§ 64. Aan het einde van deze verhandeling over patronymikale geslachtsnamen, moeten hier nog twee groote groepen van geslachtsnamen, als aanhangsels dezer hoofdafdeeling, vermeld worden.
Wat hunnen form betreft, zijn deze namen wel patronymika; immers staan zy allen in den tweeden naamval. Maar wat hunnen aard aangaat, wat de oorsprong en eigenlike beteekenis betreft der woorden, die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, kan men ze tot de eigenlike patronymika, in den naukeurigen zin van dit woord, niet rekenen. Ik noem ze dus oneigenlike vadersnamen, quasi-patronymika. Zy zijn volkomen op de zelfde wyze ontstaan als de werkelike patronymika. Maar de stam of wortel dezer geslachtsnamen is niet een mansvóórnaam, zoo als eigenlik de conditio sine qua non der vadersnamen is, maar een ander woord. Dit woord kan een ambt, een bedrijf, een beroep aanduiden, of ook het kan ieder ander woord zijn, b. v. een dierenaam, een huisnaam, een bynaam, een byvoegelik naamwoord, een aardrijkskundige naam, of wat dan ook; als het maar als een by- of toenaam voor een man in gebruik geweest is. De quasi-patronymikale geslachtsnamen, waarvan de wortel een naam van eenig beroep is (Timmermans, Scholten, Smolenaars) formen de eerste groep; de anderen (Kieviets, Sleutels, Sterckx, Asselbergs) maken de tweede groep uit.
De oorsprong der geslachtsnamen van de eerste groep ligt voor de hand. Menig man wordt meer genoemd met het woord dat het ambt, beroep of bedrijf aanduidt, ’t welk hy bekleedt of uitoefent, dan met zynen eigennaam. En vroeger was dit nog meer het geval. Dat dus Rutger, die een zoon was van eenen man, welke, in overeenstemming met zijn handwerk, steeds Smit genoemd werd—dat deze jongeling door zyne tijd- en plaatsgenooten gemeenlik Rutger Smits, Rutger Smit’s zoon, Rutger de zoon van den smid werd geheeten, is duidelik. Even zoo was het gegaan met Lieven Vendrickx, de zoon van eenen man die vaandeldrager was en daarom eenvoudig Vendrik genoemd werd. Even zoo ging het ook met de kinderen van den eenigsten molenaar of mulder in zeker dorp, een man die dus nooit by zynen eigenen naam, maar steeds eenvoudig Mulder werd genoemd. Immers die kinderen noemde men Warner Smulders, Gerlof Smolders, Reinout Smolenaers, d. i. des mulders, des molders, des molenaars zoon—al naar de gouspraak dier lieden het eischte.
Byna al deze beroepsnamen, in den tweeden naamval, als hedendaagsche geslachtsnamen voorkomende, zijn, wat hunnen oorsprong of hunne afleiding, hunne beteekenis betreft, duidelik genoeg. Ik kan dus volstaan met eenigen daarvan, als voorbeelden, hier op te sommen. Bakkers, Barbiers, Cassiers, Capiteyns, Cruyniers, Goutsmits.88 De geslachtsnaam Bierstekers (het enkele Biersteker komt ook voor, even als Beerstecher, van platduitschen oorsprong) is afgeleid van het bedrijf van iemand die bier vertapt, die vaten bier aansteekt. Ketelbueters is een brabantsche form voor ketelboeters, d. i. de zoon van den ketelboeter of ketellapper. Wat een man uitvoert die latynhouwer is, waarvan de geslachtsnaam Latynhouwers, beken ik niet te weten.
Hebben wy hier voren gezien dat, in taalkundigen zin, verschillende wyzen van tweede naamvalsforming te pas komen by de patronymikale geslachtsnamen, dit zelfde is ook het geval by de geslachtsnamen aan beroepsnamen ontleend. Want behalven den tweeden naamvalsform op s, in bovenstaande geslachtsnamen voorkomende, bestaan er ook zulke maagschapsnamen die den tweeden naamvalsform op en vertoonen, of dien met het tot s verkorte lidwoord des vóór zich hebben. Zulke namen zijn: Prinsen (en Princen) met den versletenen form Prinse, die ook als Prince geschreven wordt; Greven, de zoon van den greve, den graaf; Schouten met Schoute, Scholten met Scholte, Schulten met Schulte, alles de zoon van den scholte of van den schout beteekenende, ’t zy men aan dit schulte en scholte de saksische (geldersche en overijsselsche) beteekenis hecht van erfgezetene, aanzienlike boer, of de oud-hollandsche van hoofd der policie. Schoutheten, Schoutheete, Schouteden, Schouteeten, Scholtedes, Schautteete, Schouteten is oorspronkelik de zelfde naam, afgeleid van den vollen form Schoutheet, Schultet, Schuldheiss. In latynschen form komt deze geslachtsnaam als Scultetus voor. Dat Schoute, Schulte, Scholte echter ook een mansvóórnaam zijn kan, vindt men op bl. 77 vermeld. Boeren en Boere, Pasteure, enz. zijn ook nog geslachtsnamen die men tot deze afdeeling kan brengen. By Prinsen, Greven, enz. behoeft men niet aan den zoon van eenen werkeliken prins of graaf te denken, even min als by Keizers, Conincks, Coninx, ’S Hertogen, enz. aan den zoon van eenen werkeliken keizer, koning of hertog. Ofschoon de mogelikheid bestaan blijft, dat deze namen wel eens in hunne eigenlike beteekenis bedoeld zijn, zoo zal toch in den regel dit woord keizer, koning, enz. wel als een bynaam voor den eenen of anderen burgerman gegolden hebben; zie § 119. Dit zelfde is ook het geval met zulke namen als Pasteure, Paaps, Papen en Pape (met Spapen en † Papinga), Bisschops, Proostens, Priesters, Munnicks, Munniksma enz. Niet dat ik wil beweren dat geestelike heeren geen zoons hadden. O! dit kwam in de middeleeuen volstrekt niet zeldzaam voor; de geschiedenis toont dat veelvuldig aan. Maar de woorden pasteur of pastoor, paap, monnik, enz. werden ook wel om d’een of andere reden, als bynamen gedragen door mannen die deze ambten geenszins bekleedden. Bottemanne (Bottemannen, de zoon van den botteman, van den botvisscher of botverkooper of botboer, gelijk men in Holland zeit?) is ook een byzondere naam tot deze afdeeling behoorende.
Geslachtsnamen, van beroepsnamen ontleend, met eene voorgevoegde s (des in den tweeden naamval geplaatst, op de wyze als in § 51 en 52 vermeld is) zijn de volgenden: ’S Hertogen en ’SHertoghen, ook samengetrokken tot Sertogen, de zoon van den hertog; Smeyers, de zoon van den meier; Smeysters, van den meyster of meester; Smessemaeckers—van den messemaker; Smoutmaeckers—van den moutmaker. De geslachtsnaam Moltmaker komt ook voor, als tegenhanger van Smoutmaeckers. Laatstgenoemde naam echter kan ook even goed zoon van den smoutmaker beteekenen (smout, Schmalz = gesmolten vet). Smeuninx, de zoon van den monnik; Smulders, Smeulders, Smolders, Smolenaars, Smoolenaers; dezen zijn duidelik genoeg. Snaeyers, de zoon van den naaier, zoo als men in vlaamsche gewesten den kleermaker wel noemt (zie bl. 76); Spapen, Spaepen, Spaapen, zoon van den paap, eene oude benaming voor een geestelik heer in ’t algemeen. Sroevers, zoon van den roover? Het enkele Roevers, nevens Rovers en De Roever, De Rover komt ook voor. Sweerts, zoon van den weert, den waard, den kastelein. Deze naam moet wel onderscheiden worden van Weerts (zie bl. 115) en van Sweers, het patronymikon van den mansvóórnaam Sweer, Sweder, Swither. Deze oud-germaansche mansvóórnaam beschoude men ook wel verkeerdelik als eene verkorting van den naam Ahasveros. En diensvolgens doopte men, in den pruiketijd, de kinderen die naar hun grootvader of oom of peet, Sweer moesten heeten, wel met dien prachtigen (?) bybelschen naam. Eindelik nog Swevers, de zoon van den wever, en ’S Heeren, de zoon van den heer.
De maagschapsnamen Sauwen, de zoon van den auwen, volgens brabantsche uitspraak in plaats van: de zoon van den ouden (man). Slangen en Slanghen, des langen (mans zoon), en Swalens des Walens (zoon), de zoon van den Waal, misschien ook Swildens, Zwildens en Swillens (des wilden mans zoon?)—ofschoon deze namen dan niet van beroeps- of waardigheidsnamen afgeleid zijn, moeten hier, om hunnen form, ook vermeld worden.
In de spelwyze van de geslachtsnamen ’S Graeuwen en ’S Graauwen is, even als in die van ’S Heeren, ’S Hertogen, ’S Jongers, de s met het afkappingsteeken (’S), als versleten overblijfsel van ’t oorspronkelike Des, bewaard gebleven. By de andere namen, die eveneens met dit des zijn samengesteld, wordt meestal die versletene form ’S onmiddellik, als gewone S, aan het hoofdwoord verbonden, en schrijft men, ten onrechte, Smulders Swolfs, enz. Zie ook Sgraeuwen, Sgraauwen en Sgrauen. Volgens de byzonder-hollandsche uitspraak luidt de letterverbinding sgr volkomen zóó als schr. Eerstgenoemde letterverbinding is even zoo ongewoon voor het lezend oog, als de laatstgenoemde gewoon is in de nederlandsche taal. Van daar dat eene maagschap, welke oorspronkelik dezen geslachtsnaam ’SGrauen droeg, haren naam thans als Schrauen spelt. De oorspronkelike beteekenis gaat door deze verkeerde spelwyze geheel verloren. By nog een paar andere geslachtsnamen is de oorspronkelike ’S G of Sg ook in Sch overgegaan. Te weten, by Schravemade (oorspronkelik ’s-Gravemade, des graven made, het hooi- of maailand van den graaf), by Van Schravesande en Van Schravendijk, die aan de plaatsnamen ’s-Gravesande en ’s-Gravendijk ontleend zijn. En tevens by Schoevaerts; zie bl. 142. Zoo kan men te Amsterdam wel op uithangbordjes lezen: »Hier stuurt men de wast op Schraveland”, waar de wasch, het waschgoed, en het gooische dorp ’s-Graveland bedoeld worden.
’S Graeuwen, enz. beteekent: des graauwen (zoon), de zoon van den grauen, van den grau- of grijsharigen man. Het onverbogene De Grauw, De Graeuwe, Den Graeuwe en De Graauwe komt ook als maagschapsnaam voor, zoo wel als De Grijs, De Gryze, Den Gryzen; zie § 126. ’S Graeuwen, vooral ’S Grauen zoude echter ook kunnen beduiden: des grauen, des graven (zoon), de zoon van den graaf. Zie bl. 76.89
Even als er slechts zeer weinig patronymikale maagschapsnamen zijn, die den nieusten tweeden-naamvalsform vertoonen, te weten dien met het voorzetsel van (zie bl. 148), zoo zijn er ook slechts een paar van de oneigenlike vadersnamen, die in deze afdeeling behandeld worden, welke dit zelfde kenmerk aanbieden. Het zijn de geslachtsnamen Van den Boer en Van Koster; dat is (de zoon) van den boer, en (de zoon) van den koster; of, in dit byzondere geval, misschien ook: (de zoon) van Koster, van den man die den beroepsnaam koster reeds als eigennaam voerde.
Ook onder de byzonder-friesche maagschapsnamen treffen wy eenigen van deze, aan beroepsnamen ontleende quasi-patronymikale formen aan. Dit zijn de geslachtsnamen Graafsma, Jagersma, Koksma, Kuipersma en Riddersma, en deze namen, de zoon van den graaf, van den jager, van den kok, enz. beteekenende, zijn duidelik genoeg. Bykersma is afgeleid van het friesche woord byker, ook ymker (zie § 153), het welk een man beteekent, die, om voordeelswille, byen of ymen, immen, houdt; de zoon van den byenhouder dus. Fabersma is een merkweerdige naam, wijl in dezen naam Latyn en Oud-friesch vereenigd zijn. Faber toch, als geslachtsnaam ook afsonderlik veelvuldig voorkomende, is het latynsche woord voor smid (men vergelyke hier den naam Leefsma op bl. 130). Turksma, de zoon van den turk, zekerlik van eenen man, die om de eene of andere reden den bynaam droeg van de turk, is een tegenhanger van Swalens (zie bl. 185) en van Vlaemynckx, Sassen, Frankema (zie § 69), enz. Munniksma, ook tot deze onder-afdeeling behoorende, is op bl. 166 en 184 reeds vermeld. Boersma en Boersema kunnen zoon van den boer beteekenen, en dus friesche tegenhangers zijn van den antwerpschen maagschapsnaam Van den Boer. Toch zou ik by dit patronymikon eerder aan eene afleiding van den mansnaam Boer, Bure denken. Van dezen mansvóórnaam zijn ook de geslachtsnamen Boerema, Boerma, Boering, Buursma, Buirsma, Buursema, Buirsema, Buiring, misschien ook Burema, Buurma, Buirema en Buirma ontleend; zie bl. 79.
Men vergelyke deze groep van geslachtsnamen met die welke in § 108–121 behandeld zijn.
§ 65. De tweede groep van quasi-patronymikale geslachtsnamen op bl. 182 aangeduid, bestaat uit allerlei namen en woorden in den tweeden naamval. Het getal dezer eenigszins onregelmatig geformde namen is niet gering. Vooral in de zuidelike Nederlanden zijn zy algemeen—veel meer dan in het Noorden. De woorden en namen die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, loopen wat hunnen aard en oorsprong betreft, wijd uiteen. De eenigste overeenstemming die er tusschen deze geslachtsnamen onderling bestaat, is deze: dat zy allen in den tweeden naamval, op s, staan; en dat de woorden en namen die er aan ten grondslag liggen, oorspronkelik als by- of toenamen van bepaalde personen gegolden hebben, of ook reeds op zich zelven geslachtsnamen geweest zijn. Iemand b. v. die bekend was om zyne veerdigheid in het zwemmen, kreeg allicht den bynaam van »Snoek”; een ander die gewoonlik snel liep, dien van »Kieviet”. De bynaam van eenen derde was »Meulendijk” omdat hy aan den Molendijk, aan of op eenen dijk by eenen molen woonde; die van eenen vierde was »Roô-Leeuw”, omdat hy in een huis woonde, waar »De roode leeuw” in den gevel stond. Die by- of toenamen van de vaders, dikwijls de eenigste namen waaronder zy by hunne tijd- en plaatsgenooten bekend waren, gingen dan soms op hunne zoons over. Jan Snoeks, Piet Kieviets, Klaas Meulendijks, Hein Rooleeuws, zoo werden deze jongelieden genoemd, by verkorting, in plaats van Jan Snoeks zoon, Hein Roô-Leeuws zoon of Jan, de zoon van Snoek,—Hein, de zoon van Roô-Leeuw, gelijk bedoeld en verstaan werd. En had een vader reeds eenen vasten toenaam of geslachtsnaam, waar by hy, te recht, ook steeds genoemd werd, dan nog ging die naam wel, niet rechtstreeks en op zich zelven, zoo als de regel was en nog steeds is, op den zoon over, maar middellik, door er weêr een schijnbaar patronymikon van te maken, door dien naam in den tweeden naamval te plaatsen. Asselbergh b. v. en Bruylant zijn geslachtsnamen die, reeds van ouds, de eerste aan een geslacht te Antwerpen, de andere aan eene maagschap te Brussel eigen zijn. Maar nevens deze namen komen in beide steden ook de geslachtsnamen Asselbergs, en Bruylants en Bruylandts voor. Deze laatste namen moet men beschouen als patronymika van de eersten. Zy zijn ontstaan door dat men den zoon van iemand, die den vasten geslachtsnaam Asselberg of Bruylant droeg, b. v. Karel Asselbergs noemde, of Ferdinand Bruylants, dat is Karel, Asselbergh’s zoon,—Karel, de zoon van Asselbergh, enz.
Van het groote getal dezer minder belangryke geslachtsnamen kunnen hier slechts enkelen genoemd worden. Zy vereischen geenen naderen uitleg. Min belangrijk zijn deze namen, in zoo verre, als zy slechts tweede naamvalsformen zijn van woorden of namen, die overigens op zich zelven genomen, belangrijk genoeg kunnen wezen. Zie hier eenige voorbeelden: Boogaerts, Brabants en Hollants, Couwenberghs90. Het grootste deel dezer namen, zoo niet allen, komt ook op zich zelven voor—Boogaert, Brabant, Couwenbergh, gelijk de aard dezer zake meêbrengt.