—Neen, in geenen deele.

—Dan wil ik u wat vertellen van onze avonden. Ik kom binnen, ik ken die trap, ik ken iedere bloempot, de deurknop—alles is zoo lief, zoo bekend, dan de voorkamer, haar kamer... Neen, dat komt nooit, nooit weer terug! Ze schrijft nu ook nog, ik wil u gaarne haar brieven laten zien. Maar ik ben nu niet meer dezelfde—ik ben een verlorene, ik ben harer niet meer waardig... Ik ben voor eeuwig verloren! Je suis cassé.[65] Ik heb geen energie, geen trots, niets meer. Ook mijn adel is weg.. ja, ik ben een verlorene! En geen mensch zal begrijpen wat ik lijd—niemand betoont mij medegevoel. Ik ben een verloren mensch! Nooit kan ik me weer opheffen, want ik ben moreel gezonken—in 't slijk gezonken.

.. In dit oogenblik klonk oprechte, diepe wanhoop uit zijn woorden; hij zag me niet aan en zat daar onbewegelijk.

—Waarom zoo te wanhopen? vroeg ik.

—Omdat ik een afschuwelijk mensch ben; dit leven heeft me ten gronde gericht, alles wat in me was, is dood.... Ik lijd niet meer met fierheid, maar als een onwaardige—de dignité dans le malheur[66] heb ik niet meer. Ieder oogenblik duld ik vernederingen. Dit slijk a déteint sur moi,[67] ik ben zelf ruw geworden; wat ik geweten heb, ben ik vergeten, ik kan geen Fransch meer spreken, ik voel dat ik laag en gemeen ben. Aan gevechten kan ik in deze omgeving niet deelnemen, voor niets ter wereld; misschien zou ik een held zijn: geef me een regiment, gouden epauletten en trompetters; maar in hetzelfde gelid met den eersten den besten Antonoff Bondarenko en dergelijke lui te strijden en dan te moeten bedenken, dat tusschen hen en mij niet het geringste onderscheid is, dat het precies hetzelfde is of hij doodgeschoten wordt of ik—die gedachte doodt mij. Begrijpt ge, hoe vreeselijk het is, te moeten bedenken, dat de eerste de beste gemeene kerel mij dooden kan, mij, een mensch, die denkt en gevoelt, en dat het precies hetzelfde is of hij mij doodt, dan wel dien Antonoff naast mij, een schepsel, dat zich door niets van een dier onderscheidt en dat het best gebeuren kan dat men juist mij doodt en niet Antonoff, zooals dat altijd gebeurt, une fatalité[68] voor al wat goed en hoog is. Ik weet, dat ze me een lafaard noemen; goed, laat ik een lafaard zijn—ik ben nu eenmaal een lafaard en kan niet anders zijn.

Maar als ware 't niet genoeg, dat ik een lafaard ben, ik ben in uw oog ook—een bedelaar en een verachtelijk mensch. Ziet ge, ik heb u daareven om geld gevraagd—u hebt een recht mij te verachten. Neen, neem liever uw geld terug—en hij reikte mij het verfrommelde biljet toe. Ik wil, dat ge mij zult achten. Hij bedekte zijn gezicht met zijn handen en brak in tranen uit; ik wist niet wat ik tot hem zeggen zou of doen.

—Wees bedaard, zei ik tot hem, ge zijt te fijngevoelig, ge moet u niet alles zoo aantrekken, denk niet zooveel, neem de dingen eenvoudiger op. Ge zegt zelf, dat ge karakter hebt. Draag dus uw ongeluk, ge zult niet lang meer behoeven te lijden. Dit alles zei ik tot hem, maar in zeer onduidelijke bewoordingen, want ik werd bewogen door een gevoel van berouw, dat ik het gewaagd had in gedachte een waarachtig en diep ongelukkig mensch te veroordeelen.

—Ja, begon hij, als ik sinds het uur, dat ik in deze hel ben, ook maar een enkel woord van deelneming, van goeden raad of van vriendschap gehoord had,—een woord van menschelijkheid, gelijk ik van u hoor—misschien kon ik dan rustig alles verdragen, misschien kon ik het dan dragen en zelfs gemeen soldaat zijn—maar nu is het vreeselijk..... Wanneer ik mijn gezond verstand gebruik, wensch ik den dood; waarom zou ik dit smadelijke leven en mijzelf liefhebben, nu ik toch voor al het goede in de wereld verloren ben? en bij het geringste gevaar onwillekeurig weer begin dit gemeene leven te vergoden en te sparen als iets kostbaars? En ik kan mijzelf niet overwinnen, je ne puis pas[69] d.w.z. ik kan het wel—ging hij na een minutenlang zwijgen voort—maar het kost me te veel moeite, enorme moeite, als ik alleen ben. Met anderen samen, wanneer ik in gewone omstandigheden in het vuur ga, ben ik dapper, j'ai fait mes preuves,[70] want ik ben vol eigenliefde en trots: dat is mijn gebrek, en in tegenwoordigheid van anderen... Weet ge, laat mij vannacht in uw tent overnachten, bij mij zal wel den geheelen nacht gespeeld worden. Onverschillig waar, op den grond.

Terwijl Nikita het bed klaarmaakte, stonden we op en liepen weer in het duister bij de batterij op en neer. Guskoff moest wel werkelijk slecht tegen drank kunnen, want van twee glaasjes vermouth en twee glazen wijn waggelde hij. Toen we opstonden en uit het licht der kaars gingen, merkte ik op, dat hij het tienroebelbiljet, 't welk hij gedurende het geheele voorafgaande gesprek in de hand gehouden had, weer in den zak schoof, maar zòò dat ik het niet zien zou. Hij sprak nog steeds door; hij voelde dat hij zich nog zou kunnen oprichten, als hij een mensch had, zooals ik, die medelijden met hem had.

Wij wilden reeds in de tent gaan om ons te slapen te leggen, toen plotseling een kogel over ons heen floot en niet ver van ons in den grond sloeg. Dat was zoo vreemd: dit stille, slapende kampement, ons gesprek en... op eens die vijandige kogel, die, God weet waar vandaan, over onze tent kwam vliegen—zoo vreemd, dat ik een poos lang mij geen rekenschap kon geven van wat eigenlijk geschiedde. Een van onze soldaten, Andrejeff, die bij de batterij op wacht stond, kwam naar mij toe.

—Ei, ze zijn nabij geslopen! Men kon van hier het vuur zien, zeide hij.

—We moeten den kapitein wekken, zei ik en keek naar Guskoff.

Hij stond daar, diep naar den grond gebogen en stamelde: Dat... dat... vijand.. gek! Verder zei hij niets en ik zag niet, waarheen hij zoo opeens verdween.

In de hut van den kapitein werd een licht ontstoken, men hoorde zijn gewoon kuchje bij het ontwaken, en spoedig kwam hij zelf naar buiten en vroeg om een lont om zijn pijpje aan te steken.

—Wat is er nu weer, vadertje? vroeg hij glimlachend, men wil me vannacht maar niet laten slapen, eerst gij met uw gedegradeerde en nu Schamyl! Wat zullen wij doen, antwoorden of niet? Is er iets bevolen?

—Neen, niets. Daar, alweer! zei ik, en nu twee tegelijk. Inderdaad lichtten in de duisternis, recht voor ons, twee vlammen op, gelijk twee oogen en spoedig daarna vloog een kogel over onze hoofden en, met luid, doordringend gefluit eene leege granaat; wellicht een van ons. Uit de tenten in de buurt kwamen de soldaten kruipen, men hoorde ze hoesten, zich uitrekken en praten.

—Kijk, hij fluit voor je oogen als een nachtegaal, merkte een artillerist op.

—Roep Nikita! zei de kapitein, met zijn gewonen goedigen glimlach.—Nikita! kruip niet weg, hoor eens hoe de nachtegalen uit de bergen fluiten.

—Ach, Uw Hoogwelgeboren, zei Nikita, die naast den kapitein stond, ik heb ze al gezien, die nachtegalen. Ik ben niet bang voor ze, maar de gast, die daareven hier was en uw wijn gedronken heeft, toen die ze gehoord heeft, heeft hij zich gauw uit de voeten gemaakt, hij is als een kogel voorbij gerold, in elkaar gedoken als een dier.

—Maar het zal toch noodig zijn, naar beneden, naar den kommandant der artillerie te rijden, zei de kapitein op ernstigen, bevelenden toon tot mij, om hem te vragen of we het vuur moeten beantwoorden of niet; er kan wel nauwelijks sprake van zijn, maar we kunnen toch beneden gaan hooren. Wees gij zoo goed er snel heen te rijden en vraag het hem. Laat U een paard zadelen, en als het niet anders gaat, neem dan mijn Polkan, om gauwer weg te komen.

Vijf minuten daarna bracht men mij het paard en reed ik weg naar den kommandant der artillerie.

—Denk er om, het wachtwoord is „Deichsel”, fluisterde de kapitein me uit voorzorg in, anders komt ge niet door de voorpostenlinie.

Naar den kommandant der artillerie was een halve werst rijden; de heele weg voerde langs de tenten heen. Zoodra ik bij ons wachtvuur vandaan was, werd het zoo donker, dat ik niet eens de ooren van mijn paard kon zien; alleen het flikkeren der wachtvuren, dat mij nu eens heel dicht bij, dan weer heel veraf leek, schemerde mij in de oogen. Een klein eindje reed ik zooals mijn paard wilde, met slappe teugels. Ik kon nu de witte, vierhoekige tenten onderscheiden, later ook de zwarte sporen van den weg, in een half uur was ik bij den kommandant. Drie maal had ik naar den weg moeten vragen, viermaal was ik over de piketpaaltjes der tenten gestruikeld, waarbij ik telkens vloeken van binnen uit naar mijn hoofd kreeg, en twee maal werd ik door een post aangehouden. Gedurende den rit had ik nog twee schoten gehoord, maar zij droegen niet tot aan de plek, waar de staf lag. De kommandant van de artillerie gaf geen bevel om terug te schieten, te meer niet, omdat de vijand zijn vuur staakte, en ik aanvaardde den terugweg, het paard aan den teugel houdend en mij te voet tusschen de tenten der infanterie doorwerkend. Vaak vertraagde ik mijn schreden, als ik voorbij een soldatentent kwam, waarin nog licht schemerde, of luisterde naar het verhaal van een of anderen spotvogel, of naar het voorlezen uit een boek, door een of anderen geleerde, naar wien de heele afdeeling, den voorlezer van tijd tot tijd met allerlei aanmerkingen in de rede vallend, in een dichten hoop in en om de tent opeengedrongen luisterde, of ook wel naar de gesprekken over den veldtocht, over de geboorte-plaats, over de superieuren.

Toen ik voorbij een der tenten van het bataillon kwam, hoorde ik de luide stem van Guskoff, die zeer vroolijk en levendig sprak; jonge eveneens lustige stemmen, van voorname heeren, niet van gemeene soldaten antwoordden hem. Het was blijkbaar de tent van de jonkers of de onderofficieren. Ik bleef staan.

—Ik ken hem al lang, zei Guskoff. Ik ben nog familie van hem, en wat het voornaamste is, we zijn oude vrienden. Het is goed, mijne heeren, zulk een kennis te hebben, moet ge weten. Hij is schatrijk. Honderd roebels zijn niets voor hem. Ik heb mij ook een kleinigheid van hem laten geven, tot mijn zuster mij wat zendt.

—Nu, laat dan maar wat halen!

—Dadelijk. Saffjilitsch, duifje! klonk Guskoffs stem steeds dichter bij den ingang van de tent. Hier hebt ge tien roebel, ga naar de marketentster en breng twee flesschen... en wat nog meer, heeren? Nu, zeg op!

En Guskoff trad zwaaiend, met wanordelijk haar en zonder muts, uit de tent. Hij sloeg de slippen van zijn pelsjas op zij, stak de handen in de zakken van zijn grijze broek en bleef aan den ingang staan. Hoewel hij in het licht stond en ik in het donker, trilde ik toch van angst, dat hij mij zien kon, deed mijn best geen gedruisch te maken en ging verder.

—Werda? riep Guskoff me met een volslagen dronkemansstem toe. De koude had hem blijkbaar heelemaal buiten westen gemaakt.—Wat voor een duivel sluipt hier met zijn paard om?

Ik antwoordde niet en zocht zwijgend mijn weg.


[23] hardnekkig ongeluk.
[24] de kans is gekeerd.
[25] Ja, m'n waarde, de dagen volgen elkaar op, maar gelijken niet op elkaar.
[26] Zinspeling op een bekende fabel van Lafontaine.
[27] Een positie in de wereld.
[28] Mijn vader gaf mij 10000 roebel per jaar.
[29] Ik werd ontvangen in de beste gezelschappen van St. Petersburg, ik kon aanspraak maken.
[30] Maar vooral was ik goed thuis in dien eigenaardigen spreektrant der voorname wereld.
[31] Dat is die verhouding met Mevr. D.
[32] Mijn vader, over wien ge wel hebt hooren spreken.
[33] Hij heeft mij onterfd.
[34] Hij is konsekwent geweest.
[35] Het kampleven.
[36] Men zal me in het vuur zien.
[37] En ge weet, met dat prestige, dat het ongeluk iemand geeft.
[38] Welk een ontgoocheling!
[39] Mij dunkt, dat dit heel wat gezegd is.
[40] Wat ik te lijden gehad heb, daar kunt ge u geen voorstelling van maken.
[41] Bij de geringe middelen, waarover ik beschikte, had ik aan alles gebrek.
[42] Met mijn trots, heb ik aan mijn vader geschreven.
[43] Geheel de uwe.
[44] Hebt ge een sigaret voor me?
[45] Die de zoon is van den rentmeester mijns vaders.
[46] Weet gij?
[47] Men heeft mij in het vuur gezien.
[48] De oorlog, het kampleven.
[49] Dat is vreeselijk, dat maakt iemand dood.
[50] Openhartig, zonder terughouding.
[51] Gij zijt daarboven verheven, mijn waarde, ik heb geen cent meer.
[52] Kunt ge mij 10 zilveren roebels leenen?
[53] En mijn vader...
[54] Derangeer u niet.
[55] Tegen den gewonen regel in.
[56] Volkomen willekeurig.
[57] Beschaafde dames.
[58] En ik kan er niet heel goed tegen.
[59] In een benedenhuis.
[60] 's Morgens ging ik uit.
[61] Geregeld om vijf uur.
[62] Men moet erkennen dat het een verrukkelijke vrouw was.
[63] Altoos opgeruimd, altoos minnares.
[64] Ik heb me ten haren opzichte veel te verwijten, ik heb haar vaak verdriet gedaan.
[65] Ik ben gebroken.
[66] waardigheid in het ongeluk.
[67] heeft me bespat.
[68] een noodlot.
[69] ik kan niet.
[70] dat heb ik bewezen.
EINDE.

Overzicht aangebrachte correcties

De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:

PlaatsBronCorrectie
Blz. 7Morgenmorgen
Blz. 16wordwordt
Blz. 17KaukususKaukasus
Blz. 25[Niet in Bron.][6]
Blz. 28grasspiertjegrassprietje
Blz. 31uitdrukknguitdrukking
Blz. 31[Niet in Bron.].
Blz. 34rijdrijdt
Blz. 35eigelijkeigenlijk
Blz. 36onmiddelijkonmiddellijk
Blz. 40[Niet in Bron.]
Blz. 44[Niet in Bron.].
Blz. 51symphatiekesympathieke
Blz. 54voordurendvoortdurend
Blz. 56geschikstegeschiktste
Blz. 58[Niet in Bron.]arm
Blz. 58nietsniet
Blz. 59MaxinoffMaximoff
Blz. 60 (voetnoot);:
Blz. 61in inin
Blz. 61appélappèl
Blz. 62TchikineTschikine
Blz. 64wezelijkwezenlijk
Blz. 65doordaar
Blz. 69stemdenenstemden en
Blz. 70moetmoeten
Blz. 70eenigzinseenigszins
Blz. 71wachtewachtte
Blz. 71NikolaieffNikolaïeff
Blz. 72NikoaïleffNikolaïeff
Blz. 73VIlVII
Blz. 80stechtsslechts
Blz. 80regementregiment
Blz. 86toebereeidselentoebereidselen
Blz. 90oogenoogenblik
Blz. 91WenuWelnu
Blz. 91!?
Blz. 92[Niet cursief in Bron.]abas
Blz. 95BolcboffBolchoff
Blz. 95BolcboffBolchoff
Blz. 96[Niet cursief in Bron.]riabko
Blz. 99heetfheeft
Blz. 100[Niet cursief in Bron.]
Blz. 100[Niet in Bron.],
Blz. 101offlcierofficier
Blz. 102ShadanoffShdanoff
Blz. 103neurënneuriën
Blz. 105der derder
Blz. 111kennisenkennissen
Blz. 113belooftbeloofd
Blz. 114linkernielinkerknie
Blz. 119DwitrijewitschDmitrijewitsch
Blz. 119DwitrijewitschDmitrijewitsch
Blz. 119DwitrijewitschDmitrijewitsch
Blz. 120DwitrijewitschDmitrijewitsch
Blz. 121in[Verwijderd.]
Blz. 125[Niet in Bron.].
Blz. 126[Niet in Bron.].
Blz. 127J'espereJ'espère
Blz. 127[Niet in Bron.],
Blz. 128onderteekendonderteekent
Blz. 130[Niet in Bron.].
Blz. 132strekkentrekken
Blz. 132[Niet in Bron.].
Blz. 133prèterprêter
Blz. 133derangezdérangez
Blz. 134jege
Blz. 134onmiddelijkonmiddellijk
Blz. 135noodzakelijknoodzaak
Blz. 135overscheidingenonderscheidingen
Blz. 135geprekkengesprekken
Blz. 136c'etaitc'était
Blz. 137[Niet in Bron.].
Blz. 138,.
Blz. 139of zouzou of
Blz. 140[Niet in Bron.],
Blz. 140kennenkunnen
Blz. 142NitikaNikita
Blz. 142NitikaNikita