Wie beschrijft de verbazing der mannen, vrouwen en kinderen, van Hindoes zoowel als van Engelschen, op den grooten weg van Calcutta naar Chandernagor, toen zij in den vroegen morgen van den 6n Mei uit een der laatste voorsteden van de hoofdstad van Indië, tusschen twee dichte rijen nieuwsgierigen een vreemde equipage zagen te voorschijn komen,—indien men althans dien naam kan geven aan den zonderlingen toestel, die zich langs den oever der Hoogly voortbewoog.
Aan het hoofd en als de eenige beweegkracht van den trein, stapte een reusachtige olifant, van twintig voet hoog, dertig lang en breed naar evenredigheid, bedaard en geheimzinnig voort. Zijn snuit was half omgebogen, als een énorme hoorn van overvloed, met het uiteinde in de lucht. Zijne vergulde slagtanden staken buiten zijn ontzaglijk kakebeen uit, gelijk aan twee dreigende zeisen. Over zijn donkergroen lichaam, zonderling gevlekt, was een in ruime plooien afhangend kleed van schitterende kleuren geslagen, afgezet met goud- en zilverdraadwerk, omgeven door groote eikels van gedraaide franje. Zijn rug torste een soort van prachtig versierd torentje, bekroond met een op de Indische wijze rond koepeldak en welks wanden voorzien waren van groote lensvormige glazen, veel gelijkende op de patrijspoorten eener scheepskajuit.
Wat nu die olifant voorttrok, was een trein van twee énorme wagens, of liever twee werkelijke huizen, een soort van rollende bungalows, elk op vier raderen met sierlijk gebeeldhouwde naven, speken en velgen. Deze wielen, waarvan men slechts het onderste segment zag, bewogen zich in kasten, die half door het onderstel dezer énorme bewegingstoestellen verborgen waren. Een van scharnieren voorzien smal brugje, dat zich naar de beweging der wielen schikte, verbond het eerste voertuig met het tweede.
Hoe kon nu een enkele olifant, hoe sterk ook, schijnbaar zonder de minste moeite, deze twee zware gevaarten trekken? Hij deed het evenwel, het wonderdier! Zijne dikke pooten lichtten zich op en daalden automatisch neder met een echt mechanische regelmaat en hij ging onmiddellijk van den stap in den draf over, zonder dat noch de stem, noch de hand van een »mahout” zich deed hooren of zien.
Daarna tien, twintig. Blz. 51.
Dat was voorzeker iets waarover de nieuwsgierigen zich moesten verwonderen, indien zij zich althans op eenigen afstand hielden, want, als zij dichter bij den kolos kwamen, ontdekten zij het geheim en week hunne verbazing voor bewondering.
En inderdaad werd het oor onmiddellijk getroffen door een soort van op de maat afgepast geloei, dat zeer veel overeenkomst had met het eigenaardig geschreeuw van die reuzen der Indische fauna. Daarenboven ontsnapte er in kleine tusschenpoozen uit de naar den hemel gerichte tromp een schitterende rookwolk.
En toch was het zeer zeker een olifant! Zijn met vouwen en rimpels bedekte, zwartachtig groene huid hield ongetwijfeld een dier machtige beenderengestellen verborgen, waarmede de natuur de dikhuidigen begiftigd heeft! Zijne oogen schitterden met een levendigen glans! Zijn leden waren met beweging begaafd!
Doch, zoo de een of andere nieuwsgierige het gewaagd had de hand op het ontzaglijke dier te leggen, was alles helder voor hem geworden. Het was slechts een bewonderenswaardige oogbedrieger, een verrassende navolging, met al de uiterlijke kenteekenen van het leven, zelfs van dichtbij.
Werkelijk was die olifant van plaatijzer en hield inwendig een weglocomotief verborgen, en wat den trein, het »Stoomhuis” betreft, om de benaming te gebruiken, die hem toekomt, het was de door den ingenieur beloofde rollende woning.
De eerste wagen of liever het eerste huis, diende tot woning voor kolonel Munro, kapitein Hod, Banks en mij.
Het tweede huisvestte sergeant Mac Neil en de lieden, die het personeel van den tocht uitmaakten.
Banks had zijne belofte gehouden, kolonel Munro de zijne en ziedaar hoe men in den morgen van den 6n Mei, in die buitengewone equipage vertrokken was om de noordelijke streken van het Indische schiereiland te bezoeken.
Doch waartoe zulk een kunstmatige olifant? Waarom die fantasie, in strijd met den praktischen geest der Engelschen? Tot nog toe was het nooit bij iemand opgekomen om aan een locomotief, bestemd om, hetzij op de groote straatwegen of op de rails der spoorbanen, te circuleeren, de gedaante van een viervoetig dier te geven!
Het valt niet te ontkennen, dat we, voor ’t eerst de wonderlijke machine ziende, ten hoogste verbaasd stonden te kijken. Er kwam geen einde aan de vragen, die onzen vriend Banks ten opzichte der machine gedaan werden. Volgens zijne plannen toch en onder zijne leiding was deze weglocomotief vervaardigd. Wie had hem de zonderlinge gedachte ingeblazen haar tusschen de ijzeren wanden van een mechanischen olifant te verbergen?
»Mijne vrienden,” vergenoegde Banks zich zeer ernstig te antwoorden, »kent ge den rajah van Bouthan?”
»Ik ken hem,” antwoordde kapitein Hod, »of liever, ik kende hem, want hij is nu sedert drie maanden overleden.”
»Welnu, voor hij stierf,” antwoordde de ingenieur, »was de rajah van Bouthan niet alleen in leven, maar hij leefde heel anders dan een ander. Hij was zeer op pracht gesteld, onder welken vorm ook. Hij weigerde zich niets, niets namelijk van ’t geen hem in zijn hoofd opkwam. Hij bedacht het onmogelijke en indien zijn beurs niet onuitputtelijk geweest ware, had zij werkelijk kans gehad uitgeput te worden in de verwezenlijking zijner weelderige fantasie. Hij was rijk als de nabobs van vroegere tijden. Zoo hij ooit door eenige zorg gekweld werd, dan was het door de zorg hoe zijne schatten iets minder alledaags te verteren dan zijne millioenen rijke medebroeders. Nu kwam er eens een gedachte bij hem op, die zich zoodanig van hem meester maakte, dat hij er niet meer van kon slapen, een gedachte waarop Salomo trotsch zou geweest zijn, en die hij zeker verwezenlijkt zou hebben, als hij den stoom gekend had: de gedachte namelijk om op eene tot nog toe geheel nieuwe wijze te reizen, met een equipage zooals nooit iemand er een had kunnen droomen. Hij kende mij, liet mij aan zijn hof komen en teekende mij zelf het plan van zijn voertuig. En als ge nu denkt, mijne vrienden, dat ik in lachen uitbarstte bij het voorstel van den rajah, dan bedriegt ge u! Ik begreep volkomen dat dit grootsche idée slechts in de hersenen van een Hindoeschen souverein had kunnen opkomen, en ’k had van dat oogenblik af slechts ééne begeerte, het zoodra mogelijk uit te voeren op eene wijze, die mijn dichterlijken cliënt en mij zelven het best kon bevredigen. Een ingenieur is niet alle dag in de gelegenheid zijne krachten aan fantastische voorstellingen te beproeven en de fauna der Apocalypsis of de schepping der Duizend en een Nacht met een dier van eigen vinding te verrijken. En toch, de fantasie van den rajah was uitvoerbaar. Ge weet wat men in werktuigkunde al doet, wat men al kan doen en wat men eenmaal zal doen. Ik zette mij dus aan den arbeid en in dit omhulsel van plaatijzer, dat een olifant voorstelt, gelukte het mij den stoomketel, met het mechanisme en den tender van een weglocomotief met zijn geheele toebehooren in te sluiten. De gelede tromp, die naar goedvinden kan opgeheven en neergedrukt worden, diende mij tot schoorsteen; door middel van een excentriek1 kon ik de beenen van mijn dier aan de wielen van mijn toestel spannen; ik richtte de oogen in als de lensglazen van een vuurtoren, teneinde op die wijze twee stralen electrisch licht te verspreiden en daarmede was de kunstmatige olifant voltooid. Ik had meer dan eene moeielijkheid moeten overwinnen, die niet dadelijk was opgelost. Het gevaarte kostte mij vrij wat slapelooze nachten, zoodat mijn rajah, die hoogst ongeduldig was en den meesten tijd van zijn leven in mijn werkplaats doorbracht, kwam te sterven, voordat mijn olifant zijne wandeling op de groote wegen van Indië kon beginnen. De ongelukkige had den tijd niet gehad de proef van zijn rollend huis te nemen. Maar zijn erfgenamen, minder fantastisch dan hij, beschouwden den toestel met schrik en bijgeloof, als het werk van een krankzinnige. Zij haastten zich dus er zich tegen een lagen prijs van te ontdoen en daarom kocht ik alles voor rekening van den kolonel. Ge weet nu, mijne vrienden, hoe en waarom wij alleen op de wereld, ik sta er voor in, kunnen beschikken over een stoomolifant van tachtig paardenkracht, of liever van tachtig olifanten van drie honderd kilogrammeters!”
»Bravo! Banks, bravo!” riep kapitein Hod uit. »Een ingenieur, die daarenboven kunstenaar is, een dichter in ijzer en staal, dat mag een witte raaf genoemd worden!”
»Toen nu de rajah dood was,” antwoordde Banks, »en zijn equipage teruggekocht, had ik den moed niet mijn olifant te vernietigen en den locomotief zijn gewonen vorm terug te geven!”
»En je hebt volmaakt goed gehandeld!” hernam de kapitein. »Onze olifant is prachtig! En wat zullen we een effect met dat reusachtige dier maken, als het ons over de vlakten en door de jungles van Hindostan voert! Een dergelijk denkbeeld kon alleen bij een rajah opkomen! Welnu, wij zullen dat idée in praktijk brengen, niet waar, kolonel?”
Kolonel Munro had bijna geglimlacht. Dat stond gelijk met een volslagen goedkeuring van de woorden des kapiteins. De reis werd dus vastgesteld en dat was de reden, waarom een ijzeren olifant, eenig in zijn soort, een kunstmatige Leviathan er toe gebracht werd de rollende woning te trekken van vier Engelschen, inplaats van in groote staatsie een der rijkste rajahs van het Indische schiereiland rond te leiden.
En hoe is nu deze weglocomotief ingericht, waaraan Banks vernuftig al de verbeteringen der moderne wetenschap had aangebracht?
Tusschen de vier wielen strekt zich het geheele mechanisme, cilinders, stangen, stoomschuiven, voedingspomp, excentrieken, in het lichaam van den stoomketel geborgen, uit. Deze pijpketel heeft zestig vierkante meters verwarmend oppervlak. Hij is geheel bevat in het voorste gedeelte van het lichaam des olifants, welks achterste gedeelte den tender verbergt, bestemd om het water en de brandstof mede te voeren. De stoomketel en de tender, beiden op hetzelfde gestel geplaatst, zijn alleen van elkander gescheiden door een tusschenruimte voor den stoker. De machinist houdt zijn verblijf in den toren, bestand tegen de kogels, welke toren boven het lichaam van het dier uitkomt en waarin, in geval van een ernstigen aanval, al onze manschappen zich zullen kunnen verschuilen. Onder de oogen van den machinist bevinden zich de veiligheidskleppen en de manometer, die de spanning van den stoom aangeven; binnen zijn bereik de regulator en de gangkruk die hem dienen, de een om den aanvoer van stoom, de andere om de beweging der stoomschuiven te regelen en bijgevolg den gang naar voren of achteren van den toestel te bepalen. Uit dit torentje kan hij door dikke lensvormige glazen den weg waarnemen, dien zij gaan, terwijl een pedaal, die met de voorwielen in verband staat, deze verstelt en het gevaarte de scherpste bochten en krommingen doet maken.
Zoodanig was dus die trein. Blz. 59.
Veeren van het beste staal, aan de assen bevestigd, torsen den ketel en den tender, om de schokken door de ongelijkheden van den grond teweeggebracht, te temperen. Wat de wielen betreft, van beproefde sterkte, zij zijn aan den omtrek van tanden voorzien, die in den grond ingrijpen, hetgeen het slijten of doorslaan belet.
Zooals Banks ons mededeelde, is de nominale kracht der machine tachtig paarden, die men evenwel tot honderd vijftig effectieve kracht kan opvoeren, zonder vrees voor ontploffing. Deze machine, samengesteld volgens de beginselen van het »stelsel Field,” is met dubbelen cilinder en veranderlijke uitzetting. Een hermetisch gesloten omhulsel beveiligt het geheele mechanisme voor het stof der wegen, dat het anders spoedig zou bederven. De voortreffelijkheid dezer machine bestaat vooral hierin, dat zij weinig verbruikt en veel voortbrengt. Inderdaad is het gemiddelde verbruik, in verhouding tot de verkregen trekkracht, even voordeelig, hetzij men kool of hout stoke, want de rooster van den vuurhaard is zoo ingericht, dat alle soorten van brandstof kunnen gebruikt worden. Wat de normale snelheid van dezen weglocomotief betreft, deze wordt door den ingenieur geschat op vijf en twintig kilometers per uur, maar op een gunstig terrein, zal hij het tot veertig brengen. De wielen kunnen, zooals wij zeiden, niet gemakkelijk doorslaan, niet alleen door het ingrijpen hunner vellingen in den grond, doch ook omdat de ophanging van den toestel op veeren van uitstekende hoedanigheid, volkomen is en het gewicht, dat door de schokken telkens ongelijk zou worden, daardoor overal gelijkelijk verdeeld blijft. Daarenboven kunnen deze wielen gemakkelijk vastgezet worden door een remtoestel met samengeperste lucht, die het voertuig òf langzamerhand, òf bijna plotseling doet stilstaan.
Wat het vermogen der machine aangaat om tegen hellingen op te gaan, dit is werkelijk merkwaardig. Banks heeft inderdaad de schoonste resultaten verkregen door rekening te houden met het gewicht en het voortdrijvend vermogen, op elken zuiger van zijn locomotief. Ook kan hij gemakkelijk hellingen bestijgen van tien à twaalf centimeters per meter,—’t geen aanzienlijk is.
Overigens zijn de wegen, door de Engelschen in Indië aangelegd en die een net uitmaken van verscheidene duizenden mijlen, wezenlijk prachtig. Zij leenen zich uitstekend voor deze soort van vervoer. Om van geen anderen weg te spreken dan van den »Great Trunk Road”, die het geheele schiereiland doorsnijdt, deze strekt zich onafgebroken twaalf honderd mijlen, of bij de twee duizend kilometers ver uit.
En nu, laat ons een en ander vertellen van het Stoomhuis, dat de kunstmatige olifant voorttrok.
Banks toch had van de erfgenamen van den nabob, voor rekening van kolonel Munro niet alleen den weglocomotief gekocht, maar ook den trein, dien hij voorttrok. Wien zal het verwonderen, dat de rajah van Bouthan hem geheel naar eigen vinding en in Hindoeschen trant had laten vervaardigen? Ik noemde hem reeds een rollenden bungalow; hij verdient dien naam ten volle en inderdaad mogen de twee wagens, waaruit de trein bestaat, een wonder van de bouwkunst des lands genoemd worden.
Men stelle zich twee soorten van pagoden zonder minarets voor, met hare dubbele, dikbuikige, ronde koepeldaken, hare uitstekende vensters, door vierkante, platte, gebeeldhouwde zuilen gedragen, haar versiering in veelkleurig lofwerk van kostbare houtsoorten, hare bevallig geteekende, sierlijk gebogen omtrekken, de rijk aangebrachte veranda’s, waarin zij van voren en achteren uitloopen. Men zou gezegd hebben, dat het twee aan den heiligen heuvel van Sonnaghur ontleende pagoden waren, die, met elkander verbonden, door dien ijzeren olifant op sleeptouw genomen, de groote wegen van Indië gingen bewandelen!
En, opdat er toch niets aan dit wonderbaarlijke voertuig zou ontbreken, moet nog vermeld worden, dat het drijven kon. Het benedengedeelte toch van het lichaam des olifants, de buik in een woord, die de machine bevat, zoowel als het onderstel der twee rollende huizen, vormden vaartuigen van licht plaatijzer. Deed er zich nu een stroom op zijn weg voor, dan trad de olifant er in, de trein volgde hem en de pooten van het dier, door de drijfstangen als schoepen in beweging gebracht, sleepte het geheele stoomhuis over de rivieren en stroomen voort. Een onschatbaar voordeel voorzeker in het uitgestrekte land van Indië, door zooveel stroomen doorsneden, waarover de bruggen nog moeten gelegd worden.
Zoodanig was dus die trein, eenig in zijn soort en zoodanig had de zonderlinge rajah van Bouthan hem gewild. Maar, mocht Banks al aan de fantasie van den rajah hebben toegegeven, die aan de beweegkracht den vorm van een olifant en aan de rijtuigen de gedaante van pagoden gaf, het inwendige had hij gemeend naar den Engelschen smaak te moeten inrichten en daarbij in het oog gehouden, dat het een reis van langen duur zou zijn. En hierin was hij volkomen geslaagd.
Het Stoomhuis bestond, zooals ik gezegd heb, uit twee wagens, die inwendig niet minder dan zes meters breed waren. Zij overschreden bijgevolg de assen der wielen, die slechts vijf meters breed waren. Op zeer lange en buitengewoon buigzame veeren rustende, hadden zij evenmin van schokken te lijden als de wagens op een goed aangelegden spoorweg.
De eerste wagen had een lengte van vijftien meters. Van voren overschaduwde een sierlijke veranda, op lichte zuilen rustende, een ruim balkon, dat gemakkelijk een tiental personen kon bevatten. Twee vensters en een deur kwamen op het salon uit, daarenboven verlicht door twee zijvensters. Dit salon, gemeubeld met een tafel en een bibliotheek, in zijn geheele breedte voorzien van zachte divans, was smaakvol versierd en met rijke stoffen behangen. Een dik Smyrna’s tapijt bedekte den vloer. »Tatti’s,” een soort van lichtschermen van met bloemen versierd rietgras, voor de vensters gehangen en onophoudelijk met welriekend water besproeid, onderhielden een aangename frischheid, zoowel in het salon als in de kleinere vertrekken. Aan de zoldering hing een »punka,” die, terwijl de trein op weg was, automatisch bewogen of gedurende de halten door een dienaar heen en weder gezwaaid werd. Moest men niet met alle mogelijke middelen het onaangename bestrijden eener temperatuur, die gedurende zekere maanden van het jaar, in de schaduw boven vijf en veertig graden C. rijst?
Achter in de zaal verleende een tweede deur, van kostbaar hout, tegenover de deur der veranda, toegang tot de eetzaal, die haar licht niet alleen ontving van de zijvensters, maar ook van een plafond van mat glas. Rondom de in het midden geplaatste tafel, konden acht gasten plaats nemen. Wij waren slechts met ons vieren en zouden het dus ruim genoeg hebben. Buffetten en kredenstafeltjes, beladen met al de weelde van zilverwerk, glazen en porceleinen voorwerpen, door het Engelsche comfort vereischt, meubelden deze eetzaal. Het spreekt van zelf, dat al de licht breekbare voorwerpen, half in bijzonder daartoe vervaardigde inkervingen gevat, evenals dit aan boord van schepen geschiedt, voor de schokken bewaard bleven, zelfs op de slechtste wegen, ingeval onze trein ooit genoodzaakt werd zich op dezen te wagen.
De deur, achter in de eetzaal, kwam uit op een gang, die uitliep op een achterbalkon, mede bedekt door een veranda. Langs dezen gang bevonden zich vier kamers, zijdelings verlicht, een bed, een toilet, een kleerkast, een divan bevattende en ingericht als de kajuiten van de rijkste transatlantische paketbooten. De eerste kamer links werd bewoond door kolonel Munro, de tweede rechts, door den ingenieur Banks. Dan volgde rechts, op de kamer van den ingenieur, die van kapitein Hod en de mijne links op die van kolonel Munro.
De Hoogly te Calcutta. Blz. 64.
De tweede wagen, twaalf meters lang, bezat evenals de eerste, een balkon met veranda, dat uitkwam op een groote keuken, aan iedere zijde geflankeerd door twee provisiekamers, en natuurlijk voorzien van de noodige keukengereedschappen. Deze keuken stond in verbinding met een gang, die zich in het midden tot een vierkant vertrek verwijdde en voor het personeel der expeditie een tweede eetzaal vormde, verlicht door een vallicht in de zoldering. Aan de vier hoeken bevonden zich vier kleine vertrekken, bewoond door sergeant Mac Neil, den machinist, den stoker en den ordonnans van kolonel Munro; vervolgens waren er van achteren nog twee andere vertrekjes, het eene bestemd voor den kok, het andere voor den oppasser van kapitein Hod; eindelijk nog andere vertrekken, die dienden tot berging van wapenen, tot ijskelder, bagagekamer, enz., en allen uitkwamen op het verandabalkon van achteren.
Men ziet dat Banks de twee rollende woningen van het Stoomhuis doelmatig en gemakkelijk had ingericht. Zij konden ’s winters verwarmd worden door een toestel, waarvan de verwarmde lucht, door de machine verschaft, door de kamers circuleerde, behalve twee kleine schoorsteenen, die in het salon en de eetzaal geplaatst waren. Wij waren dus in staat het barre jaargetijde te trotseeren, zelfs aan den voet van de bergen van Thibet.
De belangrijke vraag der levensmiddelen was natuurlijk niet verzuimd en we namen zooveel fijne verduurzaamde spijzen van allerlei aard mede, dat het geheele personeel der expeditie er een jaar lang genoeg aan zou gehad hebben. Het overvloedigst waren wij voorzien van vleesch in blikken bussen van de beste merken, vooral gekookt en gestoofd ossenvleesch, en van kippenpasteiën, waarvan het gebruik in Indië zoo algemeen verspreid is.
Ook aan melk zou het ons niet ontbreken voor het ontbijt in den vroegen morgen, dat het eigenlijke ontbijt voorafgaat, ook niet aan bouillon voor de »tiffin,” (het tweede ontbijt) die het diner des avonds voorafgaat, dank zij de nieuwe toebereidingen, die het mogelijk maken, dat men ze geconcentreerd op reis medeneemt.
Na de melk tot deegachtige consistentie uitgedampt te hebben, wordt zij in hermetisch dichte bussen gesloten van vier honderd vijftig gram inhoud, die drie kan vloeistof kunnen opleveren door de bijvoeging van het vijfvoudig gewicht aan water. In dezen toestand komt zij in samenstelling overeen met normale melk van goede hoedanigheid. Hetzelfde resultaat wordt verkregen met den bouillon, die, na op dezelfde wijze geconserveerd en tot tabletjes gevormd te zijn, opgelost uitmuntende soepen geeft.
Wat het ijs aangaat, zoo nuttig in die heete luchtstreek, het was ons gemakkelijk het in weinige oogenblikken te maken, door middel van den toestel van Carré, die de verlaging der temperatuur door de verdamping van vloeibaar ammoniakgas bewerkt. Een der kleinere vertrekken van achteren was zelfs tot ijskelder ingericht en hetzij door de verdamping van den ammoniak, hetzij door de vervluchtiging van den methylether, kon de opbrengst onzer jachten onbepaald geconserveerd worden, dank zij de toepassing der methode van een Franschman, mijn landgenoot Ch. Tellier. Men zal moeten toestemmen, dat dit een kostbare hulpbron was, die in alle omstandigheden levensmiddelen van de beste hoedanigheid ter onzer beschikking stelde.
Wat de dranken betreft, ook hiervan was de kelder goed voorzien. Fransche wijnen, verschillende soorten van bier, brandewijn, arak, hadden allen afzonderlijke plaatsen en waren in voldoende hoeveelheid voorhanden voor de eerste behoeften.
Wij moeten overigens opmerken, dat onze reisweg ons niet belangrijk van de bewoonde provinciën van het schiereiland zou verwijderen. Men stelle zich ook vooral Indië niet als een woestijn voor. Mits men de ropijen niet spaart, kan men er zich niet alleen het noodige, maar meer dan dat verschaffen. Het zou kunnen zijn dat, als wij in de noordelijke streken, aan den voet van het Himalaya-gebergte overwinteren, we aan onze eigen hulpmiddelen zullen overgeleverd zijn. Doch ook in dat geval zouden we aan al de behoeften van een comfortable levenswijze kunnen voldoen. De praktische geest van onzen vriend Banks had alles voorzien, en men kon zich voor de zorg ons onder weg te proviandeeren, gerust op hem verlaten.
Ziehier nu het plan dezer reis,—een plan, dat in beginsel werd vastgesteld, uitgenomen de weinige wijzigingen, die onvoorziene omstandigheden er in konden brengen:
Te vertrekken van Calcutta langs de vallei van den Ganges naar Allahabad; door het koninkrijk Oude in de richting van het noorden verder te gaan, teneinde de eerste berghellingen van Thibet te bereiken, gedurende eenige maanden nu eens hier, dan weder daar te kampeeren, het daarbij kapitein Hod gemakkelijk makende zijne jachten te organiseeren, om vervolgens weder naar Bombay af te zakken.
Dat was bijna negen honderd mijlen af te leggen. Doch ons huis en zijn geheele personeel reisden met ons. Wie zou er iets tegen hebben om onder dergelijke omstandigheden meermalen de reis om de wereld te maken?
1 Toestel om bij werktuigen eene ronddraaiende beweging in eene rechtlijnige te veranderen.
Den 6n Mei had ik met het aanbreken van den dag het hotel Spencer verlaten, een der beste van Calcutta, alwaar ik sedert mijn komst in de hoofdstad van Indië mijn verblijf had gevestigd. Deze groote stad had nu voortaan geene geheimen meer voor mij. Morgenwandelingen, te voet, gedurende de eerste uren van den dag, avondwandelingen, per rijtuig, in het Strand, tot het voorplein van het fort William, te midden van de prachtige équipages der Europeanen, die de niet minder prachtige rijtuigen der dikke, vette inlandsche baboes (Bengaalsche burgers) vrij minachtend kruisen; tochten door de merkwaardige neringdoende straten, die zeer juist den naam van bazars dragen; bezoeken aan de velden waar de dooden tot asch verbrand worden, aan de oevers van den Ganges, aan de botanische tuinen van den natuurkundige Hooker, aan »mevrouw Kâli”, de vreeselijke vrouw met vier armen, de wreede godin des doods, die zich in een kleinen tempel van een der voorsteden verbergt, waar de moderne beschaving hand aan hand gaat met de inlandsche barbaarschheid. Het paleis beschouwen van den onderkoning, dat juist tegenover het hôtel Spencer gelegen is; het zonderlinge paleis bewonderen van Chowringhi Road en den Town-Hall, gewijd aan de herinnering der groote mannen van onzen tijd; in bijzonderheden de belangwekkende moskee van Hoogly bestudeeren; langs de haven te wandelen, bezaaid met de schoonste koopvaardijschepen der Engelsche marine; afscheid te nemen eindelijk van de arghila’s, adjudanten of wijsgeeren,—die vogels hebben zooveel namen!—die belast zijn met het schoonhouden der straten en met de openbare gezondheid der stad, dat alles was verricht en mijn vertrek was bepaald.
Dien morgen dus kwam een palki-ghari, een soort van slecht rijtuig met twee paarden en op vier wielen,—dat onder de fraaie en gemakkelijke producten der Engelsche rijtuigfabrieken onwaardig was zich te vertoonen,—mij op het plein van het Gouvernement afhalen, om mij even daarna aan de deur van den bungalow van kolonel Munro af te zetten.
Een honderd schreden verder buiten de voorstad, stond onze trein ons af te wachten. We hadden alleen nog maar te verhuizen,—in de eigenlijke beteekenis van het woord.
Het spreekt van zelf, dat onze bagage vooraf in de daartoe afzonderlijk ingerichte bergplaats was overgebracht. We namen trouwens niets dan het hoognoodige met ons. Wat evenwel wapens aangaat, had kapitein Hod gemeend het met niet minder dan met vier Enfield-karabijnen, met ontplofbare kogels, vier jachtgeweren en twee eendenroeren te kunnen stellen, behalve nog een zeker aantal geweren en revolvers,—genoeg om al onze lieden te wapenen. Al die oorlogswapenen bedreigden meer de wilde dieren dan het eenvoudige wild voor de keuken, doch men zou dit den Nimrod onzer expeditie niet gemakkelijk aan zijn verstand hebben kunnen brengen.
»Kapitein?” antwoordde Fox. Blz. 70.
Kapitein Hod was overigens verrukt! Het pleizier zijn kolonel aan zijne eenzame levenswijze te ontrukken, de vreugde naar de noordelijke provinciën van Indië te vertrekken, in een equipage zonder weerga, het vooruitzicht van buitengewone jachtoefeningen, jachttochten, jachtavonturen in het Himalaya-gebergte, dit alles lachte hem toe, wond hem op en uitte zich door onophoudelijke uitroepen en stevige handdrukken.
Het uur van vertrek had geslagen. De stoom had de noodige drukking, de machine stond gereed om dienst te doen. De machinist was op zijn post, met de hand op den regulateur. De gewone stoomfluit deed zich hooren.
»Vooruit!” riep kapitein Hod, zijn hoed zwaaiende. »IJzeren Reus, vooruit!”
De IJzeren Reus, waarmede onze opgewonden vriend, de bewonderenswaardige beweegkracht van onzen trein bestempelde, verdiende dien naam terecht en bleef haar bij.
Een woord over het personeel der expeditie, dat het tweede rollende huis bewoonde:
De machinist Storr, een Engelschman, behoorde tot de Compagnie van den »Great Southern of India,” die hij nog maar sedert weinige maanden verlaten had. Banks kende hem als zeer bekwaam en had hem in den dienst van kolonel Munro doen overgaan. Het was een man van veertig jaar, handig werkman, zeer op de hoogte van alles wat zijn vak betrof, en die ons groote diensten zou bewijzen.
De stoker heette Kâlouth. Hij behoorde tot de door de Spoorwegcompagnieën zoo gezochte klasse van Hindoes, die ongestraft de tropische hitte van Indië, nog verhoogd door de hitte van hun stoomketel, kunnen verdragen. Ditzelfde is het geval met de Arabieren waaraan de Compagnieën van zeetransporten op den tocht door de Roode Zee den dienst als stoker toevertrouwen. Deze goede menschen vergenoegen zich met zich slechts te laten koken, waar de Europeanen in eenige oogenblikken zouden braden. Ook dit was een goede keus.
De ordonnans van kolonel Munro was een Hindoe van vijf en dertig jaar, van het ras der Gourgkhas, Goûmi genaamd. Hij behoorde tot het regiment, dat als een bewijs van goede discipline, het gebruik der nieuwe munitie aannam, die aanleiding gaf of althans het voorwendsel was van de omwenteling der Sipayers. Klein, vlug, welgemaakt, van beproefde getrouwheid, droeg hij nog de zwarte uniform van de »riflebrigade”, waaraan hij gehecht was als aan zijn eigen huid.
Sergeant Mac Neil en Goûmi waren met ziel en lichaam gehecht aan kolonel Munro.
Na in al de oorlogen van Indië aan zijne zijde gestreden te hebben, na hem te hebben bijgestaan in zijne vruchtelooze pogingen om Nana Sahib weder te vinden, hadden zij hem in zijne afzondering gevolgd en zouden hem nimmermeer verlaten.
Was Goûmi de ordonnans van den kolonel, Fox,—een echte Engelschman, zeer vroolijk, zeer spraakzaam,—was de oppasser van kapitein Hod, en niet minder hartstochtelijk jager dan hij. De goede jongen had zijn betrekking voor geen andere, welke ook, willen verruilen. Zijn slimheid maakte hem den naam dien hij droeg waardig. Fox! Vos! maar een vos, die zeven en dertig tijgers gedood had,—drie minder dan zijn kapitein. Hij dacht het er trouwens niet bij te laten.
Om van het geheele personeel der expeditie een woord te zeggen, mogen we onzen kok niet onvermeld laten, die tusschen de twee provisiekamers, in het voorste gedeelte van het tweede huis, het bevel voerde. Hij was een neger van Franschen oorsprong en had reeds onder alle breedten gebraden en gestoofd. »Monsieur Parazard” verbeeldde zich geen alledaagsch bedrijf, maar een ambt van het grootste gewicht uit te oefenen. Met de deftigheid van een paus stapte hij van het eene fornuis naar het andere en bestrooide met de nauwkeurigheid van een scheikundige, zijne spijzen met peper, zout en de andere specerijen, die den smaak zijner geleerde preparaten moesten verhoogen. Maar, »monsieur Parazard” was bekwaam en zindelijk en daarom vergaf men hem gaarne deze keukenijdelheid.
Dus bestond de expeditie, die de IJzeren Reus met zijn uit twee rollende huizen bestaanden trein naar het noorden van het schiereiland medevoerde, uit de heeren sir Edward Munro, Banks, kapitein Hod en mij van de eene zijde en Mac Neil, Storr, Kâlouth, Goûmi, Fox en »monsieur Parazard” van de andere,—te zamen dus uit tien personen. Men vergete daarbij niet de twee honden Phann en Black, wier hoedanigheden de kapitein op de jacht van allerlei wild niet genoeg kon roemen.
Bengalen is misschien, zooal niet het belangrijkste, dan toch zeker het rijkste presidentschap van Hindostan. Het is het eigenlijke land der rajahs niet, hetgeen meer bijzonder het middelpunt van dit uitgestrekte Koninkrijk uitmaakt; doch deze provincie beslaat een zeer bevolkt grondgebied, dat misschien beschouwd kan worden als het ware land der Hindoes. Zij strekt zich ten noorden uit tot de ontoegankelijke grenzen van het Himalaya-gebergte en onze reisweg zou haar in schuinsche richting doorsnijden.
Na over de het eerst te houden halten beraadslaagd te hebben, waren wij het allen omtrent dit punt eens geworden: gedurende eenige mijlen langs den oever der Hoogly, een arm van den Ganges, waaraan Calcutta gelegen is op te klimmen, de Fransche stad Chandernagor rechts te laten liggen, van daar langs den spoorweg tot Burdwan te gaan, daarna schuins Béhar te doortrekken, om den Ganges later te Bénares weder te vinden.
»Mijne vrienden,” had kolonel Munro gezegd, »ik laat het geheel aan u over welken weg wij nemen zullen.... Laat mij er buiten. Handelt daaromtrent zooals gij goedvindt.”
»Maar mijn waarde Munro,” antwoordde Banks, »ge moest ons althans ook uw meening zeggen....”
»Neen, Banks,” hernam de kolonel, »’k ben volkomen onverschillig daaromtrent en heb waarlijk niet de minste voorliefde tot het bezoeken van de eene provincie boven de andere. Eén vraag evenwel: welke richting denkt ge te nemen, als we Bénares zullen bereikt hebben?”
»De richting naar het noorden!” riep kapitein Hod onstuimig uit, »den weg, die rechtstreeks door het koninkrijk Oude naar den voet der Himalaya voert!”
»Welnu, mijne vrienden, op dit oogenblik....” antwoordde kolonel Munro, »zal ik u misschien vragen om.... Doch, we zullen er over spreken als het tijd zal zijn. Gaat vooreerst, zooals het u goeddunkt!”
Dit antwoord van Sir Edward Munro verwonderde mij wel eenigszins. Wat meende hij toch? Had hij slechts toegestemd om die reis te ondernemen met de gedachte, dat het toeval hem misschien beter zou dienen dan zijn wil het vermocht had? Zeide hij bij zich zelven dat, indien Nana Sahib niet dood was, hij hem misschien zou kunnen wedervinden in het Noorden van Indië? Hoopte hij nog altijd zich te kunnen wreken? Wat mij aangaat, ik had als een voorgevoel dat een verborgen gedachte den kolonel Munro bezielde en het scheen me toe dat sergeant Mac Neil in het geheim van zijn meester moest zijn.
Gedurende de eerste uren van dezen morgen, waren wij bijeen in het salon van het Stoomhuis. De deur en de twee vensters der véranda waren geopend en de punka, de lucht in beweging brengende, maakte de temperatuur draaglijker.
De IJzeren Reus werd door den regulateur van Storr zoodanig in bedwang gehouden, dat men niet sneller ging dan een kleine mijl per uur en dit was op het oogenblik snel genoeg voor reizigers, die gaarne het land wilden zien, dat zij doorreisden.
Bij het verlaten der voorsteden van Calcutta, werden wij gevolgd door een zeker aantal Europeanen, die onze equipage verbaasd opnamen en door een menigte Hindoes, die haar met een soort van bewondering, met vrees gemengd, aanstaarden. Deze menigte was gaandeweg verminderd, maar wij ontsnapten niet aan de bevreemding der voorbijgangers, die hunne bewonderende wahs! wahs! uitten. Het spreekt van zelf dat al deze uitroepen minder de twee prachtige wagens golden dan den reusachtigen olifant, die ze trok, onder het onophoudelijk uitbraken van wolken stoom.
Te tien uur werd de tafel aangerecht in de eetzaal en deden wij eer aan het ontbijt van »monsieur Parazard,” minder geschud voorzeker dan we ’t zouden geweest zijn in een wagon-salon eerste klasse.
De weg, dien onze trein volgde, liep toen langs den linkeroever der Hoogly, de meest westelijke der talrijke armen van den Ganges, die te zamen het warnet vormen van den delta der Sunderbunds. Dit geheele gedeelte van het grondgebied is van alluviaal-formatie.
De stad bestaat grootendeels uit lage huizen. Blz. 74.
»Wat ge daar ziet, mijn waarde Maucler,” zei Banks tot mij, »is een verovering van den heiligen stroom op de niet minder heilige Bengaalsche golf. Een quaestie van tijd. Er is misschien geen enkel deeltje van dezen grond, dat niet van het Himalaya gebergte gekomen is, overgebracht door den Gangesstroom. De stroom heeft allengs den berg afgekabbeld om er den bodem dezer provincie mede samen te stellen, waar hij zich een bedding gevormd heeft....”
»Die hij dikwijls verlaat voor een ander!” voegde Kapitein Hod er bij. »Ja, hij is luimig, fantastisch, wonderlijk, die Ganges! Men bouwt een stad aan zijn oevers en eenige eeuwen later, is de stad midden in een vlakte gelegen, zijn de kaden droog en is de stroom van richting en van monding veranderd! Zoo ging het met Rajmahal, zoo met Gaur, die beiden vroeger door den ongetrouwen stroom bespoeld, nu te midden van de dorre rijstvelden der vlakte van dorst omkomen!”
»En!” antwoordde ik, »moet men niet vreezen dat ook Calcutta een dergelijk lot beschoren is?”
»Wie weet?”
»Wel! zijn wij er dan niet?” antwoordde Banks. »’t Is maar een quaestie van dijken! Als ’t noodig is, zullen de ingenieurs de overstroomingen van dien Ganges wel weten te bedwingen! Men zal hem het dwangbuis aantrekken!”
»Gelukkig voor u, waarde Banks,” antwoordde ik, »dat de Hindoes u zoo niet hooren spreken over hun heiligen stroom! Ze zouden het u nooit vergeven!”
»Werkelijk,” antwoordde Banks, »is de Ganges een zoon van God, als hij God zelf niet is, en niets van ’t geen hij doet, is kwaad in hunne oogen!”
»Zelfs de koortsen, de cholera, de pest niet, die hij in endemischen toestand onderhoudt!” riep kapitein Hod uit. »Het is waar, dat de tijgers en de krokodillen, waarvan het in de Sunderbunds krioelt, er niet te slechter om varen. Integendeel? Men zou waarlijk zeggen, dat de verpeste lucht die dieren goed doet, als de zuivere lucht van ons sanitarium de Engelsch-Indiërs gedurende het warme jaargetijde. O! die roofdieren!—Fox?” zei Hod, zich naar zijn oppasser omkeerende, die de tafel afnam.
»Kapitein?” antwoordde Fox.
»Heb je daar je zevenendertigste niet gedood?”
»Ja, kapitein, twee mijlen van de haven van Canning,” antwoordde Fox. »’t Was op een avond....”
»Genoeg, Fox!” hernam de kapitein, een groot glas grog ledigende, »’k ken de geschiedenis van den zevenendertigsten. Die van den achtendertigsten zou me meer belang inboezemen!”
»De achtendertigste is nog niet dood, kapitein!”
»Je zult hem dooden, Fox, zooals ik mijn eenenveertigsten!”
Men ziet dat in de gesprekken van kapitein Hod en zijn oppasser het woord »tijger” nooit werd uitgesproken. Het was onnoodig, de twee jagers begrepen elkander.
Intusschen versmalde zich de bedding der Hoogly, die bij Calcutta bijna een kilometer breed is, al naarmate wij verder gingen. Boven de stad zijn de oevers vrij laag en heerschen er maar al te dikwijls geduchte cyclonen, die hunne verwoestingen over de geheele provincie uitstrekken. Geheele wijken worden vernietigd, honderden huizen verpletterd, onmetelijke bebouwde velden verwoest, duizenden lijken bedekken steden en velden; dat zijn de rampen, die deze onweerstaanbare natuurverschijnselen na zich sleepen en waarvan de cycloon van 1864 een der noodlottigste voorbeelden opleverde.
Men weet dat het klimaat van Indië drie seizoenen bezit: het regenseizoen, het koude en het heete jaargetijde. Dit laatste is het kortste, maar ook het moeielijkst te verdragen. Maart, April en Mei zijn bijzonder ongunstige maanden. Onder allen is Mei de heetste maand. Door in dezen tijd gedurende zekere uren van den dag de zon te trotseeren, waagt men zijn leven,—althans de Europeanen. Het is inderdaad niet zeldzaam dat de thermometer, zelfs in de schaduw, tot honderd zes graden Fahrenheit (ongeveer 41° C) rijst.
»De menschen,” zegt de Valbezen, »blazen dan als droezige paarden en gedurende den oorlog tegen de rebellen, moesten officieren en soldaten hun toevlucht tot stortbaden op het hoofd nemen ten einde congestie te voorkomen.”
Nochtans hadden we, dank zij den snellen gang van het Stoomhuis, de door het zwaaien der punka in voortdurende beweging verkeerende lucht, den vochtigen dampkring, die door de telkens besproeide lichtschermen van rietgras circuleerde, niet al te veel van de warmte te lijden. Daarenboven was het regenseizoen, dat van de maand Juni tot de maand October duurt, niet ver meer verwijderd en het was te vreezen, dat het onaangenamer zou zijn dan het heete jaargetijde. Doch, alles wel beschouwd, hadden we in de omstandigheden waaronder onze reis zich voordeed, niets ernstigs te vreezen.
Tegen een uur ’s namiddags, kwamen we na een heerlijk niet al te snel ritje te Chandernagor aan.
Ik had dit hoekje land,—het eenige in het presidentschap Bengalen, dat nog aan Frankrijk behoort, reeds vroeger bezocht. Deze stad, waar nog altijd de driekleur woei en die het recht niet heeft meer dan vijftien soldaten voor hare bewaking te houden, deze oude mededingster van Calcutta gedurende de worsteling in de XVIIIe eeuw, is tegenwoordig zeer van hare grootheid vervallen, zonder nijverheid, zonder handel, de bazars verlaten, haar fort ledig. Misschien ware Chandernagor er een weinig boven opgekomen, zoo de spoorweg van Allahabad de stad doorkruist of althans langs hare muren geloopen had; doch bij al de moeilijkheden door het Fransche gouvernement de Engelsche compagnie in den weg gelegd, heeft deze den weg een schuinsche richting moeten geven, teneinde ons grondgebied om te gaan en daardoor heeft Chandernagor de eenige gelegenheid verloren eenig commercieel gewicht te herwinnen.
Onze trein kwam dus de stad niet binnen. Hij hield op drie mijlen van daar, op den weg, bij den ingang van een bosch van waaierpalmen. Toen het kamp geheel was ingericht, zou men gezegd hebben dat er een begin van een dorp op deze plaats in aanbouw was. Maar het dorp was beweeglijk en hernam den volgenden dag, 7 Mei, den afgebroken marsch, na een rustigen nacht in onze gemakkelijke en goed ingerichte vertrekken te hebben doorgebracht.
Gedurende deze halt had Banks de brandstof laten hernieuwen. Alhoewel de machine weinig verteerd had, was hij er op gesteld dat de tender altijd zijn vollen last inhield, namelijk water, hout of kolen genoeg om zestig uren achtereen te stoomen.
Dezen regel bleven kapitein Hod en zijn getrouwe Fox niet in gebreke op zichzelven toe te passen en hun vuurhaard,—ik meen hun maag, die een groote verwarmingsoppervlakte aanbood,—was steeds voorzien van de stikstofrijke brandstof, onmisbaar om de menschelijke machine goed en lang te laten loopen.
Dezen keer moest de halt langer duren. We zouden twee dagen reizen en twee nachten rusten, teneinde den 9n Burdwan te bereiken en deze stad dien dag te bezoeken.
Ten 6 ure ’s morgens liet Storr met een scherp, doordringend gefluit eenigen stoom ontsnappen en den IJzeren Reus een snelleren gang aannemen dan den vorigen dag.
Gedurende eenige uren hadden wij langs den spoorweg gereden, die over Burdwan te Rajmahal naar de vallei van den Ganges loopt, dien hij dan tot aan de andere zijde van Bénares volgt. De trein van Calcutta kwam in volle vaart voorbij. Hij scheen ons uit te dagen door de bewonderende uitroepen der reizigers. Wij beantwoordden hunne uitdaging niet. Zij mochten sneller gaan dan wij, gemakkelijker en aangenamer voorzeker niet!
Het land, dat gedurende die twee dagen doorkruist werd, was onveranderlijk vlak en daardoor vrij eentonig. Hier en daar werd de eentonigheid afgebroken door eenige buigzame kokosboomen, die, aan de andere zijde van Burdwan, eindelijk ook achterbleven. Deze boomen, tot de groote familie der palmboomen behoorende, bevinden zich bij voorkeur in de nabijheid der kust en ademen gaarne de zeelucht in, zoodat men ze in Centraal-Indië te vergeefs zal zoeken. Doch de flora van het binnenland is er niet te minder belangrijk en rijk om.
We staken onze sigaren aan. Blz. 76.
Aan elken kant van den weg was het in den eigenlijken zin des woords slechts een onmetelijk schaakbord van rijstvelden, die zich in het verre verschiet verloren. De bodem was verdeeld in vier hoeken als de zoutmoeren of de oesterparken eener kuststreek. Doch de groene kleur had de overhand en de oogst beloofde rijk te zijn op dien vochtigen, warmen bodem, die van een verbazende vruchtbaarheid getuigde.
Den volgenden avond hield het gevaarte met de grootste nauwkeurigheid, op het vooraf bepaalde uur voor de poorten van Burdwan op.
Uit een administratief oogpunt is deze stad de hoofdplaats van een Engelsch distrikt, maar het distrikt is het eigendom van een maharajah, die niet minder dan tien millioen aan belasting aan de regeering betaalt. De stad bestaat grootendeels uit lage huizen, van elkander afgescheiden door fraaie lanen van boomen, kokosboomen en pinangpalmen. Deze lanen waren breed genoeg om door onzen trein bereden te kunnen worden. We sloegen dus op een bekoorlijke plek, waar het schaduwrijk en frisch was, ons kamp op. Dien avond telde de hoofdstad van den maharajah een kleine wijk te meer, ons draagbaar gehucht namelijk, ons dorp van twee huizen en we zouden het niet geruild hebben tegen het geheele kwartier waar het prachtige paleis van Engelsch-Indische bouwkunst van Burdwan’s souverein zich verheft.
Men kan zich voorstellen, dat onze olifant daar de gewone uitwerking had, namelijk die van een soort van bewondering met schrik gemengd; van alle kanten kwamen de goede Bengaalsche burgers aangeloopen, blootshoofds, de haren geknipt à la Titus en niets anders voor kleeding dan, de mannen een schortje om de lendenen, de vrouwen een wit hemd, waarin zij van het hoofd tot de voeten gehuld waren.
»’k Heb slechts eene vrees!” zei kapitein Hod, »dat de maharajah onzen IJzeren Reus zal willen koopen en er ons zulk een buitensporigen prijs voor biedt, dat we wel verplicht zijn hem aan zijn Hoogheid te verkoopen!”
»Nooit!” riep Banks uit. »’k Zal hem een anderen olifant maken, als hij wil, en dan zoo énorm, dat hij zijn heele hoofdstad van ’t eene einde van zijn land naar ’t andere zal kunnen medenemen! Maar den onzen verkoopen we niet, al biedt hij er nog zooveel voor, niet waar, Munro?”
»Al wil hij er nog zooveel voor geven!” antwoordde de kolonel op den toon van iemand, dien het aanbod van een millioen niet zou kunnen overhalen.
Gelukkig evenwel behoefde er over den aankoop van onzen kolos niet beraadslaagd te worden. De maharajah was niet te Burdwan. Het eenige bezoek, dat we ontvingen was dat van zijn »kâmdar,” een soort van geheim-secretaris, die onze equipage eens kwam bekijken. Toen dit afgeloopen was, bood dit personage ons aan,—en dit aanbod werd gaarne aangenomen,—de tuinen van het paleis te gaan zien, beplant met de heerlijkste planten der tropische gewesten, besproeid door het water uit vijvers of uit beken, die in alle richtingen heen liepen, het park te bezoeken, versierd met hier en daar schilderachtig geplaatste kiosken, bekleed met groene grasperken, bevolkt door reeën, herten, olifanten, vertegenwoordigers der huisdieren, en door tijgers, leeuwen, panters, beren, vertegenwoordigers der wilde dieren, die in prachtige menagerieën verblijf hielden.
»Tijgers in kooien als vogels, kapitein!” riep Fox uit. »Hoe treurig toch!”
»Ja, Fox!” antwoordde de kapitein. »Als men hen ondervroeg, die goede beesten, zouden ze liever in de jungles rondzwerven.... zelfs op geweerschots afstand!”
»Of ik dat begrijp, kapitein!” antwoordde de oppasser, een zucht loozende.
Den volgenden morgen, 10 Mei, verlieten we Burdwan. Het Stoomhuis, goed van alles voorzien, ging weder op weg, dwars de rails over, in rechtstreeksche richting naar Ramghur, eene stad op vijf en zeventig mijlen ongeveer van Calcutta gelegen.
Wel is waar liet deze reisweg rechts de belangrijke stad Mourchedabad liggen, die noch in haar Indisch, noch in haar Engelsch gedeelte iets bijzonders aanbiedt; Monghir, een soort van Birmingham in Hindostan, op een voorgebergte genesteld, dat den heiligen stroom bestrijkt; Patna, de hoofdstad van het koninkrijk Béhar, dat we schuins zouden doortrekken, een rijke stapelplaats voor het opium en die dreigt te verdwijnen onder den rijkdom van klimplanten, waarvan de flora krioelt. Doch het kwam ons beter uit een meer zuidelijke richting te volgen, twee graden beneden de vallei van den Ganges.
Op dit gedeelte van de reis, werd de IJzeren Reus iets meer aangezet en in een lichten draf gebracht, waaruit wij de uitmuntende inrichting onzer opgehangen huizen leerden op prijs stellen. De weg was overigens best en leende zich goed tot de proefneming. Zouden de roofdieren verschrikt geworden zijn bij de passage van den reusachtigen olifant, rook en stoom uitbrakende? Mogelijk wel! Zeker is het, dat we tot groote verbazing van kapitein Hod er te midden der jungles dezer streek geen een zagen. Doch het was in de noordelijke streken van Indië en niet in de provincies van Bengalen, dat hij zijn lust tot jagen wilde botvieren en hij dacht er daarom nog niet over zich te beklagen.
Den 15n Mei bevonden wij ons bij Ramghur, op vijftig mijlen omstreeks van Burdwan verwijderd. De gemiddelde snelheid was vijftien mijlen op de twaalf uren geweest, niet meer.
Drie dagen later, den 18n, hield de trein honderd kilometers verder, bij de kleine stad Chittra stil.
Geen enkel bijzonder toeval had dit gedeelte van de reis gekenmerkt. De dagen waren warm, maar hoe heerlijk was de siesta onder beschutting der veranda’s! Wij brachten er de heetste uren van den dag in een aangenaam farniente door.
Des avonds hielden Storr en Kâlouth onder toezicht van Banks zich bezig met het schoonmaken van den stoomketel en het onderzoeken der machine.
Gedurende dien tijd gingen kapitein Hod en ik, vergezeld van Fox, Goûmi en de twee staande honden, in den omtrek van het kamp jagen. Dit betrof alleen nog maar het kleine wild, doch al trok de kapitein er als jager zijn neus voor op, als lekkerbek kon hij er zich goed mede vereenigen en den volgenden middag telde het menu van den maaltijd tot zijn groot genoegen en niet minder tot dat van »monsieur Parazard” een paar smakelijke schotels meer, die onze verduurzaamde levensmiddelen bespaarden.
Soms ook bleven Goûmi en Fox achter om als houthakkers en waterdragers dienst te doen. Men moest immers den tender van nieuwen voorraad voorzien voor den volgenden dag. Ook koos Banks zooveel mogelijk de halten aan den oever van de beek en in de nabijheid van een bosch. Deze noodzakelijke proviandeering had plaats onder het toezicht van den ingenieur, die geen enkele bijzonderheid verzuimde.
Wanneer dan alles in orde was, staken we onze sigaren aan,—uitmuntende »cherouts” van Manilla,—en rookten we, steeds over het land pratende, dat Hod en Banks tot in de minste bijzonderheden kenden. Wat den kapitein betreft, hij versmaadde de nietige sigaar en haalde met zijne krachtige longen, door een twintig voet lange buis, den aromatischen rook op van een zorgvuldig door de hand van zijn oppasser gestopten »houka.”
We zouden zeer gaarne gezien hebben, dat kolonel Munro ons op die korte tochten in den omtrek van het kamp vergezeld had. Nooit verzuimden we ’t dan ook het hem op het oogenblik van ons vertrek te vragen, doch even standvastig wees hij ons aanbod van de hand en bleef met sergeant Mac Neil achter. Beiden wandelden dan op den weg een honderd passen heen en weder. Zij spraken weinig, maar zij schenen elkander opperbest te verstaan en behoefden geene woorden te wisselen om gedachten te wisselen. Zij waren beiden geheel verdiept in noodlottige herinneringen, die door niets konden uitgewischt worden. Wie weet zelfs of die herinneringen zich niet verlevendigden, naarmate sir Edward Munro en de sergeant het tooneel van den bloedigen opstand naderden.
Blijkbaar had de een of andere gedachte, die wij eerst later zullen leeren kennen en niet de eenvoudige begeerte zich niet van ons te scheiden, den kolonel Munro overgehaald zich bij deze expeditie in Noord-Indië aan te sluiten. Banks en kapitein Hod deelden mijne zienswijze ten dezen opzichte. Ook vroegen wij ons niet zonder eenige ongerustheid in de toekomst af of die ijzeren olifant op zijn tocht door de vlakten van het schiereiland geen treurspel met zich voerde.
..... in een woord al de kasten uit Indië. Blz. 86.