G. Latynsche en grieksche geslachtsnamen.

§ 167. Reeds in de middeleeuen was het de gewoonte by de geleerden om hunne namen te verlatynschen, soms ook te vergriekschen. En deze gewoonte, by alle geletterden en geleerden van het christelike Europa in gebruik, hield niet aleen in de 16de en 17de eeu stand, maar nam, by de hooge vlucht welke de beoefening der oude letteren vooral in die eeuen nam, groote verhoudingen aan, en werd zeer algemeen toegepast. En niet het minst was dit het geval in de Nederlanden, in die eeuen juist de bakermat van zoo vele eigene, de woonplaats van zoo vele vreemde geleerden.

Op verschillende wyzen ging men by die verlatynsching en vergrieksching der eigene nederlandsche namen te werk. Sommigen vertaalden hunne namen geheel en al. Maar anderen hingen slechts eenen latynschen uitgang achter hunne nederlandsche namen, die zy overigens geheel of ten deele onveranderd lieten. Zoo vertaalde b. v. de een, die Kuyper tot toenaam of geslachtsnaam had, of die oorspronkelik zelf een kuiper was of geweest was, en die zich dat woord dus als een naam toe eigende, dien naam met Viëtor, terwijl een ander er eenvoudig Cuperus van maakte. Of de eene man die Bakker heette, verlatynschte dien naam tot Pistorius, of hy vergriekschte hem tot Artopaeus, terwijl de andere zich met een enkel latynsch steertje achter zynen naam vergenoegde, en er Backerus van maakte. Niet altijd was men even gelukkig in het veranderen van de namen; soms vertaalde men die namen, door onverstand, geheel verkeerd. De geleerde Desiderius Erasmus, iemand die zekerlik beter Latyn en Grieksch kende, als zyne moedertaal, althans als de oud-germaansche taalstammen, heette eigenlik Gerrit. En omdat zyn vader ook Gerrit heette, zoo noemde hy zich Gerrit Gerritsz., dat is Gerrit Gerritszoon, of Gerrit, de zoon van Gerrit. De naam Gerrit nu is, zoo als men weet, slechts eene byzonder-hollandsche verknoeiing van den vollen oud-germaanschen, dus ook echt nederlandschen naam Gerhard (Geraert). Het schijnt dat Gerrit Gerritsz. meende dat in dezen naam Geraart het woord geeren, begeeren opgesloten lag. Dies vertaalde hy zynen naam in het Latyn tot Desiderius, en in het Grieksch tot Erasmus, en nam deze dubbele begeerte aan in de plaats van zynen oorspronkeliken dubbelen Gerrit. Eenvoudiger lieden in die dagen, en die minder dan Gerrit Gerritsz. t’huis waren in Grieksch en Latyn, vergenoegden zich met van hunnen hollandschen Gerrit eenen quasi-latynschen Gerhardus te maken. In latere tyden, in de 17de eeu, toen de wansmaak in het verformen der nederduitsche namen hoe langer hoe grooter was geworden, kwam de dwaasheid en ydelheid der menschen, niet het minst ook der geleerden, hoe langer hoe meer, in deze zake, aan het licht. En het waren vooral de 17de eeusche herformde predikanten, in de noordelike Nederlanden, die al hun valsch vernuft uitputten en hunnen wansmaak bewezen, in het verformen, verdraaien, vergriekschen en verlatynschen hunner namen. Zelfs tot in het begin der 18de eeu hield dit dwaze gebruik by die predikanten en ingebeelde geleerden stand. Een eenvoudige Fries, die Oene heette en zich Oene Oenes moest noemen, omdat zijn vader eveneens Oene heette, noemde zich, als herformd predikant te Goinga, in Friesland, in 1712, Onias Oneïdes. Een ander, te Holwert geboren, en Johannes Fokkes geheeten, dat is Johannes, de zoon van Fokke, noemde zich, als hoogleeraar te Franeker in het midden der 17de eeu, Johannes Phocylides ab Holwarda. Marten Eelkes, dat is Marten, de zoon van Eelke, een der eerste herformde predikanten te Leeuwarden, verdraaide zynen naam, nu eens tot Martinus Helius (de zon), dan eens tot Martinus Eliacus (zonnekind), namen die zeker van ydelen eigenwaan niet vry te pleiten zijn. Zekere Ulrik was predikant te Hemelum, een friesch dorp, en noemde zich nu, in zinspeling op den naam zyner standplaats, Ulricus Uranius (hemeling). Zeker ook niet zeer nederig. Het toppunt van onzin bereikte de predikant van het kleine dorpke Huins in Friesland. Hy noemde zich Tullius, Pastor Hunnorum, alsof de ingezetenen van Huins Hunnen waren. Eenvoudiger was Berend Boues, (men vindt zynen naam ook wel deftiger gemaakt als Bernard Bouwo). Hy was eveneens een (West) Fries, en de eerste herformde predikant te Eilsum in Oost-Friesland, en noemde zich, naar dien dorpsnaam, Eilshemius, een naam die nog lange door zyne nakomelingen met eere gedragen is. Zoo deed ook Hendrik, een eenvoudige Drent, van Beilen geboortig, die in het begin der 17de eeu herformd predikant te Bloksyl en later te Franeker zijnde, zich Henricus Beylanus noemde; zie bl. 206.

Maar niet enkel de Friesen huldigden dit dwaze gebruik; het heerschte even zeer in de andere Nederlanden. Een man uit Gouda, die Cornelis Loose heette, noemde zich met de weidsche namen Cornelius Calfidius Chrysopolitanus (uit de gouden stad!). En Jacob Harmensz., een man uit Oudewater, eigende zich de namen Jacobus Arminius Veteraquinas toe. In de 17de eeu leefde in Holland ook de befaamde Jacobus Trigland, vooral bekend door zyne »Kerckelijcke Geschiedenissen”. Zyne vrou heette Christina Theodora, en voerde den geslachtsnaam van Astophia. »De naam klinkt grieksch; maar ik bid u, lezer, krijg uw grieksch woordenboek niet uit de kast om te zoeken of gij daar ook een zeldzaam voorkomend woord vindt, waar gij dat Astophia mede in verband kunt brengen: uw zoeken zou vruchteloos zijn. Gij behoeft ook zoo ver niet van huis te gaan. Want de goede vrouw droeg den zeer duidelijken en verstaanbaren naam van Stoof. Dat evenwel was te eenvoudig, te hollandsch. Wat er tegen te doen? Er was meer dan één middel dat men kon aanwenden; maar de geleerde man koos het zotste dat men uitdenken kon, hij veranderde namelijk en voegde bij, voor en achter, zoodat het door de onkundige menigte voor een grieksch woord werd aangezien, maar geen woord meer was, slechts een klank, een geluid.”30

En ook in de zuidelike, in de brabantsche gewesten, heerschte deze onzede. De bekende hellenist, een Noord-Brabander van geboorte, uit het dorp Engelen, Arnoldus Arlenius Peraxylus, heette oorspronkelik Arnout Van Aerle. Maar hy verlatynschte deze namen tot Arnoldus Arlenius, en voegde er nog den griekschen toenaam Peraxylus by, »omdat hy in een dorp over den Bosch (’s Hertogenbosch), aan de Dieze, geboren was, van de grieksche woorden περὰ en ζὺλον, over en hout, gelijk bosch wel eens voor hout genomen wordt.”31 De bekende woordafleidkundige Becanus, voluit Johannes Goropius Becanus genoemd, heette eigentlik enkel maar Johannes. Hy noemde zich Goropius, omdat hy geboren was in het gehucht Gorp; en Becanus naar den naam van het dorp Beek, voluit Hilvarenbeek in Noord-Brabant, waar dat gehucht Gorp onder behoort. De hedendaagsche geslachtsnamen Van Gorp en Van Gurp zijn ook aan dit brabantsche plaatske ontleend.—De beroemde taalgeleerde Cornelis Van Kiel eindelik noemde zich Cornelius Kilianus Dufflaeus, omdat hy van Duffel, een dorp by Antwerpen, geboortig was.

De oude nederlandsche geleerden waren in den regel zeer goede latinisten. Maar ook zy maakten zich wel eens aan eenen taalkundigen misslag schuldig. Zulk eene fout levert de geslachtsnaam Viëtor op, die in de friesche gewesten van Nederland en Duitschland gelykelik inheemsch is, en reeds een en ander maal in dit werk vermeld werd. Deze naam wijt zijn ontstaan aan éénen onkundige, die een latynsch lexicon uitgaf, of liever zulk een woordeboek uit het Latyn-Hoogduitsch in het Latyn-Nederduitsch omzette. Hy vond daar in de woorden Böttcher en Büttner, en vertaalde die door kuiper. Maar het woord vieo, waar viëtor rechtstreeks van afgeleid is, heeft bepaaldelik de beteekenis van vlechten. Viëtor is dus eigenlik de Vlechter. In anders nog al goede Latynsch-Hoogduitsche Lexica, b. v. die van Freund en van Klotz, vindt men nog dit woord vietor = Böttcher, Büttner, dat is kuiper. Maar in de nieuere woordeboeken staat beter, zoo als het ook zijn moet: mandemaker (dat is iemand die tynen of wilgentwygen tot manden vervlecht).

In vele gevallen zijn die latynsche en verlatynschte namen als vaste toenamen overgegaan op de zonen der mannen die zulke namen het eerst voor zich zelven bedacht en gevoerd hadden. Maar in betrekkelik weinige gevallen zijn zy in lateren tijd tot vaste geslachtsnamen by de nakomelingschap geworden, en tot onzen tijd in stand gebleven. In de noordelike Nederlanden, en wel bepaaldelik onder de Protestantsche bevolking, komen ze hooftsakelik voor—byna uitsluitend. De oorzaak van dit verschijnsel is gelegen in de omstandigheid dat het vooral de predikanten der Herformden waren, in de 16de en 17de eeu, die hunne namen zoo verlatynschten en vergriekschten, en die deze namen aan hunne kinderen nalieten. In der daad weten dan ook vele hedendaagsche Nederlanders, die eenen latynschen of latynsch-formigen, eenen griekschen of grieksch-formigen geslachtsnaam dragen, eenen predikant aan te wyzen als de stamvader van hun geslacht; of liever, als die gene onder hunne voorouders, die het eerst den hedendaagschen maagschapsnaam gevoerd heeft. De Roomsch-Katholyke geesteliken in de zuidelike Nederlanden voerden oudtijds ook wel even zeer zulke verlatynschte en vergriekschte namen, maar zy lieten geen kinderen na die zulken naam verder droegen. Byzonder talrijk zijn heden ten dage die grieksche en latynsche geslachtsnamen niet. Maar toch altijd nog talrijk genoeg om mede by te dragen tot het eigenaardige der nederlandsche geslachtsnamen in het algemeen.

Onder de hedendaagsche latynsche en grieksche maagschapsnamen zijn er van allerlei oorsprong en form. Velen er van zijn reeds op verschillende plaatsen in dit werk, waar het pas gaf, vermeld en verklaard. Naar die plaatsen (§ 22, § 55–57, § 71, § 122 en § 90) kan ik dus nu verwyzen, en my hier grootendeels bepalen tot eene eenvoudige opsomming.

Zuiver latynsche en louter latynsche zijn onder deze namen zeldzaam. Als zoodanigen noem ik: Paludanus (oorspronkelik Van de Moer? Van den Broecke? Poelstra? Broekstra?—want dat beteekent deze naam); Sartorius, Pistorius,32 enz. Alle deze namen zijn in dit werk reeds verklaard. Talryker zijn de namen die slechts eenen latynschen form vertoonen, slechts den uitgang us of ius achter eenen nederlandschen beroeps- of waardigheidsnaam hebben; b. v. Cuperus, Cramerus, Vorstius,33 enz. De geslachtsnamen Slaterus en Colerus zijn verlatynschingen van de oorspronkelik hoogduitsche namen Schlater en Köhler. Ook Knottnerus schijnt my eene verlatynsching van eenen oorspronkelik hoogduitschen geslachtsnaam.

Als verlatynschte namen van aardrijkskundigen oorsprong bestaan nog: Acronius, Beilanus, Buranus,34 enz. allen reeds op bl. 207 verklaard. De plaatsnaam waaraan de geslachtsnaam Alstorphius ontleend is, is my niet bekend; waarschijnlik is het een der drie dorpen, die Alsdorf heeten, en allen in Rijn-Pruissen (by Trier, by Coblentz en by Aken) gelegen zijn.—Van algemeen-aardrijkskundigen aard zijn, behalven de boven reeds genoemde naam Paludanus, nog Greidanus en Greydanus (van greide, het friesche woord voor weide, grasland), Heidanus (van heide, Van der Heide), Geesteranus, Grevinchovius, Lindenhovius, Althusius (het oorspronkelike Althuis komt ook in Nederland als geslachtsnaam voor), Neuhusius (deze twee laatsten schynen van hoogduitschen oorsprong te zyn), Nathusius, Heshusius (Heshuysen komt ook voor), enz.

Vele andere verlatynschte en vergriekschte namen zijn niet van aardrijkskundigen oorsprong, maar het zijn verformingen van nederlandsche vadersnamen. Ook van dezen zijn de meesten reeds behandeld op bl. 52 en 149 van dit werk. Het zijn Arntzenius, Bolsius, Borgesius,35 enz. De vergriekschingen, in den form van grieksche tweede-naamvallen, waren vooral onder de oude friesche geleerden in zwang. Dien ten gevolge treffen wy eene kleine groep van zulke grieksche patronymika, aan friesche mansvóórnamen ontleend, heden ten dage ook nog hooftsakelik in de friesche gewesten aan. Het zijn: Gatsonides, Hajonides, Hilarides, Ynzonides, Mensonides, Nolledes, Oneides, enz. Verder in andere nederlandsche gewesten nog: Antonides, Hermanides, Jacobides, Michalides, Nicolaides, Paulides en Simonides.—Eenvoudige vadersnamen, in latynschen form, komen ook nog geenszins zeldzaam als geslachtsnamen voor, zoo wel aan byzonder-friesche mansvóórnamen ontleend (Idsardi, Wiardi, Taconis), als aan algemeen-nederlandsche (Arnoldi, Conradi, Wilhelmy). Velen van deze namen vindt men op bl. 150 vermeld en verklaard.

De geslachtsnaam Malcomesius weet ik anders niet te verklaren als door aan te nemen dat het eene verlatynsching zy van een (engelsch?) patronymikon—Malcomes—van den oud-schotschen mansvóórnaam Malcom, eigenlik Malcolm ontleend. Deze naam (Malcomesius) wordt onder anderen nog heden door een herformd predikant gedragen. Men zie over het voorkomen van schotsche namen in de Nederlanden, bl. 535.

Sommige geslachtsnamen bestaan slechts uit eenen latynschen uitgang gevoegd achter den eenen of anderen nederlandschen geslachtsnaam, die eenvoudig het eene of andere algemeen-nederlandsche woord is, dat dan ook in zynen oorspronkeliken form nog wel als geslachtsnaam voorkomt. Zulke namen zijn Bekius (Beek); Bredius (Breed en Breet—zie bl. 339), Cnopius (Knoop), Glasius (Glas en Glasz), Hondius (Hond, De Hondt—zie bl. 377) en Hazewindus, Koppius (Kops? zie bl. 131), Lossius (Los) enz.36

Friso en Gruno zijn twee latyn-formige namen, als geslachtsnamen dienst doende. Het kunnen verlatynschingen zijn van twee oud-germaansche mansvóórnamen, of ook kunnen het deze zelfde namen zijn in hunnen eigenen oud-germaanschen form, die van den latynschen niet afwijkt; zie bl. 71 en bl. 20. Het kunnen ook namen zijn, aangenomen als die van de vermeende oude hooftlingen, aanvoerders, stichters, de fabelachtige stamvaders der Friesen en Groningers. In Friesland en Groningerland zijn deze geslachtsnamen dan ook inheemsch.

De geslachtsnamen, samengesteld met de latynsche voorzetsels a en ab, kunnen in zekeren zin ook al tot de latyn-formige namen worden gerekend. Men vindt ze opgenoemd en verklaard in § 90. A Speculo (zie bl. 362) behoort er ook toe.

De zonderlinge, ten deele onzinnige geslachtsnamen Sanctorum, Oculorum, Springorum, Stekelorum en Stikkelorum (zie bl. 462), mogen hier niet onvermeld blyven. En even min sommige geslachtsnamen die in form en spelling van hunnen oorspronkeliken, min of meer zuiveren latynschen form weêr zijn afgeweken, half verdietscht, misformd, versleten. Dat zijn Gualtherie, Odolphie en Hilbrandie (oorspronkelik Gualtheri, Odolphi en Hilbrandi), zie bl. 151; Althuizes, Althuises en Althuzes, verbasteringen van Althusius (zie bl. 555); Kuperus, Kuperes, Couperus en Kupaerus, van Cuperus; Kuipéri, van Cuperi (zie bl. 333); Piestoor van Pistorius; Kuckulus van Cuculus, verlatynsching van Koekoek of Cockuyt (zie bl. 382); en Horjus en Napjus. De laatstgenoemde naam zal wel eene misforming zijn van Nappius, eene eenvoudige verlatynsching van den geslachtsnaam Nap, die nog heden voorkomt, en oudtijds ook de byformen Glazenap en Drogenap had. Maar Horjus, oorspronkelik zeker Horrius, houd ik voor eene verlatynsching van het versletene patronymikon Horje, eigentlik Horria, ’t welk wederom een versleten form is van den vollen oud-frieschen vadersnaam Horringa, die nog, ook in den byform Horrenga, als friesche geslachtsnaam in gebruik is, en die zyne weêrga heeft in Engelland, in de daar voorkomende patronymikale geslachtsnamen Horring en Horrington. De oud-germaansche mansvóórnaam Horro ligt ten grondslag aan deze vadersnamen, even als, door den verkleinform Horreke, Horco, aan den vlaamschen geslachtsnaam Horrekens, en aan de plaatsnamen Horsbüll en Horrstedt, beide dorpen in Noord-Friesland. Verder aan Horrem, dorp by Keulen; Horringhausen, gehucht by Altena in Westfalen; Horrington, in Somersetshire, Engelland, enz.

Sommige maagschapsnamen hebben een latynsch voorkomen, en zijn toch van zuiver nederlandschen oorsprong. Immers ieder die Latyn verstaat, zal, zoo de geslachtsnamen Radix, Aries, Omen, Venus hem onder de oogen komen, terstond denken aan de latynsche woorden radix, wortel; aries, ram; aan omen, voorteeken, en aan den bekenden naam der godin Venus. Maar geheel ten onrechte. Die namen zijn reeds, als goed nederlandsche, verklaard op bl. 37, 138 en 439. En Aries is eenvoudig een patronymikon van den in Holland vooral algemeen-gebruikeliken mansvóórnaam Arie, eene verkorting van Ariaan, dat weer eene verbastering is van den vollen oud-romeinschen naam Hadrianus.

H. Tot besluit.

§ 168. De nederlandsche geslachtsnamen zijn in dit werk in verschillende groepen verdeeld geworden, naar hunnen oorsprong en naar hunne beteekenis, en al deze groepen zijn nader behandeld en verklaard. Men zoude de geslachtsnamen ook nog uit andere oogpunten kunnen beschouen en behandelen. Vermakeliker misschien, maar minder, of in het geheel niet wetenschappelik. By voorbeeld, uit het oogpunt van toevallige overeenkomsten en tegenstellingen tusschen de namen onderling, of ook tusschen de namen en de personen die de namen dragen. In dezer voege, en als eene kleine proeve van zulk eene beschouing der namen, wil ik hier nog enkele namen vermelden, en dan daarmede een einde maken aan dit werk.

Sommige geslachtsnamen staan tegenover elkanderen in eene soms zonderling schynende verhouding van tegenstelling. By voorbeeld: Van Boven en Van Beneden, Van den Begin en Van den Ende, Van den Hemel en Van de Helle, Van Hemelrijk en Van Aertrijck, Uitzinger en Insinger, Onderwater en Bovenwater, Helsloot en Donkersloot, Hameter en Spekmyder, Den Engel en Den Dievel, Zoet en Zuur, Van Aarde met Van den Hemel en Van de Helle, Hooisma en Strooisma, Oostra en Westra, enz. Deze tegenstellingen kunnen louter van toevalligen aard zijn; en ik meen dat dit by de vier eerstgenoemden dezer paren van namen dan ook in der daad het geval is. (Over Van Aertrijck zie men bl. 455). Maar by anderen dezer paren is opzet in het spel geweest. Immers de geslachtsnamen Bovenwater, Uitzinger en Strooisma zijn opzettelik bedacht, geformd, opgesteld om als tegenhangers dienst te doen van de geslachtsnamen Onderwater, Insinger en Hooisma. Deze laatste drie bestonden reeds lange eer de eerste drie voor den dag kwamen. Tamelik ongepaste en zeker weinig geestige scherts heeft, althans naar men my heeft medegedeeld, de namen Bovenwater en Uitzinger in het leven geroepen. Men schepte in den tijd dat iedereen eenen vasten geslachtsnaam moest aanveerden, onder sommige standen der maatschappy er wel eens behagen in, dwaze en ongepaste namen te bedenken, waar mede men ook wel eens een ander wilde ergeren. In dit werk is een en ander maal over deze dwaasgeformde namen gesproken. Wat ook de onmiddellike aanleiding moge geweest zijn van het ontstaan van den naam Onderwater als geslachtsnaam, dit is zeker dat de woorden onder en water, welke dezen naam samenstellen, in hunne gewone beteekenis, die zy in de nederlandsche taal hebben, moeten verstaan worden. Bovenwater is dus de wezenlike, de echte tegenstelling van Onderwater. Maar dit is geenszins het geval met de namen Uitzinger en Insinger. Laatstgenoemde naam toch bestaat niet uit het voorzetsel in en een woord singer, zinger, van het werkwoord zingen ontleend. Integendeel, deze naam is ontleend aan eenen plaatsnaam. Even als b. v. de geslachtsnaam Hamburger ontleend is aan den naam der stad Hamburg, en Ottolander aan dien van het dorp Ottoland (zie bl. 204), zoo is Insinger afgeleid van den naam van het dorp Insingen, het welk in het beiersche gewest Middel-Franken gelegen is, naby de stad Rothenburg aan de Tauber. De geslachtsnaam Uitzinger daarentegen is louter als tegenstelling van Insinger in de wereld gekomen, naar men my heeft verhaald. Intusschen, de naam Uitzinger kan ook nog anders geduid worden. By den arbeid van sommige werklieden, matrozen vooral en heiers, waar velen gesamentlik het zelfde werk verrichten, het hyschen van zeilen, het winden van ’t anker, het heien van palen (eer de stoomhei dat werk overnam), enz. is het noodig dat die arbeid, dat rukken en trekken, gelijkmatig geschiede. Daarom stelt men eenen man daar by, die ’n eentonig maatgezang aanheft, en op die maat volvoeren dan die lieden gelijkmatig hun werk. Dat maatzingen noemt het nederlandsche volk bepaaldelik uitzingen, en de man die het doet, is de uitzinger. En iemand, die gewoonlik met dat uitzingen belast werd, kon al spoedig den toenaam Uitzinger van zyne makkers hebben bekomen. Later kan die by- of toenaam gereedelik in eenen vasten geslachtsnaam overgegaan zijn. Toch is my verzekerd dat niet deze eenvoudige verklaring van den geslachtsnaam Uitzinger de ware is, maar dat deze naam in der daad als een tegenhanger van Insinger ontstaan is.

Ten jare 1811, by de vaststelling der geslachtsnamen, was zeker eenvoudig man, ten platten lande in Friesland, en die tot dien tijd toe geen geslachtsnaam gevoerd had, zoo min als zijn vader en grootvader vóór hem, verlegen welken naam hy zoude aannemen. Zijn buurman droeg den naam van Hooisma, en, meenende in dien naam het nederlandsche woord hooi te hooren, zoo noemde hy zich, als eene tegenstelling, Strooisma. Hooi en stroo toch behooren by elkanderen, zoo goed als hy en zijn buurman. Intusschen, de geslachtsnaam Hooisma heeft met het woord hooi niets te maken. Hy is afgeleid van den oud-frieschen mansvóórnaam Hoie, Hoio, is een patronymikon daar van, en beteekent eenvoudig: (zoon) van Hoio (zie bl. 63). In dezen zynen oorspronkeliken form is die mansvóórnaam Hoie heden ten dae in Friesland, en ook in de saksische gouen, waar hy oudtijds eveneens gebruikelik was, zeldzaam geworden. Maar in de verklein- en byformen Hoike, Hoitse, Hoise en Hoite is hy nog onder de Friesen in volle gebruik. Nevens Hooisma zijn nog de volgende patronymikale geslachtsnamen: Hoynk, Hooying en Hoying, Hooijenga en Hoyenga, Hooysma, verder Hoisingh, Hoitema, Hoytema en Van Hoytema, Hoitinga en Hoitenga, Hooites en Hoites, Hoits en Hoiten, Hoitsma en Hooitsma, Hoitsema, Hoitses, en vele plaatsnamen, van dezen zelfden ouden mansvóórnaam ontleend.—De eenvoudige man die zich dien geslachtsnaam Strooisma uitkoos als de weêrga van Hooisma, sloeg echter, louter luk-raak, toch nog eenen spyker op den kop. Hy kreeg toch nog eenen redeliken naam, daar een zin, eene beteekenis in ligt. Immers Strooisma en is niet zulk een onzinnige naam als b. v. Dwingersma is of Korensma, enz. Strooisma toch kan opgevat worden als slechts in tongval of in spelling te verschillen van den eveneens in Friesland inheemschen geslachtsnaam Stroosma. En dit Stroosma (Strosma ware beter geboekstaafd) is wel degelik een zinvolle naam, wel degelik een goed patronymikon, wel waarlik van eenen mansvóórnaam afgeleid. Te weten van den oud-germaanschen, ook door Förstemann vermelden naam Strodo, Strode, by afslyting Stro. Van dezen zelfden naam is ook het saksische patronymikon Stroïnk, dat nog heden in Twente als geslachtsnaam voorkomt, afgeleid. Als mede de geslachtsnaam Stroma, die oudtijds onder de groningerlandsche Friesen inheemsch was, maar heden ten dage, voor zoo verre my bekend, uitgestorven is. De saksische (twentsche) geslachtsnamen Hoynck en Stroink staan volkomen in de zelfde verhouding tot elkanderen, als de friesche namen Hooisma en Stroosma (Strooisma).

De geslachtsnaam Oostra is door een israëlitisch geslacht in Friesland aangenomen als tegenhanger van den van ouds reeds onder de Friesen voorkomenden geslachtsnaam Westra. Oostra is toevallig een goed friesche form (Eastra nogtans ware zuiverder friesch). En, omdat deze naam naukeurig overeenkomt in beteekenis met den oud-nederlandschen geslachtsnaam Van Oosten, zoo is Oostra zeker een zeer passende naam voor eenen frieschen Israëlyt, wiens voorouders immers uit het Oosten tot ons gekomen zijn.

Eene byzondere overeenkomst tusschen den eenen of anderen geslachtsnaam, en de eene of andere eigenschap van den drager van zulken naam valt ook dikwijls waar te nemen. Zoo was er in myne jeugd te Leeuwarden een wolkammer die Cammenga heette. Zoo is er een houthandelaar te Harlingen die Houtsma heet, en te Arum in Friesland een glazemaker die den naam Glazema draagt, even als een barbier en een schoenmaker te Wageningen, Scheerder en Schomaker geheeten, en een poelier te Amsterdam, die den naam Taling voert. Zoo werd voor eenige jaren (en misschien nog wel) het penningmeesters-ambt van zeker genootschap te Gent (my is ontgaan welke vereeniging het was) waargenomen door iemand die Mettepenningen (zie bl. 432) heette. En zoo draagt de hoofdbestierder van het antwerpsche nieusblad Le Précurseur den naam van Goemaere, dat is: goede tyding (zie bl. 446). Zeker een allerbeste naam voor eenen man die zulk eene betrekking vervult. Zie ook § 111. Zulke overeenkomsten zijn er velen op te merken in steden en dorpen, overal in de Nederlanden. Ook komen byzondere overeenkomsten voor tusschen de geslachtsnamen en de woonplaatsen van lieden welke die namen dragen. Een boer wonende aan de Abbegaster-rige, een gehucht by het dorp Abbega in Friesland, heet Riegstra; een andere, wonende op de Wonser-weren, een gehucht by het friesche dorp Wons, heet Weerstra. En nog een ander, die woont op de Bult, by Bellingawolde in Groningerland, draagt den geslachtsnaam Bultena, terwijl Kloosterboer de naam is van den boer die ter plaatse woont waar in de middeleeuen het klooster stond der Norbertyners, te Heiligerlee; zie bl. 125. En dat de boer die in den Scheurpolder woont, aan dien arm van de Maas, welke het Scheur heet, na by den Hoek van Holland, den geslachtsnaam draagt van Scheurwater, zal ook wel geen louter toeval zijn.

Trouens, opset is by deze overeenkomsten even dikwijls in het spel als toeval. Menigeen toch koos zich in 1811 eenen geslachtsnaam, die eene toespeling bevatte op het bedrijf dat hy uitoefende, of op de plaats waar hy woonde, gelijk herhaalde malen in dit werk, op verschillende plaatsen is aangetoond. En daar heden ten dage nog menig man de zelfde betrekking in de maatschappy vervult als zijn grootvader in het begin dezer eeu reeds deed, en eveneens nog menig kleinzoon heden ten dage op de zelfde plaats, in het zelfde huis woont als zijn voorvader reeds vóór hem, zoo vallen die overeenkomsten tusschen namen en persoonlike byzonderheden, vroeger opsettelik gemaakt, ook nog heden op te merken.