Title: Dante's Louteringsberg
Author: Dante Alighieri
Translator: H. J. Boeken
Release date: March 17, 2012 [eBook #39181]
Language: Dutch
Credits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net
De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.
Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.
Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een
dunne rode stippellijn,
waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.
Variaties in spelling (met/zonder accent, met/zonder koppelteken, met/zonder extra spatie) zijn behouden.
Van de illustraties van de voorkant en de titelpagina's is een vergroting beschikbaar door op de betreffende illustratie te klikken.
Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan het eind van dit bestand.
Dit e-boek is het tweede deel van “De Goddelijke Komedie” van Dante Alighieri.
De oorspronkelijke italiaanse versie van dit boek is ook als e-boek beschikbaar via Project Gutenberg:
La Divina Commedia di Dante: Purgatorio (e-boek #1010).
Via Project Gutenberg zijn ook de volgende vertalingen beschikbaar:
Het eerste deel van “De Goddelijke Komedie” is via Project Gutenberg beschikbaar als e-boek #30229: Dante's Hel, in proza overgebracht.
Dit Project Gutenberg e-boek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.
WERELDBIBLIOTHEEK
Onder leiding van L. Simons.
HET BOEK IS DE UNIVERSITEIT ONZER DAGEN.
UITGEGEVEN DOOR:
DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN
GOEDKOOPE LECTUUR·AMSTERDAM
DANTE'S
LOUTERINGSBERG
IN PROZA OVERGEBRACHT
DOOR DR. H. J. BOEKEN
DERDE DRUK—(9e, 10e en 11e DUIZEND)
1920
Lezers dezer vertaling worden gewezen op het hoogst belangrijke werk, in onze Wereld-Bibliotheek verschenen:
PROF. HENRI HAUVETTE: Inleiding tot de studie van de Divina Commedia. Vertaling William Davids.
Keurboek voor Vlamingen: „Als algemeene Inleiding tot de Goddelijke Comedie kon de W. B. geen beter werk kiezen dan de studie van Prof. Hauvette.”
Aankomst der beide Dichters op het andere Halfrond; ontmoeting met Cato van Utica, die hun de eerste voorschriften geeft.
1 Om koers te zetten over beter water, hijscht nu het scheepje van mijn ingeborenheid de zeilen, dat zóó gruwbare zee achter zich laat:
4 en zingen zal ik van dat tweede Rijk, waar de menschelijke geest zich loutert, en waardig wordt om naar den Hemel te stijgen.
7 Maar hier herrijze de doode Dichtkunst, o heilige Muzen, daar ik de Uwe ben, en dat Calliope hier een weinig hooger trede,
10 mijnen zang volgende met dat geluid, van het welk de rampzalige Eksteren den slag zóódanig gevoelen, dat zij aan vergiffenis moesten wanhopen.
13 Zoete kleur van oostelijk saffier, die zich gaarde in den wolkloozen aanblik van de zuivere lucht tot aan den eersten kring,
16 herbegon geneugt voor mijne oogen, zoodra ik naar buiten trad uit de doode lucht, die mij de oogen en de borst had bedroefd.
19 De schoone planeet, die tot minnen troost, deed het gansche Oosten glimlachen, verhullende de visschen, die in haren sleep gingen.
22 Ik wendde mij ter rechter hand, en richtte mijnen geest op de andere pool, en ik zag vier starren nimmer gezien, uitgezeid aan de eerste menschen.
25 De hemel scheen zich te verheugen in hunne vlammetjes. O noordelijke verweeuwde streek, daar gij verstoken zijt van die te bewonderen!
28 Toen ik mij van hunnen aanblik had losgemaakt, mij een weinig wendend naar de andere pool, daar waar de Wagen reeds verdwenen was,
31 zag ik dicht bij mij eenen oude alleen, zóó grooten eerbied in zijnen aanblik waardig, dat niet meerderen eenig zoon zijnen vader verschuldigd is.
34 Den baard droeg hij lang en met witte haren ondermengd, gelijkende op zijne lokken, van welke op zijne borst een dubbele lijst afhing.
37 De stralen der heilige vier lichten verluisterden zóó zijn aangezicht met licht, dat ik het zag alsof de Zon hem te voren ware.
40 „Wie zijt gij, die tegen den blinden stroom op den eeuwigen kerker zijt ontvlucht?” zeide hij, bewegende dat eerwaarde pluimaadje:
43 „wie heeft u geleid? Of wie was u een lamp, daar gij uitgingt buiten den duistren nacht, die altijd de vallei der onderwereld verdonkert?
46 Zijn de wetten des afgronds aldus verbroken? Of is men in den Hemel tot nieuw beleid veraêrd, dat gij, die veroordeeld zijt, komt tot mijne rotsen?”
49 Toen greep de Gids mij aan, en met woorden, handen en gebaarden, maakte hij mij de knieën en de wenkbrauw eerbiedbetuigend.
52 Voorts antwoordde hij hem: „Niet uit mij zelven ben ik gekomen; eene vrouw daalde neder uit den Hemel, door wier gebeden ik dezen met mijn gezelschap ter hulpe kwam.
55 Maar sinds het uw verlangen is dat meer worde verklaard van onzen toestand hoe die naar waarheid is, zoo kan het niet zijn dat het mijne aan u worde ontzegd.
58 Deze zag nooit den laatsten avond, maar door zijne dwaasheid was hij dien zoo nabij, dat er zeer weinig tijd was om terug te keeren.
61 Zooals ik zeide, werd ik tot hem gezonden om hem te redden, en er was geen andere weg, dan die langs welken ik mij heb begeven.
64 Getoond heb ik hem al het schuldige volk; en van nu aan ben ik van zins hem die zielen te toonen, die zich louteren onder uwe balije.
67 Hoe ik hem getogen heb, zoude lang zijn om u te zeggen: uit den hoogen daalt een vermogen, dat mij hem geleiden helpt opdat hij u zie en opdat hij u hoore.
70 Nu behage het u zijne komst in te willigen; hij gaat zoekende de vrijheid, die zoo dierbaar is, zooals hij weet die voor haar het leven weigert.
73 Gij weet het, daar om haar de dood voor u niet bitter was in Utica, waar gij het kleed liet, dat op den grooten dag zoo licht zal zijn.
76 Niet zijn de eeuwige wetten voor ons geschonden, omdat deze leeft en Minos mij niet verbant; maar ik ben van den cirkel, waar de kuische oogen
79 van uwe Marcia zijn, die, in haar gelaat u nog bidt, o heilige inborst, dat gij haar voor de uwe houdt: bij hare liefde dus neig u naar ons.
82 Laat ons gaan door uwe zeven rijken: dank zal ik van u aan haar overbrengen, zoo gij gewaardigt daar beneden genoemd te worden.”
85 „Marcia geviel zoozeer aan mijne oogen, zoolang ik aan gene zijde was,” zeide hij daarop: „dat welke gunst zij van mij verlangde, die deed ik.
88 Maar nu zij aan gene zijde van de slechte rivier woont, kan zij mij niet meer bewegen, door die wet, die gemaakt werd toen ik er uit kwam.
91 Maar indien eene Vrouw des Hemels u beweegt en stiert, zooals gij zegt, is er geene vleierij noodig: het zij voor u wèl genoeg, dat gij door haar het mij vraagt.
94 Ga dus en maak dat gij hem toerust met een glad takjen en dat gij hem het gezicht wascht, zoodat gij alle onreinheid daarvan wegwischt:
97 daar het niet zou betamen, het oog bevangen van eenigen nevel, te verschijnen voor den eersten dienaar, die is van diegenen van het Paradijs.
100 Dit eilandjen draagt rondom gansch in de laagte, daar beneden, daar waar de golf het slaat, van die takjes boven het zachte slijk.
103 Geen andere plant, die loover zou maken of harder zou worden, kan daar leven hebben omdat die niet aan de slagen (van het water) zou mee-geven.
106 Voorts zij niet hier-langs uw teruggang; de zon, die alsnu oprijst, zal u wijzen den berg te nemen ter makkelijkste bestijging.”
109 Zoo verdween hij en ik richtte mij op zonder te spreken, en voegde mij weder geheel bij mijnen Gids en richtte de oogen naar hem.
112 Hij sprak: „Zoon, volg mijne schreden: draaien wij ons naar achteren, omdat aan dien kant deze vlakte afglooit naar hare lage grenzen.”
115 De dageraad verwon de vroeg-ochtend-duisternis, die voor haar vlood, zoodat ik van verre het rimpelen van het zeevlak gewaar wierd.
118 Wij gingen langs het eenzame strand gelijk een mensch, die weerkeert tot den verloren weg, zoodat, tot hij daar komt, het gaan hem ijdel schijnt.
121 Toen wij waren daar waar de dauw tegen de zon strijdt, en door daar te zijn, waar schaduw is, maar langzaam verdwijnt;
124 toen legde mijn Meester de beide handen zacht boven het kruid uitgespreid; waarom, ik die zijne kunsten bemerkt had,
127 hem de betraande wangen bood: daar maakte hij me ganschelijk óntdekt die kleur, welke de Hel mij verborgen had.
130 Toen kwamen wij op dat verlaten strand, dat nooit mensch, die later van terugkeeren ondervinding heeft gehad, zijne wateren bevaren zag.
133 Hier bekranste hij mij, zooals dien anderen behaagd had; o wonder! daar zóó als hij er een geplukt had van de nederige plant, zooéén werd weer geboren
136 eensklaps daar, vanwaar hij die had weggerukt.
Wanneer de beide dichters aan het strand zijn, hunnen weg overdenkende, zien zij van over zee een schip aankomen. Onder de zielen, door dat schip aan land gezet, herkent Dante Casella. Wanneer Dante en de dooden zich door diens gezang een poos laten ophouden, schrikt Cato ze uiteen en naar den voet des bergs.
1 Reeds was de Zon tot dien horizont gekomen, welks middag-cirkel met zijn hoogste punt Jerusalem overstolpt:
4 en de nacht, die tegengesteld aan haar cirkelt, kwam uit den Ganges te voren met de Weegschalen, die haar uit de hand vallen, wanneer zij winnende is;
7 zoodat dáár, waar ik was, de witte en vermiljoenen wangen der schoone Aurora door te grooten leeftijd oranje werden.
10 Wij waren alsnog langs de zee, als menschen die hunnen weg bepeinzen, die gaan met het hart en met het lichaam blijven:
13 en zie hoedanig, onder de nabijheid des uchtends, Mars door de dikke dampen rood gloeit laag in het Westen boven het zee-vlak;
16 zóódanig scheen mij,—zoo waarlijk moge ik het nogmaals zien—een licht over de zee te komen zóó snel, dat geen vliegen zijn bewegen evenaart;
19 dan, daar ik een weinig het oog van hetzelve had afgetrokken om mijnen gids te vragen, herzag ik het, lichtender en grooter geworden.
22 Voorts aan elke zijde daarvan verscheen me een ik en weet niet wat voor wits, en van onder kwam er gaandeweg nog iet ander wits van naar buiten.
25 Mijn Meester sprak nog geen woord, totdat die eerste witheden vleugelen bleken: maar toen hij wèl den galjoot herkende,
28 riep hij: „Maak, maak dat gij de knieën buigt, zie hier den Engel Gods: vouw de handen: voortaan zult gij dusdanige dienstdoenden zien.
31 Zie hier eenen, die de menschelijke hulpmiddelen versmaadt, zoodat hij geen roeispaan wil, noch ook eenig ander zeil dan zijne vleugels, [varende] tusschen zoo verre kusten.
34 Zie hoe hij ze heeft gericht jegens den hemel, de lucht strookende met de eeuwige vederen, die niet veraêren zooals menschelijke haren.”
37 Voorts daar de hemelsche vogel meer en meer ons nader kwam, te lichter verscheen hij: waarom het oog hem van nabij niet verdroeg,
40 maar ik neeg het neder; maar hij kwam dichter bij den oever, met een hulkje zóó snel en zóó licht dat het water niets er van opslokte.
43 Aan den achtersteven stond de hemelsche veerman, zoodanig dat hij wel zalig bleek aan hetgeen op hem te lezen stond: en meer dan honderd geesten zaten er binnen in.
46 „Toen Israël uit Egypten toog” zongen allen te zamen op eene voois, met al wat er voorts van dezen psalm geschreven is.
49 Voorts maakte hij hun het teeken des heiligen kruises; waarna zij allen zich op het strand wierpen, en hij ging weg, vlug, zooals hij gekomen was.
52 De schare, die daar terug-bleef, vreemd bleek zij aan de plaats, schouwende in het ronde, gelijk degene die nieuwe dingen proeft.
55 Van alle kanten schoot den dag de Zon, die met de wel gemikte pijlen den Steenbok van het midden des hemels had verjaagd;
58 wanneer het nieuwe volk het voorhoofd op-hief jegens ons, zeggende tot ons: „Zoo gij het weet, wijst ons den weg, om tot den berg te gaan.”
61 En Virgilius antwoordde: „Gij meent wellicht dat wij kennis hebben van deze plaats; maar wij zijn vreemden, zoo als gij het zijt.
64 Zooeven kwamen wij een weinig vóór u, langs eenen anderen weg, die zóó ruw en moeielijk was, dat voortaan het stijgen ons een spel zal schijnen.”
67 De zielen, die van mij opgemerkt hadden, aan het ademen, dat ik nog levend was, werden, zich verwonderend, ontsteld;
70 en gelijk op den bode, die het olijf-loof draagt, het volk toeloopt om tijding te hooren, en niemand zich beschroomd toont om te dringen;
73 zóó bleven op het zien van mij alle deze gelukzalige zielen stil-staan, bijna vergetende om te gaan tot daar waar zij zich schooner zouden maken.
76 Ik zag er ééne van hen zich naar voren dringen om mij te omhelzen in zóó groote aandoening, dat hij mij bewoog om hetzelfde te doen.
79 O ijdele schimmen, uitgezeid in den aanblik! Drie malen sloeg ik de handen achter hem in één, en even zoovele malen kwam ik met ze terug op mijn borst.
82 Van verbazing, geloof ik, verschoot ik; waarom de schim glimlachte en zich terugtrok, en ik, volgende hem, ging naar voren.
85 Zachtelijk zeide hij dat ik zoude stilstaan: toen herkende ik wie hij was, en ik verzocht hem dat hij om tot mij te spreken een weinig zoude stil staan.
88 Hij antwoordde mij: „Zoo als ik u liefhad in het sterfelijk lichaam, zoo heb ik u lief, nu ik verlost ben; daarom blijf ik staan: maar gij, waarom gaat gij [dezen weg]?”
91 „Casella, om nog eenmaal te keeren daarheen waar ik ben, doe ik deze reis,” zeide ik: „maar hoe is u zoo groot tijdsverloop ontnomen?”
94 En hij tot mij: „Geen schade is mij gedaan, indien degene, die opneemt wanneer en wien hem behaagt, meerdere malen mij dezen overtocht heeft ontzegd,
97 daar van den Rechtvaardigen Wil zijn wil wordt
gemaakt.
Waarlijk heeft hij sedert drie maanden al wie
wilde ingaan, in allen vrede aangenomen.
100 Waarom ik, die nog zooeven der zee was toegekeerd, daar waar het water van den Tiber zich pekelt, welwillend door hem werd opgenomen.
103 Naar die uitmonding heeft hij nu weer den vleugel gericht; omdat zich dáar altijd vergadert, al wie niet naar den Acheron nederdaalt.”
106 En ik: „Zoo de nieuwe wet u noch te heugenis noch het gebruik van het amoureuze lied ontneemt, dat mij placht alle mijne begeerten te stillen,
109 gevalle het u daarmee een weinig mijne ziel te troosten, die met haar stoffelijk hulsel hier komende, zoozeer is vermoeid.
112 „Liefde, die mij in den geest redeneert,” begon hij toen zóó zoetelijk, dat de zoetheid mij nog binnen-in weerklinkt.
115 Mijn meester en ik en die lieden, die met hem waren, schenen zóó tevreden alsof niemand iets anders raakte.
118 Wij waren allen gericht en oplettend op zijne tonen en zie, de eerwaarde grijsaard, [komt] schreeuwende: „Wat is dit, trage geesten?
121 Wat nalatigheid, wat voor stil-staan is dit? Loopt naar den berg om u van de schellen te bevrijden, die u het gezicht tot God benemen.”
124 Gelijk wanneer, graan of onkruid pikkende, de duiven vereenigd ter voeding, gerust, zonder de gewone preutschheid te toonen,
127 als er een ding verschijnt, waarvoor zij vrees hebben, plotseling het voeder laten staan, omdat ze door grooter beslommering zijn besprongen;
130 zoo zag ik dat versche gezelschap het gezang laten varen en vluchten naar den bergkant, gelijk een mensch die gaat, maar niet weet waar hij uitkomt:
133 en niet minder snel was onze scheiding.
De beide Dichters, aan den voet van den rots-wand gekomen, zoeken een punt, waarlangs zij dien zullen kunnen beklimmen. Zij worden op den weg geholpen door eenigen uit de voorhoede van een schare van schimmen, die in minachting van de kerk hebben geleefd. Onder dezen is ook Manfred van Hohenstaufen, die aan Dante zijn dood en tegenwoordigen toestand verhaalt.
1 Hoewel de plotselinge vlucht genen over het landschap had verspreid, ten berg gewend, waarhenen de rede ons noopt;
4 drong ik mij aan tegen mijn getrouw geleide: en hoe zoude ik zonder hem den tocht hebben gedaan? Wie hadde mij [anders] den berg òp-getogen?
7 Hij scheen mij rouwig over zich-zelven. O waardig, onkreukbaar geweten, hoe is u kleine feil tot bitteren beet!
10 Wanneer zijn voeten aflieten van de haastigheid, welke den eerlijken zwier bij elke handeling vermindert, [toen] verruimde mijn geest, die eerst benepen was,
13 zijne aandrift, als begeerig, en ik zond mijne blikken tegen de helling op, welke de hoogste is, die zich uit zee ten hemel heft.
16 De zon, die rood achter mij vlamde, was vóór mij gebroken, naar den omtrek, welken de weerstand van hare stralen op mij had.
19 Ik wendde mij ter zijde, vreezende verlaten te zijn, daar ik alleen voor mij den grond verdonkerd zag:
22 en mijn Trooster: „Waarom zijt gij nog mistrouwig,” begon hij tot mij te zeggen, gansch balsturig: „gelooft gij mij niet met u en dat ik u leid?
25 De avond is reeds daar, waar het lichaam begraven is, binnen het-welke ik schaduw maakte: Napels bezit het, en van Brindisium is het weggenomen.
28 Dies, wanneer vóór mij geen schaduw komt, verwonder u des niet meer dan over de hemelen, dat de één voor den anderen geenen lichtstraal onderschept.
31 Om èn warme èn koude folteringen te doorstaan beschikt dát Vermogen gelijke lichamen, Dat niet wil dat zich aan ons onthulle hoe Het het doet.
34 Stomp is hij die hoopt dat onze rede den oneindigen weg kan doorloopen, die vat eene zelfstandigheid in drie personen.
37 Weest tevreden, menschelijk geslacht, met het Quia, daar, indien gij alles hadt kunnen zien, het niet noodig was dat Maria zwanger werd;
40 en begeeren zonder bate zaagt gij menigeen, want bevredigd ware hunne begeerte, die voor eeuwig hun tot foltering is gegeven.
43 Van Aristoteles en van Plato spreek ik, en van vele anderen.” En hier neeg hij het voorhoofd; meer sprak hij niet, en hij bleef mismoedig.
46 Wij kwamen onderwijl aan den voet van den berg: daar vonden wij de rots zóó steil, dat te vergeefs de beenen daar vlug zouden zijn geweest.
49 De woestste en steilste rotswand: tusschen Lerici en Turbia is, vergeleken met dezen, een lichte en begaanbare trap!
52 „Nu, wie weet er aan welke hand de steilte mindert,” zeide mijn Meester, den tred vertragend: „zóódat, wie zonder vleugels gaat, haar bestijgen kan?”
55 En terwijl hij, den blik naar omlaag houdende, de gesteldheid des wegs onderzocht, en ik rondom tegen de rots òp-staarde,
58 verscheen mij van de linkerhand eene schaar van schimmen, die de voeten te-ons-waart bewogen; en men zag het niet, zóó langzaam kwamen zij.
61 „Hef,” zeide ik tot den Meester: „uwe oogen op: zie aan deze zijde [is er iemand] die ons raad zal geven, indien gij dien uit u zelven niet kunt hebben.”
64 Toen keek hij, en met vrijen blik antwoordde hij: „Laat ons daarhenen gaan, daar zij langzaam komen; en gij, stijf uwe hoop, dierbare zoon.”
67 Nog was dat volk, ik bedoel nadat wij duizend schreden hadden gedaan, zóó verre als een goed werper met de hand zou werpen;
70 wanneer zij zich allen aan de harde rotsen van den hoogen wand drongen, en stil en opééngedrongen stonden, gelijk hij, die twijfelende gaat, stil blijft staan om te kijken.
73 „O ter goeder uur gestorvenen, o reeds verkoren geesten,” begon Virgilius: „bij dien vrede, die ik geloof dat u allen te wachten staat,
76 zegt ons waar de berg [vlakker] ligt, zoodat het naar boven gaan mogelijk zij; daar het tijd-verliezen aan wie meer weet, te meer mishaagt.”
79 Gelijk de schapen komen uit de kooi, één, getweeën, gedrieën, en de anderen staan vreesachtig, met oog en muil naar beneden gericht,
82 en dat wat de eerste doet, dat doen ook de anderen, tegen den rug van dezen opdringend als deze blijft stilstaan, onnoozel en zachtkens en het waarom weten zij niet:
85 zóó zag ik toen den kop van die gelukzalige kudde zich bewegen om te komen, kuisch van aangezicht en eerbaar in den gang.
88 Toen zij aan mijn rechter kant het licht voor mij op den grond gebroken zagen, zoodat de schaduw van mij op den rots-wand was,
91 stonden zij stil, en trokken zij zich een weinig terug; en alle degenen, die meer achter aankwamen, niet wetende waarom, deden hetzelfde.
94 „Zonder dat gij mij vraagt, verklaar ik u, dat dit een menschelijk lichaam is, dat gij ziet, door hetwelk het licht van de zon op den grond is gespleten.
97 Verwondert u niet, maar gelooft, dat, niet zonder vermogen, dat van den hemel komt, hij dezen wand zoekt te boven te komen.”
100 Aldus de Meester. En dat waardige volk: „Keert u,” zeide het: „komt bij ons in en gaat dan voort,” met de ruggen der handen een teeken gevende.
103 En één van hen begon: „Wie gij ook zijt, keer dan, aldus voortgaande, het gezicht naar mij. Let op of gij mij ginds ooit hebt gezien.”
106 Ik wendde mij te hem-waart, en beschouwde hem strak: blond was hij en schoon en van edelen aanblik; maar de ééne der wenkbrauwen had een houw gedeeld.
109 Wanneer ik nederig ontkend had hem ooit gezien te hebben, zeide hij: „Nu zie;” en hij toonde mij eene wonde boven aan de borst.
112 Voorts zeide hij glimlachende: „Ik ben Manfred, kleinzoon van Keizerin Constantia: waarom ik u bid dat, wanneer gij wederkeert,
115 gij tot mijne schoone dochter gaat, die moeder is van de eer van Sicilië en Arragon, en dat gij haar de waarheid zegt, indien iets anders wordt verteld.
118 Nadat mijn lichaam doorstoken was van twee doodelijke stooten, gaf ik mij weenende over aan Dengene, die gaarne vergeeft.
121 Gruwelijk waren mijne zonden; maar de oneindige Goedheid heeft zóó groote armen, dat Zij opneemt al wie zich tot Haar wendt.
124 Indien de Herder van Cosenza, die door Clemens was uitgezonden op de jacht naar mij, toen in God's Woord wèl die Bladzijde gelezen had,
127 dan zouden de gebeenten van mijn lichaam nog zijn aan den opgang van de brug dicht bij Benevento, onder de bewaking van de zware zerk.
130 Nu besproeit ze de regen en beweegt ze de wind buiten 't Koninkrijk, nabij den Verde, waarheen hij mij had overgebracht met gedoofde lichten.
133 Door hunnen banvloek gaat men niet zóó verloren, dat de eeuwige Liefde niet kan wederkeeren, zóólang de hoop nog iets groens heeft.
136 Waarheid is dat al wie sterft in minachting van de Heilige Kerk, ook al berouwt hij zich ten laatste, hem voegt het buiten dezen rots-rand te vertoeven,
139 voor elken tijd, dat hij in zijn verstoktheid is geweest, dertig [tijden], indien zoodanig vonnis niet korter wordt door goede gebeden.
142 Zie dan nu of gij mij blijde kunt maken, onthullende aan mijne goede Constantia hoe gij mij gezien hebt, en ook dit verbod;
145 wijl men hier door die van ginds veel wint.”
De beide Dichters bestijgen den rots-wand en komen op een weg, loopende rondom den berg. Virgilius verklaart hoe de zon zich nu links vertoont, wanneer men oostwaarts ziet. Ontmoeting met de luien, die hunne bekeering tot aan het einde van het leven hebben uitgesteld.
1 Wanneer door geneugten of wel door smarten, welke eenig vermogen van ons opvat, de ziel zich wèl tot dat [vermogen] bepaalt,
4 blijkt het dat zij op geen ander vermogen meer acht slaat; en dit is tegen die dwaling, die gelooft dat de ééne ziel boven de andere in ons ontstoken wordt.
7 En daarom, wanneer men iets hoort of ziet, dat de ziel sterk op zich gericht houdt, [dan] gaat de tijd, en de mensch bemerkt het niet:
10 want een ander vermogen is dat, dat het hoort, en een ander is dat, hetwelk de gansche ziel heeft: dàt is als 't ware gebonden, en dit is vrij.
13 Hiervan had ik de ware ondervinding, daar ik naar dien geest hoorde en hem aanstaarde; want wel vijftig graden gestegen was
16 de Zon, en ik had het niet bemerkt, wanneer wij kwamen daar waar die zielen éénstemmig tot ons riepen: „Hier is uw verlang.”
19 Grooter opening stopt dikwijls met een vertakte doorntwijg de gaardenier dicht, wanneer de druif verdonkert,
22 dan het pad was, waarlangs mijn Gids en ik achter hem opklommen, wij alleen, zoodra de schare zich van ons afscheidde.
25 Naar Sanleo gaat men en naar Noli daalt men af, boven Bismantova klimt men naar den top met de voeten alleen; maar hier voegt het dat de mensch vliege:
28 ik bedoel met de vlugge vleugelen en met de vederen der groote begeerte, opgetogen achter hèm aan, die hoop aan mij gaf en licht voor mij maakte.
31 Wij klommen op tusschendoor de gebroken rots, en de kant ervan raakte ons aan beide zijden, en de bodem verlangde handen en voeten naar omlaag.
34 Wanneer wij op den bovensten rand waren van
den hoogen rotswand, op de opene plaats:
„Mijn meester,” zeide ik: „welken weg zullen wij
opgaan?”
37 En hij tot mij: „Geen van uwe schreden dale: stadig den berg bestegen achter mij aan, totdat eenig ervaren geleide voor ons opdage.”
40 De top was zóó hoog dat hij het gezicht te boven ging en de kant was vrij wat steiler dan de straal van den kwadrant, wanneer die halver wege op het middenpunt staat.
43 Ik was moede, wanneer ik begon: „O zoete vader, keer u om en zie hoe ik alleen achter blijf, zoo gij niet stil staat.”
46 „O zoon, trek u tot hiertoe op,” zeide hij, mij met den vinger een weinig lager een richel wijzende, die aan dien kant den ganschen berg omkringt.
49 Zoo prikkelden mij zijne woorden dat ik mij geweld aandeed, achter hem aan naar boven kruipend, totdat mij die richel onder de voeten was.
52 Daar zetten wij ons beiden neder om te zitten, gericht naar het Oosten, van waar wij waren opgestegen; welke aanblik den mensch pleegt te verheugen.
55 Eerst richtte ik de oogen naar de lage kusten; voorts hief ik ze op naar de zon, en ik verwonderde mij dat wij ter slinker door haar werden beschenen.
58 Wèl wierd de Dichter het gewaar dat ik geheel verstomd stond over de zonnekar, daar zij tusschen ons en het Noorden opging.
61 Waarom hij tot mij: „Zoo Castor en Pollux in gezelschap waren van dezen spiegel, die boven en beneden zijn licht rondleidt,
64 zoudt gij den rooden Dierenriem nog dichter tegen de Beren gedrongen zien kringen, zoo hij niet van den ouden weg is afgeweken.
67 Indien gij het u wilt denken hoe dit is, keer in u zelf en stel u voor dat Sion tegenover dezen berg op de aarde staat
70 derwijze, dat zij beiden éénen eenigen Horizont en verscheiden halfronden hebben; waarom gij zien zult hoe het sluit dat het pad, dat ter kwader ure Phaëton niet te berijden verstond,
73 aan de ééne zijde gaat van dezen [berg], terwijl hij aan de andere zijde van genen [berg] gaat, indien uw verstand helder ziet.”
76 „Zeker heb ik, Meester mijn,” zeide ik: „nooit zóó helder gezien, als ik nu, met dat deel van mijn verstand, dat kreupel scheen, inzie
79 dat de midden-cirkel der Hemelsche Beweging, die in zekere kunst Equator genoemd wordt, en die altijd tusschen de Zon en den Winter blijft,
82 om de reden, die gij zegt, van hier evenver noordwaarts af is, als de Hebreeuwen hem zuidwaarts van zich verwijderd zagen.
85 Maar zoo het u gevalt, gaarne zoude ik weten, hoever wij hebben te gaan, daar de helling hooger stijgt dan mijne oogen kunnen stijgen.”
88 En hij tot mij: „Deze berg is zoo, dat hij altijd van onder moeielijk is om te beginnen, en dat hoe hooger de mensch komt, hij hem te minder bezwaarlijk valt.
91 Daarom, wanneer hij u zoo geneugtelijk zal schijnen, dat het gaan u zóó licht is, als het te scheep stroomafwaarts gaan,
94 dan zult gij aan het einde van dit pad zijn; verwacht dus daar uit te rusten van de vermoeienis: meer antwoord ik niet, en dit weet ik voor waarheid.”
97 En, toen hij zijn woorden gezegd had, klonk eene stem van dicht bij: „Wellicht zult gij te voren nog noodig hebben te zitten.”
100 Bij den klank van haar draaide elk van ons zich om; en wij zagen ter linker een groot rotsblok, hetwelk noch ik, noch hij eerst hadden opgemerkt.
103 Daarheen togen wij; en daar waren personen die zich in de schaduw bevonden achter de rots, gelijk de mensch uit luiheid zich pleegt te bevinden.
106 En één van hen, die mij toescheen moede te zijn, zat en omarmde zich de knieën, het gezicht daartusschen naar omlaag houdende.
109 „O zoete Heer mijn,” zeide ik: „beöog dezen, die zich veel loomer betoont dan of de luiheid zijn zusterlijn ware.”
112 Daarop wendde hij zich tot ons, en werd oplettend, de blikken richtend over de heup en zeide: „Ga gij maar òp, gij die zoo krachtig zijt.”
115 Toen herkende ik wie hij was; en die amechtigheid, die mij toen nog een weinig den adem versnelde, verlette mij niet tot hem te gaan: en voorts
118 toen ik tot hem was gekomen, hief hij nauwelijks het hoofd op, zeggende: „Hebt gij wel gezien, hoe de zon aan den linkerkant den wagen leidt?”
121 Zijne luie gebaren en korte woorden bewogen mijne lippen een weinig tot een lach; voorts begon ik: „Belacqua, nu treur ik
124 niet meer over u; maar zeg mij: waarom zijt gij hier gezeten? Wacht gij geleide, of heeft weer de gewone hebbelijkheid u ingenomen?”
127 En hij: „Broeder, het opwaarts gaan wat baat het? daar mij niet tot de martelingen toe zou laten de Engel Gods, die boven de Poort zit.
130 Eerst moet het dat de Hemel zich zoovele malen om mij draait buiten het leven als hij zich in het leven om mij draaide, omdat ik de goede zuchten tot het einde verdaagde,
133 indien gebed mij eerder niet te hulpe komt, dat opgaat uit een hart, dat in genade leeft; want wat baat het andere, dat in den hemel niet wordt gehoord?”
136 En reeds steeg de Dichter voor mij op, en zeide: „Kom nu, zie dat de Middagcirkel reeds door de Zon wordt geraakt, en dat aan de grens [van de beide halfronden] de nacht met de voeten Marocco raakt.