§ 66. Iemand verliet zijn vaderland, waar hy steeds gewoond had, en vestigde zich in een ander land; namelik in het onze. Hier was hy dus vreemdeling, en die vreemdelingschap was het juist, welke byzonder de opmerkzaamheid trok van de lieden in zyne nieue omgeving. Zeer natuurlik dus dat men dien vreemdeling, in zyne nieue woonplaats, al spoedig ging noemen met zynen volksnaam, met den naam van het volk waar toe hy oorspronkelik behoorde. En dit zoo veel te eerder nog, naar mate die vreemdeling eenen eigenen naam had, het zy dan vóór- of geslachtsnaam, die aan zyne nieue buren, land- of plaatsgenooten onbekend was, of die hun moeielik viel om uit te spreken, en dus ook om te onthouden. Eerlang dan was de man in zyne nieue woonplaats niet anders bekend, dan onder den naam van De Waal, Spanjaard, Den Engelschman, of van eenen soortgelyken, al naar dat hy een Waal, een Spanjaard, een Engelschman of iets anders was. En onder zulken naam werd onze vreemdeling al spoedig zoo algemeen bekend, dat die oorspronkelike bynaam hem werkelik als een vaste toenaam eigen bleef, dat die zelfde naam by verloop van tijd, een ware geslachtsnaam werd voor hem, zoowel als voor zyne kinderen en nakomelingen na hem. En dit nog zoo veel te gereeder, als in deze en soortgelyke namen, ofschoon het dan oorspronkelik bynamen zijn, voor den drager niets onteerends ligt. In tegendeel! Men kan zelfs aannemen dat menig vreemdeling het niet ongeerne hoorde, als hy met zynen volksnaam genoemd werd, wijl dit voor hem eene dageliksche, eene gestadige herinnering was aan zijn vaderland, dat hy misschien noode verlaten had, en waaraan hy zich, zijn leven lang, in liefde en trou verbonden bleef gevoelen.

Reeds van ouds hebben zich in de Nederlanden steeds vele vreemdelingen met der woon gevestigd. Om tweederlei redenen. Te weten: om den bloeienden handel die in deze gewesten gedreven werd, om den met recht gevoerden naam van welvaart en rijkdom, die menig jongman uit de aangrenzende minder bevoordeelde landen, vol hoop hier heen deed komen, gelijk dit trouens nog heden steeds plaats vindt. En dan ook om de vryheid van geweten die sedert de kerkherforming hier meer dan in andere landen van het beschaafde Europa heerschte, vooral voor Calvinisten uit andere protestantsche landen verdreven, en voor andere Herformden ook, uit roomsche landen verjaagd. En zoo is het zeer natuurlik dat de namen van volken juist in de Nederlanden zoo veelvuldig als geslachtsnamen voorkomen.

§ 67. De volgende geslachtsnamen, aan namen van volken ontleend, heb ik in de Nederlanden gevonden.

Duitscher en Den Duits of Denduits met Duytsche en Den Duytsen, ook op hoogduitsche wyze als Deutscher en Deutschmann geschreven. Deze namen, weinig in getal, zijn buitendien nog zeldzaam. Dit moet wel eenige verwondering baren, als men bedenkt dat het, van alle vreemdelingen, juist Duitschers zijn, die zich het allertalrijkst in de Nederlanden gevestigd hebben. Maar de Nederlanders hadden gewoonlik weinig reden om dien volksnaam te geven aan de Duitschers, die onder hen kwamen wonen. Ten eersten, omdat de namen dezer Duitschers, zoo wel hunne vóór- als geslachtsnamen, weinig van de onzen afwyken, in den regel daar mede nau verwant zijn, en dus voor ons volk verstaanbaar en gemakkelik te onthouden en te gebruiken. Ten tweeden, omdat men, zoo al niet in Holland en Vlaanderen, dan toch in onze oostelike gewesten, de Duitschers eigenlik weinig als vreemdelingen beschoude, vooral niet als zy uit de aangrenzende westelike streken van Duitschland, uit Westfalen en Neder-Rijnland kwamen, gelijk meestal het geval was. Oost-Friesen, Bentheimers, enz. beschoude men in het geheel niet als Duitschers. Het gevoel van stamverwantschap tusschen d’ oostelike Nederlanders en de westelike Duitschers sprak dan ook, tot diep in deze eeu nog, veel te luid om in Duitschers zulke vreemdelingen te zien als b. v. in Franschen of Polen. Men noemde ook de eigene nederlandsche taal, ’t zy dan geldersch of brabantsch of hollandsch, algemeen, en zeer te recht, nog nederduitsch, zelfs wel duitsch slechtweg. Ja, in Holland zelf deed men dit nog wel in de 17de en 18de eeu.

»Wij spreken immers altemaal,

Oprechte, zuiv’re duitsche taal.”

gelijk Langendijk in een zyner blyspelen eenen Hollander laat zeggen. En Hugo de Groot spreekt ook van zyne »duytsche moedertale,” ofschoon hy een echte Hollander was, en van Delft geboortig. Zoo noemde de nederlandsche volksmond den Hoog-duitschers dan veelal Bovenlanders, in tegenstelling van den eigenen naam Nederlanders, als om twee onderdeelen van eenen en den zelfden volksstam aan te duiden. En deze benaming is by ons volk heden nog wel in gebruik. Eindelik nog is de verdeeldheid der Duitschers, in verschillende volksstammen, die, vroeger meer dan thans, daar te boven ook nog staatkundig verdeeld waren, oorzaak dat de algemeene naam Duitscher weinig als maagschapsnaam by ons volk voorkomt. In plaats daar van hebben wy de geslachtsnamen De Swaef en De Swaaf, met Swaap en Zwaap. Deze twee laatste namen zijn slechts kwade verdietschingen van den hoogduitschen naam Schwab, die ook in Nederland voorkomt. Slechts de twee eerste namen zijn goed-nederlandsch. Verder De Hes, Hes en Hesse; Veling en Velinger met Westfaal en Westphal. De form Veling (beter ware Feling) is de eenige zuiver-nederlandsche van de vier laatstvermelde namen. Nog heden noemt men in onze friesche en friso-saksische gewesten eenen inboorling van Westfalen met dezen naam. De form Velinger, die ook wel gebruikt wordt om eenen »(West-)Faling” aan te duiden, is minder oorspronkelik. Westfaal is verhollandscht van den hoogduitschen form Westphal, die nog, uit den pruiketijd, eene ph in plaats van f vertoont. Munsterlander is iemand uit Munsterland, dat is de westelikste westfaalsche gou die zich langs onze grenzen uitstrekt. Saks, Sax, Sachs en Sachse; de oude, goed-nederlandsche, meest oud-hollandsche form van dezen volksnaam, Sas, is my als maagschapsnaam nooit voorgekomen. Verder De Beyer, Beyer, Beyerman, Bayer en Bayermann. Beyerman kan echter ook beteekenen: iemand die beiert, dat is: de torenklokken op eene byzondere wyze luidt of doet klinken. Frank, met de (hoogduitsche) verkleinformen Fränkel, Frenkel, iemand uit Franken of Frankenland, eene landstreek in Duitschland, in noordelik Beieren. Echter is Frank, met Franke, ook een mansvóórnaam en by ons volk, vooral by de Friesen, niet zeldzaam in gebruik. De maagschapsnaam Frank kan dus in sommige gevallen oorspronkelik ook wel eenvoudig die mansnaam zijn; zie § 69.

Of de maagschapsnamen Duyts, Duits, Duitsch, ook in hoogduitsche spelling als Deutz hier te lande voorkomende, ook te dezer plaatste vermeld dienen te worden, moet ik in het midden laten. Het kunnen ook patronymika zijn (vooral de twee eerstvermelden) van eenen ouden mansvóórnaam Duut, Duyt, Duit, Teut, Teuto. Of wel, Duyts, enz. is eenvoudig de in spelling verdietschte naam van het stadje Deutz aan den Rijn, tegenover Keulen. Misschien is de nederlandsche maagschapsnaam Lalleman eene verdietsching van het fransche L’ Allemand; anders althans is my deze naam onverklaarbaar. In dat geval dient hy te dezer plaatse vermeld te worden. Hy is dan zeker over en uit Frankrijk tot ons gekomen.

Als men den maagschapsnaam Stadlander beschout als aanduidende een man die in Stadland t’ huis behoort, van daar herkomstig is, dan behoort hy zeker op deze plaats te worden genoemd. Immers het Stadland is eene oud-friesche gou in noord-westelik Duitschland, aan den oever der Weser, beneden Bremen.

In de vorige eeu echter, spelende met de beteekenis der woorden stad en land, gaf men dezen naam Stadlander wel aan huizen, buitentjes, optrekjes, herbergen of uitspanningsplaatsen, die wel op het land, ten platten lande, gelegen waren, maar toch in de nabyheid eener stad. Tot in deze eeu was er nog eene uitspanningsplaats, de Stadlander met name, in de nabyheid van Amsterdam. En zoo kan de maagschapsnaam Stadlander ook eenvoudig aan zulk eenen huis- of plaatsnaam ontleend zijn. Maar in jaargang 1846 van den Groninger Volksalmanak vindt men op bl. 146 nog eenen anderen oorsprong vermeld van dezen geslachtsnaam. Daar is er sprake van eene maagschap, die, vroeger in »de stad” (d. i. Groningen) wonende, in lateren tijd naar »het land” verhuisde, en om deze reden dien naam Stadlander zoude aangenomen hebben.

Engelsman, Den Engelsman, Engelschman, Den Engelse, Engelander en Britt. Ook deze maagschapsnamen komen zeldzaam voor in de Nederlanden. Trouens, in vergelyking met andere volken, met Duitschers en Franschen vooral, hebben er zich ook nooit veel Engelschen blyvend onder ons neêrgezet. Immers vryheid van geweten, met welvaart door handel en scheepvaart veroorzaakt, door welke begeerlike zaken zoo vele vreemdelingen bewogen werden zich in de Nederlanden te vestigen—dat hadden de Engelschen in hun eigen land ook, zoo wel als wy.

Schot, Schott, Schotsman en ook als patronymikon, in den tweeden-naamval, Schotsmans. De overeenkomst, in de 17de en 18de eeu, tusschen de schotsche kerk en de noord-nederlandsche, beiden van streng calvinistische richting, was oorzaak dat er in die eeuen tusschen Schotten en Nederlanders nog al talryke betrekkingen bestonden, en dat menige Schot onder ons kwam wonen. Van daar bovengenoemde namen, en van daar ook de betrekkelike menigvuldigheid van byzonder-schotsche geslachtsnamen (Mac-Donald, Mackenzie, Mackay) in de Nederlanden; zie § 164. Maar de roomschgezinde Ieren hadden veel minder, of ook in het geheel geene aanleiding om naar de Nederlanden te trekken. En zoo is een maagschapsnaam »Ier” of »De Ier” my dan ook nooit onder ons volk voorgekomen.

Skandinaviers in ’t algemeen, maar vooral Noren en Denen, hebben steeds met de Nederlanders talryke betrekkingen, door handel en zeevaart in het leven geroepen, onderhouden. Er hebben zich steeds veel Noren en Denen in Nederland gevestigd (meer dan men in ’t algemeen wel denkt); en zulks geschiedt nog dageliks. Van daar de geslachtsnamen Zweed en Sweed, Noorman, Norman, Noorlander, Deen, Den Dene en Jut. Toch zijn deze namen in geenen deele zoo talrijk als men wel zoude moeten denken, de vele Skandinaviers, die zich onder ons hebben neêrgezet, in aanmerking genomen. Dit vindt zyne oorzaak in d’ omstandigheid dat de maagschapsnamen, hooftsakelik patronymika in algemeen-germaansche formen, welke deze vreemdelingen dragen, in den regel weinig verschillen van onze eigene nederlandsche geslachtsnamen, en dus door ons volk gemakkelik worden uitgesproken en onthouden. Ook is my een geval bekend dat een Deen die in Holland zich met der woon neêrzette, zynen deenschen naam in het Hollandsch vertaalde, gelijk in § 104 nader vermeld is. Maar de maagschapsnaam Jut behoort geenszins tot de zeldzaam voorkomenden. Toch is Jutland maar een klein land en zijn er weinig Jutten. Maar de Noord-Friesen, vooral die van de eilanden en halligen, die in de 17de en 18de eeu als bekwame en vertroude, dies zeer begeerde zeelui veelvuldig dienden op onze koopvaardy- en visschersvloot, gelijk ook nog wel heden ten dage, waren toen in Noord-Nederland veelal bekend onder den naam van Jutten, en stonden, onder dien volksnaam, op de monsterrol vermeld. Echter komt deze volksnaam hun geenszins toe, naardien de Noord-Friesen echte Friesen zijn, zoo goed als de beste Stand-Friesen in Oost- of West-Friesland. Maar hun land werd vroeger gedeeltelik tot Jutland gerekend; en zoo ontstond die verkeerde benaming.

In West-Vlaanderen is de maagschapsnaam Daenekindt inheemsch. Het komt my niet onwaarschijnlik voor dat deze naam moet worden verklaard als het kind (de zoon) van den Deen, van den man die een Deen was. Als eene zeer byzondere soort van patronymikon zoude deze naam dan moeten worden geduid, en een tegenhanger dan zijn van den waren vadersnaam Daeninck, ook Daeninckx, die ook als maagschapsnaam in Vlaanderen inheemsch is. Het schijnt in der daad, dat na de invallen der skandinaafsche Vikingen, eenige Denen achter gebleven zijn in het toen reeds bloeiende Vlaanderen. In de 16de eeu vinden wy te Brugge den geslachtsnaam Den Dene. Ook de geslachtsnamen Daane, Daene, Danen, met het hoogduitsche Daehne, zoude men eveneens hier toe kunnen brengen. Intusschen vermeldt Förstemann in zijn Altdeutsches Namenbuch eenen oud-germaanschen mansvóórnaam Dano (toch ook in de beteekenis van den volksnaam Deen). Het is dus evenzeer mogelik dat deze vlaamsche patronymika aan dien mansnaam hunnen oorsprong danken.

De maagschapsnamen Zwitser, Zwitzer, De Zwitser, ook in tweeden naamvalsform Zwitzers, met Switsar, Zweitzer en Schweitzer, vereischen geene nadere verklaring.

Gaan wy thans tot de geslachtsnamen over die aan de namen van romaansche volken ontleend zijn, dan noemen wy in de eerste plaats de namen:

Franschman, Fransman, Frantzmann (zekerlik over Duitschland tot ons gekomen), met Francois, Le Francois en Gallois, en den weêr uit het Fransch in nederlandsche spelling verbasterden form Franswa. Francois kan zoo wel oorspronkelik de bekende mansnaam zijn, als de volksnaam. Franco, in vreemden form, en De Franc wil ik hier liever als verscheidenheden van Franschman rekenen, dan ze tot Frank (uit Frankenland; zie bl. 192) te brengen.

Normand duidt iemand aan uit het fransche gewest Normandye, en Picard iemand uit Picardye. Deze laatste naam komt ook nog al talrijk voor onder de formen Piccardt, Piccaerdt, Pikaar en Pickhardt, ten bewyze (of men het anders ook al niet en wiste) dat oudtijds inwoners van Picardye zich veelvuldig in de Nederlanden hebben gevestigd. En dit is ook in der daad het geval, vooral in Vlaanderen en Brabant. Trouens, de Picardiërs zijn de naaste buren van de fransche Vlamingen, en de picardische gouspraak is met menig oud-nederlandsch woord nog heden vermengd.

Talrijk zijn ook in de Nederlanden de geslachtsnamen De Waal, De Wael, De Waele, Waal, De Walsche, ook in hoogduitschen form Wahle. Maar talrijk ook hebben de Walen, vooral uit Luik en omstreken, de zoogenoemde Luiker-Walen, zich onder ons neêrgezet, vooral als regenschermkooplui, stroohoedenvlechters, oudtijds ook als rarekijk- en tooverlanteernvertooners, enz. My heugt nog uit myne prille jeugd, hoe een Waal, met eene tooverlanteern op zynen rug, ’s avonds door de straten van myne vaderstad Leeuwarden liep te schreeuen: »tòverlantern! frai, curieus en moi!” En andere Walen liepen toen nog, langzaam stappende, en met eenen grooten blikken trommel op den rug, door steden en dorpen, hunne waar, die in fyne manufacturen, vooral shawls en kanten bestond, onder het geschreeu van »doek-madras!” ventende. Van die lieden hebben velen zich blyvend onder ons gevestigd; zie § 164.

De namen Spanjaard, Spanjaerdt en Spanjer (ook in de fransche en hoogduitsche formen Espagniol en Spanier by ons voorkomende), Portegies, Italiaander, Lombard, Lombaerdt en Wallach vereischen weinig nadere verklaring. In de nederlandsche volkstaal gebruikt men gewoonlik den form Italiaander, overeenkomende met het hoogduitsche Italiäner, voor het meer boeksche Italiaan. En Portegies, in plaats van Portugees, was oudtijds de gewone volksuitspraak van dit woord, die ook thans nog van onze zeelui, vooral van die van frieschen stam, gehoord wordt. De geslachtsnamen Lombard, De Lombaerde, De Lombaert duiden iemand aan uit Lombardye; terwijl Wallach iemand uit Wallachye beduidt. Deze laatste naam komt ook als Wallich en Walch voor. Hoe zonderling het schyne, moet ik hier den geslachtsnaam Bloch vermelden, als oorspronkelik geheel het zelfde woord zijnde als Wallach. Namelik, in zoo verre de geslachtsnaam Bloch door duitsch-israëlitische geslachten gedragen wordt. Immers het woord Wallach = Wallachyer wordt in de joodsch-duitsche mengeltaal die in geheel oostelik Europa onder de daar zoo talryke Israëliten in gebruik is, als bloch uitgesproken; walch, wolch, wloch, bloch, de overgang is geleidelik. Ook de Saksen in Zevenburgen noemen den Wallachyer of Rumenier: Bloch. Een volksrijmke by dat volk in gebruik, begint alzoo: »Der Onger, Bloch uch der Zigu” dat is: De Hongaar, Wallach en de Zigeuner1. In Wallachye wonen zeer vele Israëliten, en velen van hen hebben hun land verlaten, steeds westwaarts trekkende naar Duitschland en Nederland. Zoo hebben zy den naam van hunnen landaard—Wallach en Bloch—naar die landen gebracht, en komen deze woorden nu hier als geslachtsnamen voor. De geslachtsnamen Blog en Blok, voor zoo verre ze door Israëliten worden gedragen, behooren ook hier toe. Blog is eene misspelling van Bloch, en Blok is eene vernederduitsching daarvan, in overeenstemming met woorden als ich, fluch, machen, enz., in het Nederduitsch ik, vloek, maken; dies ook Bloch = Blok.

Nederlandsche geslachtsnamen, die oorspronkelik namen zijn van Slavische of andere volken, zijn nog de volgenden:

Rus en Rusman met Moscoviter, Pool en Polak, ook Pohl en Polack. Joden, uit Polen verdreven, of door de welvaart van ons vaderland aangelokt, hebben zich sedert de zeventiende eeu, in aanmerkeliken getale, in de Nederlanden gevestigd. Van daar dat de naam Polak hier zoo veelvuldig door israëlitische geslachten gedragen wordt. In Friesland echter is my ook een christelik geslacht, niet van joodsche afkomst, van dien naam bekend. Of Poolman (met Pohlmann) ook hier toe behoort, schijnt my minst genomen twyfelachtig. Deze naam beschou ik liever als een hoogduitsche form van het nederduitsche Poelman—afgeleid van poel, moeras.—By den Rus behoort ook nog de man wiens landaard wordt aangeduid door den geslachtsnaam Courlander. De geslachtsnamen Bosnak, iemand uit Bosnie, Griek en DeGrieck, en Slowack, iemand uit Slavonie, eischen geenen naderen uitleg.

De naam Oostinjer zal waarschijnlik wel eerst gedragen zijn door iemand die langen tijd in Oost-Indie gewoond had—niet door eenen Javaan, Maleier of anderen Oostindier. De namen De Jode, De Joode, De Jeude en De Jude moeten hier ter plaatse ook genoemd worden, benevens Turk, Turcq, De Turck, en Den Turck, en Moor, De Moor—met Mohr. Dat deze laatste namen eerst gevoerd zijn door lieden die werkelik Turken en Mooren waren, welke zich in de Nederlanden vestigden, schijnt my niet aannemelik, ofschoon het niet onmogelik is. Maar liever wil ik aannemen dat deze namen aan uithangborden of huisnamen ontleend zijn. Huizen, die »de Turk” of »de Moor” heetten, of uithangborden, vooral by tabakshandelaars, waar »de rookende Turk” of »de rookende Moor” op stonden afgebeeld, waren er oudtijds in alle nederlandsche steden. En zy zijn er nog wel. Of de namen Moorman en Mohrmann hier ook behooren, betwyfel ik. Wel noemde men oudtijds eenen Moor ook wel een Moorman (de Statenvertaling des bybels levert daarvan een voorbeeld op.)2 Toch komt het my waarschijnliker voor dat Moorman eenvoudig moerman of veenman beteekent, iemand in de moeren, moerassen of venen wonende, of van daar afkomstig. Zulke moeren noemt men langs onze oostelike grenzen mooren; men herinnere zich ook de oostfriesche dorpsnamen Stapelmoor, Breinermoor, Neermoor, enz., en Moormerland, eene veenryke gou in dat gewest. De namen Moerman en Veenman komen ook als nederlandsche geslachtsnamen voor.

Van de namen van oude, verdwenene volken, natuurlik niet rechtstreeks afkomstig, zijn de geslachtsnamen Romein, Romeyn en Romijn, met den hoogduitschen form Römer, en waarschijnlik ook Romer en Romar—en Batavier. Romein zal oorspronkelik wel meest een huisnaam of een uithangteeken geweest zijn. Römer, Romer en Romar kunnen ook afslytingen zijn van den oud-germaanschen mansvóórnaam Rodmar, Rodmer, die nog heden in Friesland in gebruik is. En ook evenzeer kunnen zy de byzondere naam van een drinkglas wezen, als romer nog heden in Friesland in volle gebruik.

Eindelik, als aanhangsel van deze groep van geslachtsnamen, moeten hier nog vermeld worden de geslachtsnamen Oosterling, Oosterlynck en Den Oosterlingh, met Westerlinck en De Westelinck, en misschien ook met Westerman en Ostermann.

Zonderling genoeg komt de naam van ons eigen volk hier te lande in hoogduitschen form als geslachtsnaam voor; te weten als Niederländer. Maar hoogst waarschijnlik heeft men hier niet te denken aan eenen Nederlander in onzen zin. De naam zal wel afgeleid zijn van eene der vele duitsche landstreken die het »Niederland” genoemd worden, in tegenstelling met eene naburige bergstreek of »Oberland.”

In Vlaanderen komt de geslachtsnaam Stragier voor, die almede in deze afdeeling vermeld moet worden. Deze naam beteekent vreemdeling. Stragier is een oud-vlaamsch bastaardwoord, dat met het fransche étranger en het engelsche stranger den zelfden oorsprong heeft.3 De weêrga van dezen naam »vreemdeling” is de geslachtsnaam Landsaat, ook in misspelling als Landzaad voorkomende.

§ 68. Maar niet slechts van de namen van vreemde volken zijn er nederlandsche geslachtsnamen afgeleid; ook de namen van inlandsche volksstammen en volksafdeelingen komen wel als zoodanig voor. Onder dezen treffen wy in de eerste plaats den geslachtsnaam De Vries aan, met De Fries, De Vriese, De Friese, Friese, Frese, De Vreeze, Vriesman, Vrieseman, Freseman en Vrieslander. De naam De Vries komt in de meeste nederlandsche gewesten talrijk voor; het is in der daad een der algemeenste nederlandsche geslachtsnamen. Aanleiding hier toe heeft gegeven de omstandigheid, dat de Friesen, hoewel in den regel sterk aan hun vaderland gehecht, toch veelvuldig in andere nederlandsche gewesten zich met der woon gevestigd hebben. Friesland was voor de Nederlanden steeds eene mildvloeiende »lüdeborn” eene ware »vagina gentium”. En het is dit nog heden. En daar komt nog by de omstandigheid dat de Friesen hunne eigenaardigheden in hunne eigene uitspraak, kleeding, zeden, enz. steeds behouden, ook al wonen zy jaren en jaren in den vreemde, zoodat men hen steeds gemakkelik als Friesen onderkent. Zonderling echter is het dat juist in de friesche gewesten zelven, en niet het minst in de hedendaagsche nederlandsche provincie Friesland, die naam De Vries zoo byzonder veel voorkomt. Zoo lang immers een Fries in Friesland woont, bestaat er geene reden om hem door dien toenaam byzonder van anderen te onderscheiden. Stammen de lieden die in Friesland wonen en De Vries heeten, dan allen af van voorvaders, die zich vroeger in Holland of ergens elders buiten Friesland vestigden, en daar dien naam van hunne omgeving ontvingen? Die later weêr naar hun oud vaderland terug keerden, en toen dien naam, ofschoon hy hier onder hunne eigene volksgenooten geen de minste reden van bestaan meer had, toch als een vaste geslachtsnaam behielden? Het schijnt vreemd. Toch kan ik het anders niet verklaren. Ook onder de nederlandsche Joden komt deze geslachtsnaam geenszins zeldzaam voor; werkelik zoo veelvuldig, dat er eene byzondere reden voor bestaan moet. Nu is het wel waar dat de friesche volksaard zeer sterk spreekt, zóó sterk dat ook de Joden in Friesland zich aan den infloed daarvan niet kunnen onttrekken—dat ook zy door spraak, kleeding en andere zaken als bepaaldelik friesche Joden zich onderscheiden van de Israëliten in andere nederlandsche gewesten. Maar of dit voldoende is om den oorsprong van al die geslachtsnamen De Vries, by dikwijls in het geheel niet verwante israëlitische geslachten voorkomende, te verklaren, moet ik in het midden laten. De naam De Vries schijnt werkelik byzonder in den smaak gevallen te zijn by sommige lieden, die zich in het begin dezer eeu eenen geslachtsnaam kiezen moesten, zoo dat eenigen dezen naam maar aannamen, zonder daar byzondere reden voor te hebben, of zonder juist van frieschen oorsprong te zijn. My althans verhaalde een geloofweerdig man, dat zijn grootvader in 1811 dien naam De Vries maar had aangenomen om dat hy toch eenen maagschapsnaam hebben moest, en de eene naam, naar zyne meening, zoo goed was als de andere, en deze naam hem nu juist, zonder byzondere reden, behaagde. Een joodsch geslacht voert dezen naam zelfs in den zonderlingen form Vrieslander. Ook onder de Oost-Friesen is de naam De Vries geenszins zeldzaam, terwijl hy ook als Friese en Frese in Duitschland, als Frison te Antwerpen voorkomt. In de zuidelike Nederlanden, bepaaldelik in West-Vlaanderen komt de geslachtsnaam De Vriese, De Vries almede tamelik veelvuldig voor. Geleerden zijn van oordeel, dat een deel van het vlaamsche volk, langs de zeekust gezeten en in de lage landen daaraan palende, van frieschen oorsprong zy. En zy verklaren op deze wyze het voorkomen van dezen maagschapsnaam onder de hedendaagsche Vlamingen. Er is veel, dat sterk voor deze zienswyze pleit.4

De geslachtsnamen Drent en Drenth, Geldersman en Gelderlander, zekerlik ook Gelderman en het patronymikale Geldermans; verder Hollander, De Hollander, Den Hollander, D’Hollander, Zeeuw, De Zeeuw, De Seeuw, Zeelander en Zélander (sic), Vlaming, Vlamingh, Vlaemynck, De Vlaming, De Vlamingh, De Vlaemingh, Fleminck, Vlemynck, De Vleminck, (ook in den tweeden naamval en als patronymika Fleminckx, Vlemynckx, Vlemincks); dan nog De Brabander, Brabänder, Brabänter en De Brabandere eischen geene nadere verklaring, evenmin als Twent (iemand uit Twente), Bilkert, het friesche woord voor iemand afkomstig uit de grieteny het Bilt in Friesland,—Gooyer en Goyjer (iemand uit het Gooiland), en De Kempenaer, Kempenaar, Kempeneer, De Kempenaire, De Kempeneir, Kempenaers, Kempenaars en Kempeneers, de naam der bewoners van de Kempen, eene landstreek in oostelik Brabant.

Van onze eilandbewoners zijn de namen Schellinger, Vlielander, Tesselaar, Schokker en Bevelander afkomstig. Ook Juister, van ’t oostfriesche eiland Juist.

§ 69. Wellicht behooren sommige patronymika, als geslachtsnamen voorkomende, b. v. Friesinga, Sassink, Frankema, Beyerinck en Beyering, Swavink, Daeninck (zie bl. 194), ook tot deze groep van namen, aan de namen van volken ontleend. Maar wijl de namen Fries, Saks, Frank, Beier, Swaaf, Dano, die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, zoo wel mansvoornamen zijn als volksnamen, zoo is het twyfelachtig of men hier met het eene te doen heeft of met het andere. Deze geslachtsnamen komen vooral onder de Friesen voor. Behalven de bovengenoemden, die ook onder de formen Fresinga, Friesenga, Vriesinga, Vriesenga, Fresing (met latynschen uitgang Fresenius), en Sassinga met Sassing voorkomen, zijn my nog de volgenden bekend, die allen van gelyken oorsprong zijn: Frisia (saamgetrokken uit Frisinga), Frezema, Friesema, Vriesema, Friesma, Fresena (zie § 46); Frankena, Franckena, Francken, Franken (Vrancken komt ook voor), Frenken; Saxema, Sassema, Sasma, Sassen; Daenen, enz. Zooals op vele voorgaande bladzyden kan worden nageslagen, beteekenen deze namen allen: afstammeling of zoon van eenen Fries, eenen Saks, eenen Frank, eenen Beier, eenen Swaaf, eenen Deen, of van mannen die eenen dezer namen (Friso, Saxo, Frank), als vóórnaam droegen.

Eenige geslachtsnamen wil ik hier nog vermelden, die wel niet rechtstreeks tot bovenstaande namengroepen behooren, maar die toch beschoud kunnen worden, een toevoechsel tot die groepen uit te maken. In de eerste plaats behoort dan tot deze namen de geslachtsnaam Provinciael, waar ik den geslachtsnaam Van Hoofdstadt aan den eenen kant, en de maagschapsnamen Steeman en Stheeman aan den anderen kant tegen over stel. Zoo ook, als tegenhangers, de namen Van der Stad en Van Dorp, die al mede den zelfden zin hebben. Eindelik nog de geslachtsnaam Eilander. Nadere verklaring eischen dezen namen niet. Het zijn, als ’t ware, ook algemeene aardrijkskundige namen (zie § 94), wijl men niet weten kan uit welke provincie, uit welke hoofdstad, uit welke stad en welk dorp, of van welk eiland de eerste dragers dier namen afkomstig waren.

§ 70. Even als de namen van landen en gouen, zoo zijn ook van de namen van steden en dorpen geslachtsnamen gemaakt, en wel juist op de zelfde wyze als boven vermeld is in § 66. Het ligt in den aard der zaak dat zulke namen meest van nederlandsche stads- en dorpsnamen ontleend zijn, naar dien de namen der buitenlandsche plaatsen aan onze spraakmakende gemeente, die deze namen het eerst in gebruik nam, meestal weinig bekend waren. Of iemand uit Darmstad of uit Kassel in de Nederlanden kwam wonen, was voor ons volk zoo tamelik het zelfde. Dat volk immers zag in dien man geen Darmsteder of Kasselaar, maar in ’t algemeen eenen Duitscher, of hoogstens eenen Hes. Men noemde hem dus naar zynen volksnaam, en niet naar den naam zyner geboortestad. Maar iets anders was het, of iemand uit de eene nederlandsche plaats in de andere ging wonen; als b. v. iemand uit Zwolle en iemand uit Leiden beiden zich te Amsterdam vestigden. Want de Amsterdammers merkten natuurlik wel degelik onderscheid tusschen den man uit Zwolle en dien uit Leiden. En dies noemden zy wel degelik den eenen Zwolsman, den anderen Leyenaar, welke toe- of bynamen later vaste geslachtsnamen geworden zijn, en als zoodanig nog onder ons bestaan.

Toch vinden wy nog wel eenige geslachtsnamen, die aan de namen van buitenlandsche plaatsen, op de wyze der volksnamen ontleend zijn. Maar, voor zoo verre dit oorspronkelik nederlandsche geslachtsnamen zijn, en niet uit Duitschland tot ons overgekomen, zoo zijn zy toch meest afkomstig van de namen van steden, niet verre van onze grenzen gelegen, en die by ons volk, reeds van ouds her, genoegzaam bekend waren, b. v. Guliker en De Guliker, Munsterman, Oldenburger,5 enz., van de steden Gulik, Munster en Oldenburg. De volgende geslachtsnamen zijn nog ontleend aan de namen van verder afgelegene, of minder bekende plaatsen: Altorfer (van Altorf, eene stad in Zwitserland), Augsburger (van Augsburg, stad in Zwaben, Beieren), Berliner, Binger (van Bingen, stad in Rijn-Pruissen), enz.6 Deze soort van namen is in Duitschland veel talryker dan in Nederland, en vooral ook onder de duitsche Joden in zwang. Van daar dat zy ook in de Nederlanden veelal voorkomen by israëlitische geslachten, uit Duitschland herkomstig. En tevens dat sommigen, door de wyze waarop zy geschreven worden, nog duidelik hunnen hoogduitschen oorsprong vertoonen; b. v. Darmstädter.

De geslachtsnamen die niet van vreemde, maar van nederlandsche plaatsnamen, op deze wyze geformd zijn, behooren geenszins tot de meest voorkomenden. Immers worden in Nederland de namen van inlandsche plaatsen veel meer tot geslachtsnamen gemaakt door voorvoeging van het woordje van. Behalven Zwolsman en Leyenaar, hier boven reeds genoemd, zijn my nog bekend: Bruggeling (een ingezetene van de vlaamsche hoofdstad Brugge), Oostburger (van het stedeke Oostburg in Zeeusch-Vlaanderen)7, enz. De geslachtsnamen Opzoomer, Opzomer en Opsomer behooren aan verschillende, nog al talryke geslachten, zoowel in Noord- als in Zuid-Nederland inheemsch. Met den geslachtsnaam Bergopzomer8 zijn zy afgeleid van den naam der brabantsche stede Bergen-op-Zoom. Mijn eigen naam Winkler behoort ook hier genoemd te worden, als zijnde, volgens maagschaps-overlevering, ontleend aan den naam van het dorp Winkel by Medemblik in West-Friesland. De naam Winkler, ook Winckler, Winkeler, Winklaar, Winkelaar en Wynkeleer, is vry algemeen; onder beide eerstgenoemde formen vooral ook in Duitschland. Dat komt omdat er ook zoo veel dorpen en gehuchten zijn die Winkel heeten. In Duitschland liggen er wel honderd. Ook in Vlaanderen vinden wy dezen dorpsnaam als Wynkel; van daar ook de vlaamsche form van dezen geslachtsnaam Wynkeleer, met De Winkelair, De Winckeleer, en zelfs half verfranscht als De Winquelair en misschien ook Vinqueleir.

Eindelik nog dient de geslachtsnaam Suringar hier vermeld te worden. Men meent dat deze naam die door dat ar op ’t einde in plaats van het meer gewone er wel wat vreemd schijnt, ontleend zy aan den naam van het friesche dorp Surich (of Zurig en Zurich), en dus Suricher zoude beteekenen. Deze meening krijcht nagenoeg zekerheid als men weet dat oudtijds het byvoegelike naamwoord aan den plaatsnaam Surich ontleend, werkelik suring luidde. In het Register van den Aanbreng van 1511, dl. III, lees ik op bl. 320, in eene oorkonde van den jare 1546 »noch een pondemate op Suringer meden gelegen”. En die zonderlinge uitgang ar in plaats van er, is ook niet zonder voorbeeld. Nevens den geslachtsnaam Switser toch hebben wy ook Switsar (zie bl. 195); nevens Romer ook Romar (zie bl. 198).

§ 71. Met het boven besprokene achtervoechsel er of aar, dat in de nederlandsche taal dienst doet om van plaatsnamen eerst byvoegelike naamwoorden, daarna ook weêr zelfstandige naamwoorden en eindelik geslachtsnamen te formen, stemt volkomen overeen het achtervoechsel stra in het Friesch. Dit stra is Oud-friesch, en luidt in het hedendaagsche Friesch ster; b. v. friesch: de boarnster tûr == de toren van het dorp (Olde-)Boorn; Lemsterland, het land van de Lemmer, naam der grieteny waar van dat friesche vlek de hoofdplaats is. Oud-friesch: Tiettzerckstera dela, heden ten dage Tietjerksteradeel, de naam der grieteny die naar het dorp Tietjerk genoemd is; Kiestra sîl, tegenwoordig Keester zijl, de sluis by het slot Kie of Kee, enz.

In Friesland komen zeer vele geslachtsnamen voor die op dit achtervoechsel stra eindigen. Te dezer plaatse willen wy slechts die genen vermelden van deze stra-namen, welke van plaatsnamen zijn afgeleid. Zy formen de weêrgaden van de boven besprokene algemeen-nederlandsche geslachtsnamen op er of aar uitgaande. Balkstra (van het vlek Balk); Riedstra en Riestra (van het dorp Ried); Speerstra (van het gehucht Speers, ook wel Speersterhuizen, oudtijds Speerstrahusen genoemd, by ’t dorp Deersum), enz.9

§ 71. De oude Nederlanders, vooral in de 16de en 17de eeu, waren liefhebbers om hunne namen te verlatynschen. By de behandeling der geslachtsnamen van mansvóórnamen geformd, heb ik daar reeds op gewezen (zie §§ 22 en 55–58); ik zal er verder in dit werk, in § 167, ook nog nader op te rug komen. Ook met hunne geslachtsnamen, van plaatsnamen ontleend, handelden onze voorouders zoo. Zy vertaalden die namen rechtstreeks in het Latyn; of als dit niet wel ging, dan hingen zy er maar eenen latynschen steert aan. Jacob Harmenszoon van Oudewater (hy was van het zuidhollandsche stadje Oudewater geboortig) b. v. vertaalde zynen naam in Jacobus Arminius Veteraquinas. Maar zekere Hendrik, in het drentsche dorp Beilen geboren, en die in 1602 predikant was te Bloksyl, wist zich niet anders te helpen dan dat hy eenen latynschen uitgang achter den naam van zyne geboorteplaats hing. Hij noemde zich Henricus Beylanus—zoo doende had zijn naam toch eenen latynschen, naar de meening dier dagen eenen geleerden klank. En dien naam dragen zyne nakomelingen nog heden als geslachtsnaam. Verder in dit werk zal nader op dit onderwerp terug gekomen worden. Hier zy slechts vermeld dat er onder ons nog eenige andere geslachtsnamen bestaan, die van plaatsnamen verlatynscht zijn. B. v. Acronius, Neomagus, Roldanus, van de plaatsnamen Akkrum, een dorp in Friesland, van de stad Nymegen, en van Rolde, een dorp in Drente.10 Zekere Ruurd, van Akkrum geboortig, een herformd predikant in de 16de eeu, verlatynschte zynen naam in Ruardus Acronius.11 Hy was de stamvader van het nog bestaande friesche geslacht van dien naam.

§ 72. In plaats van met de namen van volken en volksstammen, of met namen geformd uit de namen van landen en gouen, steden en dorpen, heeft men oudtijds in de Nederlanden vreemdelingen ook wel genoemd naar de enkele namen van de landen en gouen, steden en dorpen, waaruit zy afkomstig waren, zonder die namen door voor- of achtervoechsels te veranderen of te wyzigen. Zulke namen zijn later ook vaste geslachtsnamen geworden, en komen nog onder ons voor; b. v. Italië, Bourgonje, Vlaanderen, Belgrado, Jerusalem, Hinlopen. Even als de geslachtsnamen die de vorige groep formen, komen ook deze enkelvoudige namen betrekkelik zeldzaam voor. Althans veel minder dan de geslachtsnamen met het voorvoechsel van. Eenigen zijn nog al byzonder, of eischen eenige verklaring. America en Oostindië zijn waarschijnlik eerst gedragen door lieden die eenigen tijd, korter of langer, in Amerika en in Oost-Indië hadden gewoond, maar die toch oorspronkelik Nederlanders waren. Spitsbergen is de naam van een onbewoond eiland in de IJszee. In de 17de eeu plachten de nederlandsche walvischvaarders daar de zomermaanden te vertoeven om hun vischspek tot traan te koken. Hunne nederzetting aldaar droeg den naam van Smerenburg. Misschien is de geslachtsnaam Spitsbergen (die ook, volgens den hollandschen tongval, als Spisbergen voorkomt) wel rechtstreeks aan den naam ontleend van een huis, ’t welk men genoemd had naar dat oudtijds by ons zoo bekende eiland. Zuidstrand is de naam van een noordfriesch eiland, dat reeds vroeg in de middeleeuen in de Noordzee verdronken is. Weinig meer dan de naam is er nog van bekend. Of de geslachtsnaam Zuidstrand dus zijn ontstaan aan den naam van dat eiland heeft ontleend, is minstens hoogst twyfelachtig. Misschien is deze geslachtsnaam slechts ontstaan als een tegenhanger van den maagschapsnaam Noordstrand. Dit is oorspronkelik de naam van een ander eiland in Noord-Friesland. Op dit eiland Noordstrand is sedert de 17de eeu eene volkplanting gevestigd van uitgewekene hollandsche boeren, die den Oud-roomschen, zoogenoemd Jansenistischen godsdienst belyden, en nog heden in het kerkelike verbonden zijn met hunne geloofsgenooten in de Nederlanden, van waar zy ook hunne geesteliken bekomen. Door deze omstandigheid is het voorkomen van dezen geslachtsnaam onder ons te verklaren.

De maagschapsnaam Beeuwzier is oorspronkelik een engelsche plaatsnaam, maar in verdietschten en dan nog verbasterden, misspelden form. De kaap Beachy-head aan de zuidkust van Engelland, wel bekend by allen die het Engelsche-kanaal bevaren, draacht van ouds reeds by onze zeelieden den naam van Brevesier, Beevsier of Beeuwzier, en dit is eene verbastering van Pevensey, de naam van het plaatsje dat naby de kaap ligt.12

Nederlandsche geslachtsnamen die oorspronkelik de namen zijn van vreemde landen, gouen en eilanden, zijn, behalven de bovengenoemden, nog: Beyeren, Holstein en het misspelde Holstijn, Maltha, enz.13 Inlandsche landstreken vinden wy genoemd in de maagschapsnamen Brabant (met den patronymikalen form Brabants), Betuwe, Gaasterland (in Friesland), Gelderland, Holland (met de patronymikale formen Hollands en Hollandts), Maaskant, Stellingwerf en Stellingwerff (in Friesland), Vlaanderen en Vlieland. En den geslachtsnaam Zeekant mag men hier ook wel toe rekenen, even als Juist, aan het oostfriesche eiland van dien naam ontleend. Eindelik nog Nederland.

Als nederlandsche maagschapsnamen die oorspronkelik de namen van vreemde plaatsen zijn, noem ik hier, behalven Belgrado en Jerusalem, nog: Barnouw (Barnow, dorp in Pommeren), Bakewel (in Engelland), Bethlehem en Betlem, Bourdeau, enz.14 De oud-nederlandsche form van den naam waaronder by onze voorouders de stad Danzig aan de Oostzee bekend was, luidde »Danswijck,” en Danswijck komt nog heden als geslachtsnaam onder ons voor.—Ik ben niet zeker of ik de geslachtsnamen Romeny en Rummenie ook tot deze groep moet brengen. Wellicht zijn deze namen, die oorspronkelik wel één zullen geweest zijn, en nu slechts in spelling verschillen, ontleend aan den naam van het stadje Romney in Engelland, naby de Singels (Dungeness, zie de noot op bl. 209), aan het Nau van Kales gelegen. Dit oord wordt door nederlandsche zeelui steeds druk bezocht. Misschien ook is Romeny eenvoudig de naam van romenye, zekere soort van spaanschen wijn, die in de middeleeuen by onze voorouders veel gedronken werd.

Merkweerdig is het dat er onder deze namen nog al velen voorkomen die oorspronkelik de namen van poolsche steden zijn. Deze namen worden hooftsakelik gedragen door israëlitische geslachten, welke uit die steden afkomstig zijn, en die, toen zy zich in ons vaderland vestigden, die stedenamen als geslachtsnamen hebben aanveerd. De naam Konijn, door een Israëlitisch geslacht gedragen, heb ik ook hiertoe gerekend. De mogelikheid bestaat echter dat deze naam ook eenvoudig aan het bekende dier konijn ontleend zy. Waar die zelfde naam, ook als Conijn voorkomende, door een oorspronkelik-nederlandsch geslacht gedragen wordt, gelijk het geval is, neem ik dezen laatstgenoemden oorsprong ook liever aan. Maar by de Joden is het konijn een dier, ’t welk door hunne godsdienstige wet hun verboden is te eten, zoo wel als het zwijn. Dus is het niet waarschijnlik dat een Jood zich zoude genoemd hebben naar een, voor hem onrein dier. Toch draagt een israëlitisch geslacht den naam Haas, niettegenstaande in de joodsche spijswetten ook de haas, zoowel als het konijn en het zwijn, tot de onreine dieren wordt geteld.

Dat reeds in de 17de eeu, en ongetwyfeld nog veel vroeger, zulke namen van vreemde plaatsen, eerst als by- of toenamen, later als vaste geslachtsnamen in gebruik waren, leert ons Cornelis Hendricxz Compostel, die in 1644 een der schepenen was van Hoorn. Deze naam Compostel is oorspronkelik de naam van de stad Sint-Jacob van Compostella of Santiago de Compostella, in Spanje; eene stad, die oudtijds door Nederlanders zeer veelvuldig in bedevaart bezocht werd. Die spaansche plaatsnaam Santiago de Compostella is, hoe vreemd het schyne, eene verbastering van het latynsche Sanctus Jacobus Apostolus.15 En dat die spaansche verbastering Compostella in Nederland op hare beurt niet slechts tot Compostel, maar ook nog verder werd ingekort, zien wy in het tijdschrift De Navorscher, waar (deel XXXII, bl. 247) een zestiende-eeusche Nederlander, namens »Jacob van Compostelle of Stelle” vermeld wordt. Wie zou in dezen eenvoudigen nederlandschen geslachtsnaam Stelle den spaanschen naam Compostella en het latynsche woord apostolus vermoeden?

§ 73. Wijl er steeds zeer vele Duitschers in de Nederlanden zich gevestigd hebben, zoo ligt het voor de hand dat ook zeer vele duitsche plaatsnamen hier als geslachtsnamen moeten voorkomen. En dit is in der daad het geval. Zulke geslachtsnamen zijn zoo talrijk, dat ik hier slechts enkelen daar van opnoemen kan; Anspach, Bamberg (Ansbach, ook even vaak Anspach geschreven, en Bamberg zijn steden in Frankenland, Beieren); Berlijn en Berlin; Byleveld, Bylefeldt, Bielevelt. Laatstgenoemde naam, op verschillende wyzen geschreven, komt zoo veelvuldig voor, omdat de westfaalsche stad Bielefeld, waar hy aan ontleend is, oudtijds eenen drukken handel in lijnwaad met de Nederlanden dreef. Uit die reden vonden vele ingezetenen dier stede aanleiding zich onder ons te vestigen. Verder Breslau en Breslou, Darmstadt, Dortmund en Dortmond,16 enz. Dit zijn allen namen van groote of van welbekende steden in Duitschland. Maar in grooter aantal nog komen, als nederlandsche geslachtsnamen, de namen van kleine en minder bekende plaatsen voor, die in westelik Duitschland, ten deele ook niet verre van onze grenzen gelegen zijn. Uit die plaatsen immers was en is het grootste deel afkomstig van de Duitschers die zich in Nederland vestigen. Zie hier eenigen van die namen: Achenbach (dorp by Siegen in Westfalen), Ahaus (stadje in Westfalen, naby onze geldersche grenzen), Aurik (stad in Oost-Friesland).17 In hunne spelling zijn deze soort van geslachtsnamen vaak gewyzigd naar de nederlandsche boekstaving; b. v. Boerlage en Buurlage, Geelkerken, Gilhuys, Meurs, in de plaats van Burlage, Geilenkirchen, Gildehaus en Mörs, zoo als de hoogduitsche rechtschryving eischt.

Ten slotte mogen hier nog enkele nederlandsche geslachtsnamen eene plaats vinden, die ontleend zijn aan de namen van kleine en minder bekende steden en dorpen, verderop in Duitschland gelegen. Dit zijn: Bischoffsheim (dorp in Rijn-Hessen), Breidenbach, ook in hollandsche misspelling als Brijdenbach, en verdietscht als Breedenbeek (dorp in Hessen aan de Lahn), Görlitz (stad in het koninkrijk Saksen), Kaub (stadje aan den Rijn in Nassau), Märkelbach en Merkelbach, ook in misspelling als Markelbach (dorp in Nassau), Oppenheim (stadje in Rijn-Hessen), Oschatz (stad in het koninkrijk Saksen), Stevenhagen (dit is de nederduitsche form, ook wel samengetrokken en verbasterd tot Stemhagen, van den hoogduitschen naam van het stadje Stavenhagen in Mecklenburg), Trarbach (stadje in de Rijn-provincie, aan de Moesel), Wertheim (stad aan de Main in Baden), enz.

De geslachtsnaam Sarlouis is ontleend aan den naam van het stadje Sarlouis of Saarluis, in Lotharingen. Ook als Sarluis en Serlui, en zelfs geheel verbasterd als Scharlewie komt deze zelfde geslachtsnaam in Nederland voor. Of de geslachtsnaam Charlouis ook aan dezen zelfden plaatsnaam ontleend zy, waag ik niet te beslissen, maar komt my zeer waarschijnlik voor. Misschien echter is hy ook afkomstig, evenals de geslachtsnamen Sjaarlouis, Sjaarloos en Saarloos, van den naam van het overmaassche dorp Charlois, in Zuid-Holland. Al deze geslachtsnamen zijn in spelling en uitspraak zoo verbasterd, dat men ze kwalik meer van elkanderen onderscheiden kan, veel min met zekerheid hunnen oorsprong kan aangeven.

Hernals is de naam van een dorp in Oostenrijk, by Weenen. Deze naam heeft waarschijnlik wel oorsprong gegeven aan de geslachtsnamen Hernalsteen, Ernalsteen en Ernaelsteen, die in de zuidelike Nederlanden voorkomen, en die ik anders niet weet te verklaren. Misschien ligt er by dit dorp wel een burcht, die den naam van Hernals-stein voert, en kunnen van dien naam nog nader de bovengenoemde geslachtsnamen ontleend zijn. De omstandigheid dat de zuidelike Nederlanden in de 17de en 18de eeu onder oostenrijksche heerschappy stonden, waardoor er wel oostenrijksche beambten in die gewesten werden aangesteld, die hunne oostenrijksche namen daar invoerden, geeft aan bovengenoemde vooronderstelling te meer grond. Volgens de eigenaardige vlaamsche uitspraak is de oorspronkelike letter h in Ernalsteen verloren gegaan, en toont Ernaelsteen nog grooter verbastering, volgens de zuid-nederlandsche spelling.

De geslachtsnaam Nederkoorn, te Haarlem niet zeldzaam, zal wel eene verdietsching zijn, in spelling en uitspraak, van den naam van het dorp Niederkorn of Nieder-Korn (daar is ook een Ober-Korn), in Luxemburg.

De geslachtsnamen Emmerik en Emrik eindelik, zijn hoogst waarschijnlik wel afgeleid van den naam der stad Emmerik in de Rijn-provincie, naby onze geldersche grens. Emmerik, Emmerich is echter eveneens een oud-germaansche mansvóórnaam, en deze mansnaam kan dus ook de oorsprong der genoemde geslachtsnamen zijn. Aan het patronymikon Emmeriks, ook als geslachtsnaam voorkomende, ligt hy zonder twyfel ten grondslag.

§ 74. Wat nu de geslachtsnamen betreft, die oorspronkelik de namen zijn van nederlandsche steden en dorpen, vlekken en gehuchten,—dezen zijn, uit den aard der zake, zóó talrijk, dat er geen denken aan is, hier ook slechts een honderdste gedeelte van al die namen op te noemen. Slechts eenige weinigen, opzettelik uit alle verschillende nederlandsche gewesten genomen, kunnen hier vermeld worden: Dokkum, Dronrijp, Hinlopen.18 Dit zijn allen namen van welbekende plaatsen. Maar ook vele maagschapsnamen zijn ontleend aan de namen van kleine gehuchten, die weinig bekend zijn buiten hunnen naasten omtrek. De verklaring van die namen ligt dus niet zóó voor de hand. Zulke maagschapsnamen zijn: Bakhuizen (een zeer klein dorpke, eigenlik slechts een gehucht, in Gaasterland, Friesland), Reen (gehucht by Lutke-Wierum, Friesland), Tjallewal (gehucht by Schagen, West-Friesland), Knossens en Cnossens (gehucht, of eigenlik slechts eene enkele sate in de zoogenoemde Sneeker-Vijfga, Friesland), Bobeldijk (gehucht by Berkhout, Noord-Holland), Delfgaauw en Delfgou (gehucht by de stad Delft), Harscamp (een landgoed by ’t geldersche dorp Ede), Onsenoort (gehucht by Heusden in Noord-Brabant), enz. Wie zoude ook niet in de maagschapsnamen Stroobos en Valom veel eerder iets anders zoeken dan juist plaatsnamen? En toch zijn zy oorspronkelik wel degelik de namen van de gehuchten Stroobos in Achtkarspelen, en Valom in Dantumadeel, beiden in Friesland. Zelfs aan de namen van enkele huizen, buitenverblijven, bekende herbergen, enz. zijn maagschapsnamen ontleend; b. v. Slangenburg, landgoed by Deutinchem in Gelderland, Spannenburg, naam van eene herberg naby de stad Sloten in Friesland, aan den Lemster-straatweg; Luchtenveld, eveneens de naam van eene herberg in Friesland, by het vlek de Joure; Spaarenberg, de naam van eene buitenplaats by Haarlem; Rustenburg, de naam van vele onderscheidene buitenplaatsen en herbergen, overal in de Nederlanden verspreid, enz. De geslachtsnamen Hoogerbeets en Hogerbeets, die geenszins zeldzaam zijn, en aan verschillende, onderling niet verwante geslachten behooren, dienen hier ook vermeld te worden. De bekende Rombout Hoogerbeets voerde dezen zynen toenaam naar eene hofstede van dien naam in of by het dorp Beets in West-Friesland by Hoorn gelegen, welke hofstede, naar alle waarschijnlikheid, op eene eenigszins verhevene plaats zich bevond. Zijn bloedverwant, de minder bekende dichter Johan Beets, ontleende weer zynen toenaam aan dien van het dorp zelven, waar de hofstede gelegen was, die denkelik van ouds eigen was aan de maagschap, waar Rombout en Johan deel van uitmaakten.19 Nog heden, ’t is genoeg bekend, komt de maagschapsnaam Beets in Holland voor. En ook in Friesland, waar hy wel aan den naam van het friesche dorp Beets, in Opsterland, zal ontleend zijn. De geslachtsnaam Gonggrijp is eigenlik de naam van het dorpke Goingaryp, in Doniawarstal (Friesland), in verbasterden form. Maar Deutekom, als maagschapsnaam voorkomende, kan naueliks als een verbasterde form van den plaatsnaam Deutinchem (stadje in Gelderland) beschoud worden, naardien »Deutekom” werkelik de algemeen gebruikelike uitspraak van dezen naam voorstelt. De geslachtsnaam Nierop (even als Van Nierop), ook nog meer samengetrokken als Nierp voorkomende, is eigenlik de naam van het noord-hollandsche dorp Niedorp, in de volksspreektaal »Nierop” of zelfs »Nierp” genoemd, even als het volk in Holland ook »Rarop”, »Apkou” (Abcoude), »Berkou” en »Boref” zegt en gedeeltelik ook wel schrijft, in stede van de volle namen der dorpen Ransdorp, Abekenwoude, Berkwoude en Bodegraven. Den maagschapsnaam Tra (Traa komt ook voor, met Van Traa) ziet men zynen oorsprong van den plaatsnaam Ter-Aa ook niet op het eerste gezicht aan. Ter-Aa of Nieuwer-ter-Aa voluit, is een dorpke in het gewest van Utrecht. De maagschap, die dezen naam draagt, voert tevens den geslachtsnaam KranenTra Kranen”). Voegt men deze twee namen samen, gelijk veelal by misverstand gebeurt, als Trakranen, dan schijnt de beteekenis nog duisterder.20 De naam van het dorp Stolwijk, by Gouda gelegen, wordt in de wandeling tot »Stolk” samengetrokken, en komt ook in dien versletenen form—Stolk—als geslachtsnaam voor. De geslachtsnamen Grol en Groll zijn eveneens samentrekkingen, volgens het alledaagsche spraakgebruik, van den naam dien het geldersche stedeke Groenloo in den volksmond draagt. Oldenzeel, als maagschapsnaam voorkomende, vertoont de dageliksche volksuitspraak van Oldenzaal, het stadje in Twente. De geslachtsnaam Bellingwout moet beschoud worden als eene omzetting in byzonder-hollandsch van den naam des dorps Bellingawolde in Groningerland. Maar de maagschapsnamen Wildervank en Wildervanck zijn niet ontleend aan den naam van het vlek Wildervank in Groningerland. Het omgekeerde is waar! Immers hier is het de plaatsnaam die aan den geslachtsnaam ontleend is. Het vlek draagt zynen naam naar dien van den stichter dier plaats, in de eerste helft der zeventiende eeu, naar Adriaan Geerts Wildervanck of Wildvang, een toenaam, die te kennen geeft »iemand die wild vangt”; die dus, met »Wildschut”, jager beteekent.

Holierook en Olierook zijn nederlandsche maagschapsnamen, die zekerlik door niemand zoo terstond zullen worden beschoud als afgeleid te zijn van plaatsnamen, ten zy dan van eenen engelschen naam »Holyrock”, gelijk men eens heeft willen beweren, en tegenover my heeft staande gehouden. De oorsprong van deze zonderlinge namen is als volgt: Van ouds lag, niet verre van Schiedam, het huis van een adellik geslacht, en dat huis droeg den verstaanbaren, duideliken, zuiver nederlandschen naam van Hooglede (Hoog-Lede). Maar deze naam werd door het volk al spoedig verbasterd en verkort. Natuurlik sleet de laatste lettergreep er spoedig af, en de g werd, op oud-nederlandsche wyze, zoo zacht mogelik uitgesproken, dat deze letter weldra in eene j (of i, y) verfloeide, eerlang ook geheel uit het oorspronkelike woord sleet. Eene andere eigenaardigheid, de byzonder-hollandsche uitspraak van menige e als i (ee als ie, been = bien), deed mede haren infloed op den naam Hooglede gelden. Met dat gevolg dat Hooglede in den mond des volks nog slechts voorkwam als Hooilee, Holee, Holy of Holi. De Schiedammers echter, als zoo vele andere Nederlanders, laten de h geerne achterwege in hunne uitspraak, zoo dat Holy nog meer inkromp en Oli werd. De weg die van ouds uit Schiedam voerde naar het huis Hooglede, de Hooglederweg dus, is dan ook te Schiedam nog slechts bekend als de »Olieweg”. Immers, de zoo erg mishandelde naam Oli kon door het volk niet meer verstaan worden; zoo dacht men dan aan het woord olie, en—de schiedamsche »Olieweg” had nu eenen verstaanbaren naam. Ook in hedendaagsche maagschapsnamen vinden wy deze min of meer versletene formen terug; namelik in Van Hoylede en in Van Holy.

Zeker oord in de nabyheid van het huis Hooglede werd, om de eene of andere reden, die tot onze zaak niet afdoet, de Hooglederhoek genoemd, en de polder, daar bestaande, is nog heden bekend onder den naam van Hooglederhoeksche polder. Maar even als ’t oorspronkelike Hooglede tot Holy was verbasterd, zoo maakte het volk van Hooglederhoek ook Holyerhoek, Holiërhoek, en dien ten gevolge ziet men den naam van den polder dan ook wel als »Holiërhoeksche polder” geschreven; b. v. in Witkamp’s Aardrijkskundig Woordenboek. De schielandsche in- en omwonenden van Hooglederhoek of Holiërhoek kapten, naar schielandsche gewoonte, in hunne uitspraak die h weêr weg, en maakten van dezen plaatsnaam: ’oliër’oek, Olieroek. Met dezen form Olieroek weet het volk nu weêr geen weg. Het maakt er dus Olierook van. Daarin is ook nog wel geenen duideliken zin opgesloten, maar olie en rook zijn toch twee woorden die het volk kent, en daarmede is men dan te vreden gesteld. Zoo zijn de maagschapsnamen Olierook en Holierook waarvan de laatste ten minste nog de beginletter h bewaard heeft, ontstaan uit den plaatsnaam Hooglederhoek, en daarvan verbasterd.

§ 75. De geslachtsnamen Duinkerken en Hazebroek moeten hier ook genoemd worden, zoowel als Belle, Peene en Linzeele, op bl. 214 vermeld. Want al behooren de steden, wier namen oorsprong gaven aan deze geslachtsnamen, thans (nog) tot Frankrijk, zy zijn toch oorspronkelik echt vlaamsch, zuiver nederlandsch, gelijk hunne namen duidelik uitwyzen, en gelijk de volkstaal dezer plaatsen dan ook nog steeds is. Het schijnt dat vooral uit de stad Hazebroek vele ingezetenen, zoo voor als na, in andere plaatsen, zoo wel van Noord- als van Zuid-Nederland, zich met der woon hebben gevestigd. Immers komt de maagschapsnaam, aan dezen stadsnaam ontleend, dikwijls en veelvuldig onder ons voor, en wel onder allerlei formen, als: Hazebroek, Hasebroeck, Haesebroeck, Haesebroek, Haesebrouck, (met Van Hazebroek), enz. en behoort aan verscheidene, onderling niet verwante geslachten. De geslachtsnaam Hautryve (met Van Houtryve) is ontleend aan den naam van het westvlaamsche dorp Hautryve. Deze naam is van romaanschen oorsprong: alta ripa, haute rive, hooge oever, namelik van de Schelde, waaraan dit dorp gelegen is. Toch zijn de bewoners van dit dorp vlaamsch-sprekende Vlamingen.—De maagschapsnamen Doornik, Luik en Luyk zijn afkomstig van de namen der bekende steden in het waalsche gedeelte van België. Slechts voor zoo verre deze namen zuiver nederlandsch zijn, behooren zy hier vermeld te worden.