonnen zijnde den chaos te ontwarren, ging dit het minste goed, bij de ondergoden en middelaars beter, en uit zucht, om voor zich zooveel mogelijk geschikte godsdienstbegrippen te verkrijgen, hebben de menschen dan ook niet verzuimd om zulke middelaars, wier bijna menschelijke natuur hen goed begrijpelijk, en ten gevolge van dien vrij beminnenswaardig en geschikt om gebeden te verhooren maakte, te scheppen. Somtijds geen, somtijds eenigen, maar steeds een grootendeels toevalligen historische oorsprong bezittende, zoo waren die middelaars vaak zinnebeelden van zaken op geestelijk of stoffelijk gebied binnen de bewuste aanschouwing vervat, en verhevener was hunne natuur, naarmate hunne voorstelling deel uitmaakte van hooger staande godsdienstbegrippen.
De disharmonie van hetgeen wij op het buitenzinnelijk gebied stellen met wat wij hiervan begrijpen, is, naar ons inzien, de oorzaak waardoor de arbeid der eigenlijke wijsgeeren voor de verhooging der godsdienstbegrippen der massas zoo weinig vruchtbaar geweest is en waarom men aan de juistheid, van hetgeen men op buitenzinnelijk gebied gelooft met de waarheid ongeveer over een te komen, te kort moet doen bij het mededeelen van godsdienstbegrippen aan kinderen en onbeschaafde menschen. Terwijl de wiskundige kennis bij de achtervolgende generatiën door juxtaposa aangroeit, zoodat het nieuwe zich naast het oude vleit, zonder aan de waarheid hiervan te kort te doen, groeit de kennis van het buitenzinnelijke door interposa, namelijk elk deel ontwikkelt zich en nadert gemiddeld meer tot de waarheid. Tracht men aldus bij het onderwijs der jeugd die deelen in hun vorigen verachterden toestand alleen te verbeteren en te zuiveren, zonder hen tegelijk te verhoogen, zoo zal men gebrekkig werk leveren. Zie blz. 130.
Zelfs menschen, welke zich boven de voorstelling van middelaars verheven hebben, zijn niet vrij van het toeschrijven van menschelijke denkvormen aan het Opperwezen.
Zij zeggen, wij zijn geene loondienaars, doch de hartekenner volgt onze schakel van denkbeelden en, naarmate deze goed of slecht zijn, keurt hij die goed of af, en daarvoor is het dat wij gevoelig zijn. Men zou nu aan zulke menschen kunnen vragen, of die opvatting der denking van God niet insluit, dat zij voor een deel even als Godsvoorwetenschap van al het toekomstige bijzondere (en derhalve ook van hetgeen door al de menschen in de toekomst gedacht zal worden) eene overbodige duplicata is van het geestelijke leven der menschen, en tevens dezelfde vorm als de denkbeelden dezer laatste bezit, zie blz. 175. Die goed of afkeuring kan ook kwalijk zonder het bezit der menschelijke denkvormen geschieden, en zou buitendien niets beteekenen, zoo zij aan God geene vreugde of verdriet verschafte, hetgeen de toekenning van menschelijke hartstogten aan hem noodzakelijk maakt3.
Wijsgeeriger is het naar ons inzien te zeggen, dat, door goed te doen, men zijne zedelijke ontwikkeling, en wel te meer hoe verhevener door onbaatzuchtigheid de gehalte van die goede daden is bevordert, en zich hierdoor een blijvenden schat verwerft, zoo het geestelijke leven niet met vernietiging bedreigd wordt, en men zorgt die verkregen vergrooting van zedelijke ontwikkeling in stand te houden. Zie blz. 153. Even als toch eene nietige oorzaak, gedurende zeer langen tijd werkzaam, groote kwalen kan doen verdwijnen en eene groote ommekeer van zaken te weeg kan brengen (reden waarom ongelukkige en door de omstandigheden magteloos gemaakte, maar met wijsheid en wilskracht begiftigde menschen vertrouwen in de toekomst kunnen stellen), zoo moet een verworven goed, niet onderhouden wordende gedurende een lang tijdsverloop tot op een niet noemenswaardig deel wegslijten.
Op blz. 122 hebben wij aangegeven wat ons noopt om onze geestontwikkeling naar de hoogte te werken, en op blz. 207 wat het einddoel dier vergrooting is. Die vergrooting onzer geestontwikkeling is aldus onafscheidelijk van de denking van den Oergeest, en zonder deze zou ons bestaan zelfs onmogelijk zijn, zoodat de gedachte aan hem onafscheidelijk is van die dat de vergrooting onzer geestontwikkeling onze roeping is.
De zooveel mogelijk regtvaardige vergelding der daden, of anders gezegd het beloonen en straffen, dit is de taak der met elkander verkeerende eindige wezens. Dit moet dunkt ons niet alleen hier op aarde, maar ook op de hemelbollen, waar er hooger ontwikkelde levende wezens met elkander in contact komen, het geval zijn. Wegens de gelijkslachtigheid tusschen oorzaken en gevolgen (zie blz. 70) moet de behandeling van andere wezens door deze laatste, of, wanneer op hoogeren trap van geestesontwikkeling zij met andere wezens zamenwerken, door die welke hunne partij opnemen, beantwoord worden. Slechts omdat dit het geval is, kunnen wij onderzoeken hoe die beantwoording moet zijn om tot heil van de geheele maatschappij te strekken, of anders gezegd om onregt te weren. Dit onderzoek, die pogingen vereischen geestinspanning en leiden aldus tot de vergrooting zoo van eigen geestontwikkeling, als tot de verheffing der maatschappij. Zoo er eene supranaturalistische vergelding bestond, zouden wij de handen in den schoot kunnen leggen, zoo zulk eene vergelding kort na het begaan der daden op een goed merkbare wijze plaats had. Het is waar, dat, wegens het bestaan van allerlei accidentele omstandigheden en wegens de kortheid van het aardsche leven, het voor de menschen zelfs met den besten wil onmogelijk is om elk hunner voor zijn dood zijn geregeld deel te geven; doch beide die oorzaken, en aldus ook het er door teweeggebragte kwaad, zijn zie blz. 84 onafscheidelijk verbonden aan levenstoestanden waarin toename der geestontwikkeling mogelijk is.
Het voorschrift, dat men andere menschen even sterk als zich zelf moet beminnen, en aldus in de wederwaardigheden van vreemdelingen evenveel belang stellen als in zijn eigen lot, kan, naar ons inzien, eerst een vereischte worden voor wezens, na eene oneindige vergrooting hunner geestontwikkeling, zie blz. 169 volmaakt met elkander samengesmolten zijnde. Uit het feit, dat wij thans individueel bestaan, volgt direct, dat wij voor ons zelf moeten zorgen en een levensdoel met betrekking tot ons eigen persoon moeten bezitten, terwijl uit het feit, dat wij met andere wezens behooren zamen te werken, volgt, dat wij ons het lot dier anderen behooren aan te trekken. Wij behooren hen te helpen voor zooverre zij onze strijdmakkers zijn, en wel niet slechts in den strijd van partijen van het menschdom tegen elkander, maar zie blz. 55 tevens in de hoogere soort van strijd door het gansche menschdom vereenigd gevoerd. Slechts in zooverre de menschen aldus behooren zamen te werken, moet elk hunner voor de maatschappij leven, en dit kan nu hun levensdoel met betrekking hun eigen persoon hooger en edeler doen worden.
Wanneer begrippen over levens- en wereldbeschouwing te laag staan met betrekking tot de wetenschap en de behoeften der maatschappij, zijn zij voor deze laatste wel in het algemeen, maar niet in allen deele ongeschikt geworden, en zijn dien ten gevolge de hoogere begrippen over wereld- en levensbeschouwing ongeschikt voor bijzonderheden der maatschappelijke behoeften. Om dit op te helderen stellen wij bijv. dat iemand te klein gehuisd is. Vooreerst zal hij, wegens de werking der traagheid, later verhuizen dan op het oogenblik, dat hij ondervindt te eng gehuisd te zijn, al kon dit verhuizen zonder de minste zwarigheid geschieden, maar buitendien wordt hij terug gehouden, omdat zijne vloerkleederen en gordijnen zoo goed in het oude huis passen, omdat hij geen meubels genoeg bezit voor eene ruimere woning enz.4.
Precies in dezelfde verhouding staan nu de massas iets bezittende, dat in het algemeen te laag voor hen staat tegenover novateurs, welke zulk eene zaak op een hooger standpunt willen brengen, al is het dat hierdoor aan eene werkelijke behoefte voldaan wordt, en aldus nog zooveel te meer zoo die behoefte nog maar flaauw is, en het nieuwe, dat wordt aanbevolen, voor die massas nog te verheven is. De geschiktheid van het oude voor bijzonderheden van den bestaanden toestand en de ongeschiktheid van het nieuwe hiervoor, verklaren de inertie dier massas, en ten gevolge hiervan worden die hervormers, meestal bekwame personen, maar die weinig te verliezen hebben, gehouden voor lastige menschen en onpraktische warhoofden, goed om te worden verwaarloosd. Komen deze nu in aanraking met magthebbende personen, wier positie aan den ouden stand van zaken verbonden is, zoo wordt de zaak erger voor hen, althans zoo men vervolging erger kan noemen dan voor anderen vruchteloos te arbeiden. Al komen zulke magthebbenden niet tegen beter weten in veel te kort in de vervulling der eischen van hunne positie, al zijn het dus geen slechte menschen, zoo zullen zij, door overdrijving der bezwaren der verandering, door gehechtheid aan hunne wijze van zien, door gekwetste ijdelheid, al ligt er toe komen om die hervormers voor monsters en vijanden van het heil der maatschappij te houden, en hen, wanneer de stand van beschaving en de wetten dit veroorloven, naar het schavot zenden. Dit in aanmerking nemende, zoo is het gemakkelijk te verklaren hoe de Atheners, zonder te meenen onregt te plegen, Socrates konden ter dood veroordeelen, omdat hij beticht werd de jeugd tot ongeloof en zedeloosheid te verleiden.5 Wat nu is de oorzaak dier verkeerde oordeelvellingen en van het verwonderlijke verschil in appreciatie der waarde van zaken door de menschen? Niets anders dan de verandering der wereldsche zaken, waardoor, wegens de werking der traagheid, bij verandering van eene zaak, niet al de andere direct eene overeenkomstige verandering ondergaan en zich er naar schikken, maar op verschillende hoogten staan, zie Noot blz. 69, en voorts het verschil in werking der traagheid niet alleen bij onderscheidene menschen, naar gelang van hun karakter, beelding, antecedenten en positie, maar ook bij denzelfden mensch bij de verschillende zaken, waarmede hij zich bezig houdt.
Zoo zal bijv. een geleerde, de vader der nieuwste ontdekkingen op het gebied van eenige wetenschap, in zijne kleeding de mode van voor twintig jaren volgen, ofschoon hij volstrekt niet overtuigd is, dat deze doelmatiger dan de thans bestaande is, en eenig ander mensch hevig liberaal, maar tevens voorstander zijn van classieke studiën voor regtsgeleerden en sterrekundigen zijn, omdat het toeval hem rector gemaakt heeft.
Eene constante oorzaak (bij het voorbeeld van blz. 132 de doorloopende orde tot opsluiting zijnde) tracht echter, wanneer bij iemand, of bij eenige maatschappij verschillende zaken op ongelijke hoogte staan, deze in hoogtestand naar elkander te trekken. Zoo is het bijv. niet aan het toeval te wijten, dat thans de geestelijken eene ouderwetsche kleeding dragen en gehecht zijn aan de klassieke studiën.
Bij zwakke verandering der maatschappelijke toestanden, meeningen en behoeften zal men daarentegen bij instellingen geene groote ongeschiktheid van het een voor het ander en evenmin groote verschillen in opinie bij de menschen, ten gevolge van bovengemelde werking der traagheid, waardoor zie blz. 119 de kritiek met betrekking tot de vorming van nieuwe opiniën ten achteren blijft, bespeuren.
Tusschen den mensch van genie van heden en den gewonen mensch van lateren hoogeren trap van beschaving, wiens toename in geestontwikkeling door uitgebreider onderwijs en zelfs zie blz. 199 door den ligchamelijken invloed zijner ouders meer begunstigd is dan die zijner voorzaten, bestaat het verschil, dat gene betrekkelijk zijne tijdgenooten in eene soort van geestontwikkeling kan uitmunten, waarvan later weinig werk wordt gemaakt zie blz. 67, en waarin dus zijne niet geniale nakomelingen hem niet evenaren, ofschoon deze in andere soorten van geestontwikkeling hem zullen overtreffen. Desniettemin kan men zeggen, dat in zeker opzigt, vooral de in het algemeen geniale mensch van heden, vertoont wat de gewone mensch in de verre toekomst zal zijn, en dat hetgeen hij voor zich (niet voor zijne tijdgenooten) op maatschappelijk en religieus gebied geschikt acht, in de toekomst bij hoogeren trap van beschaving eenmaal zal bestaan. Beide zullen zie blz. 84 gebrekkiger dan den gewonen mensch van heden aan de door hen gestelde levenseischen voldoen, sneller dan dezen voorwaarts schrijden op de baan der geestontwikkeling, en beter dan dezen begrijpen hoeveel er voor den individuelen mensch te leeren valt, en welke kennis hunne nakomelingschap zal kunnen opdoen. Van den in kennis boven zijne tijdgenooten verheven mensch, wordt vaak de leering, van den hen zedelijk overtreffenden mensch, de beweegredenen zijner handelingen gebrekkig begrepen. Beide nu moeten binnen zekere grenzen trachten zich geschikt te maken voor hunne omgeving, de eerste door zich door deze te doen begrijpen, de tweede door de verdediging zijner regten minder aan de hoede der maatschappij over te laten en haar meer op zich te nemen.
Hiervoor behoeft men echter zijne toeneming in intellectuele en zedelijke ontwikkeling slechts te wijzigen, zonder haar te verzwakken. Zoo men toch minder tijd wijdt aan het opdoen van kennis, ten einde pligten jegens anderen te vervullen, zal men zijne zedelijke ontwikkeling bevorderen, en zoo men zich sterk tracht te maken, ten einde zijne belangen beter te verdedigen en geene vergevingsgezindheid en onbaatzuchtigheid betoont waar misbruik van gemaakt zou worden, zijne intellectuele ontwikkeling begunstigen.
Verder mag men evenwel naar ons inzien niet gaan, en aldus niet zeggen, ik zal die kennis niet opdoen, omdat ik haar niet ten volle aan anderen kan mededeelen, ik zal mij niet meer zedelijk veredelen, omdat anderen hierdoor slechts weinig gebaat zouden worden. Zulk eene nuttigheidsleer zou slechts kunnen opgaan zoo de menschen uiterst innig met elkander verbonden en alsware geestelijk zamengesmolten waren, zoo er een geestelijk communisme bestond.
Even als de door de regtbanken opgelegde en tot afschrikking dienende straffen, zooveel mogelijk aan de zedelijke verheffing der veroordeelden dienstbaar gemaakt worden, zoo moet een ieder, zooals hierboven gezegd is, de verhooging zijner geestelijke ontwikkeling zooveel mogelijk dienstbaar trachten te maken aan het heil zijner medemenschen. Dit nu wordt door hen, welke zich aan het zoogenaamde comtemplatieve leven wijden, verzuimd, doch dit leven kan voor die personen zelve even heilzaam zijn als eene de veroordeelden niet zedelijk opheffende straf voor de maatschappij.
Het verzuimen van lagere soorten van geestontwikkeling, ten einde zijn leven toe te wijden aan vergrooting van meer verhevene soorten er van, was primitief het doel van het kloosterleven, en zoo iets kan niet ten allen tijde geschieden, zonder zich van de maatschappij af te zonderen. De vergrooting der geestelijke ontwikkeling dier maatschappij, zijn eigen persoon hier in begrepen, zooveel mogelijk bevorderen, behoort een ieders streven te zijn, doch om (zooals op blz. 85 gezegd is) de geschiktheid dier maatschappij voor het aardsche te paren aan haren geestelijken vooruitgang, dient die vergrooting niet alleen bij de hoogste ons bekende soort, maar ook bij lagere soorten van geestontwikkeling (waarvan op blz. 67 gesproken is) plaats te hebben. Alles komt toch neder op gedachten.
Onjuist komt ons voor Göthes epicuristische stelling, dat men gedurende zijn leven de som der aangename en verstandige gedachten zoo groot mogelijk moet trachten te maken. Deze stelling zou passen voor wezens, individueel in geen phase van vooruitgang zijnde. De eischen hiervan maken (zie blz. 84) dat men zich dikwijls onaangename en bezwarende gedachten moet opleggen.
Wanneer bij eenig wezen de zedelijke ontwikkeling hooger staat dan de intellectuele, zal gene verlagen door onwetendheid en gebrek aan kracht, terwijl in het omgekeerde geval, de intellectuele ontwikkeling door toegeving aan hartstogten zal verlaagd worden. Op den langen duur kunnen beide soorten van geestontwikkeling niet op verschillende hoogten blijven staan, en van daar dat de genius van het kwaad, bestendig eene hooge intellectuele aan eene zeer lage morele ontwikkeling parende, niet slechts een niet bestaand, maar zelfs een onbestaanbaar wezen is. Het kwaad bezit steeds het karakter van dierlijkheid, zwakheid of bekrompenheid. Hij die bijv. zelfs ter bereiking van een goed en groot doel (zooals bijv. het daarstellen van een deels meer geschikten, deels meer geavanceerden maatschappelijken toestand) slechte middelen aanwendt, handelt bekrompen, daar hij weinig vertrouwen in zijn talent schijnt te stellen en een gebouw op zwakke grondslagen sticht. Even als het afbreken veel gemakkelijker dan het opbouwen is, zoo is het benadeelen en bedriegen van een ander veel gemakkelijker dan het met hem zamenwerken ter bevordering van zijn heil. Hiervoor wordt meer menschenkennis en overleg gevorderd dan voor het bedriegen, waarbij men met eene lage soort van geestontwikkeling, ook bij de roofdieren bestaande, kan volstaan. Deze kunnen toch goed onderscheiden welk dier zij aan en welk zij niet aan kunnen, zich in hinderlagen leggen en hunne prooi onverwachts bespringen, doch wat zij slechts op eene zeer beperkte schaal kunnen doen is met elkander zamenwerken. Zoo iemand door kwaad te doen, zijne zedelijke ontwikkeling betrekkelijk die der andere menschen verlaagt, trachten de door deze opgelegde straffen hem te verlagen, en omgekeerd, na het plegen van goede daden, de ontvangen loonen hem in eene hoogere positie te plaatsen. De menschelijke vergelding strekt dus niet alleen, om door afschrikking en aanmoediging de zedelijke ontwikkeling der menschen te verhoogen, maar tevens om deze in voor hen geschiktere toestanden te brengen, door een ieder digter bij de plaats te brengen, waarop de hoogte zijner geestelijke ontwikkeling hem aanspraak geeft.
Overigens loonen en straffen de menschen slechts voor zoo verre hen door iemand goed of kwaad gedaan wordt. De verhooging of verlaging der zedelijke ontwikkeling van een persoon, gevolgen zijner daden, bestaan naast die loonen en straffen, zijner niet steeds mede evenredig, worden er meer of minder door geinfluenceerd en zijn sterker en duurzamer, naarmate de zelfbewustheid der menschen grooter is. Tegelijk hiermede moet het bewustzijn der morele verhooging of verlaging, bij de menschen sterker wordende, deze meer wéérhouden om anderen kwaad of te kort en meer dringen om anderen goed te doen. Werden de eischen van het maatschappelijke en zedelijke bestaan der menschen alsdan niet hooger, zoo zouden de menschen zeldzamer door anderen te kort gedaan en menigvuldiger goed bejegend worden, dit kwaad en dit goed minder geteld en menschelijke straf en loon zwakker worden6. Men ziet aldus hoe wenschelijk het is, dat de menschen hunne zedelijke verlaging of verhooging ten gevolge hunner slechte of goede daden, groot en duurzaam voorstellen, en hoe is dit nu mogelijk, zoo zij haar bij het einde van hun aardsche leven stellen op te houden? De voorstelling der zedelijke verhooging of verlaging van den mensch na den dood is thans bij de massas nog kinderlijk, daar zij is die van opgelegd menschelijk loon of straf, doch verdween zij bij die massas, zoo zouden deze betrekkelijk wat slechter worden, hierdoor de eischen van hun maatschappelijk en zedelijk bestaan verlagen, en dit successivelijk voort gaan, tot dat het menschdom zou dalen tot op het standpunt dier wilde volken wier zelfbewustheid zoo gering en wier zinnelijkheid zoo groot is, dat zij zich nog hoegenaamd geene voorstelling van een toekomstig leven kunnen vormen. De atheïsten door redenering zouden aldus van lieverlede atheïsten uit onwetendheid zijn geworden, of is het niet waar, dat bij den mensch alles zich op dezelfde hoogte tracht te stellen, en dat, zoo aldus iets bij hem op een zeer laag standpunt te houden was, al het ander van lieverlede op een even laag standpunt zou komen? Hij die zoo iets ontkent, kent de natuurwet der geschiktwording van het een voor het ander niet. Of zou men denken, dat, zoo het mogelijk ware dat de menschen steeds naakt gingen loopen, en hunne dierlijke lusten in het publiek dan met deze en dan met gene gingen voldoen, kunsten en wetenschappen nog lang zonden bloeijen? Apen zouden zulke menschen worden, apen in ligchaamsvorm, in intellectuele en zedelijke ontwikkeling, in levenswijze.
Dit onverzettelijk zeer laag houden van een factor der ontwikkeling van eenig wezen, betrekkelijk de andere factoren, is echter op den duur onmogelijk, daar niet slechts alles in hoogte elkander tracht te naderen, maar bij dit alles een drang tot vooruitgang bestaat.
Door dien vooruitgang worden de wezens magtiger, en streven zij sterker dan hunne gelijken voorwaarts, zoo worden zij magtiger dan deze.
De menschen bezitten eene zucht hiernaar, doch trachten zij macht te verkrijgen, niet door vergrooting hunner intellectuele en morele ontwikkeling onder gestadige inspanning, maar ten koste dezer laatste soort van geestontwikkeling, zoo worden zij eene prooi hunner hartstogten en zinnelijkheid, en het gebouw hunner magt valt weldra ineen. Zinnebeeldig heeft men zoo iets voorgesteld door verbonden van naar magt en grootheid hunkerende menschen met den booze, en het geloof aan tooverij heeft geen anderen oorsprong. De toovenaars toch werden beschouwd magt verkregen te hebben door onwettige middelen, terwijl godsdienst en vroomheid als de wettige middelen beschouwd werden, en de maatschappij, zich door de toovenaars benadeeld achtende, strafte deze.
De toovenaars zijn verdwenen, doch waarop berust thans veler ephemere grootheid? Op intrigue, op bedrog en opligterij, en hunne weelde en saturnaliën duiden genoegzaam den onwettigen oorsprong dier magt aan. Hoogere intellectuele ontwikkeling maakt, dat men meer bespeurt, welke voordeelen in het heden misdaden te weeg kunnen brengen, en beter de middelen weet te vinden om deze te volvoeren. Vandaar dat, ofschoon de menschen gedurende hun leven gemiddeld absoluut in zedelijke ontwikkeling toenemen, in het oog loopende misdaden, zie blz. 72 niet meer door jonge lieden dan door oudere van dagen gepleegd worden.
Dat menschen in beschaving toenemen en absoluut moreel slechter worden, gebeurt somtijds en naar ons inzien door dat zij dan aan qualitatief lagere eischen van zedelijkheid minder gaan voldoen, en zulks nog vrij slecht aan qualitatief hoogere doen. Dit kan vergeleken worden met het slecht schieten door een wilde, die afgeleerd heeft om met den boog om te gaan, maar nog niet goed met vuurwapens overweg kan, alsmede met het ongeloof van hen die hunne voorvaderlijke godsdienst ontgroeit, maar nog slechts gebrekkig eene meer verhevene godsdienst aangenomen hebben. Dit verschijnsel is echter bij de menschen in beschaving toenemende slechts tijdelijk.
Bij vergrooting zijner intellectuele ontwikkeling verkrijgt de mensch een dieperen blik in verschijnselen op stoffelijk en geestelijk gebied meer vreemd zijnde aan die onder het directe bereik zijner waarneming gelegen, zoo wegens derzelver aard als wegens het plaats hebben er van in verder verleden of toekomst. Hij verkrijgt aldus dan kennis van alsware sterker buitenzinnelijke zaken, van zaken welke een meer algemeen karakter bezitten, dan de het gevolg er van zijnde bijzonderheden die hij direct waarneemt; in een woord een wijderen blik in tijd en ruimte, zoo men die laatste uitdrukking niet slechts volgens de letter, maar tevens in figuurlijken zin opneemt. Bij vergrooting der zedelijke ontwikkeling verkrijgt de mensen liefde (uit met zekere eigenschappen begiftigde denkbeelden bestaande) voor wezens sterker van hem onderscheiden, en dus in figuurlijken zin in de ruimte verder van hem verwijderd, voor belangen dier wezens verder in de toekomst verscholen, en van een meer verborgen en meer algemeenen aard zijnde dan die welke direct onder het bereik zijner waarneming vallen. Zijne liefde dringt aldus dan door tot meer buitenzinnelijke zaken, tot verder in ruimte en tijd. Naarmate de zedelijke ontwikkeling grooter wordt, veranderen de er bij behoorende denkbeelden, door verhevener en dieper te worden, op dezelfde wijze van karakter als die der intellectuele ontwikkeling.7 Er moet aldus eene constante oorzaak bestaan beide soorten van geestontwikkeling, door te trachten hen op gelijke hoogte te stellen, een overeenkomstig karakter trachtende te geven.
Aldus bestaat bij een hoog intellectueel ontwikkeld mensch, een ver en diep ziende geest parende aan groote wijsgeerige kennis, en zich verheffende boven het heden en de omgeving, een drang om opofferingen in het heden ligt te tellen, om niet een alles aan zijn eigen en oogenblikkelijk belang opofferend bekrompen egoïst te blijven en om door de ruimte van zijn blik, tot regtvaardigheid geleid te worden. Hij die daarentegen zeer van hem onderscheiden wezens en ver in de toekomst verscholen belangen met zijne liefde bereikt, moet daarentegen klaarblijkelijk geleid worden om zich bekend te maken met den aard van hetgeen in tijd en ruimte (ook in figuurlijken zin opgevat) ver van hem gelegen is. Kan men bijv. deelneming in vreemdelingen stellen en onverschillig blijven voor hun ganschen zijn en alles wat daarop betrekking heeft, en moet omgekeerd de kennis hiervan niet leiden tot deelneming voor zulke personen. Het spreekwoord zegt “onbekend maakt onbemind,” maar evenzeer moet onbemind onbekend houden.
De godsdienstbegrippen moeten van die vergrooting der intellectuele en zedelijke ontwikkeling de gevolgen en het doel aangeven, tevens deel uitmaken dier intellectuele ontwikkeling, en op dezelfde wijze als derzelver andere deelen verkregen worden. Onze voorstellingen der daden van andere menschen vergelijken wij bijv. met de voorstellingen onzer eigen daden en uit de overeenkomst van beide, leiden wij af dat zij gelijkslachtige oorzaken moeten bezitten, en dat aldus andere menschen even als wij denken. Die denking van andere wezens behoort echter reeds met alles wat ligt buiten de voorstellingen door de zintuigelijke indrukken teweeggebragt, tot het gebied van het buitenzinnelijke, en niettemin verkeeren wij daaromtrent niet in onzekerheid. Bij hoogeren graad van geestontwikkeling gaat men echter vragen of een oester denkt, iets dat insgelijks uit de door dit dier verrigt wordende daden moet opgemaakt worden. Zekerheid bestaat hierbij niet, doch het is vrij waarschijnlijk, dat de oesters wel denken, maar andere denkvormen bezitten als de menschen. Moet nu uit hetgeen wij opmerken, dat in de stoffelijke en zedelijke wereld plaats heeft, zonder dat de eigen denking van menschen of dieren daarvan de oorzaak kan zijn, de menschen niet evenzoo leiden om na te gaan of die verschijnselen al dan niet denking tot oorzaak hebben, of hiermede vergezeld gaan, een vraagstuk waarbij men, door middel van op zinnelijke waarnemingen gebouwde redeneringen, komt tot de vaststelling van iets dieper op buitenzinnelijk gebied gelegen dan de denking van andere menschen. Bestaat er een anderen weg om tot de kennis van het Oerwezen te komen? Naar ons inzien neen, en dat die kennis zoo gebrekkig is, spruit naar ons inzien alleen voort uit de disharmonie tusschen onze denkbeelden over buitenzinnelijke zaken en die door de zintuigelijke indrukken teweeggebragt. Wanneer de geestontwikkeling van wezens sedert lang slechts zeer langzaam aan het toenemen is, moet de laatste soort van denkbeelden zeer nabij in hoogte gelijk staan met de eerste, even als, bij eenigen dwang tot opsluiting, een mensch, zeer ver voor een ander uitgaande, na sedert zeer lang zeer langzaam geloopen te hebben, door deze bijna ingehaald moet worden. Op blz. 80 hebben wij aangegeven hoe, wanneer de geestontwikkeling van een wezen toeneemt, deszelfs ligchaam in figuurlijken zin omhoog getrokken wordt; en aldus hierbij, hetzij door eigen, of wel door kunstmatige hulpmiddelen, het veld der zintuigelijke waarneming vergroot. Dat er hiervoor op deze aarde een grens bestaat, bewijst dat wezens, welke zelfs rudimentaire denkbeelden over het buitenzinnelijke en oneindige verkregen hebben, omdat die denkbeelden door middel van zintuigelijke waarneming en directe ervaring op deze aarde niet tot volle zekerheid en klaarheid kunnen komen, van eene natuur zijn, dat zij er slechts tijdelijk op kunnen wonen.
Een hersenschimmige, ongevallen en ligchamelijk onsterfelijk gebleven Adam zou, sedert uiterst langen tijd in geestontwikkeling niet toegenomen zijnde, slechts denkbeelden kunnen bezitten door directe ervaring en zintuigelijke waarneming zeer nabij ten volle bevestigd, en zijn geest alsware een aardsch product zijn. In sommige opzigten zou hij aldus lager dan de laagst ontwikkelde onzer, en niettemin hooger staan dan een slechts kortstondig op deze aarde levend, maar overigens zijne geestelijke natuur bezittend wezen. Zoo bijv. een leerling al zijne denkbeelden van zijn onderwijzer bekomt, zal hij, uiterst lang onderwijs genietende, eindelijk bijna even bekwaam als dien onderwijzer en klaarblijkelijk bekwamer dan na het kortstondig genieten van zulk onderwijs zijn. Ook in dit laatste geval zou aldus de leerling een product zijn van zijn onderwijzer, even als onze geest een der aarde, zoo hij zich niet, even als de vogels boven den bodem, boven de aardsche ervaring wist te verheffen.
Ons gemis aan volmaakte juiste en klare bevatting, van hetgeen wij op buitenzinnelijk gebied en betreffende het oneindige stellen, is echter niet oneindig groot, want alsdan zouden wij, evenmin als de dieren, zulke stellingen kunnen maken, en veler onzer niet kunnen wanen, dat bij hen dit gemis niet noemenswaardig bestaat. De grootte hiervan kan aldus bij ons menschen, zie fig. blz. 207 niet door de oneindige hoogte der assijmptoot al der kromme a b c uitgedrukt worden. Zij zal dit integendeel voor onbeschaafde, bewoners dezer aarde door de ordinaat i h en voor beschaafde door de ordinaat f b gedaan worden; terwijl de kromme a b c, voorbij c uiterst ver verlengd gedacht, aldaar uiterst kleine ordinaten bezitten zal.
Het op blz. 223 gemelde geldt ook voor het verkrijgen der kennis van het werelddoel en van ’s menschen bestemming. Zoo wij ons bijv. een vroeger leven, op een anderen hemelbol doorgebragt, konden herinneren, zouden wij slechts door directe ervaring weten, dat de ziel het leven van ééne soort van er aan annex geweest zijnde ligchaam kan overleven, maar volstrekt niet dat die ziel gedurende eene eeuwigheid voor eene steeds gemiddeld vergrootende ontwikkeling bestemd is. Dit laatste zou eene stelling op buitenzinnelijk gebied blijven, en buitendien bedenke men, dat de graad van wetenschap, door middel van directe ervaring te bekomen, geheel afhangt van den graad der intellectuele geestontwikkeling.
De stelling der oneindigheid en onveranderlijkheid van het Opperwezen, benevens het voorschrift, dat men voor ieder mensch evenveel liefde als voor zich zelf moet gevoelen, iets (eerst geschikt wordende tijdens de op blz. 211 gemelde volkomene zamensmelting der wezens) zijn, wegens derzelver ongeschiktheid voor ons veranderlijke, betrekkelijk laag geestelijk ontwikkelde en weinig met elkander zamenwerkende menschen, bijna geheel doode letters gebleven8. Het Opperwezen heeft men vermenschelijkt en tot eene Voorzienigheid en liefderijken Vader gemaakt, en als leiddraad voor liet practische leven zooeven gemeld voorschrift vervangen door het overal bekende, dat men een ander niet mag doen, hetgeen men wenscht dat ons niet gedaan worde. Dit laatste voorschrift heeft het voordeel, dat het voor alle trappen van geestontwikkeling geschikt is, zoodat bijv. een Indiaan, zeer weinig medelijden van een overwinnaar vorderende, er weinig aan te kort zal doen, wanneer hij door hem verslagen vijanden op eene wreede wijze behandelt.
Met de hierboven gemelde stellingen kan vergeleken worden die op politiek gebied, dat eene de gansche menschheid omvattende republiek de eenigste absoluut zuiver rationele regeringsvorm is. Als men nu nagaat hoe, bij toeneming der beschaving, de staten steeds grootere groepen gaan vormen en in aantal verminderen, en de menschen meer cosmopolietisch worden, meer eerbied verkrijgen voor krachtens de wet uitgeoefend gezag en meer gezind worden om met elkander zamentewerken, zoo zullen zij, die begrijpen welke ontzettende veranderingen geringe constante oorzaken, gedurende eene reeks van eeuwen werkzaam, kunnen voortbrengen, moeten toegeven, dat, zoo de aardkorst lang genoeg voor wezens van eene geestontwikkeling, hooger dan die wij thans menschen bezitten, bewoonbaar blijft; de thans voor de behoeften van het menschdom geheel ongeschikte, of anders gezegd alle praktische waarde missende universele republiek eenmaal eene werkelijkheid zal worden.
Uit hetgeen op blz. 223 gezegd is, blijkt, dat der menschen stellingen op buitenzinnelijk gebied, waarin hunne godsdienstbegrippen (voor zoo verre deze niet, zie blz. 108 de vruchten van het toeval, of der op de verbeelding werkende hartstogten zijn) bevat zijn, de uitkomsten van redeneringen, van de ervaring uitgaande, moeten zijn. Zij hebben dit gemeen met al onze wetenschappelijke kennis, en slechts kunnen zij minder dan vele der uitkomsten op het gebied van wetenschappen, zooals de zoölogie, chemie, astronomie, enz. door de ervaring gecontroleerd worden. Wij zeggen dan vele, want bijv. wie kan door zintuigelijke waarnemingen bewijzen, dat de ether de eenige absoluut enkelvoudige stof is, dat de aarde eene voorbij de maan reikende dampmassa geweest is, dat dieren van af de laagst ontwikkelde tot menschen opgeklommen zijn? Deze laatste hypothese, althans voor dat zij door de jongste onderzoekingen der fossilen eene nog zeer onzekere bevestiging verkregen had, tot het gebied van het weten en de stelling, dat de ziel gedurende den grootst eindigende lijd voor eene gemiddelde toename in ontwikkeling bestemd is, tot het gebied van iets, dat men geloof noemt, te rangschikken, achten wij ongerijmd.
Men is echter hiertoe gekomen, omdat men voor de zedelijkheid en het geluk der menschen het voor waar houden dier laatste stelling noodzakelijk achtte en die der eerste, ofschoon ten onregte, voor verderfelijk achtte, zie blz. 1509.
Die noodzakelijkheid dient echter in iets haren grond te hebben, en waarin anders kan dit zijn, dan in den aard en werking of denking onzer ziel, zooals wij die gedurende dit leven waarnemen, en die wij tot voorwerp van bespiegelingen kunnen maken, namelijk van wetenschappelijke bespiegelingen, waarin de werking der natuurwetten op stoffelijk en geestelijk gebied nagegaan wordt, en welke aldus aan ’s menschen ontwikkeld verstand gerigt zijn.
De kennis, welke wij op lateren leeftijd bezitten, is de vrucht van hetgeen wij tijdens onze jeugd en later geleerd hebben, en de toepassing er van verklaart het doel van dit leeren. Evenzoo moeten de godsdienstbegrippen de vruchten zijn der toename in intellectuele ontwikkeling en in wijsbegeerte, en tevens verklaren het doel waartoe de verhooging onzer geestelijke ontwikkeling dient. Zij behooren aldus een voornaam deel uit te maken van der menschen wijsgeerige kennis, en in verband gebragt te worden met de overige deelen hiervan. Onder wijsgeerige kennis verstaan wij die der werkingen der natuurwetten op stoffelijk en geestelijk gebied, dat is op het gebied van het absolute Al, waaronder het oneindige en onveranderlijke Oerwezen ook begrepen is. Dit boven die wetten te stellen, zou slechts zijn het te stellen te zijn onder andere meer primitieve natuurwetten, waarvan die wij trachten op te sporen, (aldus dan eigenlijk niet de ware onveranderlijke wetten van het Al), de producten zouden zijn. Stelt men bijv. de zwaartekrachtswet is eenmaal ingesteld, zoo kan men vragen, volgens welke wetten bewogen zich vroeger de ligchamen, en hebben die bewegingen zich tijdens die instelling zoo gewijzigd, dat zij thans juist geschieden als volgens de vermeende natuurwet der algemeene aantrekking plaats moet hebben. Ware die stelling juist, zoo zouden er aldus niettemin nimmer ingestelde natuurwetten bestaan, maar deze slechts zamengestelder zijn dan de naturalisten met grond vermeenen, dat zij zijn. Men kan aan niets hoegenaamd zekere natuur toeschrijven, of men bepaalt tevens, zonder hiervan bewust te zijn, dat die natuur het product der werking van zekere onveranderlijke wetten is, en zegt men dit wezen, aan wie ik die natuur toeschrijf, kan in strijd hiermede en met die wetten handelen, zoo bekent men tegelijk, dat dit wezen eene andere meer zamengestelde natuur; door andere meer primitieve wetten beheerscht, dan die men gesteld heeft, bezit. Met de noodwendige aaneenschakeling van oorzaken en gevolgen verkeert men precies in hetzelfde geval. Steeds moet men ze aannemen, doch van zekere feiten kan de eene mensch dit en de ander iets anders de noodzakelijke oorzaak stellen te zijn.
Het is aldus klaar, dat de godsdienstbegrippen niet alleen niet in strijd met de wetenschap, maar tevens in harmonisch verband met het wijsgeerige deel daarvan moeten zijn, iets dat thans bij die van vele onzer het geval niet is, en maakt dat hunne godsdienstbegrippen uit de plaatsen, waar de wetenschap moet heerschen, als belemmerend verbannen worden. Dit gebrek aan overeenstemming moet noodwendig ontstaan, zoo men tracht met die begrippen slechts op eene pietistische wijze te voldoen aan het gemoedsgevoel, de zucht naar regt, de menschelijke kortzigtigheid, in een woord aan eenige hartstogten en te bevreesd en te traag is om hen te zuiveren en opwaarts te drijven.
Het gevolg daarvan is, dat (zie blz. 74) de geest van ontkenning het hoofd opsteekt, omdat verscheidene (zooals bijv. de zoogenaamde materialisten) ziende dien verwarden toestand van den Gordiaansche knoop, dezen liever doorhakken dan ontwarren, en, wars van de kinderlijke oplossingen van het vraagstuk van het werelddoel, het bestaan hiervan ontkennen. Zij doen dit bezield met eene overtuiging, waarachter hen onbewust veel moedeloosheid, beperktheid en eenzijdigheid van opvatting schuilt, en zijn nuttig als critisie. Terwijl de Deïsten van het gehalte van Martinet en Uilkens alles in het Heelal goed vinden, en slechts der menschengeest en diens werken onvolmaakt en gebrekkig achten, houden de Materialisten er voor, dat er nergens doel bestaat dan in het menschelijke brein en bij de menschelijke werken, zoodat en voor gemelde Deïsten en voor de Materialisten de menschen en in zwakkere mate ook de dieren (want ook deze toch dwalen en houden zeker doel voor oogen), voor zoo verre hunne denking en hetgeen daaruit voortspruit betreft, wanklanken en raadsels in de Natuur zijn, voor gene wegens hunne onvolmaaktheid, voor de Materialisten, omdat, volgens deze, bij hen alléén denking en doel bestaat.
1 Van daar het hechten van grijsaards aan oude gebruiken, en dat het ten bate hunner vooruitgang noodig is, dat de menschen gedwongen in nieuwe toestanden worden gebragt.
2 Dat men iemand dient te begrijpen om hem lief te hebben, blijkt hieruit, dat het bezit van kleine zwakheden, waardoor zij voor anderen begrijpelijker worden, menschen beminnenswaardiger maakt, en dat men bij onbekende weldoeners deelneming voor zich moet veronderstellen, om hen te kunnen beminnen.
3 Die vreugde zou vergelijkbaar zijn met die van een vader, zich verheugende, dat zijn zoon zich zoo gedraagt als diens welbegrepen en ruim opgevat belang zulks vordert, en zij zal gewis zeer matig zijn, zoo die zoon zuinig is met eene geldsom bestemd om toch binnenkort verloren te raken. Wel is waar kan die vaderlijke vreugde den zoon aanmoedigen om zich goed te gedragen, doch hetzelfde resultaat verkregen worden, zoo die zoon inniger het belang van goede gedragingen gaan beseffen.
4 Zoo kunnen de behoeften van het vervoer den aanleg van een groot werk vereischen, maar deze te bezwarend zijn voor de financien, omdat deze, wegens de werking der traagheid, niet op de hoogte der eischen van den tijd zijn. Aldus kunnen de bestaande vervoermiddelen ten achteren zijn betrekkelijk de eischen van het vervoer, en de financien dit zijn betrekkelijk die vervoermiddelen.
5 Zouden niet velen onder ons, die, wegens het gevestigde prestige van den naam van Socrates, diens gedragingen thans verheerlijken, zoo zij zijne tijdgenooten geweest waren, dien wijze naar het vaderlijke atelier hebben verwezen?
6 Zie ons werk, get. Vervolg van het werk, get. Over de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied, enz. blz. 322.
7 De zedelijke ontwikkeling, noodig om wezens geschikt te maken voor den strijd, staat bijv. lager dan die noodig om hen voor zamenwerking geschikt te doen zijn. Bij overigens gelijke omstandigheden zal een zedelijk mensch meer denkbeelden bezitten over hetgeen hij aan zijne medemenschen en aan zijn eigen toekomst verschuldigd is, dan een onzedelijk mensch.
8 Wij willen hiermede niets afdingen op de absolute waarde dier beide stellingen, welke, door waarheden op het gebied van het volstrekt hoogste ideaal te bevatten, de hoogste eertitels der menschheid zijn. Tusschen de absolute deugd en de geschiktheid of betrekkelijke deugd moet, zie blz. 82, onderscheid gemaakt worden.
9 Men neme in acht dat zoo (zie blz. 187) de ziel een zelfstandig iets is, wij slechts naar het ligchaam op deze aarde voorouders hebben.