Qui nos tres geminos superat certamine Bacchi

Hic venit Alcides redivivus conteret Hydram.”

d. i. vrij overgezet:

Eer dat ons dapper driemanschap,

In Bacchus’ school volleerd,

Worde in een Frieschen bekerstrijd

Verslagen of verheerd;

Eer zal de woeste Hercules

Herrijzen uit zijn graf,

En slaan een tweeden monsterdier

Tienduizend koppen af!

Bl. 112, op de Noot.

Hiske Abdena was Proost en Hoveling te Emden, een hoog heerschzuchtig man, die zich aan het hoofd der Schieringers in Oostfriesland had gesteld en in naauw verband met de Groningers stond. Gevlugt naar Groningen, wilden de Schieringers hem ondersteunen, doch de Vetkoopers hielden de partij van Keno ten Broek,—en ziehier den oorsprong der partijnamen Hisk- of Hikhorsters en Bronkhorsters.

Bl. 113.—Ao 1414.

Ook liet Jarges het goud en zilver enz. Niet alleen te Fivelgo, maar ook te Midwolde en Loppersum, maakte hij zich meester van het gouden en zilveren vaatwerk, en liet de ongezinde kerkvoogden eenigen tijd vastzetten, om zoo zijn oogmerk te bereiken.

De Koppens-gulden was dezelfde met den Arendsgulden, welke naar de tegenwoordige munt, eene waarde moet gehad hebben van 37½ cent. In 1453 gold hij 7 braspenningen van 9 duiten ’t stuk: in 1491 werd dezelve afgezet.

Bl. 115.

In den jaare 1418 heeft Fokko te Lier. Fokke Uken, Ukena of Ukessen, Hoveling83 te Evermoer in Leer, Heer van Aurich en Broekmerland of te Broekum, die eene groote en belangrijke rol in de onlusten der Schieringers en Vetkoopers in ’t begin van de XV eeuw speelde, was uit eene voorname adellijke, doch niet vermogende Oost-friesche familie gesproten. Zijn vader heette Uko en zijne moeder Amke van Lengen. De ruïnen van hunnen ouden burgt waren ten tijde van den geschiedschrijver Emmius nog aanwezig: thans toont men slechts de plaats aan, waar dezelve stond, op de veenakkers tusschen Aurich en Leer. Nergens vindt men Fokke’s geboortejaar vermeld; doch hij stierf, oud van jaren, den 29 Augustus 1435, gelijk sommigen beweren, ten gevolge van het nuttigen van eene vergiftigde biersoep, door zijne Echtgenoote Hidde hem toegediend. Hij trad als officier in dienst van Keno ten Broek: zijne eerste vrouw was Theda van Reide, bij welke hij twee zoons en twee dochters had: zijne tweede vrouw was Hidde van Dijkhuizen, uit welk huwelijk zijne dochter Ulske, gehuwd aan Unico Ripperda, sproot. Beide deze vrouwen bragten hem een groot vermogen aan, en het gelukte hem zijne kinders aan zeer aanzienlijke, rijke familiën uit te huwen. Hij was verstandig en omzigtig in het aanleggen zijner plannen, dapper en koen aan de spits zijns legers, onverschrokken in gevaren, trotsch in zijne handelingen, die vermeerdering zijner magt en rijkdom ten doel hadden, en wraakgierig tegen zijne vijanden. Van zijnen jeugdigen leeftijd wordt nergens gewag gemaakt, en op het einde van de XIV eeuw is men het eerst in de geschiedenis zijns gedachtig.

Er is eene korte levensbeschrijving van hem in ’t Latijn zamengesteld uit Emmius en Beninga. De verdienstelijke Wiarda echter heeft eene uitvoerige beschrijving van zijn leven en bedrijf gegeven, en geplaatst in het Tijdschrift: Ost-Friesische Mannigfaltigkeiten, erster Jahrgang, Aurich 1784, getrokken uit de beste bronnen destijds in druk en handschrift aanwezig, en met bijzondere naauwkeurigheid behandeld. Ik heb daarvan eene vertaling gegeven in het Mengelwerk der Leeuwarder Couranten van den 4 en 11 September, 2 en 16 October 1832, welke bijdrage tot de geschiedenis van dien tijd zeer belangrijk is. Men verg. overigens het Jaarb. van Westendorp, op 1411–1435. Het portret van Ukena bevindt zich thans op het buitengoed van Jonkheer Hora Siccama van de Harkstede.

Bl. 116.—Ao 1420.

De Schieringers hij Catse geslagen. Schotanus noemt ook te Catze, aan een plaets geheeten Palesloot: Petr. Thab. ter Colze. Volgens Amersf. en Visser moet men waarschijnlijk hierdoor den omtrek van Koudum verstaan. Winsem. en Emmius plaatsen ook den slag omtrent Palesloot, tusschen Hindeloopen en Molkwerum, op de kaart van Schotanus nog aangeduid, zoo als ook de Fokke-graft of Fokke-sloot, uit het Slootermeer komende, en waarin Fokko, na zijne nederlaag bij Slooten, die op zijne overwinning volgde, eene groote busse of stuk kanen, door hem uit Groningen medegenomen, zinken liet.

Bl. 117.

In den jaare 1421. Ook in dit jaar braken de Groningers met Sikko Sjaerdema, Hoveling te Franeker, Hoofd der Schieringers. Zij beschuldigden hem heimelijk den Graaf van Holland, Hertog Jan van Beijeren, te zijn toegedaan, en met de vijandelijke vrijbuiters te heulen—namen twee schepen met hout geladen, aan de kerk te Franeker toebehoorende, weg, en zes Franeker burgers gevangen. Zij dreigden hem te zullen belegeren, indien hij niet te Groningen kwam om zich te verantwoorden, of zijnen twaalfjarigen zoon als gijzelaar zond. Tot dit laatste werd hij genoodzaakt, deels voor zijne overeenkomst, deels voor de betaling eener door deze Vetkoopers uitgeschrevene schatting van 1000 schilden over de Schieringers, tusschen Stavoren en Gerkesbrugge. Sjaerdema kwam zelf te Groningen en verantwoordde zich, weshalve hij zijnen eenigen zoon terug begeerde. Men beloofde de terugzending, dan men hield geen woord. Daarop zond hij een vertrouwd vriend, om het kind af te halen, die het vond aan een ijzeren keten gesloten, waarmede hij in eene kamer kon rondwandelen; doch ook deze moest onverrigter zake terugkeeren. Nog in hetzelfde jaar overleed de knaap, volgens voorgeven, aan de pest: doch men vermoedde, dat de Groningers hem hadden omgebragt; in het volgend jaar stierf zijn vader. Zie Westendorp, Jaarb. op ’t jaar 1421, en de aangehaalde Schrijvers. F. Sjoerds, Jaarb. IV. 447.

Bl. 120.—Ao 1434.

Het Stapelrecht. In ’t jaar 1430 vinden wij het eerst hiervan betrekkelijk Groningen vermelding. Het woord Stapel, eigenlijk een staf, stok of stut beteekenende; is ook een hoop van dingen, die op een afzonderlijk steunsel opgehoopt of gestapeld zijn. Vervolgens heeft stapel overdragtelijk de beteekenis van een hoop koopwaren, die op eene bijzondere marktplaats opgestapeld waren, en eindelijk van de markt of verkoopplaats zelve. Aldaar moesten zekere van buiten inkomende goederen ter verkoop aangeboden, voor een tijd opgestapeld en bij gebrek aan koopers vertold worden. Dordrecht, Middelburg en andere steden waren in het bezit van het Stapelregt der wijnen enz. Zeer verschillend was dit regt op onderscheidene plaatsen, en bepaalde zich tot allerhande koopwaren.

Bl. 122–123.

In den jaare 1453–1454. Over deze gebeurtenissen is verschillend geschreven, en men heeft het bij waarschijnlijkheid moeten laten blijven. Verg. S. Jarichs, Beninga en Emmius.

Bl. 128.—Ao 1478.

Haijo te Westerwolde. Hajo Addinga van Westerwolde had eed en hulde aan den Bisschop van Munster gedaan, en volgde zijnen vader in het leen van Westerwolde op. Hij was een wreedaardig en woest mensch, roofde en verkwistte met zijne trawanten, plaagde zijn volk, en wie hem niet ter wille was werd gekluisterd, gepijnigd en gemarteld op allerhande wijze. Den Priester van Onswedde, die hem zijn slecht gedrag verweet, liet hij, de handen op den rug gebonden, aan den staart eens paards voorgesleept, dus vaneen trappen en verscheuren. Een ander Priester werd daarna ook jammerlijk om het leven gebragt, en zoo pleegde hij vele gruwelen. Zie West. op ’t jaar 1477.

Bl. 129.—Ao 1486.

Rudolf Agricola. Dezen, in zijnen tijd zoo vermaarden man, noemde men den hersteller der Wetenschappen in het Duitsche Rijk, den grootsten redenaar van zijnen tijd, den eersten Duitschen Hoogleeraar in de Grieksche, Latijnsche en Hebreeuwsche talen; dengenen, die door geenen geleerde, ook zelfs van Italië, werd overtroffen; eene ster der eerste grootte. Westend. Jaarb. II. 645.

Bl. 129.

In den jaare 1487. Dit doelt op ’t zoogenaamde Bier-Oproer. De Regering van Leeuwarden had, op aandrang der burgerij, op nieuw eene ordonnantie afgekondigd, waarbij het gebruik van het geliefde Haarlemmer Bier, Kuit genaamd, verboden, en alleen het in de stad gebrouwen bier werd toegelaten. Eenige landlieden overtraden dit gebod, waardoor tusschen hen en de brouwers, ondersteund door de burgers, een gevecht ontstond. De landlieden, de minsten zijnde, namen de vlugt op ’t Amelandshuis, destijds de stins van den Schieringer Pieter Cammingha, hetwelk met overmeestering en plundering bedreigd werd, daar Cammingha de gevlugte landlieden aan hunne vervolgers niet wilde overgeven. Het gerucht hiervan bragt de Schieringers in Ooster- en Westergo spoedig tegen het Vetkoopersgezinde Leeuwarden op de been, die vervolgens deze stad innamen. Meester Pieter Sybrands Auckama, bijgenaamd Pinckert, Olderman der stad, sneuvelde in dit gevecht84.

Dat het Haarlemmer Bier destijds een artikel van veel belang was, blijkt onder anderen ook uit het door Winsemius op ’t jaar 1480 vermelde sprookje, (dus te schrijven):

De Leidske Lape,
In Harlimmer Tape,
In schiere iel
Bringt Frieslân yn’e wiel.

»Het Leidsche laken, Haarlemmer bier (Kuit genaamd) en Schieraal, helpt Friesland in den grond.” Verg. hierbij Wassenbergh, Taalk. Bijdr. tot den Frieschen Tongval, II. St, bl. 17, noot f en bl. 156. Vol van bier zijn, te bier gaan, boven zijn bier zijn en dergelijke uitdrukkingen waren in dien tijd, zoowel in Holland als Friesland, algemeen, daar het bier een algemeene drank was, en de kracht daarvan, bij den overmatigen drinker, een bierroes ten gevolge had.

Bl. 130.—Ao 1490.

In dit zelve jaar is de wijdberoemde Wesselius Ganzevoort. Hij werd geboren te Groningen in 1419, en overleed 1489. Deze hoogst vermaarde en geleerde man, was ook een der edelste kweekelingen van de stichting der Broederschap van Gerard Groote. Zijne verlichte denkwijs vooral werd zeer geroemd, zoodat Luther zelf getuigde: »Indien ik vroeger de werken van Wessel gelezen had, zouden mijne vijanden mogen vooronderstellen, dat ik alles uit zijne schriften geput had. Het geeft mij vreugde en kracht, en ik twijfel niet meer aan de waarheid van hetgeen ik leer; wanneer ik tusschen hem en mij eene volslagene overeenstemming van gedachten en zelfs van woorden bespeur.”

In de bestrijding van bijgeloof en dweepzucht kent men dezen man, boven Erasmus zelfs den voorrang toe, terwijl in al zijn streven tot dit doel, hij eene waarheidsliefde en eene zedelijke kracht ontwikkelde, voor welke Erasmus niet vatbaar was. Als letterkundige, wijsgeer, godgeleerde en geneeskundige was hij bijna even groot; zijne matige leefwijze stak bijzonder af bij de zwelgerij en dronkenschap van vele geleerde tijdgenooten, waardoor hij dan ook tot zijn zeventigste jaar eene sterke gezondheid genoot. Hij reisde de wereld door, om den schat zijner reeds verkregene kennis te vermeerderen, en daarvan ten nutte der wereld dubbelde renten uit te deelen. Van Paus Sixtus, wiens vriend en lijfarts hij was en die hem tot bisschop wilde verheffen, verzocht hij alleen de gunst, om de Handschriften van eenen Griekschen en Hebreeuwschen bijbel te mogen bezitten. Zijne laatste levensdagen sleet hij in ’t klooster der adellijke maagden te Groningen, in hetwelk hij overleed. Zie zijne leerstellingen kortelijk aangeteekend bij Westendorp, Jaarb. op den jare 1489; en verg. de Verhandeling over de Broederschap van G. Groote, door G. H. M. Delprat, bl. 79–81, 112 en Bijl. VII.

Bl. 131.

In den jaare 1492. Men vergelijke op dit en de twee volgende jaren, West. Jaarb., die daarmede het derde Tijdperk en het tweede Stuk van zijn werk eindigt, waarmede hij den beoefenaren der Geschiedenis eene gewigtige dienst heeft bewezen, Petr. Thab. op dezelfde jaren.

Bl. 133.—Ao 1496.

Onder den Oversten Fox. Nittert of Nuttert Fox, volgens Gabbema in Frankenland geboren, was bevelhebber van eene bende de Groote Garde genaamd. Hij zelf droeg den naam van Grooten Kapitein. Petrus van Thabor vermeld hem als Joncker Voecks op ’t jaar 1498. Zie het Archief van Visser en Amersfoort, I. 74, alwaar mede wordt aangemerkt, dat in de middeleeuwen veelal de ellendige gewoonte bestond, dat een hoop soldaten, die zeker niet tot de beste lieden behoorden, onder een hoofd, door hen verkozen, zich vereenigden, en vervolgens aan den meestbiedende, hetzelfde welke zaak hij voor had, zich verhuurden. Zoo waren er zelfs benden, die geheel zonder opperhoofd rondzwierven, zoo als de in onze Kronijk op bl. 150 vermelden Zwarten Hoop of Saksische knechten. Schotanus, Fr. Hist, fol. 419, geeft hem den titel van: »Capiteyn van een deel af-gedanckte Companyen, op de grensen van Nederlandt omhengelende, op hoope van nieuwe beroerten;”—doch roemt hem mede ook als een krijgshaftig en stoutmoedig soldaat. E. Beninga maakte op de jaren 1492 en 1499 van Fox melding. In eene noot op bl. 362 zijner Hist. van Oostfr. wordt mede, gelijk in onze Kronijk op bl. 138, beweerd, dat de plaats, waar hij vechtende stierf, naar hem Foxhol genoemd zoude zijn; doch te onregt: want reeds in een brief van 1460 komt dit gehucht voor als Vossehol. Zie Tegenw. Staat van Stad en Lande, I. 225; Bilderdyk, Gesch. des Vaderl. IV. 316, noemt Fox Witterfox.

Bl. 138.—Ao 1499.

Den Hoogen Raad enz. Ten tijde van Karel den Grooten schijnt er reeds over geheel Friesland eene opperste Regtbank of Hof, misschien wel door hemzelven ingesteld, bestaan te hebben en te Franeker geweest te zijn, welk Hof nog in ’t begin der XV eeuw den naam droeg van dat hageste Keijzer riocht to Franeker. Onder de woelende twisten der Schieringers en Vetkoopers moest het zijn gezag verliezen, doch bleef nog bestaan in die algemeene en hoogere Regtbank, aan welke de vijf eerste Grietenijen in Westergo, hare twistgedingen, in het laatste ressort onderwierpen. Thans hergaf de Hertog dit Geregtshof zijnen ouden luister, door de nieuwe instelling op st. Jacobs dag (24 Julij) van ’t jaar 1499. Het bestond toen uit 12 Leden, zes Geestelijken en zes Friesche Edelen, terwijl de Kanselier Phlug het Voorzitters-ambt bekleedde. Op Sjaerdema-slot was het aanvankelijk gezeteld, doch werd daarna naar Leeuwarden verplaatst. Men vindt dit alles in het breede beschreven in mijne meergemelde Geschiedenis der Kanselarij te Leeuwarden. Over de Wetten vergelijke men onder anderen § 4 van het Overzigt in ’t Friesch Jierboeckjen van 1833, en § 3 van 1834.

Bl. 138.—Ao 1500.

Fjouwer lotter-claer enz. Wassenbergh, Idioticon op ’t woord Fenne, vertaalt deze leus: »vier gelouterde (beproefde, in het water onderzochte) klaare Kievitseieren, op den hoek van een aan huis geleegen Kamp, in één nest.” Zie voorts Epkema, Woordenb. op Finne, en Weiland, N. T. Woordb. op Veen.

Bl. 142. - Ao 1504.

Weerdenbras. O. van Scharl, op ’t jaar 1505, geeft den oorsprong op van deze benaming, welke bevestigd wordt bij Schot. bl. 507 en 508, die in zijn XIV en XV boek een zeer omstandig verhaal geeft, van den strijd met Groningen en wat daartoe betrekking heeft. Ook bij Winsemius, Emmius, Petr. van Thabor, Sicco en Eggerik Beninga enz.

Vitus Draaksdorp of Traxdorp, was, bij afwezigheid van Hertog Georg, Opperbevelhebber over het krijgsvolk. Verg. Archief van Visser en Amersf. II. st. bl. 112; Aantt. op bl. 169.

Bl. 146.

In den jaare 1511. Zie Gabbema, bl. 265; Winsemius op dit jaar.

Bl. 147, 149.—Ao 1514.

Den 21 van July.—Hier na heeft Graaf Edzard. Verg. Tegenw. Staat van Stad en Lande, I. 303, volgg.; Wins. bl. 376 volgg; Schot. XV boek, Beninga, III. B. bl. 490; alwaar over de wreedheden der Saksen, de misleiding door graaf Edzard en zijne vergelding daarvoor van den Gelderschen Hertog in het breede gewaagd wordt. Zie gem. Archief, II. bl. 171–176, en de Aantt. daarop; ook het Nabericht van van Rhyn, bl. 537.

Bl. 150.—Ao 1515.

De zwarte Hoop. Zie Aantt. op Nittert Fox, bl. 431; Petr. v. Thabor zegt, dat er verschillende uitleggingen van die benaming zijn, als: omdat zij met den Hertog van Brunswijk gekomen waren, of omdat hun aangezigt was zwart en leelijk geworden, wegens het lijden van koude en overlast in den winter, of uithoofde dat hun bij den dood der Hertogen van Brunswijk zwart laken was gegeven, tot teeken van rouw; het is mogelijk, dat al het genoemde met elkander tot de benaming aanleiding hebbe gegeven.

Bl. 150 en 151.

Deze Groote Pier. Gelijk het met vele groote en zeldzame mannen gaat, die eene belangrijke rol in hunnen leeftijd hebben gespeeld, en daarover verschillend worden beoordeeld, zoo is het ook met Groote Pier gelegen. De een noemt hem een roemruchtig held zonder wederga, die voor de vrijheid en voor Friesland wonderen deed; anderen noemen hem een wreedaardig krijgsman en verachtelijk zeeschuimer, die slechts roof en moord beoogde. Wanneer men de geschiedenis van dien tijd naauwkeurig gadeslaat, den toestand van Groote Pier en zijne bedoelingen beschouwt, daarbij den geest des tijds, de wijze van oorlogen, vooral ter zee, het Saksisch despotisme in tegenoverstelling van het Friesch karakter, en de laagheid des Hertogen van Gelder in aanmerking neemt, dan zal de onpartijdigheid ten voordeele van den man moeten beslissen, wiens bedoelingen eerlijk waren, maar wiens daden het merk van ruwheid droegen, en door de fortuin begunstigd in euvelmoed en woestheid ontaard zijn. Zijn tijdgenoot Petrus van Thabor schetst hem in zijn ware licht; woest en onbesuisd van aard, maar rond en eerlijk van inborst. Zie het Archief van Visser en Amersf. II. 259. In het Gedenks. van Neerl. Heldend. ter Zee van Engelbert Gerrits, I. 76 volgg., is de beoordeeling minder juist. Zie voorts de schets van Groote Pier en zijne daden in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant van 11 Maart 1834, door W. Eekhoff zamengesteld, en de daar aangehaalde Schrijvers. Op welk eene wijze het zeewezen in Friesland bestierd werd, leest men na het aangehaalde werk van de Jonge, over het Nederl. Zeewezen, I. 154 volgg. Tot in de XVI eeuw was het eene algemeene gewoonte, de gevangenen zonder genade over boord te werpen.

Bl. 151.—Ao 1515.

Hertog Georg. Aldus werd Friesland als ’t ware weder verkocht, en, zooveel de Saks vermogt, geleverd voor honderd duizend goudguldens. Wagenaar, Vad. Hist. IV. 390, en Bild. Gesch. V. 11. maaken er 350,000 van, doch de Acte van afstand van den 19 Mei 1515, bij Schwartzenberg in het tweede deel zijns Charterboeks voorhanden, spreekt dit tegen. Een Rijnse gulden en een Goudgulden hadden ieder 90 cents waarde.

Bl. 151.

Karel de Vyfde. Het belangrijkste gedeelte van het Boeck der Partijen van Jancko Douwama loopt over de gebeurtenissen onder het Saksisch bewind, alsmede over de eerste regeringsjaren van Keizer Karel den Vijfden. Men leert hierin die gebeurtenissen in Friesland, gedurende dit gewigtig tijdvak, van eene geheel nieuwe en onbekende zijde kennen; en al ware het, dat niet al de berigten van Douwama volkomen geloof verdienden, zoo blijft het echter, bij de voorhanden zijnde bescheiden, meestal onder den invloed van het Bourgondisch bewind opgesteld, van het hoogste belang, door zijne tusschenkomst, ook eens de gedachten van de andere partij te kunnen vernemen. Zie over J. Douwama en zijne geschriften, het Verslag der Handelingen van het Prov. Friesch Genootschap, bl. 57 volgg.

Bl. 151.—Ao 1515.

Graaf Floris van Ysselstein. Floris van Egmond, Heer van IJsselstein, als Stadhouder gehuldigd zijnde, werden er verschillende voorwaarden gemaakt. Zie Gabbema, Verh. van Leeuw., bl. 302; Schot. fol. 573, en Wins. fol. 431; welke eerste hem ook Floorken dunn’- bier noemt.

Bl. 155.—Ao 1520.

Hendrik en Frederik Gaykinga. Belangrijk is het verhaal van Sicco Beninga, Chronickel der Vriescher Landen, in de Anal. van v. Nidek, bl. 321 volgg.

Bl. 158.—Ao 1523.

En Karel de vyfde tot Erfheer. Verg. Cerisier, Gesch. der Nederl. II. 420–423; Schot. fol. 621. Na lange en rustelooze woelingen, het aanstoken van partijschappen, het voeden van den burgerkrijg, en het vergieten van stroomen bloeds, genoot nu Friesland, bewesten de Lauwers, met uitzondering van nog eenen inval der Gelderschen, eene rust van bijna eene halve eeuw; terwijl de voortdurende onlusten te Groningen veel onheils bleven stichten, en de geest van muiterij de overhand behield.

Bl. 160.

In den jaare 1535. Verg. Wins. fol. 506; Schot. 664 volgg.; Egg. Beninga, die echter zeer onvolledig is in zijn verhaal. O. van Scharl op ’t jaar 1535; Gabbema, Verh. van Leeuwaarden, bl. 365 volgg.85

De Sententieboeken van het Hof van Friesland nagaande, vonden wij onder vele vonnissen, bij welke in dit jaar een aantal Wederdoopers veroordeeld zijn, om onthoofd te worden, twee derzelve van den 12 April, houdende veroordeeling, de eene van 31 vrouwen en de andere van twee, om verdronken te worden, uithoofde zij: »onlangs bevonden zyn in Oldeclooster myt de andere seditieuse ende oproerighe persoonen der Secten van de Anabaptisten ende anderen van ’t verbundt van dien zy adhœrerende.

Nog langen tijd daarna moesten er ook in Friesland maatregelen tegen de woelingen der Wederdoopers worden genomen, onder anderen blijkbaar uit de Brieven en Aanschrijvingen ter voorzieninge van de Landvoogdes, Maria van Hongarijen, gerigt aan den President en Raden van het Hof van Friesland. Van deze brieven zijn nog eenigen aanwezig in het Archief van gemeld Hof, door de Landvoogdes onderteekend, welke niet in het Charterboek vermeld zijn. Wij willen hier een’ van dezelven overnemen:

MARIA, by der gratie Gods Coninginne
Douagiere van Hongryen ende Beemen,
Regente.

»Lieue ende Besundere. Volgende den afscheet ende Resolutie hier onlancx genomen, int bijwesen van v President, beroerende de secten ende ketterien, zoo van wederdooperie als andere dwalingen, die anderwers vpstaen in Vrieslant ende omliggenden landen. Wij schicken jegenwoirdelick aldaer den Deken van sinte Marie tot Vtrecht, Heer Herman Betinatius, ende meester Franchois Zonnius, Domheere aldaer, bede doctueren in den heiligen scriften, bringers van desen, Commissarisen van wegen des hieligen Stoeles van Roome, ende by Keys. Majest. onsen Heere geauctoriseert, om tegens de besmette van den voirsz. secten te Inquireren ende procederen, alsoe behoiren zal, gelijck ghy naeder by de voirsz. Commissarisen sult mogen verstaen. Ende alsoe ons ernstich begeren es, dat tegens de voirsz. ketterien geremedieert ende voirsien worde, beuelen ende ordineren v van wegen zijner Majest., dat ghij de voirsz. Commissarisen Informatie doet geuen, ende hun bericht van tgene deser zaken beroeren mach ende notelick wesen sal: Doende hun voirts alle bijstant ende vorderingen int volbringen van hueren laste v mogelick zijnde; Ende indien ghij eenige ongeregeltheit beuint onder de geestelicheit desselfs lants, sunderlinge in cloisteren ende godshuysen, sult hun sulcx mogen te kennen geuen, ende samentlick daerinne voirsien, alst behoiren sal, volgende den last die zij des hebben, zoe wel van ons, als van den geestelicken ordinarisen. Ende want het zeer oirboirlick waere in desen tijt eenige goede jonghen tonderhouden in die Vniuersiteit van Loeuen, studerende in de heilige scriften, om metter tijt daer vuyt geleerde priesters ende pastoirs in Vrieslant te ouercommen, zult ghij, zoe verre v van node duncken zal, duer de voirmelte Commissarisen sulcx aen den prelaten van Vrieslant laeten versoucken ende de selue onderwijsen, dat zij ende yegelick van hun tot voirderinge der heiliger Religie, ende der gemeene weltvaert des lants daertoe willen verstaen ende contribueren. Lieue ende Besundere, onse heere God zij met v. Gescreuen te Brussele den XVIJen van Octobre 1553.

(get.) MARIE. (onder stond) De Langhe.

Het opschrift is: Onsen Lieuen ende Besunderen, den President ende Raden des Keysers, geordonneert in Vrieslant.

Bl. 163.—Ao 1538.

Vorperus Thaborita, Kanunnik te Thabor. Worp van Thabor, geboren omtrent het jaar 1538, wellicht afkomstig van het adellijk geslacht Tziaerda, was eerst Pastoor in zijne geboorteplaats Rinsumageest, en daarna Prior van ’t Reguliere Kanonniken Klooster Thabor, te Tirns bij Sneek. Hij schreef in de Latijnsche taal eene kronijk van Friesland, in drie boeken verdeeld. Het eerste boek handelt over den oorsprong der Friezen en hun Land, en eindigt met de heerschappij van Karel den Grooten. Het tweede loopt tot het bestuur der Graven van Holland, en het derde eindigt met den tijd zijns levens. Baron v. Schwartzenberg heeft vijf afschriften van die kronijk met elkander vergeleken, getuigt zeer gunstig van dezelve, en had het plan tot de uitgave gevormd. Dit is niet tot stand gekomen, en die uitgave bleef tot heden achter, zoodat het wel niet te hopen, maar toch te vreezen is, dat met zoo vele anderen, ook dit merkwaardig gedenkstuk der oudheid, het licht niet zal gegund worden. In de Voorrede van het II Deel van ’t Charterboek wordt een uitvoerig verslag van dit Handschrift gegeven, waartoe wij den Lezer verwijzen. Aldaar staat ook aangeteekend, hoe Schotanus in zijne Friesche Historie, vele bladzijden uit den Chronicon Frisiae van Worp, woordelijk vertaald, heeft overgenomen, en voor zijn eigen arbeid laten doorgaan.

Een beter lot heeft in het belang der wetenschappen getroffen, het geschrift van Petrus van Thabor, in onze kronijk niet vermeld. Deze, wiens leeftijd voorviel tusschen de jaren 1460 en 1530, en welke hij voornamelijk als Leekebroeder in het klooster Thabor86 sleet, schreef eene uitvoerige kronijk van Friesland, vooral ten doel hebbende de gebeurtenissen, gedurende zijn eigen leven voorgevallen, met naauwkeurigheid en waarheidsliefde te boeken, in den vorm van een Dagboek. Daardoor is dit werk ook belangrijk voor de kennis van den inwendigen burgerlijken en zedelijken toestand des Lands, terwijl het van bijgeloof, wonderen en duivelskunsten geheel vrij is. De Heeren Amersfoordt en Visser, hebben daarvan de Uitgave in het Archief voor Vaderl. en Vriesche Geschiedenis bezorgd, en verrijkt met een aantal uitmuntende Aanteekeningen, hoofdzakelijk door den eersten bewerkt, welke van de kunde en geleerdheid des vervaardigers getuigen.

Door dezen Petrus van Thabor is omstandiger dan elders beschreven, de Donia-oorlog, eene der merkwaardigste en treffendste burger- en familietwisten, door welke Friesland meermalen werd geteisterd, welke geduurd heeft van 1458 tot 1496. Verg. het Archief, I. p. 16–24 en de Aanteekeningen, alsmede de aanmerkingen van den Heer van Halmael, benevens het antwoord daarop van den Heer Amersfoordt, in de Leeuwarder Couranten van 14 en 21 Junij 1831; 3, 10, 17 April en 1 Mei 1832; welke stukken voor de geschiedenis van te veel waarde zijn, om niet in een beter en duurzamer vorm te worden overgegoten.

Bl. 166.—Ao 1559.

Regnerus Predrinus of Reinier van Winsum, geboren 1508, was een zeer geleerd en verdienstelijk man en een der leerlingen uit het Fraterhuis. Zijne gehoorzaal was met een toevloed van leerlingen opgevuld, met welken hij de schriften van Plato, Aristoteles, Demosthenes, Cicero en Quinctilianus behandelde. Gansche scharen uit Oost- en West-Friesland, Braband, Vlaanderen, Duitschland, Frankrijk, Italië, Spanje en Polen kwamen tot hem over, en vormden als het ware eene Hoogeschool rondom hem. Kort na zijnen dood, in 1563, verdween de gansche stichting der Broederschap. In 1582 deed de Regering eene poging, om haar te doen herleven, door de aanstelling van Antonius Folcard of Folkerts van Boornbergum, tot Overste, doch dit besluit werd niet uitgevoerd. De oprigting der Hoogeschool in Groningen, in het jaar 1614, gaf deswege eene nieuwe schadeloosstelling. Reeds in den aanvang der XVI eeuw begon die Broederschap voor de Hervorming van Luther te wijken: de minachting voor de kloosterinrigtingen deed haar in die oorden te niete gaan; maar in andere gewesten werd zij verdrongen door eene veel magtiger orde, die met gesloten gelederen overal eene Broederschap vervolgde, welke immer daarop roem kon dragen, dat zij noch dezelfde verdedigingsmiddelen, noch dezelfde wapens kende. Het waren de Jezuiten, die zich in hunne plaats stelden. Delprat, Verh. over de Broederschap van G. Groote, bl. 117 en 186.

Bl. 169.—Ao 1566.

Waar op in ’t Latyn stond. Moet zijn in ’t Fransch. Zie over de Geuzennapjes v. Alkemade. Displegt. II. 459 en van Loon, Ned. Hist. Penn. I. 82. In het algemeen waren de nappen eigenlijk uitgeholde houten bakken van middelmatige grootte, welke dienen moesten om eenig vocht in zich te houden. Zij waren, zoowel als de bedelzakken, het kenteeken der bedelaars, en werden door dezen gebruikt, om er de soep in te ontvangen, welke hun aan de kloosters werd uitgereikt, wanneer zij het godsdienstig onderwijs genoten hadden. Tot gebruik over tafel, om er elkander den dronk uit toe te brengen, afgezonderd zijnde, zijn de nappen natuurlijk tot napjes gebragt. Collot d’Escury, Holl. Roem, II. A. 111.

Bl. 170.—Ao 1567.

En een schip met Edelen. Breedvoerig vindt men dit verhaal bij Wins. fol. 538; verg. Gabbema, Verh. van Leeuw. bl. 493.

Bl. 172—Ao 1568.

Waarom Arenberg—op Graaf Adolf los rende. Dat de beide Graven door elkanders handen zouden zijn gesneuveld, wordt door van Meteren en anderen tegengesproken, hoezeer er eene oude overlevering is, welke dit vermeldt, en door onze kronijk schijnt gevolgd te zijn. Het is mij ook voorgekomen, dat de Schrijver of Schrijvers van It aade Friesche Terp zich op vele plaatsen niet van de beste bronnen hebben bediend, dan het ligt niet in ons plan, over de verschillende gebeurtenissen breedvoerig uit te weiden, en de gebreken allen aan te wijzen, waardoor wij het bestek dezer Aanteekeningen verre zouden overschrijden. Men vergelijke over dit geheele tijdvak den Tegenwoordige Staat van Stad en Lande, I. Deel.

Bl. 174.—Ao 1568.

Den 7de van December. Niet in December 1568 is dit gebeurd, maar in het begin van Herfstmaand 1566: want reeds in 1567 werd de Roomsche godsdienst weder hersteld, en in 1570 zond Alba Cunerus Petri als Bisschop naar Leeuwarden, alwaar hij den 1 Februarij op nieuw de kerken inwijdde, en de getrouw geblevene gemeente inzegende. Zie Gabbema, Verh. van Leeuw. bl. 457, die den 7 of 16 van Wintermaand noemt, gelijk ook Wins. en Schot. schrijven, terwijl September moet worden gesteld. Verg. ook ten dezen het Iets over de Kerken, kloosters en voormalige gasthuizen binnen Leeuwarden, van den Heer van Halmael, geplaatst in het Mengelw. der Leeuward. Courant van den 14 Augustus 1832.

Bl. 178.—Ao 1574.

Casper Robles. Verg. de Inleiding van mijn Tafereel van den Watervloed, bl. XLI en XLII; Scheltema, Staatk. Nederland, II. 250 en de aangehaalde Schrijvers; Outhof, Verhaal van alle hooge Watervloeden, bl. 535; Dumbar, Analecta, III, in hetwelk door Reinico Fresinga van Frennicker (zoo als hij zich onderschrijft), in diens Memorien, ook een cort verhaal van Billys gelegentheyt wordt gegeven87. De beschrijving in ’t Latijn, over de daden van de Robles in Friesland bedreven, door Johannes Carolus, uitgegeven te Leeuwarden 1731, door de zorg van den beroemden Petrus Wesseling, loopt slechts over een kort tijdsbestek, en is met eene scherpe pen geschreven88. Zie voorts Gabbema, Verh. van Leeuwaarden, bl. 534; Wins. Historiae, L. III, en Chron. XVI boek. Over het Kolonels- of Roblesdiep, Tegenw. Staat van Friesland, II. 228.

Bl. 181.—Ao 1576.

Joachim Hopperus. Deze zeer vermaarde man werd in den jare 1523 te Sneek geboren, uit een edel geslachte, bekleedde gewigtige ambten, werd de stichter der Hoogeschool te Douaij, en behaalde als Regtsgeleerde hoogen roem. Als Staatsman echter was hij te veel hoveling, om, naar der Friezen aard, als zoodanig door hen op hoogen prijs te worden gesteld. Men geeft hem zelfs na, dat de spotvogels hem met den bijnaam van Oui, Madame! bestempelden, daar hij de Landvoogdes in den Raad nimmer zoude tegenspreken. Hij was echter om zijne groote kundigheden teregt zeer beroemd; en men mag nooit uit het oog verliezen, dat hij in zijne hooge betrekkingen altoos, vooral in dien tijd, op een zeer gevaarlijk standpunt was geplaatst. Zeer waardig is aan hem en zijne geschriften herdacht door den geleerden Gabinus de Wal, in zijn klassiek werk: Oratio de claris Frisiae Jurisconsultis, pag. 27 van de Oratie, 90 volgg. der Aanteekeningen, en 428 der Bijvoegselen. Verg. Scheltema, Staatk. Nederl. I. 492; Wins. fol. 599. In de Nalezingen op Wagenaar van van Wyn zijn vele bijzonderheden uit de brieven van Hopper te vinden, en van zijn leven is eene goede beschrijving aanwezig in de Levens van Nederl. Mannen en Vrouwen, IV Deel. Onze voornaamste Geschiedschrijvers hebben van zijne schriften gebruik gemaakt. Zijne brieven aan Viglius, welke de Antwerpsche Bisschop, de Nelis, heeft laten drukken, en daarna uitgegeven zijn, zijn hoogst belangrijk voor de geschiedenis. In de bibliotheek te Brussel bevinden zich nog een aantal andere oorspronkelijke brieven van hem en Viglius, in hunne landtaal geschreven, bevattende vele zaken, welke zij elkander in ’t geheim wilden mededeelen. Zie de Wind, Bibliotheek, II. 172.

Bl. 181.—Ao 1576.

Ook overleed in dit zelve jaar, te Gent, Viglius Swichemius ab Aita. Een groot aantal geleerde en kundige mannen hebben zich van tijd tot tijd bezig gehouden, met het beschrijven van het leven en de daden van den wijdvermaarden Fries, Wigle van Aytta van Zwichum, den 19den van Wijnmaand 1507, op de State Barahuis89, onder den dorpe Wirdum geboren, uit eene der oudste en aanzienlijkste Friesche geslachten, en gestorven den 8 van Bloeimaand 1577 binnen Brussel. Onder deze geschriften verdient bijzondere opmerking, de uitmuntende Redevoering van den Amsterdamschen Rector van Ommeren, in welke (gelijk de Ridder Scheltema te regte vermeldt90), het karakter van Viglius van de beschuldiging van zwakheid en ongelijkmatigheid meesterlijk is vrijgepleit91.

Ook het uitstekend en krachtvolle Verhaal van het leven en de daden van Vigle van Ayta, door Mr. A. Telting met oordeel en verstand zamengesteld, plaatst den grooten man in een helder daglicht, en geeft hem de verdiende eere92, hoezeer anderen een minder gunstig oordeel over hem hebben geveld. Verg. hierover Holland’s Roem in Kunsten en Wetenschappen door den Baron Collot d’ Escury, II. 23 en Aantt. bl. 69. Deze Schrijver maakt tevens gewag in de Aanteekeningen op zijn eerste Deel van den glazen beker, door Viglius aan Keizer Karel toegebragt, toen deze Utrecht bezocht heeft, en welke naderhand op vele gastmalen gebruikt werd, wanneer men hem al drinkende ronddraaide, om met de lippen dezelfde plaats te treffen, als die de Keizer had aangeroerd. Op dezen beker, van dik bruin glas, thans in bezit van Z. E. den Minister van Maanen, heeft Anna Maria Schurman met een diamant het volgende geschreven en met haren naam onderteekend: