§3. Interneering; luchtvaart.

Onder de neutraliteitsbepalingen is er één, welker toepassing op het publiek zeer grooten indruk heeft gemaakt en die aan de militaire autoriteiten, vooral in de eerste weken van October 1914, de handen vol werk heeft gegeven. De bepaling namelijk dat troepen of militairen, behoorende tot of bestemd voor de oorlogvoerenden, komende binnen het gebied van den Staat te land, onmiddellijk worden ontwapend en tot het einde van den oorlog worden geïnterneerd. Toen zij, eveneens als uitvloeisel van het algemeen erkende volkenrecht (Tractaten van 1907 als gevolg van de Tweede Haagsche Vredesconferentie) werd opgenomen, werd niet vermoed, dat er op zóó groote schaal van zou moeten worden gebruik gemaakt. De snelle verovering van Antwerpen deed een deel van het Belgische leger alsmede van de ter hulp gekomen Engelsche troepen den 10den October 1914 over onze grenzen in Staatsvlaanderen de wijk nemen. Hun aantal steeg weldra tot omstreeks 30.000. Het spreekt van zelf, dat het ontwapenen en onder dak brengen van een zóó groot aantal soldaten heel wat voeten in de aarde had, te meer omdat zoowel de militaire als de burgerlijke autoriteiten in diezelfde dagen overstelpt waren met werk in verband met den stroom van Belgen die, wegens de belegering van Antwerpen, over onze grenzen een goed heenkomen zochten. Op die vluchtelingen kom ik hieronder in hoofdstuk III § 2 terug.

De interneering van de over onze grenzen gekomen Belgische en Engelsche legerafdeelingen gaf wel practische maar geen volkenrechtelijke moeilijkheden. Dat deze militairen geïnterneerd moesten worden, was niet aan den minsten twijfel onderhevig. Niet altijd evenwel lag de zaak juridiek zoo eenvoudig. Opdat onderdanen van een oorlogvoerende mogendheid bij het overschrijden der grenzen in de termen vallen van te worden ontwapend en geïnterneerd, moeten zij in de eerste plaats behooren tot of bestemd zijn voor den militairen dienst en in de tweede plaats binnen het gebied van den staat „komen”, d. w. z. uit vrijen wil de grenzen overschrijden en niet tegen hun wil of door omstandigheden onafhankelijk van hun wil binnen het rechtsgebied van den staat worden gebracht.

De eerste dezer voorwaarden voor de interneering is niet aanwezig bij deserteurs noch bij gevluchte krijgsgevangenen. Beide categorieën van personen hebben wel behoord tot de krijgsmacht van een oorlogvoerende mogendheid, maar behooren daartoe niet meer op het oogenblik dat zij de grenzen overschrijden. Het tractaat van 1907 betreffende de rechten en verplichtingen van onzijdige mogendheden en personen ingeval van oorlog te land, bepaalt trouwens uitdrukkelijk dat ontvluchte krijgsgevangenen worden vrijgelaten. Het is intusschen niet altijd even gemakkelijk na te gaan of over de grenzen komende militairen tot een van de beide genoemde categorieën behooren. Bij ontsnapte krijgsgevangenen zullen de omstandigheden in den regel wel van dien aard zijn, dat zonder veel moeite is vast te stellen of men hunne verklaringen vertrouwen kan en zal dus de beslissing dat zij buiten de interneeringsbepalingen vallen, wel zoo goed als altijd vrij gemakkelijk zijn te nemen.

Met deserteurs staat de zaak ietwat anders. Daar is groote voorzichtigheid geboden. Men kan niet zonder meer iederen militair van een der oorlogvoerenden, die de grenzen overkomt onder het beweren dat hij deserteur is, vrij laten rondloopen. Dit zou volkenrechtelijk onjuist zijn en voor het land gevaarlijk kunnen worden. Men behoeft daarvoor slechts te denken aan den omvang dien de spionnagediensten der oorlogvoerenden in dezen krijg hebben gekregen. De opvatting die in militaire kringen schijnt te heerschen, dat zoolang een militair zijne distinctieven als zoodanig draagt, hij beschouwd moet worden nog tot den troep te behooren en dus moet worden geïnterneerd, als hij over de grenzen komt, acht ik even weinig houdbaar, als het aanmerken en behandelen als deserteur van iederen vreemden militair, die voorgeeft dit te zijn. Het is toch zeer wel mogelijk dat een vreemde soldaat, wien het inderdaad er om te doen is, desertie te plegen, aan dit voornemen alleen gevolg kan geven, indien hij er zich zorgvuldig van onthoudt zijne militaire distinctieven af te leggen, zoolang hij de grenzen niet gepasseerd is. Bovendien ligt niet voor iederen deserteur een pakje burgerkleederen aan de grens gereed. Deze mij onhoudbaar toeschijnende opvatting heeft voorts een bedenkelijken kant ook voor het land zelf, speciaal in verband met het steeds aanwezige spionnagegevaar. Zij leidt er namelijk zoo licht toe, iederen vreemden militair, die vóór het overschrijden van de grens zijn militaire uniform voor een burgerpak heeft weten te verwisselen, zonder meer als deserteur aan te merken. Dat zulk eene conclusie aan militaire spionnen maar al te gelegen zou komen, behoeft wel geen betoog. Er zit dan ook niet anders op, dan elk geval op zich zelf te beoordeelen en van een zoo nauwkeurig mogelijk onderzoek te doen afhangen of men werkelijk met een geval van desertie heeft te maken. Bij twijfel blijve men aan den voorzichtigen kant, dat is hier de interneering.

Heel anders ligt de zaak, als bij het einde van den oorlog de interneering wordt opgeheven. Geïnterneerden mogen vóór het einde van den oorlog het land niet verlaten. Dit brengt echter niet mede, dat men verplicht zou zijn, hen na den krijg tegen hun wil uit te leveren aan de mogendheid tot welker krijgsmacht zij behoorden. Dit zou ten aanzien van deserteurs of van militairen die vreezen dat zij, in hun land teruggekeerd, als deserteurs zullen worden aangemerkt, onmenschelijk zijn. Wie eenmaal geïnterneerd is, blijft geïnterneerd tot aan het einde van den oorlog. Of hij gedurende zijne interneering door den oorlogvoerende tot wiens leger hij behoort, tot eenige straf wordt veroordeeld of van den militairen stand wordt vervallen verklaard, is voor den Staat die hem interneerde, onverschillig. De regeering van den interneerenden Staat heeft met hem alleen te maken afgaande op den toestand, waarin zij hem vond, toen hij geïnterneerd werd. Het eenige gevaar dat de interneerende Staat daarbij loopen kan, is van financieelen aard en zinkt als zoodanig weg tegenover de andere financieele lasten, die de oorlogstoestand oplegt. De Staat kan namelijk de verplegingskosten niet terugeischen van die militairen, van wie door den oorlogvoerende tot wiens leger zij hebben behoord, wordt bewezen, dat zij als deserteurs over de grenzen zijn gekomen. Houdt de oorlog op, dan krijgt ieder oorlogvoerende zijne soldaten terug, met dit voorbehoud dat ieder hunner, die maar eenigszins aannemelijk maakt, dat hij gevaar loopt als deserteur te worden behandeld of dat hij zal worden gestraft voor een feit, waarvoor geen uitlevering kan worden gevraagd, indien hij dit verkiest, hier kan blijven. Men zal in zulke gevallen ook de vreemdelingenwet, die hier toch al niet met overgroote gestrengheid wordt toegepast, uit menschelijkheidsoverwegingen zeer mild moeten uitvoeren. Maar zoolang de oorlog duurt, hecht het Departement van Oorlog aan beweringen van eenmaal geïnterneerden, dat zij deserteur zijn, terecht niet al te veel. Het zou anders een te gemakkelijk middel zijn, om zich aan de interneering te onttrekken en zich weer bij het strijdende leger te voegen.

Het tegen den wil of door omstandigheden buiten den wil van de betrokkenen binnen het gebied van den Staat worden gebracht, heeft zich eenige malen ten aanzien van militairen behoorende tot de oorlogvoerenden voorgedaan en heeft in die gevallen er terecht toe geleid, dat die militairen niet werden geïnterneerd. In het begin van den oorlog is dit gebeurd met Duitsche en Belgische krijgers, die in de nabijheid van de Nederlandsch-Belgische grens gewond en bewusteloos op het slagveld werden gevonden en door de zorgen van het Roode Kruis of van particuliere verplegers naar een Nederlandsch hospitaal in de nabijheid werden vervoerd. Zulke gewonde soldaten werden na hun herstel geheel vrijgelaten in hun beweging. Hetzelfde geschiedde met de matrozen van de eveneens in het begin van den oorlog getorpedeerde Engelsche kruisers Aboukir, Cressy en Hogue, die door Nederlandsche handelsvaartuigen in volle zee werden opgepikt en hier te lande werden gebracht. Ook zij werden terecht niet geïnterneerd. Het zeeoorlogsrecht geeft geen voorschrift omtrent hetgeen in het geval dezer schipbreukelingen had te geschieden, maar de algemeene beginselen der onzijdigheid wezen hier in de richting der vrijlating. Na den slag van het Skagerak profiteerden eenige Duitsche matrozen van deze humane toepassing der interneeringsregelen. Toch moesten hierover vóór dien tijd nog eenige nota’s met de Duitsche regeering worden gewisseld.

Dat de Staat behoort te zorgen niet alleen voor de behoorlijke verpleging maar ook voor de behoorlijke bewaking der geïnterneerden (het laatste voorzoover dezen niet op parool vrijheid van beweging binnen ’s lands grenzen is gegeven) spreekt evenzeer van zelf, als dat het schenden van het gegeven parool verregaand onbehoorlijk is en gestraft wordt met strenge bewaking, als men de woordbrekers weer te pakken kan krijgen.


In verband met de interneering zijn ook vragen gerezen ten aanzien van luchtschepen en vliegeniers. Wat de luchtschepen betreft, is de moeilijkheid tot nog toe van theoretischen aard gebleven; ten aanzien van de vliegeniers daarentegen heeft zij zich ook practisch voorgedaan. De neutraliteitsproclamatie houdt daaromtrent niets in. De Regeering heeft echter bij Koninklijk besluit van 3 Augustus 1914, het overschrijden van de landsgrenzen aan vreemde luchtvaarders voor den duur van den oorlogstoestand verboden en terstond aan de oorlogvoerenden doen weten, dat zij het varen van vreemde luchtschepen en het vliegen van vreemde vliegeniers boven ons grondgebied als schending onzer souvereiniteit en neutraliteit beschouwt. De volkenrechtelijke kwestie welke achter deze zaak verscholen ligt, laat ik rusten; zij heeft—gegeven het principieele standpunt dat Nederland, zonder protest van één der oorlogvoerenden ten aanzien der luchtschepen en vliegeniers van oorlogvoerenden, heeft ingenomen—geen beteekenis. Daarvan uitgaande zijn boven het Nederlandsch gebied varende vreemde luchtschepen of vliegende aëroplanen door onze militairen terecht beschoten. Heeft die beschieting—gelijk een enkele maal bij een vliegtuig is voorgekomen—het effect, dat de vliegenier of het luchtschip genoodzaakt wordt binnen Nederlandsch gebied te landen, dan is er geen twijfel aan, dat de inzittenden vallen onder de interneeringsbepalingen. Zij behooren tot de militaire macht van een der oorlogvoerenden, zij zijn boven (wat, gegeven de principieele opvatting waarvan ik zoo even sprak, gelijk staat met „binnen”) het gebied van den staat gekomen en zij zijn neergeschoten, omdat dit het eenige middel was, om hen te ontwapenen en te interneeren.

Het standpunt onzer Regeering in zake de luchtvaart van belligerenten heeft nog aanleiding gegeven tot een wisseling van nota’s met de Duitsche regeering ter zake van het Duitsche luchtschip, dat op 1 Februari 1916 over ons grondgebied voer, door de kustwacht uit dien hoofde werd beschoten en later met de geheele bemanning in de Noordzee verongelukte. De Duitsche regeering verweet ons naar aanleiding van dit voorval, dat de Nederlandsche militaire autoriteiten, door blijkbaar zonder voorafgaande waarschuwing te vuren op een luchtschip, dat geacht kon worden door overmacht boven het Nederlandsch grondgebied te zijn gekomen, in strijd met het volkenrecht en de wetten der menschelijkheid hadden gehandeld.

Naar aanleiding van dat ongegronde verwijt schrijft de Minister van Buitenlandsche Zaken in het in Juli 1916 verschenen Oranjeboek: „Ondergeteekende heeft dit schrijven met een Nota-Verbale d.d. 18 Maart beantwoord, waarin nogmaals uitvoerig de zienswijze der Regeering te dezer zake werd uiteengezet. Overigens werd aangetoond dat het luchtschip, dat geen enkel teeken had gegeven van averij te hebben of te willen landen, herhaaldelijk was gewaarschuwd zich boven neutraal gebied te bevinden, en dat de militaire autoriteiten de wetten der menschelijkheid hadden in acht genomen zoover als dit met haar plicht, de onschendbaarheid van het territoir te doen eerbiedigen, slechts eenigszins was overeen te brengen”.

Eenigszins moeilijker ligt de zaak, wanneer het luchtschip of het vliegtuig niet wordt neergeschoten maar door eenigerlei averij gedwongen wordt binnen het gebied van den Staat te landen. Men is dan aanvankelijk geneigd analogie te zoeken met de neutraliteitsbepaling betreffende oorlogsschepen, welke wegens averij een Nederlandsche haven binnenloopen en die na herstel weder mogen vertrekken. Toch brengt eenig nadenken spoedig tot het inzicht, dat de zaak hier zóó geheel anders ligt, dat van analogische toepassing dier bepaling geen sprake zijn kan. Het vreemde oorlogsschip, dat wegens averij een onzer havens binnenloopt, schendt op geen enkel oogenblik onze neutraliteit. Het vreemde luchtschip of vliegtuig daarentegen kan alleen dan wegens averij gedwongen worden hier te dalen, als het in strijd met de Nederlandsche souvereiniteit en neutraliteit, welke het had te eerbiedigen, reeds boven ons territoir voer of vloog. Het enkele feit dat het hier wegens averij landen moet, bewijst dus reeds dat het de Nederlandsche souvereiniteit had geschonden, vóór het averij kreeg en tot neerstrijken werd gedwongen. Mocht het weer voorkomen, dat Duitsche luchtschepen, gaande naar Engeland of daarvan terugkomende, over ons land varen, en mocht bij zulk een gelegenheid een dezer schepen wegens averij binnen onze grenzen moeten dalen, dan zou het buiten twijfel zijn, dat het tot na den oorlog zou moeten worden opgeborgen en dat de inzittenden behoorden te worden geïnterneerd. Met luchtschepen heeft zich deze kwestie nog niet practisch voorgedaan; daarentegen wèl met een Duitsch watervliegtuig dat, tengevolge van averij ten Noorden van Schiermonnikoog in zee was neergedaald en naar de kust van dit eiland was gedreven en daar geland. De bemanning daarvan werd geïnterneerd, ondanks protest van de Duitsche regeering.

Naast de hier genoemde theoretische gronden voor de gedragslijn, welke de Regeering zich in deze kwestie heeft gesteld, is er nog een bij uitnemendheid practische militaire overweging, welke in dezelfde richting wijst en die tevens het principieele standpunt steunt, dat Nederland bij het Koninklijk besluit van 3 Augustus 1914 ten aanzien van de luchtvaart van oorlogvoerenden heeft ingenomen. Het enkele feit van het varen of vliegen boven het Nederlandsche gebied stelt den luchtvaarder of den vliegenier in staat, waarnemingen te doen omtrent- en opnemingen te doen van Nederlandsche verdedigingswerken en kan dus onze veiligheid in gevaar brengen.

Deze laatste overweging schraagt ook het standpunt, dat Nederland tegenover Duitschland heeft ingenomen ten aanzien van luchtschepen, waarvan terecht of ten onrechte wordt beweerd, dat zij bij vergissing, tengevolge van de weersgesteldheid, boven ons land zijn terecht gekomen. Zoodra de bestuurder van een oorlogvoerend luchtschip zulk een vergissing bemerkt, is hij verplicht langs den kortsten weg zich buiten het Nederlandsche rechtsgebied te begeven. Hij mag zich dan niet bevoegd achten langs den kortsten weg naar zijn eigen land terug te keeren, wanneer die niet tevens de kortste is om buiten ons gebied te komen. Terecht heeft onze Regeering dit standpunt tegenover Duitschland met beslistheid volgehouden. Elke afwijking daarvan zou de deur wagenwijd openzetten voor niet te controleeren en niet te achterhalen schendingen van ons rechtsgebied door oorlogvoerende luchtvaarders.


In verband met de luchtvaart heeft de Regeering nog voor een moeilijkheid gestaan, die wel niet rechtstreeks met het belang van Nederland had te maken, maar waarbij zij zich de vraag had voor te leggen, of de voorschriften der onzijdigheid wel met de eischen der menschelijkheid waren overeen te brengen. De neutraliteit brengt mede, dat het verspreiden van berichten over de waarneming, van Nederlandsch grondgebied uit, omtrent bewegingen van oorlogvoerende strijdkrachten, zooveel mogelijk worde tegengegaan. Om aan dezen eisch der onzijdigheid te voldoen worden berichten van nieuwsagenten omtrent bewegingen van belligerente oorlogsschepen gedurende 6 uren opgehouden. Deze maatregel wordt ook toegepast ten aanzien van waargenomen bewegingen van vreemde vliegeniers en vreemde luchtschepen. Voor zoover betreft Duitsche luchtschepen, die naar Engeland koersten, gaf dit in sommige kringen aanleiding tot ontstemming, voortspruitende uit de omstandigheid, dat de Duitsche luchtraids, voor zoover zij menschenlevens kosten, in hoofdzaak weerlooze burgers treffen en dus tot de meest inhumane oorlogsverrichtingen behooren van den thans woedenden krijg, waarin de vindingrijkheid op het gebied der verdelging van elkanders leven en gezondheid over het algemeen toch reeds een met alle menschelijkheid spottende hoogte heeft bereikt. Toch kon en mocht men, zonder schending van de neutraliteit ten aanzien van de Duitsche luchtschepen, van den gestelden regel niet afwijken. Het zou trouwens niet aangaan, dat neutrale staten hunne onzijdigheidsmaatregelen deden afhangen van de mate van weerzin, welke door bepaalde oorlogshandelingen der belligerenten bij hen werd gewekt. Elk objectief kenmerk van beoordeeling zou dan ontbreken en men zou door gevoelsoverwegingen al heel spoedig in zeer gevaarlijk vaarwater worden gevoerd. Natuurlijk stond de zaak geheel anders, wanneer het een luchtschip betrof, dat de onzijdigheid van het Nederlandsche territoir niet had geëerbiedigd en zijn weg ten deele over ons gebied had genomen. In dat geval bleef bekendmaking daarvan aan den tegenstander, langs telegrafischen weg, zonder de minste vertraging vrij. De neutraliteit werd dan niet geschonden door de berichtgeving, maar was geschonden door den luchtschipper omtrent wien bericht gegeven werd.

§ 4. Gevaarlijke bakerpraatjes.

Tot slot van dit hoofdstuk vermeld ik nog een tweetal bakerpraatjes, waarvan vooral het eerste aan het land veel kwaad heeft gedaan en aan de Regeering veel last en onaangenaamheid bezorgd heeft.

Toen het Duitsche leger, om snel in Noord-Frankrijk te komen, de neutraliteit van België schond en zich een weg baande door het land van onze Zuidelijke naburen, dook al heel spoedig het gerucht op, dat Nederland zou hebben toegelaten, dat bij dien opmarsch Duitsche troepen ook over Nederlandsch grondgebied trokken. Vooral in Frankrijk werd dit verhaal als waarheid aanvaard en werd het ondanks officieele tegenspraak met hardnekkigheid staande gehouden. In de „Illustration” verscheen zelfs een kaartje, aanduidende hoe het Duitsche leger door België was getrokken; de richtingen werden daarop door pijltjes aangegeven; een dier pijltjes wees den weg van Duitschland naar België over het zuidelijk deel van Nederlandsch Limburg. Hoewel hier bij de Regeering genoegzaam bekend was, dat het heele verhaal uit de lucht was gegrepen en dat de Duitsche legeraanvoerders niet slechts bevel hadden ontvangen de Nederlandsche grens zorgvuldig te ontzien, maar dat bevel ook met de grootste nauwgezetheid hadden opgevolgd, wierp het praatje een zóó valsch en te gelijk zóó gevaarlijk licht op ons land en zijne Regeering, dat het noodig was de onjuistheid daarvan zóó voldongen vast te stellen, dat het niet alleen hier te lande maar ook bij de geallieerden zou worden erkend voor wat het was: een kwaadaardig kletspraatje. Er had daartoe een speciaal onderzoek door de militaire overheid plaats, waaromtrent uitvoerige mededeelingen zijn opgenomen in het Oranjeboek, dat in October 1915 door het Ministerie van Buitenlandsche Zaken werd uitgegeven. Zooals van te voren vaststond bij ieder, die op de hoogte was van de werkelijke toedracht, bewees dat onderzoek op een wijze, die zelfs voor den meest kwaaddenkende overtuigend zijn moest, dat de Nederlandsche grens door het Duitsche leger op geen enkel punt was geschonden.

Ter rechtvaardiging van het ontstaan en van de verspreiding van het praatje, als zou Nederland handlangersdiensten aan het Duitsche leger hebben bewezen, valt dan ook niets hoegenaamd aan te voeren; het kan integendeel niet genoeg worden betreurd en gelaakt, dat zulk een sprookje zonder eenigen grond ontstaan en verspreid worden kon en dat zij die zich daaraan schuldig maakten, niet beseften, welke ernstige gevolgen het wekken van een valschen schijn bij een der oorlogvoerende partijen omtrent Nederlands houding ten aanzien van den vijand, voor ons land had kunnen hebben en welk een verantwoordelijkheid zij door hun grondelooze en grenzelooze kwaaddenkendheid en lichtgeloovigheid tegenover Nederland op zich namen. Voor zoover er onder onze eigen landgenooten zijn, die aan de verspreiding van het gerucht mede schuld hebben, is hun bedrijf in zoo hooge mate ergerlijk, dat er geen woorden voor zijn te vinden om het naar waarde te brandmerken.

Voor buitenlanders kon althans nog ter verontschuldiging dienen, dat de Duitsche heerbaan op enkele punten, zooals bij Vaals en bij Kerkrade, zóó rakelings langs de Nederlandsche grens loopt, dat men van Nederlandsch grondgebied uit aan militairen, die op dien weg voorbijtrekken de hand kan reiken; dat het nieuwe grijze uniform onzer infanteristen zooveel gelijkenis vertoont met het Duitsche uniform voor dit wapen, dat vergissing omtrent de nationaliteit van een voorbijtrekkenden troep voor een buitenlander mogelijk is en, last not least, dat men in de oorlogvoerende landen, vooral in het begin van den oorlog, begrijpelijkerwijze, te gelijk zóó zenuwachtig en zóó wantrouwend was, dat elk praatje omtrent heulen met den tegenstander, zoodra het omtrent een neutralen staat eenmaal was gelanceerd, er een bij uitstek gunstigen voedings- en verspreidingsbodem vond. Voor Nederlanders die de verspreiding van het even valsche als gevaarlijke en kwaadaardige gerucht mede op hun geweten hebben, is niet de minste verontschuldiging aan te voeren.

Zelfs nadat zonneklaar en onomstootelijk was vastgesteld, dat van schending van de Nederlandsche grens door het Duitsche leger op geen enkel punt en op geen enkel oogenblik sprake is geweest, heeft het praatje niet opgehouden aan Nederland schade te doen. De buitenlandsche regeeringen hebben het ten slotte wel op de juiste waarde, dat wil hier zeggen: onwaarde, geschat en verdere verspreiding ervan, naar vermogen, tegengegaan. Maar daarmede was het kwaad niet gestuit. Zulke praatjes blijven nawerken onder allerlei kringen van de bevolking, en daarbij geldt helaas niet dat de waarheid de leugen wel achterhaalt. Wanneer Nederland en zijne Regeering bij het Fransche volk sympathie hebben verspeeld en zelfs bij maar al te velen onzer Gallische broeders in een kwaad blaadje zijn gekomen, heeft het valsche gerucht omtrent het oogluikend toelaten van schending onzer grenzen door Duitsche troepen daartoe meer dan iets anders bijgedragen. De franschgezinden onder de Nederlanders die aan de verspreiding daarvan mede schuld hebben, hebben eer van hun werk; zij hebben meer bijgedragen tot het kweeken van verwijdering tusschen Franschen en Nederlanders dan alle pro-duitsche propagandisten bij elkaar.

Van hetzelfde allooi, maar gelukkig van veel minder practische beteekenis, was het later uitgebroed sprookje, dat er een geheim verdrag tusschen Nederland en Duitschland in verband met den oorlog zou zijn gesloten. Dit verhaal is op zich zelf niet minder kwaadaardig en niet minder gevaarlijk; men kan voor niemand eenige verontschuldiging vinden, die aan het ontstaan of de verspreiding ervan heeft meegedaan. Hoewel het zijn ronde begon op een oogenblik toen de gemoederen reeds wat waren gekalmeerd en niet meer zoo ontvankelijk waren voor elk sensatiebericht, hoe onwaar en hoe onwaarschijnlijk het ook zijn mocht, heeft het toch nog zooveel stof opgeworpen, dat het de eer kreeg in de vergaderingen van de beide Kamers der Staten-Generaal te worden besproken. Het kón daar met de meeste beslistheid van regeeringswege worden tegengesproken en het werd met de meeste beslistheid tegengesproken; het eerst in een interruptie van den heer Cort van der Linden, zoodra er in de Kamer van werd gerept.

Zooals ik reeds opmerkte, is het in zijn gevolgen minder ernstig geweest dan dat van de beweerde toelating van schending onzer grenzen door Duitsche troepen; maar dat zij, die aan het ontstaan en de verspreiding van de verdrag-legende schuldig zijn, daarmede minder kwaad brouwden dan met het andere sprookje werd gesticht, kan men niet eens te hunner verontschuldiging aanvoeren. Het is te danken aan omstandigheden onafhankelijk van hun wil. Ware het ontstaan op een oogenblik van even groote algemeene opgewondenheid, als in Augustus 1914 heerschte, of ware het door de Fransche pers even gretig opgenomen en verspreid als zijn leugenbroeder uit die dagen, dan zou het in zijn uitwerking aan dezen niets hebben toegegeven. De duim waaruit het is gezogen, verdiende ten overstaan van Neerlands volk te worden verbrijzeld.


HOOFDSTUK II.
DE LEVENSMIDDELENVOORZIENINGEN.

§ 1. Beperking van den uitvoer.

De oorlogstoestand heeft op bij uitstek voelbare wijze aan ieder duidelijk gemaakt, welk een beteekenis het ongestoord interlocaal en internationaal verkeer voor het economische leven in de moderne maatschappij heeft. Toen in de eerste weken van Augustus 1914 het verkeer hokte, stonden alle economische vragen op eens onder een gansch ander licht, dan in normale omstandigheden en verlangden zij een gansch andere oplossing. Door de spoorwegvordering stond het goederenverkeer te land in die weken vrijwel stil; het scheepvaartverkeer was lam gelegd, niet alleen door de onzekerheid omtrent het lot dat aan ons land zou worden beschoren, maar ook door de onbekende gevaren waaraan de oorlog ter zee de scheepvaart, inzonderheid op de Noordzee, zou kunnen blootstellen. De binnenschipperij miste als terugslag van den stilstand in de groote scheepvaart en in het goederenvervoer op de spoorwegen voeding en werk. Daarbij kwam dat er gegronde vrees heerschte voor kolengebrek, zoo niet voor kolennood. Tot overmaat van ramp ontwrichtten de maatregelen, die door de oorlogvoerenden, in de eerste plaats door Engeland als feitelijk beheerscher der zee werden genomen, het internationaal verkeer geheel en al. Dit een en ander legde aan de Regeering, inzonderheid aan den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel den plicht op, vóór alles er voor te zorgen, dat geen gebrek aan de noodige levensmiddelen zou ontstaan. Daarbij had zij het hoofd koel te houden en moest zij zich niet laten meesleepen, tot het nemen van goed bedoelde maar in hun gevolgen bedenkelijke maatregelen, waarop zoowel in als buiten de Staten-Generaal werd aangedrongen.

Toen in de gedenkwaardige vergadering van de Tweede Kamer van 3 Augustus 1914 door den heer Troelstra werd opgemerkt, dat het niet voldoende zou zijn, waren beschikbaar te stellen tegen een maximalen prijs en dat er meer noodig was voor „de doodeenvoudige politiek dat er in Nederland geen honger zal worden geleden”, gaf ik daarop ten antwoord:

„Op het oogenblik toe te zeggen de indiening van een wetsontwerp, waarbij aan de bevolking, die dat noodig heeft, om niet door den Staat levensmiddelen zouden worden verstrekt, acht ik niet noodig en niet gewenscht. Niet gewenscht om een tweetal redenen. Vooreerst omdat de staat dat wel zal kunnen decreteeren op papier, maar het buitengemeen moeilijk zijn zou, dat onmiddellijk tot uitvoering te brengen, en verder omdat daarmede wat den kleinhandel aangaat, het economisch verkeer, naar ik vrees, nog meer zal worden geschokt dan op het oogenblik reeds het geval is.

„Hierover toch behoeven wij wel niet te twijfelen; wanneer er een wet was, waarbij onder zekere voorwaarden,—wij kunnen zeer goed begrijpen, in deze kritieke tijden, dat men de voorwaarden, die men stellen zou, toch niet streng zou kunnen toepassen—aan de bevolking die het noodig had, om niet levenswaren werden ter beschikking gesteld, dan zou niet alleen het verkeer—dat nu reeds wat den internationalen handel en het kredietwezen betreft, zeer verstoord is—maar ook de kleinhandel op zeer bedenkelijke wijze verstoord worden.

„Vandaar dat ik, waar ik sta voor de verantwoordelijkheid om zoo goed mogelijk in deze tijden, voor zoover het van den Staat kan geschieden, leiding te geven aan ons economisch leven, dergelijken maatregel niet durf voorstellen”.

In de Eerste Kamer werd door den heer Polak een overeenkomstige aandrang geoefend, als de heer Troelstra aan de overzijde van het Binnenhof had geuit. In antwoord daarop verwees ik dien afgevaardigde naar hetgeen ik even te voren aan zijn partijgenoot had tegemoet gevoerd. Aan mijn afweer van het denkbeeld tot het beschikbaar stellen van levensmiddelen van regeeringswege voegde ik echter in één adem toe, dat, als de toestanden nog erger werden, de Regeering niet zou aarzelen, verder reikende voorstellen te doen, dan zij reeds gedaan had en waarmede ook de heer Troelstra zijn instemming had betuigd. De eerste maatregel die kon strekken om gebrek aan levensmiddelen te voorkomen, was intusschen van anderen oorsprong en had aanvankelijk een ander hoofddoel.

Bij de wet van 3 Augustus 1914 (Stbl. no. 344) werd bepaald, dat in geval van oorlog of oorlogsgevaar bij algemeenen maatregel van bestuur de uitvoer van bepaalde goederen, geheel of gedeeltelijk, hetzij voor het geheele land, hetzij voor een bepaald deel daarvan tijdelijk kan worden verboden. Dit was geen nieuwigheid, het was een verruimde en verbeterde editie van een oude en verouderde wet. In verband met den Fransch-Duitschen oorlog was reeds bij een wet van 24 Juli 1870, bepaald, dat de uit- en de doorvoer van paarden, hooi, stroo, haver, steenkolen en cokes door de Kroon tijdelijk, geheel of gedeeltelijk konden worden verboden. Reeds geruimen tijd vóór het uitbreken van den thans woedenden krijg was het duidelijk geworden, dat die sedert 1870 in stand gebleven wet niet ver genoeg ging. Onder het ministerie Heemskerk werd, bij Koninklijke boodschap van 24 Mei 1913, een wetsontwerp ingediend tot verruiming van de wet van 1870. Die verruiming betrof verschillende soorten van levensmiddelen.

Hoewel ook dat ontwerp door militaire overwegingen was ingegeven, had het toch mede ten doel bescherming van den voorraad van verschillende artikelen, „welke onmisbaar zijn voor de dagelijksche behoeften van de bevolking”. In Februari 1914, nog vóór het ontwerp in de afdeelingen van de Tweede Kamer was behandeld, werd het onder het nieuw opgetreden ministerie in zoover gewijzigd, dat het niet langer de mogelijkheid ook van verbod van doorvoer inhield. Zulk een verbod zou, zoo werd in de toelichting der wijziging betoogd, weinig doeltreffend kunnen zijn en bij toepassing in strijd komen met internationale tractaten, waarbij vrijheid van doorvoer door ons land werd gewaarborgd, inzonderheid met de Rijnvaartakte. Het Voorloopig Verslag over het onderzoek van het ontwerp in de afdeelingen der Tweede Kamer verscheen 30 April 1914.

In het licht der ervaring, die de oorlog ons gebracht heeft, is het de moeite waard een der hoofdbezwaren in herinnering te brengen, welke in de afdeelingen van de Tweede Kamer tegen het ontwerp werden ingebracht. „Zonder eenigen twijfel zullen—zoo voerden verschillende leden aan—in geval van oorlog of oorlogsgevaar in onze omgeving, groote hoeveelheden proviand naar onze havens stroomen, om van daaruit met flinke winsten aan de oorlogvoerende partijen te kunnen worden verkocht.” Koopmansgeest ontbreekt ook in de Kamer niet. Er werd niet eens gedacht aan de mogelijkheid, dat één der oorlogvoerenden dien stroom van proviand, dien men reeds in zijn verbeelding zag en waarvan men de winst, die ermede zou zijn te maken, bij voorbaat reeds met welgevallen opsnoof, wel eens zou kunnen afdammen. Trouwens bij de weerlegging van dit argument in de Memorie van Antwoord, voor welke ook ik een deel der verantwoordelijkheid draag, werd van die mogelijkheid evenmin gerept. Het argument werd wel weersproken, maar niet op den grond, die thans in de eerste plaats naar voren zou worden gebracht.

De ironie van het oorlogsnoodlot heeft zich ten aanzien van de uitvoerverboden niet bepaald tot het den draak steken met die ééne verwachting van oorlogswinsten. Ook in een ander opzicht heeft het met goede bedoelingen en plechtige verzekeringen gejongleerd.

„Door eenige leden—zoo zegt het Voorloopig Verslag—werd als een bezwaar aangevoerd, dat de bepaling zou kunnen worden misbruikt om, door een tijdelijk verbod van uitvoer, invloed te oefenen op de prijzen binnenslands.” De onderteekenaars van de Memorie van Antwoord (gelukkig voor hem behoorde de heer Posthuma daar niet bij; ongelukkig voor mij, ik wèl) beantwoordden die opmerking aldus: „Er is, naar het voorkomt, geen aanleiding de Regeering ervan te verdenken, dat zij de wet zal misbruiken om, door een tijdelijk verbod van uitvoer, invloed te oefenen op de prijzen binnenslands. Het behoeft geen nader betoog, dat maatregelen met zoodanige strekking geheel zouden indruischen tegen de uitdrukkelijk uitgesproken bedoeling van het wetsontwerp.”

En toch is de wet daarvoor gebruikt, zonder dat iemand er een principieel bezwaar tegen heeft gemaakt. Er is wel strijd over dat gebruik geweest, maar die strijd liep over de mate waarin en de wijze waarop de wet voor dat doel werd toegepast. De een wilde meer, de ander minder; maar niemand heeft „hands off” geroepen. Natuurlijk had dat gebruik geen speculatieve bedoelingen, maar het bewustzijn, dat daarmede als ongewenscht neveneffect tevens speculatie in levensmiddelen en andere waren werd bevorderd, heeft niet weerhouden uitvoerverboden te stellen en gedeeltelijke afwijkingen daarvan te regelen, met het uitgesproken doel daarmede op de prijsvorming binnenslands in te werken. Waarlijk, oorlogstijd doordringt regeeringen zoowel als particulieren van de waarschuwing: „Ne dis pas: fontaine, je ne boirai pas de ton eau!”

De Memorie van Antwoord betreffende het wetsontwerp werd ingediend, toen de oorlogswolken reeds zeer dreigende waren, namelijk 27 Juli 1914: het Eindverslag werd uitgebracht op 1 Augustus. Tusschen dien dag en den dag waarop de wet in het Staatsblad verscheen, onderging het ontwerp nog eenige wijzigingen; de eerste daarvan had ten doel, ook het verbod van uitvoer van goud (hierop kom ik in hoofdstuk IV terug[1]) wettelijk te regelen. In verband ook met deze nieuwe verruiming bleek het ten slotte gewenscht, alle aanduiding van speciale goederen uit de wet te lichten en de mogelijkheid van het uitvaardigen van uitvoerverboden algemeen te maken voor de „bepaalde goederen”, welke telkens bij algemeenen maatregel van bestuur zullen worden aangewezen.

[1] Zie bl. 193.

Reeds vóór de wet van 3 Augustus in werking trad, was bij Koninklijk besluit van 1 Augustus, op grond van de wet van 1870, de uitvoer van paarden, hooi, stroo, steenkolen en cokes verboden. Spoedig na den 3den Augustus 1914 volgden uitvoerverboden van een aantal etenswaren. In de eerste weken werden die uitvoerverboden, zoo niet uitsluitend dan toch in de eerste plaats, ingegeven door motieven, ontleend aan het belang van leger en vloot en aan de noodzakelijkheid der geregelde approviandeering van stellingen en versterkte plaatsen. Heel spoedig echter veranderde dit en kwam het overwicht bij de uitvoering der wet op de uitvoerverboden bij het Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel,—het departement, dat in het algemeen de zorg heeft voor de economische belangen des lands en dat in den oorlogstijd de moeilijke en, vooral bij den langen duur van den toestand, hoogst ondankbare taak heeft te vervullen, het economisch leven onder de door den oorlog geschapen buitengewone omstandigheden zoo goed mogelijk aan den gang te houden.

Had men dit vooruit kunnen voorzien, men zou de uitvoering dezer wet, althans voor zoover het betreft uitvoerverboden, die niet met een militair oogmerk worden uitgevaardigd, niet in de eerste plaats in handen van het Departement van Oorlog hebben gelegd, dat uit den aard der zaak in oorlogstijd toch reeds de handen vol werk heeft. Bij de beoordeeling van het nu en dan te lang uitgebleven zijn van economische uitvoerverboden, nadat de wenschelijkheid daarvan was uitgemaakt, houde men er rekening mede, dat die verboden, behalve den Raad van State, niet alleen het Departement van Landbouw, maar ook de Ministeries van Buitenlandsche Zaken en van Financiën moesten passeeren, voordat daaraan door de zorg van het Departement van Oorlog de laatste hand kon worden gelegd. Als men bij vervolg van tijd weer in de noodzakelijkheid mocht komen, de wet op de uitvoerverboden toe te passen, zal men zeker niet verzuimen, die fout uit de regeling te schakelen. In de eerste oorlogsweken was de druk der omstandigheden groot genoeg, om een uitvoerverbod, dat noodig bleek, al de genoemde autoriteiten in één of twee dagen te doen passeeren. Maar onder zóó hooge spanning werkt men op den duur niet; ook niet in de bureaux onzer ministeriëele departementen.

Bij het stellen van uitvoerverboden werd natuurlijk rekening gehouden met de vriendschappelijke betrekkingen waarin Nederland als onzijdige natie met alle oorlogvoerenden staat; maar daarbij moest toch de binnenlandsche behoefte aan bepaalde goederen, inzonderheid aan levensmiddelen, den doorslag geven, ook al kon men zich niet verhelen dat de uitvoerpolitiek, welke de Regeering door den binnenlandschen toestand werd opgelegd, in haar gevolgen de centrale mogendheden over het algemeen meer trof dan de geallieerden. Als voorbeeld uit den eersten oorlogstijd breng ik in herinnering hetgeen met de rijst geschiedde.

Bij den aanvang van den oorlog was hier een zeer groote hoeveelheid rijst aanwezig. Zóó groot, dat die voorraad, onder normale omstandigheden, voor de behoeften der bevolking gedurende eenige jaren voldoende zou zijn geweest. Maar de omstandigheden waren juist niet normaal. Omdat moest gerekend worden met den zeer beperkten voorraad broodkoren, waarvoor rijst als surrogaat zou moeten in de plaats komen, indien het niet gelukte tarwe in voldoende hoeveelheid en met genoegzame regelmatigheid van overzee aan te voeren, mocht de Regeering, met name de Minister van Landbouw, het oog niet sluiten voor het feit, dat de rijst in ongekende hoeveelheden in Rijnschepen naar Duitschland werd verladen. De voorraad, die in het begin van Augustus 1914 de respectabele hoeveelheid van 200 millioen K.G. bedroeg, was drie weken later reeds tot 150 millioen K.G. geslonken. De rijstuitvoer was in Augustus 1914 grooter dan in normale omstandigheden in een half jaar. Toen dientengevolge gevaar dreigde dat de rijstreserve spoedig zou zijn uitgeput, mocht ik niet aarzelen en aarzelde ik niet, maatregelen te nemen, opdat de grens voor uitvoer van rijst onverbiddelijk zou worden gesloten, al was het duidelijk dat zulk een maatregel zoowel in Duitschland als bij de Nederlandsche rijstpellers en rijsthandelaren ontstemming moest wekken. De rijstuitvoer werd 3 September 1914 verboden en is sedertdien verboden gebleven.

Bij de suiker kon de wet op de uitvoerverboden op geheel andere wijze dienst doen. Er wordt hier ongeveer tweemaal zooveel ruwe suiker geproduceerd als voor het binnenlandsche verbruik van geraffineerd noodig is. Er moest echter voor gezorgd worden, dat in verband met de bij uitstek hooge prijzen, welke voor suiker in Engeland werden besteed, niet zooveel van het binnenlandsche product daarheen zou worden verscheept, dat voor de binnenlandsche consumptie niet voldoende hier zou blijven. Ware er nu niets meer te overwegen geweest, dan zou de beslissing hier, al stond de zaak niet precies zóó als bij de rijst, toch vrij eenvoudig zijn geweest. Er kwam echter nog een gansch ander element in het geding. „Het blijkt,—zoo zeide ik in de vergadering van de Tweede Kamer van 26 Augustus 1914—dat er onder deze omstandigheden een zeer groote strijd van belangen is tusschen de ruwsuikerfabrikanten en de raffinadeurs. Wanneer men toeliet, gelijk men dat vooral in sommige landbouwstreken gaarne zien zou, dat de ruwsuiker vrij mocht worden uitgevoerd, wat zou daarvan dan het gevolg zijn? Dat de overgroote hoeveelheid ruwsuiker naar Engeland zou gaan, omdat daar zeer hooge prijzen voor ruwe suiker worden besteed. Maar als men dat deed, zouden onze eigen raffinadeurs geen voldoende grondstof hebben; zij zouden te weinig krijgen en wat zij kregen, zouden zij duur moeten betalen en de bevolking zou ten slotte hooge prijzen moeten besteden.” Bovendien zou een te groote uitvoer van ruwe suiker geleid hebben tot gebrek aan werk voor onze Nederlandsche suikerraffinaderijen, hetgeen vermeerdering van het aantal werkloozen zou hebben ten gevolge gehad. Ook deze overweging deed zich in de eerste oorlogsmaanden, toen moest worden gevreesd voor- en gerekend met een zeer groot werkloozencijfer, krachtig gelden. Als resultaat van een en ander werd toen door mij aan belanghebbenden medegedeeld, dat het uitvoerverbod op ruwe zoowel als op geraffineerde suiker, dat den 7den Augustus was uitgevaardigd, gehandhaafd zou worden, zoolang belanghebbenden niet een gezamenlijk advies zouden hebben uitgebracht over het gedeelte van de Nederlandsche suikerproductie, dat hier zou moeten blijven voor het verbruik binnen de grenzen en over het aandeel, dat het geraffineerd en het ruw zouden kunnen hebben in het voor uitvoer beschikbare restant.

Aangezien de bietenoogst weldra zou moeten worden binnengehaald en de suikercampagne dus spoedig voor de deur stond, waren de verschillende groepen van belanghebbenden wel verplicht het met elkander eens te worden. Het duurde dan ook niet lang, of zij brachten een gemeenschappelijk advies uit. Daarbij werd eerst nog wel gepoogd „des Pudels Kern”, de verhouding van het ruw en het geraffineerd in het deel van het product, dat uitgevoerd zou mogen worden, niet aan te raken. Maar toen ik den heeren duidelijk maakte, dat ik juist omtrent dit punt hun voorlichting noodig had, en dat een advies, dat dit onaangeroerd liet, voor de Regeering geen waarde zou hebben, werden zij het ten slotte toch ook daarover eens. Dat enkelen daarbij het hart bloedde, omdat zij gehoopt hadden een grooter deel van de in totaal te verwachten oorlogswinst voor hun groep te kunnen bemachtigen, zal ik niet tegenspreken.

Bepaald werd toen, in overeenstemming met het door belanghebbenden uitgebrachte advies, dat 40 pct. van de geheele productie in het land zou moeten blijven en dat het voor uitvoer overblijvende zoodanig zou worden verdeeld, dat van den geheelen voorraad ten hoogste 18% als ruw zou mogen worden uitgevoerd, zoodat voor den uitvoer van geraffineerd ruim 40% van het geheele product restte. De raffinaderijen konden dus rekenen op ruim 80% van de Nederlandsche ruwe suiker als grondstof voor hun bedrijf, namelijk 40% voor het binnenlandsche verbruik en ruim 40% voor den uitvoer naar het buitenland. Deze rekening gaat slechts ten naastenbij op, omdat een deel van de ruwe suiker, welke niet als zoodanig werd uitgevoerd, toch de raffinaderijen niet bereikte. Enkele suikerfabrieken zijn namelijk ingericht op het zoogenaamd wit afdraaien van ruwe suiker, waardoor een product wordt verkregen, dat er minder fraai uitziet dan de geraffineerde suiker, maar dat deze toch kan vervangen vooral voor banketbakkers, fabrikanten van suikerwaren, van gecondenseerde melk en dergelijke. Bepaald werd, om de regeling niet aanstonds op losse schroeven te zetten, dat alleen die ruwsuikerfabrieken wit zouden mogen afdraaien, die het ook in de vorige campagne hadden gedaan, en dat wel tot maximaal dezelfde hoeveelheid. Op grond van de in de volgende paragraaf te behandelen levensmiddelenwet werd voorts voor 1e kwaliteit witte suiker de groothandelsprijs gesteld op ƒ 48.50 per 100 K.G., de kleinhandelsprijs op 55 centen per K.G. Daar de suikerfabrieken en de suikerraffinaderijen wegens den suikeraccijns onder voortdurend toezicht van het Departement van Financiën staan, had men hierin tevens een afdoende controle tegen pogingen tot ontduiking der regeling. Uit de verschillende groepen van belanghebbenden werd een commissie benoemd, die bij de maatregelen ter uitvoering van de getroffen regeling van advies zou dienen en bij het toezicht op die uitvoering behulpzaam zijn.

Ik heb de suikerregeling eenigszins uitvoerig behandeld, omdat zij tot voorbeeld heeft gestrekt voor analoge regelingen, die elkander ten aanzien van een toenemend aantal producten van tuinbouw, landbouw en veeteelt hebben opgevolgd. Bij die andere regelingen had men wel is waar niet te rekenen met een conflict van belangen als tusschen de ruwsuikerfabrikanten en de raffinadeurs. Maar de moeilijkheden waren daar toch niet minder. Ten aanzien van de meeste dier producten had men al aanstonds veel grooter moeilijkheden bij de controle, omdat zij, als accijnsvrij, niet onder een zoo streng fiscaal toezicht staan als de suiker. Bovendien ontbrak het ook daar niet aan belangenconflicten. Bij vele tuinbouwproducten is door het instituut der coöperatieve groentenveilingen althans het conflict tusschen den groothandelaar en den verbouwer grootendeels uitgeschakeld; bij de landbouwproducten is de coöperatie in den verkoop nog niet zoo algemeen. Zelfs buiten de coöperatieve organisatie van de boterbereiding en den boterafzet staan nog een aantal boterproducenten, speciaal in de westelijke provinciën; de eieren-veilingen bestrijken nog lang niet den heelen eierenvoorraad, en bij de kaas is de groothandel nog grootendeels in handen van kooplieden met andere belangen dan die der kaasproduceerende boeren.

Daarbij komt, dat overal tusschen den groothandel en den verbruiker nog verschillende groepen van tusschenhandelaars in staan. Het streven heeft van den aanvang af voorgezeten, bij de beperking en regeling van den uitvoer van producten, waarvan het land meer voortbrengt dan het voor eigen behoefte noodig heeft, in de verhouding tusschen de verschillende groepen van belanghebbenden zoo min mogelijk stoornis te brengen. Het spreekt intusschen wel van zelf, dat dit niet overal even gemakkelijk was door te voeren en ook dat bij zulke regelingen, welke steeds producten betroffen, waarmede oorlogswinsten waren te behalen, niet op een goudschaaltje kon worden afgewogen of elke groep van belanghebbenden daarbij wel haar evenredig deel kreeg van de gezamenlijke oorlogswinst, die er mede was te verdienen.

Zoo is het zeer wel mogelijk, dat de regeling, welke in 1914 ten aanzien van de suiker is getroffen, voor de raffinadeurs naar verhouding voordeeliger is geweest dan voor de ruwsuikerfabrikanten. Deze laatsten hebben echter in de campagne 1914/15 ook oorlogswinsten gemaakt, en die winsten zouden nog grooter zijn geweest, indien niet een invoerverbod van de Engelsche regeering, dat den 26sten October 1914 werd uitgevaardigd, speciaal den uitvoer naar Engeland van suiker, die op betere condities daarheen was verkocht, zoolang dat verbod duurde, grootendeels onmogelijk had gemaakt.

Voor mij zou de omstandigheid dat de raffinadeurs bij de regeling van 1914 wat meer zijde hadden gesponnen dan de ruwsuikerfabrikanten geen reden zijn geweest, van de hoofdtrekken dier regeling voor 1915 af te wijken, al zou ik aan de eenmaal gestelde verdeeling van het voor uitvoer beschikbare deel van den oogst tusschen ruw en geraffineerd niet krampachtig hebben vastgehouden, indien de ervaring had getoond, dat eenige wijziging daarin ter wille van eene meer gelijkmatige oorlogswinstverdeeling ware aan te brengen geweest, zonder het hoofddoel der geheele regeling te na te komen. Dit hoofddoel was, zooals zooeven werd in herinnering gebracht, tweeledig: zorg voor behoud van een voldoende hoeveelheid suiker voor het binnenlandsch verbruik en voorkoming van werkloosheid onder de arbeiders in de suikerraffinaderijen.

Door mijn opvolger van het Departement van Landbouw werd, in verband met den minder goeden bietenoogst in 1915, het percentage van de suiker der campagne 1915/16 dat niet zou mogen worden uitgevoerd, bepaald op 50. Ten aanzien van de overblijvende helft werd echter door hem een cardinale verandering gebracht in de regeling van 1914. Hij liet namelijk geheel vrij of die helft als ruw of als geraffineerd het land zou verlaten, er op rekenende dat dan de raffinadeurs van de ruwsuikerfabrikanten toch wel zooveel van den voorraad zouden afkoopen als zij voor hun bedrijf noodig hadden. Ook het wit afdraaien van ruwe suiker werd geheel vrijgelaten. Ik heb van den aanvang af betwijfeld, of die verandering ook een verbetering was en ik ben door de resultaten van de regeling voor 1915/16 in mijn twijfel bevestigd. Bij de afwijking van het bepaalde voor 1914/15 werd mijns inziens te veel rekening gehouden met de overweging, dat de ruwsuikerfabrikanten het vorig jaar niet hun evenredig deel in de behaalde oorlogswinst hadden genoten en de billijkheid meebracht nu eens hen „top dog” te maken, en te weinig er op gelet, dat men bij het betrachten van die verdeelende gerechtigheid gevaar liep, de verbruikers en de arbeiders in de suikerraffinaderijen het kind van de rekening te laten worden.

In normale tijden bemoeit de Regeering zich in het geheel niet met de verhouding waarin bedrijfswinsten tusschen de verschillende ondernemingen of groepen van ondernemingen in een handels- of nijverheidstak worden verdeeld. Waar in oorlogstijd de overheid door haar ingrijpen in het bedrijf onvermijdelijk ook aan die verhouding raakt, is het haar plicht daaraan niet meer te tornen dan strikt noodzakelijk is. Zij wachte zich er evenwel voor, de bijzaak tot hoofdzaak te maken en bij haar maatregelen er van uit te gaan, dat iedere groep van belanghebbenden, welke zonder het uitvoerverbod een zekere oorlogswinst zou kunnen maken, een zooveel mogelijk evenredig deel daarvan behoort te worden gelaten. Kan dit nevendoel worden bereikt zonder aan het hoofddoel tekort te doen, dan des te beter; maar een minister die ter wille van de nastreving van dat bijoogmerk zijn maatregelen anders neemt, dan hij ter bereiking van het hoofddoel op zich zelf zou hebben gedaan, komt daarmede op een verkeerden en zeer gevaarlijken weg.

Ik sta hierbij stil, omdat mij meer dan eenmaal is gebleken, dat men zich niet genoegzaam rekenschap geeft van den eenigen, maar dan ook afdoenden, rechtvaardigingsgrond van economische uitvoerverboden in oorlogstijd. Zulke verboden belemmeren onvermijdelijk den handel in bepaalde voedingsmiddelen, zoo zij dien niet tijdelijk geheel stopzetten, en doen daardoor aan de producenten van- en de handelaars in die waren oorlogswinsten derven, welke door hen anders zouden kunnen zijn genoten. Herhaaldelijk nu kan men de beschouwing hooren, dat de Regeering er mede rekening moet houden, door haar uitvoerverboden een bepaalde groep van producenten of van handelaars niet onevenredig veel in het maken van oorlogswinst te kortwieken. Zoo herinner ik mij een opmerking uit tuinbouwkringen, dat het toch niet zou aangaan den uitvoer van kool in zoodanige mate te verbieden, dat grootere stijging van den binnenlandschen prijs dan noodig is ter goedmaking van de verhooging der productiekosten, zou worden voorkomen. Bij die wijze van optreden der Regeering zou—zoo redeneerde men—een klein deel van het land (hier de zoogenaamde „Streek” in Noord-Holland) zoo goed als den ganschen last dragen van de voorziening der bevolking met deze in normale tijden binnen ieders bereik liggende groente.

Indien ik mij in de eerste oorlogsweken door zulk een overweging had laten leiden, zou—om slechts één voorbeeld te noemen—onze rijstreserve over de grenzen zijn verdwenen. De druk van het absolute uitvoerverbod van rijst, m. a. w. het vernietigen van verwachtingen op verder nog te maken oorlogswinst, kwam geheel neer op een nog heel wat kleinere groep van rijstpellers en rijsthandelaars.

Niet minder dan door de zooeven bedoelde beschouwing, werd ik getroffen door een betoog van een bekend landbouwkundige in een overigens zeer verdienstelijke en verdiende verdediging van het beleid van Minister Posthuma, die door het publiek hoogst onbillijk wordt beoordeeld, omdat men de moeilijkheden van de taak, waarvoor hij is gesteld, niet kent, of die moeilijkheden onderschat, voor zoover men er begrip van heeft. In het bedoelde betoog, dat in Juni jl. in een onzer groote dagbladen als hoofdartikel werd opgenomen, wordt er de nadruk op gelegd: dat de maatregelen van het Ministerie van Landbouw betreffende de beperking van den uitvoer van landbouw- en veeteeltproducten den boeren reeds op een derving van oorlogswinst te staan komen, die op meer dan ƒ 70 millioen werd berekend; dat men wel behoort te overwegen, hoe land- en tuinbouw, ondanks de binnenlandsche prijsstijging hunner producten, derhalve reeds een veel grootere bijdrage in de lasten van den oorlogstoestand leveren, dan welke andere groep van producenten of handelaars ook, en dat men dus bescheiden zijn moet in zijn verlangen naar nog verdere beperking van den uitvoer hunner artikelen, waardoor de winstderving voor die breede groepen der bevolking nog grooter worden zou.

Waren dergelijke uitingen niet meer en niet anders dan verklaarbare opvattingen uit de kringen van belanghebbenden, dan zou men er zich niet over behoeven warm te maken. Zóó onschuldig zijn zij echter niet. In de stukken, welke dezen zomer van het Ministerie van Landbouw uitgingen, komen uitingen voor, die doen vreezen dat men aan de afdeeling Landbouw, de afdeeling van het Departement, welke zich met de levensmiddelenvoorziening in het bijzonder heeft bezig te houden, ook in dien gedachtengang is gekomen. Dat nu is voor de bevolking niet zonder gevaar.

Maatregelen, waardoor in oorlogstijd de prijs van bepaalde voedingsartikelen belet wordt buitensporig hoog boven het normale te stijgen, missen hun rechtsgrond, wanneer zij niet door het algemeen belang der bevolking worden geboden. Maar gebiedt dit eenmaal het nemen daarvan, dan hebben bepaalde categorieën, van producenten of van handelaars, die daardoor worden verhinderd van zulke buitensporig hooge prijzen en van nog hoogere prijzen over de grenzen vrijelijk profijt te trekken, geen recht van beklag. In het maken van oorlogswinst ligt op zich zelf niets onbehoorlijks, maar niemand heeft recht, dat hem de kans op een oorlogswinst zou worden gelaten, die alleen kan worden binnengehaald, als de overheid ter wille van de trekkers daarvan nalaat of beperkt, wat zij anders in het belang der volksvoeding zou hebben gedaan.

De mogelijkheid van het maken van oorlogswinsten door bepaalde groepen van de bevolking is een gevolg van de hoogst abnormale toestanden, door den oorlog op economisch gebied te voorschijn geroepen. Daartoe behoort zoowel de noodzakelijkheid, dat de Regeering landbouw en industrie helpt bij den aanvoer van grond- en hulpstoffen, als dat zij hen in hun afzetgebied beperkt door, met of zonder uitzonderingen, de grens te sluiten voor dat deel hunner producten, waaraan hier gebrek is of zonder die beperking zou ontstaan. Waar en voor zoover eenerzijds zulk een regeeringsinmenging voor aanvoer van grond- of hulpstoffen en anderzijds zulk een beperking van het afzetgebied noodig zijn, behooren ook zij tot de omstandigheden, die de mate bepalen, waarin verschillende groepen van producenten van den oorlogstoestand profiteeren of daaronder lijden.

Wanneer, om bij den landbouw te blijven, van de boeren wordt gezegd, dat zij hun oorlogswinst aan de Regeering hebben te danken, is dat overdreven en daardoor onjuist. Bij die voorstelling wordt aan één factor in de buitengewone omstandigheden een beteekenis gegeven, als bepaalde hij die omstandigheden, in stede van er een product en door wisselwerking een schakel van te zijn. Maar wanneer daartegenover wordt gezegd, dat men bij die voorstelling de zaken op den kop zet, is dat nog minder juist. Oorlogswinsten, die hadden kunnen zijn gemaakt, indien de Regeering niet verplicht was geweest ter wille van de volksvoeding den afzet naar buiten te beperken, zijn oorlogswinsten, die onder de omstandigheden, welke de oorlog in het leven riep, juist niet te maken zijn; immers dezelfde oorzaak, die de buitengewone winstkans schept, schept tegelijkertijd den breidel, welke daaraan wordt gelegd. Zonder den oorlog zou de Regeering inderdaad den uitvoer van allerlei levensmiddelen vrij hebben gelaten, maar zonder den oorlog zouden de prijzen buitenslands daarvan niet zoodanig zijn gestegen, dat abnormale winsten met den uitvoer dier producten zouden zijn te maken geweest, welke te gelijk gevaar voor schaarschte en gebrek binnenslands deden ontstaan. Zonder oorlog zou er inderdaad geen reden zijn voor begrenzing van oorlogswinsten door uitvoerverboden, maar zonder oorlog zouden er nu eenmaal geen oorlogswinsten zijn. Om hazepeper te maken heeft men een haas noodig.

Wat de overheid met het stellen van uitvoerverboden en het regelen van vergunningen als uitzonderingen daarop doet, ligt op een terrein, waar zij zich in normale omstandigheden behoort buiten te houden en zich ook zorgvuldig buiten houdt. Het betreden daarvan is alleen gerechtvaardigd door den zeer buitengewonen toestand, welken de oorlog doet ontstaan; gaat de overheid daartoe, gedrongen door den nood der omstandigheid, over, dan weet zij dat zij onvermijdelijk bepaalde oorlogswinstverwachtingen den bodem moet inslaan, en met zoo veler persoonlijke belangen in botsing komt, dat haar daad veel gelijkt op het roeren in een wespennest. Men doet dit niet, dan wanneer en voor zoover het strikt noodzakelijk is; maar als men er toe overgaat, houde men zich aan het recept, dat, naar beweerd wordt, van Bismarck afkomstig is: „Greif’ niemals in ein Wespennest; doch wenn du greifst, so greife fest!”


Het zou mij te ver voeren en in een vervelende opsomming ontaarden, indien ik poogde een volledig beeld te geven van de allengs door den drang der omstandigheden toenemende lijst der uitvoerverboden in den oorlogstijd en van de motieven, welke tot het stellen van elk dier verboden leidden. Ik bepaal mij tot enkele van de meest belangrijke voedingsartikelen. De overgroote meerderheid der andere uitvoerverboden weken van dat van suiker in zoover af, dat de naaste aanleiding daartoe niet gelegen was in abnormaal grooten uitvoer of gewettigde vrees daarvoor naar Engeland, doch naar Duitschland. In de geheele uitvoerpolitiek waartoe Nederland door de omstandigheden werd gedwongen, doet zich de terugslag gevoelen van den economischen oorlog door de geallieerden, met name door Groot-Brittannië, tegen de centrale mogendheden, en wel in de eerste plaats tegen Duitschland, gevoerd.

De later daar zoo nijpend geworden schaarschte aan boter en vet, maakte het spoedig raadzaam door het stellen van een verbod van uitvoer van boter, met organisatie van een stelsel van uitvoerconsenten, op het voetspoor van hetgeen ten aanzien van de suiker was geschied, te voorkomen dat van dit nationale exportartikel zooveel zou worden uitgevoerd, dat voor het binnenlandsch verbruik niet genoeg zou overblijven. De regeling, welke voor den boteruitvoer werd getroffen, kwam nog tot stand vóór ik van het Ministerie van Landbouw naar dat van Financiën overging. Zij dagteekent van 29 October 1914. Door mijn opvolger aan het Ministerie van Landbouw werd zij, als gevolg van lessen der ervaring, eenige malen herzien. Bij dit zuivelproduct was voor de regeling van den uitvoer van groote waarde, dat gebruik kon worden gemaakt van de organen der Rijksbotercontrole, en niet een geheel nieuwe en zelfstandige organisatie behoefde te worden in het leven geroepen. Die organen konden hier op analoge wijze medewerken als de ambtenaren der belastingen bij de regeling van den suikeruitvoer. Hoofdzaak van de regeling was, dat alleen voor gecontroleerde en daarmede gelijkgestelde boter uitvoerconsenten werden gegeven en dat die alleen verstrekt werden aan bereiders, die een zeker percentage van hun productie voor binnenlandsch gebruik beschikbaar stelden; bij den aanvang werd dit op 30 pct. gesteld. Voorts werd bepaald, dat de maximumprijs voor binnenlandsch verbruik van maand tot maand zou worden vastgesteld. Deze regeling had ook dit bijkomend voordeel, dat de vastkoppeling van het uitvoerconsent aan de botercontrole, waarborg gaf, dat niet onder den naam van boter allerlei minderwaardig goed zou worden uitgevoerd, waardoor de goede naam van de Hollandsche boter in het buitenland ernstig zou zijn benadeeld. Bij andere artikelen, waarbij zulk een waarborg niet kon worden gesteld, is helaas maar al te vaak gebleken, dat gewetenlooze knoeiers zich niet ontzagen met voor het buitenland bestemde waren de ergste en ergerlijkste vervalschingen te plegen en daarmede aan den naam van ons land en aan het vertrouwen in zijn fabrikanten en kooplieden groote schade te berokkenen.

De steun van eene de gansche binnenlandsche productie beheerschende Rijkscontrôle ontbrak al aanstonds bij de kaas, met het gevolg dat hier allerlei fraude werd gepleegd, die bij de boter onmogelijk was en dat het Centraal Bureau voor den uitvoer van kaas, dat omstreeks half November 1914 werd opgericht en bij mijn aftreden als Minister van Landbouw in voorbereiding was, niet zoo goed voldoen kon en dan ook lang niet zoo goed voldeed, als het uitvoerbureau voor boter. De consenten werden volgens de kaasregeling alleen afgegeven aan exporteurs, die zich verbonden een zekere hoeveelheid kaas, geschikt voor binnenlandsch verbruik, in voorraad te houden. Voor deze kaas werd van maand tot maand een maximum prijs vastgesteld. Veel is er van die regeling in de practijk niet terecht gekomen; de controle op de in voorraad te houden hoeveelheden bleek niet uitvoerbaar, en de regeling heeft niet belet, dat kaas voor binnenlandsch verbruik steeds schaarscher werd en dat de prijzen daarvan zoozeer stegen, dat dit zuivelproduct haast een weelde-artikel werd.

Naast den uitvoer van boter en kaas trok ook de aardappeluitvoer heel spoedig de aandacht der Regeering. Waar Nederland ook in normale tijden aardappelen exporteert en van dit volksvoedsel bij uitnemendheid hier te lande heel wat meer wordt verbouwd dan voor het binnenlandsche verbruik en als grondstof voor onze aardappelmeelfabrieken noodig is, behoefde afvloeiing van een deel van den voorraad, ook al steeg dat eenigszins boven het normale exportcijfer, niet aanstonds te verontrusten. Die uitvoer nam echter in het laatst van September en het begin van October 1914 zulke afmetingen aan, dat het mij noodig scheen in te grijpen, niettegenstaande de door mij geraadpleegde land- en tuinbouwdeskundigen mij verzekerden, dat er geen aanleiding was om voor gebrek te vreezen. De uitvoer van aardappelen werd bij Koninklijk besluit van 15 October 1914 verboden. In de Eerste Economische Nota, de eenige die van mij als Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel (toen reeds: ad interim) uitging, wordt van dat verbod gezegd: „Hiervan is niet de bedoeling de grenzen geheel voor den export te sluiten; door uitvoerpermissies te geven, voor zoover dit in verband met de binnenlandsche behoefte kan geschieden, zal er voor worden gezorgd, dat de hoeveelheid die binnenslands kan worden gemist, ook thans zal kunnen worden uitgevoerd; voorkomen zal echter worden, dat de prijs van dit belangrijke volksvoedsel onevenredig stijgt, en dat het bedrijf der aardappelmeelfabrieken zou kunnen verlamd worden”.

Ik heb geen oogenblik berouw van den maatregel gehad. Het uitvoerverbod op aardappelen van October 1914 was niet voorbarig, hoewel belanghebbenden in gemoede overtuigd waren, dat er nog geen reden was hen in hun exportbedrijf te belemmeren en die overtuiging door de deskundigen, die ik raadpleegde, werd gedeeld. Een minister, die in zulke abnormale tijden de zorg heeft voor de levensmiddelenvoorziening moet zich wachten voor het hechten van al te veel waarde zoowel aan overdreven voorstellingen van de zijde van het verbruikende publiek omtrent uitvoeren, welke men meent te hebben waargenomen en waarvan de faam al wandelende zienderoogen groeit, als aan adviezen van deskundigen, die onwillekeurig door het feit van hun deskundigheid te veel beteekenis toekennen aan het belang van het bedrijf, dat zij kennen, tegenover het algemeen belang der verbruikers van het product, dat door dat bedrijf ter markt wordt gebracht.

De eerstbedoelde overdrijving bleek herhaaldelijk uit berichten omtrent uitvoerkwantiteiten, die van niet ambtelijke zijde bij het Departement van Landbouw inkwamen of in de pers werden opgenomen. In de vergadering van de Tweede Kamer van 26 Augustus 1914 gaf ik daarvan een voorbeeld, dat later met een aantal andere zou zijn aan te vullen geweest.

„Men moet niet vergeten—zoo zeide ik—, dat, zonder dat de menschen willens en wetens overdrijven, zij onwillekeurig wat zij meenen gezien te hebben, ik zal niet zeggen zien met een vergrootglas, maar met een vergrootglas weergeven. Zoo is er aan mijn Departement een brief ontvangen van iemand die volkomen te goeder trouw was, en die mededeelde, dat het zóó erg was dat over Vaals op 17 Augustus niet minder dan 1500 stuks vee waren uitgevoerd. Men heeft het precies nagegaan, want aan de douane is opgedragen geregeld elken dag alles na te gaan, en geregeld komen elken dag van alles wat over de grenzen is gegaan, opgaven in. Wat bleek nu? Dat op 17 Augustus niet 1500, maar 87 stuks rundvee over Vaals waren uitgevoerd en op 17 en 18 Augustus 199 stuks te zamen. Ik zeg nog eens: die briefschrijver heeft niet willens en wetens verkeerde cijfers medegedeeld, maar men is zenuwachtig en in zijn zenuwachtigheid ziet men de zaken soms te donker in.”

Tegenover zulke overdrijvingen te goeder trouw van de zijde van het zenuwachtige en voor gebrek beangste publiek staat nu de evenzeer te goeder trouw zijnde overtuiging van velen der deskundigen, die de Regeering raadpleegt, dat het belang der groep van de bevolking, waarmede zij speciaal vertrouwd zijn, het algemeene volksbelang is, een overtuiging die leidt tot overdrijving van de schade, welke door een belemmering van het bedrijf dier groep, waar de omstandigheden die belemmering noodzakelijk maken, zal worden geleden. Volgens mijne ervaring hebben inzonderheid landbouwdeskundigen vaak moeite zich met de gedachte vertrouwd te maken, dat het algemeen belang niet altijd met dat van den landbouw of van bepaalde landbouwersgroepen samenvalt. Natuurlijk zou een bewindsman, die tusschen deze Scylla en Charybdis heeft door te laveeren, heel spoedig vastloopen, indien hij meende het zich gemakkelijk te kunnen maken, door van de uitingen van het publiek geen kennis te nemen en van het hooren van deskundigen af te zien. De beide klippen, waartusschen hij heeft door te zeilen, zouden daarmede niet uit zijn vaarwater verdwijnen, maar het zou bovendien nog worden verstopt door de zandbank der struisvogelpolitiek.

Hoe men, tusschen de beide uitersten doorsturende, het scheepje der economische voorzieningen onder zoo abnormale omstandigheden als de Europeesche oorlog heeft te weeg gebracht, in de nauwe vaargeul kan houden, waar het geen gevaar heeft aan den grond te raken, is in het algemeen niet aan te geven. Trouwens ook in elk speciaal geval is het meer een zaak van intuïtie dan van het redeneerend verstand, hoe men het roer houden moet. Ik heb alleen hierom een oogenblik de aandacht op de door mij gesignaleerde moeilijkheid gevestigd, omdat ik den indruk niet van mij kan afzetten, dat men aan het Departement van Landbouw allengs wat veel op de adviezen van speciale vakdeskundigen heeft gesteund. Dreigt men daardoor vast te loopen, dan komt men er zoo licht toe, het roer wat schielijk om te gooien. Door zulke plotselinge koersveranderingen bereikt men zijn doel misschien wel op een bepaald oogenblik, doch berokkent men meer schade dan bij een meer vooruitziend en voorzichtiger houden van het midden tusschen de naar verschillende zijde trekkende producenten en verbruikers noodig zou zijn geweest. Bovendien stelt men er een eenmaal angstig geworden publieke opinie niet mede gerust; men wekt er veeleer den indruk mede van onvastheid in het bestuur. Zoowel voor de verbruikers als om de speculatie in voedingsmiddelen binnen de engst mogelijke grenzen te beperken en bovenal om het vertrouwen in het regeeringsbeleid hoog te houden, is vastheid van economische politiek onder zoo buitengewone omstandigheden als de Europeesche oorlog in het leven riep, nog meer noodig dan anders.

Doch, revenons à nos moutons! Toen het uitvoerverbod van aardappelen was gesteld, werden enkele deskundigen aangezocht om de Directie van den Landbouw behulpzaam te zijn bij het opmaken der voorraden, bij het zoeken in welke gemeenten die te vinden waren, bij het schiften der soorten, die voor de consumptie wèl en die daarvoor niet geschikt waren, bij het vaststellen van de soorten en hoeveelheden die nog uitgelaten zouden kunnen worden en bij de verdeeling van den voorraad tusschen de grossiers en winkeliers eenerzijds en de aardappelmeelfabrikanten aan den anderen kant. Bij dit laatste moest bovendien nog rekening gehouden worden met den strijd tusschen de coöperatieve en de zoogenaamd „speculatieve” fabrieken, welke zich ook bij de verdeeling van de voor haar gezamenlijk te reserveeren grondstof onverflauwd deed gelden. Dat het bij een en ander van een leien dakje is gegaan, zou ik niet durven beweren. Ook hier konden de deskundigen niet altijd blindelings gevolgd worden, ook al waren hunne adviezen te goeder trouw.

Den 1en Maart 1915 werd door mijn opvolger aan het Departement van Landbouw besloten, geen verdere consenten tot uitvoer van aardappelen meer te geven; de uitzonderingen op het uitvoerverbod hielden daarmede op. Den 1en April d. a. v. werd, op het voetspoor van de suiker, de boter en de kaas, een Rijkscentraalbureau tot regeling van den uitvoer van aardappelen opgericht. Dit bureau kreeg inzonderheid tot taak die soorten uit te laten, welke door hare geringe duurzaamheid anders tot bederf zouden kunnen overgaan. Half Juni 1915, toen de nieuwe aardappeloogst begon, werd het uitvoerverbod van aardappelen tijdelijk opgeheven. De uitvoer nam toen echter aanstonds zulk een omvang aan, dat het verbod in het laatst van Juli moest worden hersteld. De groote moeilijkheden, welke in 1916 zich ten aanzien der aardappelen hebben voorgedaan, laat ik onbesproken. Toen zij zich voordeden, was ik niet meer in de gelegenheid de regeeringszaken van de binnenzijde waar te nemen.

Toen het aantal uitvoerverboden met regelingen van uitvoerconsenten in het najaar van 1914 telkens toenam, deed zich allengs meer de behoefte gevoelen aan meer algemeene feitenkennis omtrent de in het land aanwezige voorraden levensmiddelen, dan waarover de Regeering beschikte. Ten aanzien van enkele der meest belangrijke voedingsartikelen, zooals tarwe, rogge en rijst, was men wel vrij goed op de hoogte, maar zelfs daaromtrent was de feitenkennis zoo weinig volledig, dat in Augustus 1914 door de Regeering, in de eerste plaats door mijzelven, de fout kon worden begaan van het uitvoerverbod voor rogge op te heffen, een fout die wel na een week weer was hersteld, maar niet dan nadat betrekkelijk groote hoeveelheden van dit zoo hoog noodige broodkoren de grens waren overgegaan. Terecht heeft men mij daarvan een verwijt gemaakt; ik heb mijzelf over die domheid genoeg geërgerd. Om haar te verklaren en tot op zekere hoogte te verontschuldigen, zou ik interne zaken moeten mededeelen, tot welker openbaarmaking ik noch vrijheid noch neiging gevoel.

Op de wenschelijkheid een inventaris te doen opmaken van de in ons land aanwezige levensbenoodigdheden werd door den heer Troelstra reeds gewezen in de vergadering van de Tweede Kamer van 26 Augustus 1914. Ik antwoordde daarop in diezelfde vergadering: „Natuurlijk is de Regeering daartoe bereid, maar op dit oogenblik zou ik toch niet gaarne zoo’n inventaris laten maken. De heer Troelstra zal toch wel begrijpen, dat op dit oogenblik aan mijn departement de werkkrachten zoo overvuld zijn met het buitengewone werk, noodig om te zorgen voor de maatregelen, die genomen worden in het belang der volksvoeding, dat het wezenlijk niet is te vergen, dat men bovendien nog een deel van zijn tijd gaat besteden aan het opmaken van een dergelijken schriftelijken inventaris. Maar ik wil er dit wel bijvoegen, dat ik geloof, dat die inventaris onvermijdelijk zou zijn misleidend, want men heeft natuurlijk wel gegevens en men is bezig die aan te vullen, maar daarbij moet men uitgaan van de gegevens, die men onder normale omstandigheden krachtens de statistiek heeft. Welnu, het blijkt telkens, dat de normale gegevens op het oogenblik niet meer juist zijn.”

Toen de eerste drukte aan het Departement van Landbouw wat begon te luwen heb ik, op aandrang van het Kon. Nat. Steuncomité, dat—zooals uit de volgende hoofdstukken blijken zal—veel heeft bijgedragen tot het niet al te ongunstig verloop van zaken in de oorlogscrisis, bij het scheiden van de markt, op een der laatste dagen dat ik als Minister a. i. het Departement van Landbouw beheerde, de hulp van de Commissarissen der Koningin ingeroepen, om door bemiddeling van de burgemeesters een antwoord te krijgen, hoe het stond met de voorraden levensmiddelen en wat was gedaan om wegstrooming daarvan naar buiten de gemeente te voorkomen. Het resultaat van die enquête, dat uit den aard der zaak niet terstond werd verkregen, heeft mij bevestigd in mijn weinig hoog gespannen verwachting omtrent zulk een onderzoek. In de Tweede Nota betreffende den Economischen Toestand maakte Minister Posthuma er slechts met een korten volzin melding van. „In het algemeen leverde dit onderzoek vrij bevredigende resultaten op. Toch bleek het, dat het geraden was het noodige te doen, opdat enkele voorraden niet zouden worden uitgeput.”

Om tot die slotsom te komen, was de enquête niet noodig geweest. Het groote bezwaar van zulke spoedopnemingen is, dat men er zich niet op kan verlaten. Men moet daarbij aan de burgemeesters allerlei vragen doen, voor welker beantwoording zij de gegevens evenzeer missen als de Regeering zelve en die zij slechts behoorlijk zouden kunnen beantwoorden, als zij de beschikking hadden over personeel, dat voor zulk een onderzoek geschoold is en dat dit na de noodige voorbereiding en met de noodige omzichtigheid leiden en uitvoeren kan. Zooals de zaak geschieden moest, kreeg men niet veel meer dan een verzameling persoonlijke meeningen van burgemeesters, van welke het geraden was niet dan een critisch gebruik te maken.