Wanneer wij spreken van de Donkere eeuwen van de Europeesche geschiedenis, gebruiken wij die uitdrukking gewoonlijk tamelijk vaag om een niet gemakkelijk te bepalen tijdperk van de Middeleeuwen aan te geven. Het is moeilijk, misschien zelfs niet mogelijk, eenige eeuw of zelfs in het algemeen eenige periode te vinden, waarin de duisternis met gelijke sterkte over geheel West-Europa heerschte; en wij kunnen niet nalaten op te merken, dat de hoedanigheid van de duisternis in de verschillende landen zeer ongelijk was; want ofschoon onwetendheid, bijgeloof, misdaad en wreedheid meestal hand in hand gaan, is het toch ook wel voorgekomen, dat de afschuwelijkste misdaden, onmenschelijkheid en goddeloosheid bestaan hebben in een gouden eeuw van wetenschap en aesthetische verfijning, behangen, om zoo te zeggen, met Raffaeleske gobelins. Ja zelfs, men zou er ons niet van kunnen beschuldigen een verkeerde uitdrukking te gebruiken, indien wij den tijd van de Borgia’s, welke toch tevens de tijd van de Renaissance was, de donkerste periode van de Roomsche Kerk noemden,—misschien zelfs donkerder dan het pontificaat van Johannes XII.
Wat Italië echter betreft, of misschien juister gezegd, Rome, kunnen wij, meen ik, de negende en tiende eeuw en de helft van de elfde, laten wij zeggen 830–1050, als het somberste tijdperk van de Donkere Eeuwen beschouwen. In vroeger tijden waren er lange perioden geweest, waarin het geheele land, geteisterd door het zwaard, het vuur, hongersnood en pest in een ellendigen toestand was geraakt, maar de voortwoekerende kanker van inwendige verdorvenheid gedurende de donkerste eeuwen van de geschiedenis van het Christelijke Rome was oneindig afschuwelijker dan alle ellende die het geleden heeft door barbaarsche of Byzantijnsche vijanden.
Een eenigszins volledig verslag van deze Donkere Eeuwen in de Italiaansche geschiedenis zou meer bladzijden beslaan, dan dit boek bevat. Wij moeten ons dus tevreden stellen met eenige algemeene opmerkingen te maken en een paar beschrijvingen te geven van de levenswijze en gewoonten van die dagen. Soms krijgen wij door de vluchtige schildering van een enkel tooneel een beteren en meer blijvenden indruk van het karakter van een tijd dan door vele woorden.
Wij kunnen ons voorstellen, dat de oorspronkelijke voorraad van klassieke kunst en literatuur langzamerhand verminderd is gedurende de drie eeuwen, die volgden op den tijd der Antonini en dat de klassieke invloed nauwelijks meer van kracht is geweest in de dagen van Theoderik en tijdens de Lombardische overheersching, wanneer wij de litteraire werken van Boëthius, Cassiodorus en Amalasuntha uitzonderen en ook eenige scholae, die de traditie van klassieke kunst hoog hielden.
Het is waar, dat er in de kloosters een zekere soort van beschaving beoefend werd, die berustte op klassieke geschriften, ofschoon deze beschaving bijna geheel was gericht op theologische en vrome doeleinden. Deze cultuur verbreidde zich, zelfs vóór den tijd van Benedictus en Monte Cassino, in de woeste streken van Gallië en Brittannië, zoodat er ten tijde van Gregorius den Groote en Theodelinda in dat opzicht waarschijnlijk meer beschaving was te Tours, Bangor-Iscoed en Caerleon, of in Ierland en het Iersche St. Gallen, dan in Rome; en bijna een eeuw voor Karel den Groote, in een periode, toen de duistere nevelen zich steeds dichter over de hoofdstad van het Westelijke Christendom samenpakten, kon het vaderland van Beda er aanspraak op maken een belangrijk centrum van Europeesche wetenschap te zijn en had St. Bonifacius den titel van Apostel van Duitschland verworven.
Karel de Groote was de beschermheer van de wetenschap, zooals die door de monniken bewaard is, een wetenschap, die bezield was met slechts weinig geestdrift voor hetgeen groot is in de oude literatuur en kunst, maar die ten minste de krachten van de literaire beschaving levendig hield1. Aan zijn hof vinden wij een aantal geleerde mannen, zooals zijn biograaf Einhart (Eginhard), Paulus Diaconus, en den Engelschman Alcwin, den raadsman van den Keizer, die bijzonder bij hem in de gunst stond en op wiens raad in verschillende streken scholen werden gesticht. Men zegt ook, ofschoon het niet gemakkelijk te bewijzen is, dat Karel vele kerken liet bouwen en de kunst begunstigde. Hoe dit ook zij, wij weten, dat zijn liefde voor schoone kunstwerken geen gewetensbezwaren kende, daar hij Ravenna van vele prachtige marmeren beelden beroofde om zijn paleis en kathedraal te Aken te versieren. In het Karolingische2 tijdperk werd Rome, en met Rome ook het grootste deel van Italië, behalve die steden, die onder Byzantijnsche heerschappij of in verband met het Oosten stonden, zooals Venetië, of die, zooals Palermo en Messina, met de Saraceensche beschaving in aanraking kwamen, in steeds dieper duisternis gehuld en tijdens het sociale en politieke verval, veroorzaakt door den regno d’Italia independente en de regeering van Marozia, Alberik en Johannes XII was te Rome de dofheid misschien het ergst. Sommige schrijvers trachten aan te toonen, dat wij ten opzichte van deze eeuwen misleid worden door het gebrek aan goede berichtgevers en dat wij over den algemeenen toestand geen oordeel kunnen vellen op grond van de droevige literaire voortbrengselen, die overgebleven zijn3. Men vertelt ons, dat Duitschland nooit geleerder en voortreffelijker bisschoppen heeft bezeten, dan aan het einde van de tiende en in het begin van de elfde eeuw. Dat kan volkomen waar zijn. Zooals wij reeds opgemerkt hebben, heerschte de Donkerste Eeuw niet in denzelfden tijd met dezelfde intensiteit over geheel West- en Midden-Europa. In de tiende eeuw waren er middelpunten van wetenschap, zooals Reims en Cluny. Ook Duitschland was waarschijnlijk in dat tijdperk met meer licht gezegend dan Rome, en die geleerde en voortreffelijke bisschoppen waren zonder twijfel door Duitsche koningen gekozen en geen handlangers van de Pausen. Maar hoe was het met Italië in die eeuwen gesteld? En hoe was het in Rome zelf?
Van den socialen en intellectueelen toestand in het overige gedeelte van Italië gedurende het tijdperk, dat wij de Donkere Eeuwen (c. 830–1050) kunnen noemen, weten wij weinig, maar het is duidelijk, dat, niettegenstaande de voortdurende burgeroorlogen, die er tot de komst van Otto den Groote gewoed hebben, in sommige van de noordelijke steden, die zich reeds een tamelijk groot zelfvertrouwen en onafhankelijkheid verworven hadden, de zeden en de opvoeding op een belangrijk hooger trap van beschaving stonden, dan in de stad, die er zich op beroemde de metropolis van den godsdienst van West-Europa te zijn. Kunstgevoel en kunstvaardigheid stonden in ieder geval beslist hooger in de noordelijke steden, zooals men kan zien, wanneer men de eerste teekenen van die schitterende Romaansche architectuur, die zich weldra in al haar schoonheid in die streken4 zou ontwikkelen, vergelijkt met de volstrekte doodschheid van alle oorspronkelijke kunst gedurende dezen geheelen tijd in Rome. Terwijl Pisa plannen maakte om te beginnen met den bouw van den Dom en Venetië de S. Marco herbouwde en die kerk met wondermooie mozaïeken versierde, ondernam men in Rome niets dan reconstructies, waarvoor de oude monumenten zonder genade werden geplunderd; en de mozaïekkunst was verdwenen5.
Tijdens de heerschappij van de Saksische en Frankische Keizers, in den loop van de elfde eeuw, begint het eerste licht van een nieuwen dageraad, die over Italië zou opkomen, door te breken. De roem van de Italiaansche hoogescholen te Bologna en te Salerno dringt tot ons door. (De laatste evenwel heeft waarschijnlijk haar vermaardheid op het gebied van geneeskunde en wiskunde te danken aan de Saracenen.) Wij hooren ook van geleerde Italianen in verre landen, zooals Lanfranc en Anselmus, die beiden priors waren van de beroemde Abdij van Sainte-Marie-du-Bec en beiden Aartsbisschoppen van Canterbury, de een geboortig uit Pavia, de ander uit Aosta. Kort daarna, ongeveer in de jaren van 1030 tot 1040, hooren wij van Abelard, die voor een buitengewoon talrijk gehoor voordrachten houdt te Parijs en van zijn leerling, Arnold van Brescia, wiens gloeiende geestdrift gedurende korten tijd als een vuurbaak haar licht, dat, helaas, al te spoedig zou worden uitgebluscht, laat schijnen voor de vrienden van de wetenschap en de vrijheid. En nu worden de republieken in Lombardije met een zoo krachtigen geest bezield, dat zij vol verwachting zijn die staatkundige vrijheid te zullen veroveren, waardoor zij, niettegenstaande vele droevige en beklagenswaardige gebeurtenissen, zich met grooten moed en standvastigheid een weg gebaand hebben naar het licht.
44. Kathedraal van Cefalù, Sicilië.
Men heeft weleens beweerd, zooals ook reeds is opgemerkt, dat de stand der wetenschap in Italië, zelfs in Rome, gedurende de Donkere Eeuwen in werkelijkheid niet zoo slecht was, als wordt aangenomen6. Men heeft verzekerd, dat er meer scholen waren in Italië dan in eenig noordelijk land en dat te Rome de geleerdheid op een hoog peil stond, vooral onder de leeken (zulke leeken als de heeren van het hof van Marozia, of de Graven van Tusculum?), en dat, indien de Pausen en de geestelijkheid van Rome slechts weinig belangstelling in zulke dingen toonden, de oorzaak daarvan was, dat zij verdiept waren in zaken van groot belang—dergelijke zaken misschien als de uitbreiding van de wereldlijke macht van de Kerk en de verbanning of vergiftiging van hun staatkundige vijanden of tegenpausen.
Zelfs indien wij deze verzekering aannemen en toegeven, dat er geleerde Grieken te Rome waren, en bibliotheken en vele oude handschriften, die later zijn verdwenen, dan zijn wij toch gedwongen er bij te voegen, dat het bestaan van scholen en geleerdheid in de hoofdstad van het Christendom de onzedelijkheid, het bijgeloof en de wreedheid, die daar toen heerschten, des te feller doen uitkomen. En dat de toestand zoodanig was, is niet moeilijk te bewijzen. Zooals Gregorovius terecht zegt, leefden Pausen, geestelijken, edelen en het volk in een toestand van barbaarschheid, die bijna onbegrijpelijk is, en Rome had zich niet slechts diep vernederd tegenover het Christendom en de wetenschap van Gallië, Brittannië, Duitschland en Byzantium, maar ook tegenover die Arabische Muzelmannen, die wel de Campagna verwoestten en de altaren van de heiligen ontwijdden en plunderden, maar toch het licht van de wetenschap—van wiskunde, wijsbegeerte, geneeskunde en sterrekunde—van Bagdad naar Alexandrië, van Alexandrië naar Sevilla verspreidden7. En ofschoon Rome zelf zich van die vernedering misschien niet bewust was, aan de buitenwereld was het bekend genoeg. De minachting, die de Byzantijnen voor de Romeinen gevoelden, blijkt ten duidelijkste uit de smadelijke woorden van Keizer Michael, die in zijn brief aan Paus Nicolaas I (c. 860) hun taal8 een taal van barbaren en Scythen noemt; en de hoonende schimpwoorden, waarmede de bisschoppen van de Gallische Kerk, die in 900 ongeveer te Reims vergaderd waren, de ongeletterde geestelijkheid van Rome en den Paus zelf aanvielen, geven ongetwijfeld het algemeene gevoelen van de noordelijke Christenen goed weer. En zeker rijst Rome en het Pausdom niet in onze achting, wanneer wij vernemen, dat deze smaadrede door den pauselijken gezant beantwoord werd met de verzekering, dat God in den beginne den eenvoudige en ongeletterde had uitverkoren om de wijsheid van de wereld te vernietigen en dat de Vicarissen van den H. Petrus en hun discipelen “niet behoefden vetgemest te worden aan den trog van Plato, Vergilius, Terentius of een ander dergelijk philosophisch varken”. Maar een paar schetsen van hetgeen in Rome gedurende deze Donkere Eeuwen werkelijk gebeurd is, zullen beter in staat zijn ons een indruk te geven, hoe het met den godsdienst, zedelijkheid en menschelijkheid gesteld was.
In een vroeger hoofdstuk hebben wij de manie beschreven, die reeds in vroeger dagen ten doel had de lijken of beenderen van heiligen en martelaars te verzamelen, en ook het bijgeloof, dat samenhangt met miraculeuze werkingen van beenderen en brandea (vgl. p. 63 noot); en bij verschillende gelegenheden is melding gemaakt van de vermeende ontdekking en de vreemde lotgevallen van sommige beroemde reliquieën (zooals die van den H. Markus, H. Petrus, H. Paulus, H. Bartholomeus, H. Augustinus); ook hebben wij reeds gesproken van den trots, dien de steden en de stichters van kerken gevoelden, wanneer zij het lijk van een heilige hadden kunnen koopen, of, voor het geval dat onmogelijk bleek (want een ongeschonden echt lijk was buitengewoon kostbaar), wanneer het hun gelukt was ook slechts de helft of een vierde deel van een dood lichaam te bemachtigen, dat zij zoo vurig verlangd hadden te bezitten.
Daar het aantal kerken over de geheele Christelijke wereld toenam, werd de vraag naar lijken en gebeenten steeds grooter en de instelling van bedevaarten9 had ten gevolge, dat de voorraad voortdurend moest aangevuld worden, want elke roméo (pelgrim, die naar Rome trok, Roomvaarder), verlangde vurig reliquieën machtig te worden, zooals de tegenwoordige toerist curiositeiten verzamelt; en dus moesten de reliquieën, evenals de moderne antiquiteiten, “aangemaakt” worden. Catacomben en graven werden des nachts geplunderd, en de graftomben in de kerken moesten door gewapende mannen worden bewaakt. Rome, zegt Gregorovius, geleek op een vermolmde begraafplaats, waar de hyena’s huilden en vochten, terwijl zij begeerig naar lijken groeven. En deze lijken en geraamten werden voorzien van etiquetten met de namen van bekende heiligen en bij stukken en brokken aan de pelgrims verkocht. Soms ook gelukte het een dapperen vreemdeling een kostbare reliquie uit een kerk te stelen10. In 827 ontvoerden Frankische bedevaartgangers de gebeenten van den H. Petrus en den H. Marcellinus naar Soissons, en een presbyter van Reims had het geluk in 849 het vermeende lijk van St. Helena, Constantijn’s moeder, machtig te worden. Soms ook vereerde de Paus, als een zeer bijzondere gunst, een of andere buitenlandsche kerk of vorst met een kostbaar lijk. “Deze doode lichamen”, zegt Gregorovius, “werden op rijk versierde voertuigen overgebracht en een eind weegs door de bevolking van Rome in plechtige processie, met brandende toortsen en onder vroom gezang, uitgeleide gedaan; en uit elke stad stroomden, bij de nadering van den wagen, de burgers den optocht te gemoet, terwijl zij smeekend hun hoop op miraculeuze genezingen te kennen gaven. Wanneer het heilige lichaam op de plaats van zijn bestemming, een stad of klooster in Duitschland, Frankrijk of Engeland, aankwam, werd het verwelkomd met triomfliederen en werden er gedurende vele dagen feesten gevierd”. Oorlogen zelfs werden er ondernomen voor een vurig begeerde reliquie. Zoo dwongen bijvoorbeeld de Hertogen van Benevento, nadat zij Napels en Amalfi onderworpen hadden, hun verschrikte slachtoffers de mummies van St. Januarius en St. Triphomena, als prijs voor den vrede, uit te leveren. Het was een van deze Hertogen, Sicard, die er in slaagde het lijk van St. Bartholomeus machtig te worden; over de wonderbare reis van dat lichaam hebben wij reeds vroeger gesproken (p. 305 n.). “Deze hertog”, vertelt Gregorovius, “zond zijn agenten uit om overal langs de kusten en eilanden van Italië beenderen en schedels en andere reliquieën te gaan zoeken en veranderde de kathedraal van Benevento in een knekelhuis”.
Dit afschuwelijk verlangen naar lijken en beenderen is nooit volkomen verdwenen in de Christelijke wereld, en dat het nog zeer sterk was aan het einde van de Donkere Eeuwen, kan men afleiden uit het feit (want als zoodanig wordt het medegedeeld), dat, toen St. Romualdus, de stichter van de Benedictijner Orde van Camaldoli, Italië zou verlaten, hem sluipmoordenaars achterna werden gezonden met de opdracht, om, zoo mogelijk, zich van zijn lijk te verzekeren, liever dan hem naar zijn eigen land te laten trekken, zoodat hij geheel verloren zou zijn. Ongelukkig ontsnapte hij11.
Het merkwaardige verhaal van “Pausin Johanna” (la Papessa Giovanna) ligt buiten het gebied van de vaststaande feiten, maar valt niet buiten het gebied van de historie, want de geschiedenis moet geen mogelijkheden verwerpen en evenmin een geloof negeeren, dat invloed heeft gehad op den gang der gebeurtenissen; en dit verhaal, ofschoon het waarschijnlijk eerst in de dertiende eeuw ontstaan en misschien verzonnen is door eenige van de vele heftige vijanden van het Pausdom, in het bijzonder van Paus Bonifacius VIII, werd eeuwen lang, zooals Gregorovius ons mededeelt, geloofd door kroniekschrijvers en door bisschoppen, ja zelfs, door Pausen en verder door iedereen. Hoe krachtig dit geloof was, wordt bewezen door het feit, dat twee eeuwen lang (1400–1600) het borstbeeld van “Johannes VIII, femina ex Anglia”, tusschen de borstbeelden van de Pausen in de Kathedraal van Siena stond12.
Volgens het verhaal was “Pausin Johanna” de dochter van een Angelsakser; maar zij was geboren in het Rijnland, te Ingelheim, waar Karel de Groote een kasteel had, gelegen tusschen Mainz en Bingen. Zij was te Mainz wegens haar geleerdheid zeer gezien en kwam, als man verkleed, in het beroemde klooster van Fulda (tusschen Frankfort en Bebra), dat ongeveer tachtig jaar vroeger gesticht was door den Engelschen zendeling in Duitschland, St. Bonifacius, den Aartsbisschop van Mainz. Later studeerde zij, naar men vertelt, in Engeland en ook te Athene, en kreeg daarna de betrekking van leeraar aan de Schola Graecorum te Rome, waar van oudsher diakenen hun opleiding genoten; en daar verwierf zij zoo grooten invloed, dat zij na den dood van Leo IV tot Paus werd gekozen (omstreeks 855). Na een pontificaat van twee jaren, éen maand en vier dagen, zooals de kroniekschrijvers nauwkeurig hebben berekend, werd haar geslacht ontdekt, daar zij, tijdens een plechtige processie, plotseling het leven schonk aan een kind en na die bevalling stierf. De ontstelde geestelijken begroeven haar op de plaats, waar zij overleden was, tusschen het Colosseum en S. Clemente, en op deze plek, die later door de Pausen angstig vermeden werd, richtte men een standbeeld voor haar op, met het kind in de armen en den pauselijken mijter op het hoofd13. Hoe men zulk een prachtig samenhangend verhaal heeft kunnen verzinnen, is niet gemakkelijk te raden, maar, ofschoon de geschiedenis van haar avontuurlijk leven wellicht eenigen grond van waarheid bezit, de bewering, dat zij tot Paus is gekozen, schijnt beslist te worden weerlegd door een munt van Paus Benedictus III, waarop de naam van den Keizer Lotharius voorkomt. Nu staat het vrijwel vast, dat Leo IV den 17en Juli 855 gestorven is, en Lotharius stierf den 28en September van hetzelfde jaar in een Benedictijner klooster; hieruit blijkt, dat Benedictus Leo moet opgevolgd hebben, en dit wordt ook bevestigd door den Liber Pontificalis, waarin ons wordt medegedeeld, dat zijn wijding den dag na Leo’s dood plaats vond.
Men zal zich herinneren, dat gedurende de woelige periode, die de Italianen il regno d’Italia indipendente noemen, een Hertog van Spoleto, Guido geheeten, er in slaagde Paus Stephanus V te overreden of te dwingen hem in de St. Pieter tot Keizer te kronen, en dat hij in het volgend jaar (892) een dergelijke dwang uitoefende op den opvolger van Stephanus, Paus Formosus, die te Ravenna Guido’s zoon Lambertus, als mede-regent van zijn vader, de keizerlijke kroon op het hoofd zette; zoo ten minste vertellen de kroniekschrijvers, die door Villari gevolgd worden. Deze Paus Formosus was blijkbaar een zwak en onbetrouwbaar individu, want zelfs terwijl hij den jeugdigen Lambertus te Ravenna kroonde, dacht hij er aan (daar behoeft men niet aan te twijfelen!), evenals Stephanus had gedacht, hoeveel aangenamer het hem zou zijn de keizerlijke kroon op het hoofd van den Duitscher Arnulf te zien; en kort na de kroning te Ravenna begon hij zich in verbinding te stellen met den Hertog van Carinthië en spoorde hem aan te komen en zijn geluk te beproeven. Na een ongelukkige poging in 894 baande zich Arnulf ten slotte een weg naar Rome en werd onmiddellijk door Formosus gekroond, die het feit negeerde, dat er nog twee andere zoogenaamde Keizers bestonden, en dat hijzelf den een had erkend en den ander met eigen handen had gekroond.
De kroning van den vreemden overweldiger—de unctio barbarica, zooals men het hoonend noemde—deed de woede van de patriottische, anti-Duitsche partij in Rome ontvlammen, en toen Arnulf plotseling aan een beroerte was gestorven en Lambertus met zijn moeder Agiltrud Rome in triomf was binnengetrokken, overreedde deze wraakzuchtige vrouw den Paus, Stephanus VI, die voor niets terugdeinsde, een daad te bedrijven, die in haar ijzingwekkende afzichtelijkheid in de geschiedenis der menschheid misschien nooit is geëvenaard. Er werd besloten, dat er een plechtige Synode zou gehouden worden, om Paus Formosus ter verantwoording te roepen en dat hij zou gedagvaard worden om in propria persona te verschijnen. Zijn lijk, dat acht maanden in de crypte van de St. Pieter had gelegen, werd uit de tombe gesleurd, en, in pauselijke gewaden gekleed, op een troon gezet in de vergaderzaal voor de verzamelde priesters en prelaten van de Kerk van Christus. Terwijl allen met afgrijzen naar de spookachtige gedaante staarden, die door haar aanwezigheid en stank de geheele vergaderzaal met een verpestende lucht en en somberheid vervulde, rees de advocaat van Paus Stephanus op en richtte zich tot het lijk, bij hetwelk de bevende diaken stond, die moest optreden als de verdediger van den dooden man. Toen de beschuldigingen15 waren voorgelezen, daagde Paus Stephanus zelf het lijk uit op de aanklachten te antwoorden. Wat de verdediger van den overleden Paus, de bevende diaken durfde zeggen, weten wij niet, maar het vonnis luidde, dat Formosus uit het pauselijke ambt werd ontzet, en al zijn akten en besluiten werden nietig verklaard, de drie vingers van de rechterhand, waarmede de pauselijke zegen was geschonken, werden afgehakt, de pauselijke gewaden werden van het ellendige, doode lichaam gescheurd, het werd bij de voeten door de vergaderzaal en de straten gesleept, en eindelijk onder het gejouw en gelach van het gepeupel in den Tiber geworpen16.
Stephanus genoot niet lang van zijn triomf. Het toeval, zegt Gregorovius, dat somtijds de taak van de Voorzienigheid op zich neemt en wonderen doet, wanneer de heiligen machteloos zijn, wilde, dat kort na de Synode van Verschrikking, terwijl het lijk van Formosus nog door de golven van den Tiber werd voortgewenteld, de oude basiliek van het Lateraan plotseling door een aardbeving werd geschud en instortte. Door het gekraak van de neervallende kerk werd Paus Stephanus, die daar dicht bij in het Patriarchium woonde, opgeschrikt uit zijn sombere overpeinzingen van het verleden, en hem moest de donder van de instorting der oude kerk van het Romeinsche Christendom wel een voorteeken toeschijnen van het lot van het Pausdom en de verdoeming, die hijzelf weldra zou ondergaan. In hetzelfde jaar stond het Romeinsche gepeupel op tegen Keizer Lambertus en zijn pauselijken bondgenoot. Stephanus werd gevangen genomen, beroofd van zijn pontificale gewaden, gekleed in een monnikspij, en naar een klooster gezonden, waar hij kort daarna werd geworgd17. Een van zijn opvolgers, Theodorus, gaf, ofschoon hij zelf slechts twintig dagen paus was, een eervolle begrafenis aan het ellendige, geschonden lijk van Formosus, dat door Romeinsche visschers gevonden was, en Liudprand verzekert ons, dat hij dikwijls door vrome menschen in Rome had hooren vertellen, dat, toen het lijk in de St. Pieter werd gedragen, sommige figuren van heiligen het met eerbied begroetten,—misschien de heiligen op de schilderijen of mozaiëken, waarmede Formosus zelf de kerk of de crypte had laten versieren.
Hoe stuitend de voorstelling ook moge zijn, de beschrijvingen, die de kroniekschrijvers van de Synode van Paus Stephanus geven, dragen er toe bij om ons een juist denkbeeld te vormen van den toestand, waarin de godsdienst, de zedelijkheid en de menschelijkheid in de negende eeuw te Rome verkeerden. En wij moeten er om denken, dat deze feiten geen uitzondering waren, die algemeene aanklachten of protesten verwekten. Niet minder afschuwelijke gebeurtenissen vonden voortdurend plaats. Tijdens de acht jaren, die op deze afgrijselijke Synode volgden, stierven er zeven Pausen, verscheidene waarschijnlijk door vergift of worging. Het voorval, dat hierna beschreven zal worden, is slechts een voorbeeld van de bijna ongeloofelijke wreedheid van dien tijd en een van de duizend bewijzen van de waarheid van dergelijke beweringen, als van Gregorovius, die vroeger reeds aangehaald is, dat “de Pausen, de geestelijkheid, de adel en het volk van Rome in deze eeuwen in een toestand van verwildering leefden, die nooit in de geschiedenis is geëvenaard.”
In het jaar 996 liet Otto III, die toen nog slechts zestien jaar was, tot paus kiezen den kapelaan Bruno, zijn achterneef, 23 jaar oud, den zoon van de Markgravin van Verona. Bruno, die de eerste Duitsche Paus was, nam den naam Gregorius V aan. Ongeveer drie weken na zijn wijding zette hij den keizerlijken diadeem op het hoofd van zijn koninklijken bloedverwant in de St. Pieterskerk te Rome. Maar in September van hetzelfde jaar werd Paus Gregorius door een opstand, die geleid werd door een machtig edelman, Crescentius, gedwongen te vluchten naar Pavia, vanwaar hij een machteloozen banbliksem slingerde tegen den Romeinschen rebel. Crescentius beantwoordde de uitdaging door een tegenpaus te laten benoemen. Zijn keuze viel op Philagathus, den Bisschop van Piacenza, een Griek uit Calabrië, die vroeger, evenals Silvester II, de gouverneur van Otto was geweest. Deze prelaat was onlangs uit Constantinopel teruggekeerd, waarheen Otto, zijn vroegere leerling, hem had gestuurd om voor hem de hand te vragen van een Byzantijnsche prinses. Zeer waarschijnlijk had hij de hoop gekoesterd den pauselijken zetel te bemachtigen en voelde zich ongetwijfeld beleedigd, toen de jonge Otto zijn neef Bruno benoemde. Hoe dit ook zij, hij nam het aanbod, dat Crescentius hem deed, aan en werd in Mei 997 gewijd met den naam Johannes XVI. Toen besloot Otto zijn neef in de pauselijke waardigheid te herstellen. Hij trok de Alpen over en bracht Kerstmis van dat jaar te Pavia door. Vroeg in het volgend voorjaar trok hij Rome binnen. Crescentius trok zich in den bijna onneembaren, van levensmiddelen goed voorzienen burcht van S. Angelo (Engelenburg) terug, terwijl de tegenpaus uit de stad vlood en een toevlucht in een kasteel, ergens in de Campagna, zocht, in de hoop vandaar over land of over zee naar het Byzantijnsch gebied te kunnen ontsnappen. Voor een beschrijving van hetgeen daarop volgde zullen wij een passage uit Villari, vrij vertaald, laten volgen:
“Terwijl de tegenpaus zich in dit kasteel schuil hield, werd hij door eenige soldaten van den Keizer ontdekt, die hem zijn oogen uitstaken, zijn tong uitrukten en zijn ooren afsneden. Zoo verminkt werd hij voor een Synode gebracht, geëxcommuniceerd en van zijn pontificale kleederen beroofd. Daarop werd hij omgekeerd op een ezel gezet en in optocht door de straten van Rome geleid, vergezeld van een heraut, die zijn misdaden en de straf, die hem was opgelegd, met luider stemme afkondigde. Vervolgens werd hij in een kerker geworpen en daar stierf hij.
Nadat Otto verscheidene concilies geleid had en bevel had gegeven, dat nieuwe kerken en kloosters zouden worden opgericht, bij welke gelegenheden hij voor geen uitgaven terugdeinsde, begon hij wederom den Engelenburg te belegeren en moest Crescentius dien weldra overgeven. Hij slaagde daarin, zegt men, door te beloven het leven van Crescentius te sparen; maar hij hield zijn woord niet. Crescentius werd onthoofd en zijn lichaam werd, nadat men het van den muur van den burcht had geslingerd, aan de voeten opgehangen aan een galg op den Monte Mario. Ook de voornaamste magistraten van elk der twaalf wijken van de stad werden met den dood gestraft. Zoo trad deze fanatische hersteller van het Romeinsche Keizerrijk, deze vrome stichter van kerken en kloosters, deze godsvruchtige vereerder van kluizenaars, wanneer zich de gelegenheid aanbood, als een wreede despoot op”.
1 De oude handschriften, die de monniken hebben vernield om het perkament te gebruiken voor theologische en vrome geschriften waren waarschijnlijk zeer veel talrijker dan al degene, die door barbaarsche indringers of door de Turken zijn verwoest.
2 In hun noordelijke landen begunstigden de Karolingers de wetenschap en men zegt, dat Lotharius in vele steden van Noord-Italië scholen heeft gesticht.
3 Paulus Diaconus (725–799), die langen tijd aan het hof van Karel den Groote was en zijn laatste twaalf jaren op Monte Cassino doorbracht, schreef een uitstekende Geschiedenis der Lombarden, en hij spreekt over de “luisterrijke en bewonderenswaardige dichters” op Monte Cassino; maar te oordeelen naar hetgeen van hen over is, schreven zij zeer slechte verzen in slecht Latijn. Gedurende ruim twee eeuwen is, behalve de kroniekschrijvers van de kloosters, de eenige schrijver, die vermelding verdient, Liudprand (zie Index).
4 In het zuiden brachten de Noormannen in dezen tijd ongeveer een bouwkunst, die volstrekt niet lager stond; doch vanwaar die kwam, is lastig te zeggen.
5 Een grillig mozaïek bij de tombe van Otto II († 983) in de crypte van de St. Pieter is een van de vroegste voorbeelden van een zwakke herleving dier kunst na een stilstand van ongeveer 150 jaren. In 896 werd de Lateraan-kerk, die door een aardbeving was verwoest herbouwd, maar in het algemeen werd in deze periode weinig ondernomen en bijna alles ging te gronde, toen Robert Guiscard in 1084 Rome plunderde. De prachtige Romeinsche campanili ontstonden, op weinige uitzonderingen na, niet voor ongeveer 1100.
6 Men heeft er veel over gestreden, in hoeverre het geloof, dat de wereld in het jaar 1000 n. Chr. zou vergaan, invloed heeft uitgeoefend op de algemeene ontaarding.
7 Avicenna leefde van 980–1037; Averroës, che ’l gran comento feo, (Infern. IV, 144) van c. 1126 tot 1198.
8 De lingua vulgaris was bezig het klassieke Latijn snel te bederven. Maar Keizer Michael beschouwde het Latijn zelf misschien als een barbaarsch jargon, want in het antwoord van den Paus wordt hoonend gesproken van een “Romeinsch” Keizer, die geen Latijn kent.
9 Deze pelgrimstochten, met hun aanhang van misdadigers en onbeschermde, dikwijls zwakke, vrouwen, waren een bron van groot kwaad. Men vertelt, dat vele steden door deze bedevaarten ruimschoots voorzien werden van gevallen vrouwen, en dat daaronder zoovele Engelsche waren, dat het een schande werd voor de Anglikaansche Kerk.
10 Een marmeren steen in S. Prassede (Rome) vermeldt, dat door Paus Paschalis in 817 de lijken van 2300 martelaren van de begraafplaatsen naar deze kerk werden overgebracht.
11 Zelfs al is het verhaal niet waar, dan toont het toch aan, wat men voor mogelijk hield. Men verzekerde, dat hij 120 jaar leefde en dat ongeveer vierhonderd jaar na zijn dood dus in 1446 zijn lijk nog niet vergaan was; maar het werd toen gestolen en terstond tot stof verbrokkeld!
12 Door Clemens VIII werd er een buste van Paus Zacharias van gemaakt.
13 Voor schrijvers over dit onderwerp zie men Gregorovius, V, hoofdst. III. Men verzekert, dat tot het einde van de vijftiende eeuw de “aangewezen” Paus een onderzoek moest ondergaan, om het gevaar van een tweede Papessa te vermijden!
15 De ware beweegreden was natuurlijk van politieken en persoonlijke aard, maar men had beschuldigingen, die op de kerk betrekking hadden, uitgevonden. De voornaamste van deze was, dat Formosus, die Bisschop van Porto was geweest, inbreuk had gemaakt op een ouden en feitelijk in ongebruik geraakten regel, dat geen bisschop met de pauselijke waardigheid mocht worden gekleed.
16 De verhalen verschillen een weinig. Hier is Gregorovius gevolgd.
17 Paus Sergius III, die behoorde tot de partij van Stephanus VI en in 897 door die partij tot Paus was gekozen, maar die door de aanhangers van Formosus was verdreven, gaf later, toen hij den pauselijken stoel besteeg (904), een tombe in de St. Pieter aan Stephanus en voorzag die van een grafschrift, waarin hij vertelt, dat Stephanus geworgd is en waarin hij Formosus uitscheldt.