De steunverleening in geld is verreweg de hoofdzaak gebleken. Afgezien van tal van bijzondere uitkeeringen bedroeg zij op het eind van het jaar 1915 meer dan ƒ 2.200.000 tegenover ruim ƒ 830.000 aan huurbons en ongeveer ƒ 115.000 aan kleeding en dekking.


Onder den steun in bijzondere gevallen neemt een eerste plaats in, hetgeen het Kon. Nat. Steuncomité deed ten bate van onder de wapenen zijnde kleine neringdoenden, wier zaakje door de vervulling van hun militie- of landweerplicht dreigde te verloopen. Met dezen bijzonderen vorm van hulp belastte het comité zich op verzoek van den Minister van Oorlog. Toen deze bewindsman aan de compagniescommandanten in het laatst van December 1914 berichtte, dat het Kon. Nat. Steuncomité deze taak had aanvaard, stroomden de aanvragen spoedig toe. Zij werden steeds zoowel plaatselijk als door vakdeskundigen onderzocht. Nadat de in het volgend hoofdstuk te bespreken Regeeringscommissie voor het Middenstandscrediet haar werkzaamheid was begonnen, werden alle aanvragers die met een voorschot geholpen konden worden, daarheen verwezen. Op 31 December 1915 was aan giften voor dienstplichtige kleine neringdoenden omstreeks ƒ 156.000 besteed. Onder die kleine neringdoenden werden ook de binnenschippers begrepen.

Tot den steun in bijzondere gevallen behoort ook hetgeen gedaan werd ten bate van liefdadige stichtingen, die voor de vervulling van haar liefdewerk afhankelijk zijn van vrijwillige bijdragen en die, als gevolg van den oorlogstoestand, haar inkomsten zagen verminderen. Het steuncomité stelde een subcommissie in om te onderzoeken, welke van deze instellingen door den oorlogstoestand dreigden in nood te geraken en sprong die, welke gevaar liepen haar menschlievend werk niet te kunnen voortzetten, zoover bij, als bleek noodig te zijn. Tot 31 December 1915 was aan liefdadige instellingen ruim ƒ 34.000 verstrekt.

Voorts zij hier nog vermeld, wat in aansluiting aan hetgeen door de beeldende kunstenaren voor het Kon. Nat. Steuncomité werd gedaan, door het comité wederkeerig voor diegenen onder hen geschiedde, die onder den druk van den oorlogstoestand gebukt gingen. Bij de organisatie van de boven vermelde tentoonstelling met loterij was tusschen de commissie van uitvoering daarvan en het Kon. Nat. Steuncomité overeengekomen, dat een zeker percentage van de opbrengst daarvan ten goede zou komen aan het Nederlandsch Steuncomité voor Beeldende Kunstenaren en aan de Vereeniging voor Ambachts- en Kunstnijverheid. In verband met deze regeling werd ten behoeve van noodlijdende beeldende kunstenaars en beoefenaars der kunstnijverheid tot het eind van het jaar 1915 een bedrag van rond ƒ 42.000 uitgegeven.

Eveneens valt hieronder, wat gedaan werd ten bate van Nederlanders in den vreemde. Dit beperkte zich hoofdzakelijk tot de Nederlanders in België en tot die in Duitschland, inzonderheid in Westphalen en in de Rijnprovincie. Voor de Nederlanders in Brussel werd tusschen het Kon. Nat. Steuncomité en de Nederlandsche Vereeniging van Weldadigheid aldaar een regeling getroffen, waarbij deze vereeniging de rol vervulde van de plaatselijke steuncomités hier te lande. Voor de behartiging der belangen van de Nederlanders in België werd voorts door den Minister van Buitenlandsche Zaken eene bijzondere commissie ingesteld, onder leiding van Mr. Dr. J. van Best, lid van de Tweede Kamer. De hulp aan Nederlanders in Duitschland werd voornamelijk verleend door tusschenkomst van de Nederlandsche consuls in Westphalen en in de Rijnprovincie. Aanvankelijk bepaalde zij zich in hoofdzaak tot vergoeding van huishuur op overeenkomstige wijze als hier met de huurbons geschiedde. Later, bij het schaarscher worden der levensbehoeften, werden ook wel levensmiddelen verstrekt. Hierbij moest echter met de grootste omzichtigheid worden te werk gegaan. Niet alleen moest worden voorkomen, dat de verstrekte levensmiddelen in plaats van aan het gezin ten goede te komen, zouden worden verkocht, maar ook mocht de steunverleening niet ontaarden in indirecte subsidieering van buitenlandsche werkgevers. Hier diende men dus overwegingen te laten medespreken, die in Nederland, waar de steun tot werkloozen en hunne gezinnen beperkt was, niet behoefden te gelden. De medewerking van de Nederlandsche arbeidsbeurs te Oberhausen is bij de steunverleening aan de gezinnen van Nederlanders in West-Duitschland van groote waarde geweest. Die arbeidsbeurs heeft ook haar tusschenkomst verleend om aldaar vertoevende Nederlanders hier aan werk te helpen. Dit geldt vooral voor mijnwerkers. Later, toen de nood in Duitschland steeds klemmender werd, moest ook de terugkomst van gezinnen, die het niet langer konden uithouden, bevorderd worden. Sommige van die gezinnen zijn toen in een der vluchtelingenkampen ondergebracht, die hun ontstaan aan de invasie der Belgen na den val van Antwerpen te danken hebben.

Tot 31 December 1915 gaf het Kon. Nat. Steuncomité uit: voor Nederlanders in België ruim ƒ 175.000; voor Nederlanders elders (hoofdzakelijk in Duitschland) ruim ƒ 46.000 en voor Nederlanders die uit het buitenland waren gevlucht ruim ƒ 26.000.

§ 2. Hulp aan vreemdelingen.

Als tegenhanger van wat voor Nederlanders in den vreemde werd gedaan, moet ook worden gedacht aan hetgeen voor vreemdelingen, in de eerste plaats voor Belgen, hier te lande geschiedde. Toen het Duitsche leger met schending van België’s neutraliteit naar Frankrijk oprukte en de Belgische bevolking het verdedigen van hun verkracht grondgebied niet uitsluitend aan het leger overliet, maar in de algemeene verontwaardiging ook franc-tireurs de indringers trachtten tegen te houden, gaf dit aanleiding tot represaille-maatregelen en tooneelen, welke aan de bevolking den schrik om het hart deed slaan. Naar mate het Duitsche leger oprukte, vluchtten beangste Belgen eerst uit Visé en Luik en omstreken naar Nederlandsch Limburg. Later kwam, onder den indruk van wat in Leuven was geschied, Noord-Brabant aan de beurt. Het was geen wonder dat na die gebeurtenis, waarvoor de verantwoordelijkheid nog niet onomstootelijk is vastgesteld, zoowel ontzetting als heftige verbittering tegen den schender van recht en grondgebied zich van de Belgische bevolking meester maakte. Dit leidde er toe, dat het aan velen onder de Duitsche inwoners van België en vooral van Antwerpen aldaar te benauwd werd, en dat deze uit vrees van slachtoffers te zullen worden van de verontwaardiging, welke hun landgenooten hadden gewekt, naar hier de wijk namen. Zij waren slechts voorloopers. Toen het Duitsche leger allengs verder in België doordrong, beving de Antwerpsche bevolking de angst, dat het hun vergaan zou gelijk het den Leuvenaren vergaan was. Toen begon de uittocht eerst recht; de een stak bovendien den ander aan, en wat aanvankelijk een klein beekje was, werd spoedig een overweldigende stroom. Het was een ware volksverhuizing. Half Antwerpen liep leeg. Goeden en kwaden, zooals er in elke groote stad zijn, fatsoenlijke burgers, naast boeven en lichtekooien overschreden, onder den indruk van het ééne groote gevaar, dat allen zonder onderscheid bedreigde en dat allen in hun schrik nog grooter zagen dan het reeds was, de grens van Staats-Vlaanderen en van westelijk Noord-Brabant. Zóó plotseling en zóó onverwachts kwam die stroom opzetten, dat maatregelen van voorbereiding tot ontvangst en tot het onder dak brengen van een zóó overweldigende menschenmassa niet hadden kunnen worden genomen. Natuurlijk zijn er toen dingen gebeurd, die niet hadden moeten zijn geschied, natuurlijk hebben de arme vluchtelingen, die niet slechts het gevoel hadden van berooid te zijn van huis en hof, maar die bovendien door angst werden voortgedreven, niet overal de medelijdende gastvrijheid gevonden, waarop zij in hun deerniswaardigen toestand aanspraak mochten maken. Men brengt zulk een menschenmassa niet in een of twee dagen onder, zonder dat het hier en daar verkeerd gaat. Maar de donkere vlekjes die er bij de invasie aan onze Zuidgrens door, de opgeschrikte Belgische bevolking zonder twijfel zijn geweest, en die het dwaasheid zijn zou, te willen verbloemen of vergoelijken, vallen toch Goddank geheel in het niet tegenover den geest van gastvrijheid en offervaardigheid, welke over de gansche bevolking van ons land vaardig werd. Overal was men bereid om te helpen. Het was daarbij een groot geluk, dat de weersgesteldheid in het laatst van September en het begin van October 1914 niet al te slecht was, want met den besten wil was het niet mogelijk die toegestroomde menschenmassa terstond geheel onder dak te brengen. Een groot deel moest de eerste nachten onder den blooten hemel slapen; daartegen was trots alle inspanning van militaire en burgerlijke autoriteiten en trots de groote medewerking en toewijding der bevolking tot verzachting van het hartverscheurende leed, dat zij onder hun oogen zagen, niets te verhelpen. Het was al een praestatie, welke eerbied afdwingt, dat door die honderdduizenden, waaronder kinderen en grijsaards, zieken en gebrekkigen, zoowel als gezonden van lijf en van geest, geen dag honger werd geleden, dat aan die allen binnen 24 uur althans het hoogst noodige voedsel werd verstrekt. Wat er in die dagen voor de vluchtelingen werd gedaan en gedaan moest worden, kan ik het best weergeven in de woorden, door den heer Cort van der Linden in de vergadering van de Tweede Kamer van 17 December 1914 gesproken:

„Toen de Duitschers in België kwamen en men de gevechten heeft gehad bij Visé, zijn er dadelijk een aantal vluchtelingen gekomen in Limburg, eenige duizenden. Zij hebben een onderdak gekregen en voedsel; daarvoor is, mag ik zeggen, door den Commissaris van Limburg op voortreffelijke wijze gezorgd. Toen langzamerhand het Duitsche leger voorttrok in België, heeft de Regeering voorzien—dit in antwoord aan den heer Hugenholtz, die vroeg of de Regeering niets had voorzien—dat het aantal vluchtelingen dat in ons land zou komen zou vermeerderen. In dien tusschentijd waren er ook door de bevolking verschillende steuncomités opgericht voor de vluchtelingen, die zich in Limburg bevonden, en toen heeft de Regeering een organisatie in het leven geroepen: ik heb toen aan de Commissarissen der Koningin verzocht om provinciale comités te vormen, die samenwerking zouden bevorderen van die steuncomité’s, die zich in het land hadden gevormd en die dikwijls tegen elkander inwerkten en veel noodeloos werk deden. Ook heb ik in het leven geroepen een centraal comité, dat in verband kwam met een comité dat reeds te Amsterdam bestond, maar geen officieel karakter had, en dat over een zeker kapitaal kon beschikken. Men had dus een organisatie van de steuncomité’s over het geheele land.

„Maar wat ik niet voorzien had, en wat ik geloof niemand heeft voorzien, dat was de enorme massa, die ons land overstroomd heeft, en waarvoor die organisatie ten eenenmale is bezweken. Tegen een dergelijken aandrang was zij niet bestand. Maar zulk een aandrang kon ook inderdaad niemand voorzien. Dat heeft de Regeering niet voorzien, dat heeft de Belgische Regeering niet voorzien en niemand.

„Ik zeg: een enorme overstrooming. Men moet niet vergeten dat er op een zeker oogenblik hier in het land 8 à 900.000 Belgische vluchtelingen waren, en men moet zich eens een oogenblik voorstellen wat dat beteekent. Dat is meer dan dubbel de bevolking van den Haag die zich in enkele dagen over ons land verspreidde.

„Wat was nu de taak van de Regeering op dat oogenblik? Die kon dit niet anders behandelen dan als een zuiver massaverschijnsel; die kon geen onderscheid maken. In enkele dagen of in een dag moest voor die ontzaglijke massa voedsel verschaft worden. Dat voedsel is verschaft. Ik geloof niet dat de vluchtelingen 24 uur hebben doorgebracht zonder dat er gelegenheid was om eten te krijgen. Dat is verschaft, met groote inspanning en dank zij de inderdaad uitstekende organisatie van onze intendance.

„Er moest ook zooveel mogelijk gezorgd worden voor onderdak. Die menschen konden niet blijven daar in de bosschen waar zij waren, mannetje aan mannetje, zooals de heer Schaper het zelf heeft bijgewoond, op de wegen, op de markt, in de straten. Van alle kanten heeft men getracht tenten bijeen te brengen, maar dat was niet voldoende. Ik had trouwens reeds vóór den val van Antwerpen begrepen, dat de toestand onhoudbaar zou worden als men die massa niet althans ten deele over het land kon verspreiden. Door tusschenkomst van de Commissarissen der Koningin is daarom overleg gepleegd met de verschillende burgemeesters. Wanneer men de streek eenigszins wilde verlichten en althans eenige mogelijkheid van organisatie wilde krijgen, moest men de menschen ergens anders onder dak brengen. Men moest er zich dus van verzekeren, waar gelegenheid was om ze althans tijdelijk te bergen. Dat is door het heele land heen gebeurd in nog geen twee dagen. In nog geen twee dagen wist ik precies over het heele land waar vluchtelingen konden worden geborgen. Men kan dus niet zeggen dat er in deze eenig verzuim is geweest. Dat is alles ook weer per telegraaf gegaan, en dat is inderdaad geweest een zeer groot stuk werk, dat in korten tijd moest worden volbracht.

„Vervolgens moest het vervoer geregeld worden, en indien men weet wat het zeggen wil duizenden en duizenden menschen te vervoeren en dat vervoer geregeld te doen plaats hebben, dan zal men toch ook beseffen dat het een prachtig stuk werk is geweest—ik zeg dat niet om mij zelf te verheffen, want het is hoofdzakelijk ook weer geschied door ambtenaren, door de stafofficieren en door de spoorwegen—dat men dadelijk die treinen heeft kunnen organiseeren, de vluchtelingen heeft kunnen concentreeren op de hoofdplaatsen en van de hoofdplaatsen van de provincies verder heeft kunnen verspreiden, zoodat althans een groot gedeelte van die menschen onderdak had en er voor gezorgd werd dat zij verder eten en drinken hadden.

„Dat was des te moeilijker, omdat ter zelfder tijd meer dan 30.000 soldaten over de grenzen kwamen die geïnterneerd moesten worden, die vóór moesten gaan en die dus dwars door die regeling heen, gebracht moesten worden naar de kazernes en kampen.

„In den tijd dat de treinen naar het noorden werden gedirigeerd, moest het voedsel, brood en ander, worden verdeeld onder de menschen en dat is een werk geweest waarbij de particulieren groote diensten hebben bewezen. Zonder dat de particulieren zich daarmede hadden bemoeid, zouden de autoriteiten, die daar waren, en de steuncomité’s eenvoudig niet in staat zijn geweest het werk te doen. Op allerhande wijzen, ook bij het vervoer van vluchtelingen naar het noorden, heeft het particulier initiatief groote diensten bewezen aan de Regeering.”

Dat, zooals de heer Cort van der Linden verder opmerkte, de particulieren met de beste bedoeling de autoriteiten, die bezig waren orde te brengen in den chaos, ook wel eens hebben in den weg geloopen, spreekt van zelf. Maar over het algemeen was, daar allen werden geleid door hetzelfde gevoel van meewarigheid en menschelijkheid, de samenwerking groot. Het was hoog noodig, dat onverwijld voor verspreiding van die opgehoopte menschenmassa werd gezorgd, niet alleen omdat anders een behoorlijke verzorging onmogelijk zou zijn geweest, maar ook omdat die bij de grens verzamelde menigte de militairen zoozeer in beslag nam en ook indirect voor de taak der landsverdediging zóó belemmerend was, dat verspreiding dier menigte met het oog op gebeurlijkheden, waarop men voorbereid moest blijven, in het belang van ’s lands veiligheid geboden was. Bovendien gaf die menschenmassa, als zij niet werd verspreid en geschift, nog aanleiding tot andere gevaren. Niet alleen was met gezeten burgers, ook het schuim, dat in elke groote stad is te vinden, meegekomen, maar aangezien in de paniek zelfs de poorten der gevangenissen en Rijkswerkinrichtingen waren geopend, had men ook te rekenen met de aanwezigheid van gewezen bewoners daarvan, zeer ongewenschte gasten. En daarnaast zieken en zelfs krankzinnigen die, gedeeltelijk met hun verplegers, den stroom hadden gevolgd! Van allerlei gevaren van maatschappelijken en hygienischen aard werd met de invasie der Belgen de kiem hierheen gedragen. Dit is geen bedekt verwijt aan het Belgische volk. Als bijv. de Rotterdamsche of Amsterdamsche bevolking naar België had moeten vluchten, zou het niet anders zijn geweest. Ik wijs er alleen op, omdat men het niet vergeten mag bij het beoordeelen der maatregelen, die genomen werden.

Nadat de eerste weken van paniek voorbij waren, begon bij een deel der vluchtelingen het gevoel op te komen, dat zij beter gedaan hadden zich niet door den algemeenen stroom te laten medesleepen en, met achterlating van alles wat zij hadden, de vlucht te nemen. Er kwam daardoor spoedig een terugstrooming van ons land naar België, met name naar Antwerpen. Zij werd aangemoedigd door eenige invloedrijke Belgische persoonlijkheden, onder wie in de eerste plaats de heer Louis Franck is te noemen, die voor de bevolking van Antwerpen en zijn omgeving een ware schutspatroon is geweest. Ook de heer Huysmans stak aan de gevluchten een hart onder den riem en raadde hen tot terugkeer. Van hier uit werden die pogingen ondersteund, voor zoover dit mogelijk was zonder den valschen schijn te wekken, als zou men zich de vluchtelingen, wier verzorging men op zich had genomen, weer van den hals willen schuiven. Sommige burgemeesters zijn, uit vrees dat die gemengde menigte aanleiding zou kunnen geven tot epidemieën of andere gevaren voor de bevolking, wel eens te ver gegaan. Zoo dikwijls hiervan iets bleek, heeft de Minister van Binnenlandsche Zaken zich gehaast zulke overzorgzame burgervaders duidelijk te maken, dat hun overmaat van ijver niet met de bedoelingen der Regeering strookte. Deze was zoozeer doordrongen van hetgeen de plicht der menschelijkheid aan ons land oplegde, dat toen van Engelsche zijde werd aangeboden een deel der vluchtelingen op kosten der Britsche regeering naar ginds over te brengen, dezerzijds beleefd maar beslist werd geantwoord, dat wij geen hulp van elders verlangden voor de verzorging van vluchtelingen, die een beroep op onze gastvrijheid hadden gedaan. Natuurlijk werd aan die vluchtelingen, die zelven verkozen naar Engeland over te steken, met het boven in hoofdstuk I gemaakte voorbehoud[11] geen beletsel daartoe in den weg gelegd.

[11] Zie bl. 25.

De zooeven bedoelde tegenstrooming had ten gevolge, dat het aantal Belgische vluchtelingen na enkele weken tot 200 à 300.000 terugliep en daarna geregeld afnam, zoodat een jaar later hun aantal op 50 à 100.000 was te schatten. Onder de achtergebleven Belgen is een groot deel welgestelden, die geheel in staat zijn in eigen onderhoud te voorzien. De tijdelijke toevluchtsoorden in de steden liepen het spoedigst leeg. Zij die niet op eigen kosten konden leven of niet bij particulieren onderkomen hadden gevonden, werden bij voorkeur opgenomen in de vluchtelingenkampen. Toen het mogelijk was geworden een schifting te maken, werd zooveel eenigszins mogelijk was geindividualiseerd en werden de fatsoenlijke lieden van het minderwaardige deel der vluchtelingen gescheiden. De gevaarlijke elementen, die uit tuchthuis of werkinrichting waren gekomen, werden in Veenhuizen ondergebracht.

De kampen, die eerst onder militair toezicht hadden gestaan, werden spoedig onder het Departement van Binnenlandsche Zaken gebracht, waar zij ook veel meer thuis hoorden. Eerst werd een deel der vluchtelingen in een kamp te Oldeberkoop ondergebracht, maar toen na den val van Antwerpen geïnterneerden daar gehuisvest moesten worden, was dat kamp niet langer voor hen beschikbaar. Hals over kop werd er toen te Nunspeet een voor hen in gereedheid gebracht. Dat daarbij niet alles terstond geheel in orde was, spreekt van zelf. Men breekt nu eenmaal geen ijzer met handen en men bouwt niet in enkele dagen een kamp voor meer dan 10.000 vluchtelingen, zonder dat er gegronde aanmerkingen op zijn te maken. Aanvankelijk waren er zeker groote leemten, maar Dr. Hendrik Muller, die zich aanstonds bij het uitbreken van de oorlogscrisis ter beschikking van den lande had gesteld en aan wien door den Minister van Binnenlandsche Zaken het beheer van het kamp te Nunspeet als Regeeringscommissaris was toevertrouwd, was den toestand spoedig meester.

Op uitnoodiging van den heer Muller heb ik dat kamp, met medeweten en goedvinden van mijn ambtgenoot van Binnenlandsche Zaken, in den zomer van 1915 als particulier bezocht. De indruk dien dat bezoek bij mij heeft achtergelaten, is zeer gunstig. De geest onder de kampbewoners was klaarblijkelijk zeer goed; het trof mij ook dat het afgeschoten gedeelte, dat door militairen werd bewaakt en waar vrouwen met venerische ziekten afgezonderd werden gehouden, in het geheel niet den indruk van een gevangenis maakte en dat de stemming onder de vrouwen, die er vertoefden, veel minder somber was, dan ik had verwacht. Het geheel was goed ingericht en er heerschte een prettige stemming, die opviel zoowel bij het bezoek der scholen, waar de kinderen onder leiding van geestelijke of wereldlijke onderwijskrachten uit hun eigen land bijeen waren, als in de verschillende werkplaatsen waar de volwassenen zich met allerlei werk onledig hielden. Die goede geest was zeker voor een niet gering deel te danken aan de omstandigheid dat de heer Muller zich de medewerking had weten te verschaffen van een tweetal beschaafde jonge vrouwen, die met grooten tact met de kampbewoners omgingen en klaarblijkelijk een grooten invloed ten goede op hen hadden. Als Minister van Financiën heb ik ook zeer het streven van Dr. Muller gewaardeerd, om bij het beheer van het kamp de uitgaven niet te doen stijgen boven het strikt noodzakelijke. Als over het algemeen bij de verschillende leiders van onderdeelen der wijdvertakte oorlogscrisis-organisatie, zoowel onder de militaire als onder de burgerlijke autoriteiten, dat streven even sterk ontwikkeld was geweest, zou de oorlogstoestand aan het land op heel wat minder millioenen zijn te staan gekomen, ook al hadden slechts weinigen den heer Muller kunnen navolgen in zijn vaderlandschlievende daad van terugstorting in ’s Rijks schatkist der hem als Regeerings-Commissaris toekomende vergoeding.

Naast het kamp te Nunspeet werden nog enkele kleinere opgericht. Daarover kan ik niet oordeelen. Dat ik van Nunspeet een eigen indruk heb gekregen, is vrijwel toeval. De geheele zorg voor de vluchtelingen is, na de eerste weken, toen ook de militaire autoriteiten veel daartoe hebben bijgedragen, geleid door het Departement van Binnenlandsche Zaken. De heer Cort van der Linden is daarbij krachtig bijgestaan door Jhr. Mr. Ch. J. M. Ruys de Beerenbrouck, die enkele dagen na den grooten toevloed uit Antwerpen en omgeving tot Regeerings-commissaris werd benoemd en veel er toe heeft bijgedragen, dat met grooten spoed orde en regelmaat werd gebracht. Officieel heb ik zelf met de vluchtelingenzorg heel weinig te maken gehad. Alleen herinner ik mij uit de allereerste dagen van den binnenvallenden stroom, een telegrafisch verzoek van den burgemeester eener grensgemeente uit Noord-Brabant tot het vaststellen van maximum-prijzen voor koppen koffie en voor broodjes, daar er herbergiers en bakkers in zijn gemeente waren, die van den toestand misbruik maakten. Aan dat verzoek werd telegrafisch door mij voldaan.

Wat er van particuliere zijde voor de vluchtelingen werd gedaan, is moeielijk onder cijfers te brengen. De omvang van ’s Rijks werkzaamheid ten behoeve der Belgen, die hier te lande een goed heenkomen zochten, kan hieruit eenigszins worden nagegaan, dat de uitgaven te hunnen behoeve in het jaar 1914 bijna ƒ 312 millioen en in 1915 ruim ƒ 9 millioen bedroegen, dus samen tot het begin van het loopende jaar ongeveer ƒ 1212 millioen.

Naast de eigenlijk gezegde vluchtelingenzorg hebben ook de Nederlandsche Bank en de Rijkspostspaarbank aan de naar Nederland uitgeweken Belgen de behulpzame hand geboden. De Nederlandsche Bank, die ook aan andere vreemdelingen de inwisseling van hun geld vergemakkelijkte, moest ten behoeve der gevluchte en geïnterneerde Belgen daarvoor een bijzonderen dienst organiseeren. Het verslag van de Bank over 1914/15 zegt hiervan: „Nadat wij aanvankelijk de verwisselingen van Belgisch geld voor eigen rekening hadden aangevangen, liet de Banque Nationale de Belgique ons later daarvoor middelen verschaffen. Tijdens den grooten stroom van Belgische vluchtelingen naar ons land moesten wij de verwisseling bij een groot aantal kantoren openstellen, en werd over het geheele land door honderdduizenden hiervan gebruik gemaakt. Later zijn de gelegenheden tot verwisseling van Belgisch geld aanmerkelijk ingekrompen, omdat de Banque Nationale geen aanleiding kon vinden voor de verwisseling op eene zoo uitgebreide wijze gelden ter beschikking te stellen. Bovendien werd veelal misbruik gemaakt van den gunstigen koers. Wij hebben al deze werkzaamheden (dit geldt niet alleen voor inwisselingen ten behoeve van Belgen, maar ook ten behoeve van Engelschen, Duitschers en Amerikanen) zonder eenige vergoeding, in welken vorm dan ook op ons genomen, uitsluitend als een vriendendienst voor de vreemde nationaliteiten, met welke wij sedert jaren in goede vriendschap hebben verkeerd, terwijl ook de inwoners van ons land door de mogelijkheid dier inwisseling werden gebaat.”

Ook de Rijkspostspaarbank was in de gelegenheid te hulp te komen. Er bestaat een overeenkomst tusschen de Rijkspostspaarbank en de Belgische „Algemeene Spaar- en Pensioenkas”, dat na afgifte van een betalingsorder door de instelling, welke een spaarbankboekje heeft uitgegeven, daarop door de zusterinstelling wordt uitbetaald, natuurlijk behoudens latere verrekening. Toen nu onder de vluchtelingen er een zeker aantal waren die Belgische spaarbankboekjes bij zich hadden, sprak het wel van zelf dat deze gaarne hun tegoed terugnamen; zij hadden hun geld zoo hoog noodig. De officieele aanvragen om orders van betaling, welke door de Rijkspostspaarbank naar hare Belgische zusterinstelling werden verzonden, bleven echter als gevolg van den ontredderden toestand in België, onbeantwoord. De Minister van Waterstaat heeft toen, met volle instemming van den Ministerraad, den Directeur van de Rijkspostspaarbank gemachtigd op de boekjes van de Belgische Algemeene Spaar- en Pensioenkas door middel van de postkantoren uitbetalingen te doen, met voorbijgang van de betalingsorders dezer spaarbank. Daarbij werd den directeuren der postkantoren op het hart gebonden, goed toe te zien, dat van den vrijgevigen uitzonderingsmaatregel alleen zouden profiteeren de Belgen, die als vluchteling hier te lande vertoefden en in behoeftige omstandigheden verkeerden, en dat daarvan geen misbruik zou worden gemaakt door personen, die even over de grens zouden komen ter verkrijging van betaling op hun Belgisch boekje, om daarna terstond weer naar België terug te keeren. Aan dezen maatregel was een risico verbonden, dat de Regeering geen oogenblik geaarzeld heeft, op zich te nemen.

De Regeering, de Nederlandsche Bank, de Rijkspostspaarbank, particuliere comités en het heele publiek hebben voor de gevluchte Belgen alles gedaan, wat zij konden. Niet altijd werd die hulp besteed aan personen die haar verdienden; zooals ik reeds opmerkte was de toegestroomde Belgische bevolking zeer gemengd. Zij die slechte ervaringen opdeden met personen, die zij onder hun bescherming hadden genomen, generaliseerden in den regel te veel en verweten aan „de” Belgen, wat enkele Belgische individuen tegenover hen op hun kerfstok hadden. Omgekeerd werd ook door Belgen, als zij terecht ontevreden waren over een behandeling die zij hadden ondervonden, niet alleen niet altijd rekening gehouden met de groote moeilijkheid voor de Nederlandsche Regeering en het Nederlandsche publiek hen zoo onverwachts te ontvangen en te herbergen, noch met de onmogelijkheid daarbij aanstonds het kaf van het koren te scheiden; ook zij konden, als zij ergens een minder aangename ervaring hadden opgedaan, zich van te veel generaliseeren evenmin terughouden als de zooeven door mij bedoelde Nederlanders. Dit heeft over en weer soms kwaad bloed gezet, waar een nauwere innerlijke aansluiting als gevolg van de ramp, die België had getroffen en van de wijze waarop Nederland daarop had gereageerd, had mogen worden verwacht. In bijzondere gevallen heeft het gevoel van elkander beter te hebben leeren begrijpen en waardeeren, zeker wel wortel geschoten. Dat het zich algemeen zou hebben ontwikkeld, moet ik helaas betwijfelen.

Ook de Belgische grensgemeenten, die onder den oorlogstoestand het zwaar te verantwoorden hadden, werden intusschen niet vergeten. Men bevond zich met zijn hulpverleening daar op zeer delicaat terrein. Men had te rekenen met de gevoeligheden zoowel van de Duitschers als van de geallieerden, en men mocht ook niet vergeten, dat het medelijden met de beklagenswaardige zuidelijke naburen niet mocht leiden tot het verleenen van hulp op eene wijze, waardoor de eigen bevolking zou kunnen tekort komen. Toch wilde de Regeering evenmin als het Nederlandsche volk, dat het alleen aan de Amerikaansche „Relief Commission” zou worden overgelaten, de Belgen te hulp te komen, voor zoover dit binnen de zooeven uitgestippelde grenzen mogelijk was. Daartoe werd bij Koninklijk besluit van 5 December 1914 een commissie in het leven geroepen tot regeling van de voorziening in noodzakelijke levensbehoeften in Belgische grensgemeenten. Zij ressorteerde onder het Departement van Landbouw; als haar voorzitter werd benoemd de heer A. N. Fleskens, lid van de Tweede Kamer en burgemeester van de gemeente Geldrop, die in zijn laatstgenoemde kwaliteit de nooden en behoeften der Belgische grensgemeenten uit eigen aanschouwing kende. Die commissie heeft haar taak met grooten tact vervuld. Vaak was haar kunnen echter heel wat beperkter dan haar willen; maar toch heeft zij veel ellende gelenigd of verzacht. De eer daarvan komt in de allereerste plaats toe aan haar president, wien geen moeite te veel was en die ook onvermoeid in de weer was tot het tegengaan van knoeierij, waartoe gewetenlooze smokkelaars de commissie als onschuldig tusschenpersoon meer dan eenmaal poogden te misbruiken. Het werk der menschelijkheid dat aan de andere zijde van de zuidelijke grens door Nederland werd verricht, mag de heer Fleskens voor een goed deel op zijn rekening schrijven.

Bij hetgeen voor berooide vluchtelingen en noodlijdende grensbewoners werd gedaan, zijn fouten zeker evenmin achterwege gebleven als bij het vervullen der andere buitengewone opgaven, die door den oorlogstoestand werden opgelegd. Maar ook al wil men die tekortkomingen breed uitmeten, blijft toch de hoofdindruk onverzwakt, dat Nederland hier naar de mate zijner krachten zijn plicht heeft gedaan.

§ 3. Voorkoming van werkloosheid; arbeidsbemiddeling.

Een der moeilijkste problemen bij de vluchtelingenzorg was hoe men hen aan het werk zou kunnen houden, zonder dat zij in mededinging kwamen met de Nederlandsche arbeiders, onder wie de werkloosheid in de eerste oorlogsmaanden toch reeds zoo buitengewoon groot was, dat alles moest worden gedaan om deze maatschappelijke crisisziekte zooveel mogelijk in te perken en, voor zoover men daartoe niet bij machte was, de gevolgen ervan zooveel mogelijk te verzachten. Wat tot leniging van nood als gevolg van werkloosheid door de steunbeweging, met het Kon. Nat. Steuncomité aan het hoofd, werd gedaan in den vorm van giften in geld, in huurbons, in levensmiddelen en in kleeding, werd reeds in § 1 van dit hoofdstuk besproken. Wat met medewerking van dat comité geschiedde om de bedrijven op gang te brengen en te houden en zoodoende indirect de werkloosheid te bestrijden, bespreek ik hieronder in hoofdstuk V. Hier vinde zijn plaats wat rechtstreeks ter inkrimping van de werkloosheid werd gedaan.

Het was zaak het dreigende werkloosheidsgevaar te gelijkertijd van alle kanten onder de oogen te zien en onverwijld alle maatregelen te nemen, die genomen konden worden deels om het te keeren, deels om de gevolgen der werkloosheid die niet af te wenden waren, zooveel mogelijk te verzachten. Dat dit mogelijk was, zonder dat te groote fouten werden begaan en dat men als het ware van den eersten dag af met zijn mobilisatie van strijdkrachten tegen dit gevaar gereed was, is te danken aan het gelukkige toeval, dat de Staatscommissie over de Werkloosheid, welke de werkloosheid alsmede de middelen tot bestrijding en tot leniging daarvan in alle richtingen had onderzocht, enkele maanden vóór den oorlog was gereed gekomen en haar eindverslag had uitgebracht. Aan het slot van haar verslag had zij een organisch geheel van instellingen en maatregelen tot het voeren van den strijd tegen deze kwaal onzer moderne maatschappij aanbevolen, waarbij zij, met gebruikmaking van de ervaringen in binnen- en buitenland opgedaan, zich had aangesloten aan regelingen en instellingen, die ten deele reeds bestonden toen zij haar werkzaamheden begon, deels gedurende haar onderzoek en onder haar invloed waren tot stand gekomen. Het voorzitterschap van die commissie was in mijne handen geweest, het secretariaat in dat van Prof. de Vooys; verschillende hoofdambtenaren van het Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel, met name de Directeur-Generaal van den Arbeid en de Inspecteur van den Landbouw, de heer F. B. Löhnis, hadden deel van de commissie uitgemaakt. Men stond dus, toen de crisis uitbrak, niet onvoorbereid en greep onwillekeurig naar de voorstellen, welke zoo kort te voren waren onderzocht en aanbevolen. Dientengevolge was er geen gevaar van het in practijk brengen van onberaden plannen en kon met kennis van zaken worden opgetreden, niet alleen bij het nemen en aanmoedigen van maatregelen, maar ook bij het ontraden van goed bedoelde pogingen tot werkverschaffing, zooals reeds zoo herhaaldelijk in tijden van buitengewone werkloosheid waren gedaan en die, indien zij niet op een gezonde economische basis rustten, steeds op mislukking en teleurstelling zijn uitgeloopen.

Als centraal orgaan, dat bestemd was de verschillende vereenigingen op het gebied der arbeidsbemiddeling, der werkloosheidsverzekering, der landverhuizing, der werkverschaffing en der algemeene bestudeering en bestrijding van werkloosheid met elkaar en met de centrale organen van de vakbeweging der arbeiders, voor zoover deze zich met het werkloosheidsvraagstuk bezig houden, in aanraking te brengen, en samenwerking tusschen die verschillende lichamen te bevorderen, was als gevolg van de onderzoekingen der Staatscommissie eenige maanden vóór het uitbreken van den oorlog de Werkloosheidsraad gesticht. Hij was samengesteld uit vertegenwoordigers der bedoelde lichamen. Terstond na het uitbreken van de oorlogscrisis werd aan den Werkloosheidsraad door mij advies gevraagd over hetgeen zou kunnen geschieden om de werkloozenkassen der vakvereenigingen en de gemeentelijke werkloozenfondsen, die tegen een toestand als zich in Augustus 1914 plotseling voordeed, niet bestand waren, in staat te stellen de crisis door te komen. Ook het probleem der instandhouding van de werkloosheidsverzekering in tijden van zware crisis had in de Staatscommissie over de werkloosheid een punt van overweging uitgemaakt, maar een concreet en uitgewerkt voorstel daaromtrent had die commissie niet gegeven. Ik bewaar echter de werkloosheidsverzekering tot de volgende paragraaf en bespreek eerst eenige maatregelen die aan de hand van het verslag der Staatscommissie werden genomen of aanbevolen ter voorkoming of inkrimping van werkloosheid.

Door de Staatscommissie was met klem er op aangedrongen, dat zooveel maar eenigszins mogelijk was, door openbare lichamen voor crisistijden werk in reserve zou worden gehouden, opdat door het uitgeven daarvan in den crisistijd van overheidswege de verminderde vraag naar arbeidskrachten zoo goed mogelijk zou worden gecompenseerd. In overeenstemming daarmede werd door het Departement van Landbouw aanstonds bij de verschillende hoofden der Ministerieele Departementen aangedrongen op het uitgeven van al het werk, dat daarvoor gereed was en dat er toe kon bijdragen de heerschende werkloosheid te verminderen.

In de Eerste Economische Nota werd medegedeeld, dat dit tot gelukkig resultaat had, „dat inderdaad niet onbelangrijke opdrachten gegeven werden, die steeds plaats hadden in overleg met den Directeur-Generaal van den Arbeid, zoodat er gezorgd kon worden, dat de bestellingen zoo goed mogelijk verdeeld werden over de werkbehoevende fabrieken.

„Zulks geschiedde o.a. voor leveringen van meubelen, weefgoederen en papier. In het bijzonder kon de zwaar getroffen kleedingindustrie eenigermate geholpen worden met leveranties voor het leger. Ter voorziening in de plotselinge behoefte bij de mobilisatie was van enkele soorten kleedingstukken, speciaal uniformjassen en -broeken en ondergoed, spoedige levering noodzakelijk, zoodat toen de eisch van spoed alles beheerschend was. Daarna kon echter de verdeeling zoodanig plaats hebben dat over het geheele land de meest geteisterde bedrijven opdrachten ontvingen. De aanmaak van uniformen werd zelfs onafhankelijk van de onmiddellijke behoefte zoo hoog mogelijk opgevoerd. In de steden, waar de Centrale Magazijnen gevestigd zijn—Amsterdam, Delft, Woerden—en in de nabijgelegen groote steden—Rotterdam, ’s Gravenhage en Utrecht—werd het werk, behalve over de aan de magazijnen verbonden buitenwerkers, verdeeld over werklooze kleermakers. Aan deze laatsten werd slechts een zeer beperkte hoeveelheid gegeven, opdat een zoo groot mogelijk aantal een, zij het ook matig, weekloon zou kunnen verdienen.

„Wollen-, tricot-, linnen- en katoenen ondergoed, benevens kousen en later ook handschoenen werden, nadat in de eerste dringende behoefte met spoed was voorzien, besteld bij een groot aantal over het geheele land verspreide fabrieken. Gestreefd werd daarvan een zoo groot mogelijk aantal arbeiders en arbeidsters te doen profiteeren, o.a. door geen overwerk toe te staan, tenzij het legerbelang zulks dringend eischte. Aan het breien van kousen en handschoenen verdienen ook vele thuiswerkende vrouwen door tusschenkomst van comités en van den Bond voor Werkverschaffing een matig loon.

„Ook de schoenen voor het leger zijn, nadat in de eerste behoefte door aankoop uit voorraden terstond was voorzien, besteld bij verschillende fabrikanten in alle deelen van het land.

„Gedurende de crisis is er bovendien door de Regeering naar gestreefd om zooveel mogelijk de bouwwerken, die in uitvoering of voorbereiding waren, door te zetten of te doen beginnen.

„Het Departement van Waterstaat verleende daartoe zijn krachtige medewerking door de indiening der wet, bij welke voor het uitvoeren van tal van werken een som van ƒ 8.500.000 werd gevoteerd, waarvan ƒ 7.000.000 als voorschot van de spoorwegmaatschappijen.

„Het Departement van Binnenlandsche Zaken ging voort met het verleenen van bouwkredieten aan Vereenigingen in het belang der Volkshuisvesting. Op de begrooting van het fonds van tot het Departement van Binnenlandsche Zaken behoorende bouwwerken werd, mede in het belang der werkverschaffing, ƒ 3.023.475 aangevraagd, waarin begrepen een bedrag van ƒ 365.855 uitsluitend voor nieuwe werken.

„Verschillende gemeentebesturen volgden het door de Regeering gegeven voorbeeld en aarzelden niet, om niettegenstaande de interest der te sluiten leeningen thans hoog is, nieuwe werken te doen uitvoeren.”

Ter aanvulling van het hier uit de Eerste Economische Nota overgenomene zij nog medegedeeld, dat na de verschijning daarvan door de verschillende Departementen van Algemeen Bestuur niet alleen in dezelfde richting werd doorgegaan, maar daartoe ook de noodige wijzigingen in wetten of algemeene maatregelen van bestuur werden voorgesteld of bevorderd. Als resultaat van een gehouden overleg tusschen mijn ambtgenoot van Binnenlandsche Zaken en mij werd het bij Koninklijk besluit van 6 Maart 1915 mogelijk gemaakt, krachtens de Woningwet in den oorlogstijd voorschotten te blijven verleenen tegen een rente van 378%. Waar het Rijk zelf als gevolg van de crisis 5% rente over zijn leeningsgeld betalen moest, ontging het ons natuurlijk niet, dat bij die renteberekening in het voorschot ook een bedekte subsidie werd verstrekt. Daar het echter zoowel ter bestrijding van werkloosheid als ter voorkoming van stilstand in den bouw van volkswoningen noodig was, mocht men zich niet te angstvallig vastklampen aan de oorspronkelijke bedoeling der Woningwet, dat voorschot en bijdrage voor den bouw van volkswoningen gescheiden zouden blijven. In denzelfden geest was de wijziging dier wet, welke 16 April 1915 haar beslag kreeg, waardoor voorschotten voor woningbouw ook met een aflossingstermijn van 75 jaar zouden kunnen gegeven worden.

Krachtens de Woningwet werden verschillende voorschotten voor den bouw van volkswoningen verleend. Het meest belangrijke daaronder was wel dat ter verwezenlijking van het groote woningbouwplan van de gemeente Amsterdam, dat door den heer Tellegen reeds was voorbereid, toen hij het directeurschap van het bouw- en woningtoezicht aldaar nog niet met den burgemeesterszetel had verwisseld. Ter verzekering dat dit goedkoope voorschot mede aan het doel der bestrijding van werkloosheid in de bouwvakken zou ten goede komen, werd daaraan als voorwaarde verbonden, dat met den bouw ook van het laatste blok der geprojecteerde woningen binnen twee jaar na de verleening van het voorschot moest zijn begonnen.

Ook aan het particuliere bouwbedrijf is wel gedacht; door den Directeur-Generaal van den Arbeid werd een plan van hulpverleening aan eigenbouwers gedurende de oorlogscrisis uitgewerkt. Over dit plan, dat de medewerking van drie Ministerieele Departementen behoefde, had een voorloopige bespreking tusschen den Minister van Landbouw, den Directeur-Generaal van den Arbeid en mij plaats. Het kon echter niet de instemming van alle daarbij betrokken autoriteiten krijgen en was ook minder noodig, toen met de algemeene opleving der bedrijven ook de werkloosheid in het bouwbedrijf afnam. Toch betwijfel ik, of men het over enkele jaren, in verband met den woningnood, die zich nu reeds in verschillende plaatsen begint te openbaren en waarvan verergering te verwachten is, niet zal betreuren, dat in de oorlogscrisis niet ook maatregelen werden getroffen, om het doorwerken van de particuliere bouwnijverheid te bevorderen.

Tot de categorie van maatregelen, waarover ik hier spreek, behoort ook hetgeen in verband met de werkloosheid in het havenbedrijf gepoogd werd bij de lossing van het regeeringsgraan, dat van overzee werd aangevoerd. De Eerste Economische Nota zegt hieromtrent: „voor zooveel mogelijk wordt er voor gezorgd, dat bij de lossing van het Regeeringsgraan—in verband met de groote werkloosheid in het havenbedrijf—van handenarbeid wordt gebruik gemaakt. Maatregelen zijn voorts getroffen, dat voor het binnenlandsch vervoer te water de binnenschippers zooveel mogelijk bij beurte bedacht worden.” Wat het eerste gedeelte van deze tweeledige mededeeling betreft, is het grootendeels bij het goede voornemen moeten blijven. Bij het spoedig intredende gebrek aan scheepsruimte, waardoor het noodzakelijk werd bij de lossing den grootst mogelijken spoed in acht te nemen, werd het voorbijgaan der machinale lossing, afgezien nog van het financieele nadeel van niet strikt noodzakelijke ligdagen, spoedig grootendeels onmogelijk.

Door den Nederlandschen Bond voor Werkverschaffing, die in April 1914 was opgericht en evenals de Werkloosheidsraad als een der kinderen van de Staatscommissie over de Werkloosheid is te beschouwen, werd spoedig na het uitbreken van den oorlog de aandacht der besturen van provinciën, waterschappen en gemeenten gewezen op de mogelijkheid, aan den strijd tegen de plotseling opgetreden werkloosheid door oordeelkundige werkverschaffing mede te doen. De bond zelf nam geen werkverschaffing ter hand. Dit is zijn doel niet. Hij bepaalde zich tot het geven van advies en heeft zeker nuttig werk verricht, niet slechts door hetgeen hij op het gebied der werkverschaffing heeft aangemoedigd en bevorderd, doch niet minder door zijn waarschuwingen tegen fouten, die vroeger bij het verschaffen van werk maar al te dikwijls werden begaan. De adviezen van den bond bevatten enkele hoofdpunten van groote beteekenis. Nadruk werd daarin gelegd op:

1º. het streng afgescheiden houden van valide werkwilligen eenerzijds en invaliden en arbeidsschuwen aan den anderen kant; de aandacht werd er op gevestigd, dat een werkverschaffing, waarbij de eerste categorie, de eigenlijke werkloozen, aan werk wordt geholpen tegelijk met lieden uit de eerste en meer nog uit de tweede categorie, voor de valide werkwillige arbeiders vernederend is en hun groote moreele schade doen kan;

2º. de ervaring dat van werkverschaffing aan valide arbeiders alleen dan iets goeds kan worden verwacht, wanneer zij zoodanig wordt uitgevoerd, dat allen die er aan medewerken, het gevoel hebben dat zij nuttigen arbeid verrichten;

3º. het te vermijden gevaar, dat de werkverschaffing den loonstandaard drukken zou; om dit te voorkomen werd aanbevolen geen lager loon uit te keeren dan het plaatselijk standaardloon, maar liever het aantal werkuren laag te houden, om den prikkel tot het verkrijgen van arbeid los van de Werkverschaffing niet te doen verslappen;

4º. het zooveel mogelijk eveneens te ontloopen gevaar, dat de werkverschaffing in werkverschuiving ontaarde, m. a. w. dat zij aan bedrijven, die nog aan den gang zijn, een deel van hun afzetgebied ontneemt; in verband hiermede werd er ten aanzien van werkverschaffing aan vakarbeiders bijv. op gewezen, dat de werkloozen zelf niet alleen behoefte hebben aan voedsel, maar ook aan allerlei gebruiksvoorwerpen, als schoenen, kleeren, huisraad enz. en aan bij die voorwerpen noodzakelijke reparaties.

„Bij een doelmatige organisatie der werkverschaffing nu, zal men het maken en repareeren van deze gebruiksvoorwerpen voor de werkloozen kunnen laten verrichten door dezelfde werkloozen. De voordeelen van dit systeem zijn drieledig. Ten eerste verrichten de werkloozen nuttigen en hun bekenden vakarbeid; ten tweede wordt in eene noodzakelijke behoefte der werkloozen voorzien en ten derde wordt, door het wegschenken der vervaardigde of gerepareerde voorwerpen aan op dat oogenblik weinig koopkrachtige personen, concurrentie met het gewone bedrijf voorkomen.”

Werkverschaffing blijft echter altijd een uiterst moeilijk in practijk te brengen middel tot bestrijding van werkloosheid, zoodra het verder gaat dan het concentreeren op den crisistijd van werk, dat toch noodig is en toch zou zijn geschied, maar anders tot later zou zijn uitgesteld. Tot aanmoediging van deze bij uitstek gezonde wijze van werkverschaffing ten bate van grond- en bouwarbeiders werd bij een wet van 27 Maart 1915 voor den oorlogstijd afgeweken van de noodzakelijkheid bij elke onteigening ten algemeenen nutte de gewone wettelijke formaliteiten te vervullen. Ter wille van bespoediging van de uitvoering van werken waarvoor gemeentebesturen onteigening behoeven en die tevens ten doel hebben werkloosheid tegen te gaan, werden bij die crisiswet de wettelijke onteigeningsformaliteiten aanmerkelijk vereenvoudigd en verkort. Aanleiding daartoe was een verzoek van het gemeentebestuur van Rotterdam, dat—zooals de Memorie van Toelichting vermeldt—”onder herinnering aan den aanleg van de Nieuwe Plantage daar ter stede in de jaren 1844-1848—een aanleg, welke nog steeds voor de burgerij een duurzaam genot oplevert en destijds tevens als middel van werkverschaffing werd gebezigd—er op aandrong, nu tijdelijk en voor bepaalde werken, de omslachtige wijze van behandeling van aanvragen tot onteigening ter zijde te stellen.”

De wet beperkt zich tot gemeentebesturen, eenerzijds omdat die voor een werkverschaffing als hier wordt bedoeld, het eerst in aanmerking komen en voorts omdat anders een eenvoudige tijdelijke regeling der zaak niet wel mogelijk zou zijn geweest. De wijze van werkverschaffing welke langs dezen weg bevorderd werd, behoort tot de meest aanbevelenswaardige voorzieningen in schaarschte van arbeidsgelegenheid voor arbeiders, die gewoon zijn in dergelijk werk hun brood te verdienen. Hoe meer de werkverschaffing een kunstmatig karakter krijgt, hoe grooter de kansen van mislukking en teleurstelling. Dit heeft o.a. de gemeente Amsterdam opnieuw ervaren bij zijn tijdelijk optreden op het gebied van de kleermakerij en den lompenhandel.

In de Memorie van Toelichting bij de zooeven besproken wet, wordt den gemeentebesturen gewezen op „parkaanleg, ontginning van heidegronden, uitbreiding van het wegennet, aanleg van kinderspeelplaatsen”, als voorbeelden van werken, die voor vervroegde uitvoering in aanmerking kunnen komen. In verschillende plattelandsgemeenten werd met goed resultaat in dien geest opgetreden. In een der publicaties van den Nederlandschen Bond voor Werkverschaffing werd een overzicht gegeven van hetgeen in 1914 en 1915 op zijn gebied in het geheele land plaats had. Daaruit blijkt wel, dat er over het algemeen geen reden was tot juichen en dat de goede wenken van den Bond vaak in den wind werden geslagen. Toch heeft de werkverschaffing,—waarin zij die het werkloosheidsvraagstuk hebben bestudeerd, zoodra zij verder gaat dan de zooeven bedoelde concentratie van toch noodig werk op den crisistijd, in het algemeen slechts een zeer bescheiden en bijkomstig wapen in den strijd tegen de werkloosheid zien,—in de mate waarin zij daartoe in staat is, er toe bijgedragen dat de arbeidersbevolking zonder te veel ellende door de eerste en voor haar gevaarlijkste maanden van de oorlogscrisis is heengekomen.

Onder de werkverschaffingen die voldeden aan de eischen, welke daaraan mogen worden gesteld, is er eene welke verdient met name te worden vermeld, niet alleen wegens de persoonlijke bemoeiïng, die de Koningin daarmede heeft gehad. In het najaar van 1914 stelde de Minister van Oorlog het bestuur van den Bond voor Werkverschaffing in de gelegenheid de plaatselijke steuncomités aan te schrijven over de mogelijkheid van werkverschaffing door het laten breien van wollen handschoenen en handmoffen voor de soldaten. Verschillende steuncomités gingen hierop in en door hun tusschenkomst werden een aantal breisters aan het werk gezet. In December 1914 begon dit echter te verslappen ten gevolge van de stijging van de wolprijzen, waardoor de meeste comités werden afgeschrikt de benoodigde wol in te slaan. Nadat de Koningin zich er van op de hoogte had doen stellen, aan welke gebreide wollen goederen het legerbestuur nog inzonderheid behoefte had, kocht Hare Majesteit een hoeveelheid wol in, voldoende voor het vervaardigen van 10.000 paar handschoenen, 10.000 paar polsmoffen en 10.000 paar sokken. De wol werd ter verdeeling afgestaan aan den Bond voor Werkverschaffing, die daarbij, gevolg gevende aan de bedoelingen der Koningin, in overleg trad met de steuncomités, welke bereid waren uit die wol door werklooze en behoeftige vrouwen en meisjes tegen eene behoorlijke vergoeding handschoenen, polsmoffen en sokken te laten vervaardigen en die goederen kosteloos te doen toekomen aan de Centrale Magazijnen van het legerbestuur. Zelfs deze werkverschaffing, die toch op zich zelf volkomen gezond was gedacht en met de noodige kennis van zaken werd uitgevoerd, had niet het resultaat dat ervan werd verwacht. Tot herhaling heeft deze proefneming, waarbij het moeilijk bleek de ter beschikking gestelde wol aan de vrouw te brengen, niet uitgelokt.

Alles bijeengenomen, heeft de oorlogscrisis nog eens bevestigd, dat men van werkverschaffing, mits zij met de noodige omzichtigheid en met de noodige kennis van zaken wordt toegepast, wel iets verwachten kan, maar dat men zijn verwachtingen van de resultaten van dit verweermiddel niet te hoog moet spannen.


Veel meer dan de werkverschaffing heeft de arbeidsbemiddeling kunnen bijdragen om de werkloosheid zooveel mogelijk te beperken. Vóór den oorlog was zij hier te lande uitsluitend plaatselijk georganiseerd en hadden slechts een klein getal grootere gemeenten onpartijdige arbeidsbeurzen. De onderlinge band tusschen deze gemeentelijke instellingen was uiterst los; hij werd alleen gevormd door het lidmaatschap van de Vereeniging van Nederlandsche Arbeidsbeurzen, waartoe die instellingen vrijwillig waren toegetreden. Deze vereeniging had natuurlijk niet de minste zeggingskracht; toch heeft zij ertoe bijgedragen, dat in de inrichting der verschillende gemeentelijke arbeidsbeurzen op de hoofdpunten allengs meer eenheid kwam. Ook strooide zij het eerste zaad van intercommunale arbeidsbemiddeling uit, door de arbeidsbeurs te ’s Gravenhage er toe te bewegen, als centrale beurs voor de verschillende bij de vereeniging aangesloten beurzen te fungeeren. Veel heeft de intercommunale arbeidsbemiddeling in dien vorm vóór den oorlog niet opgeleverd en kon zij ook niet opleveren; daartoe was de organisatie te weinig uitgebouwd en de geheele instelling bij de belanghebbende werkgevers en arbeiders te weinig bekend.

Met het uitbreken van de oorlogscrisis werd de behoefte aan intercommunale arbeidsbemiddeling plotseling zeer levendig. De groote schok dien zij te weeg bracht, de ernstige ontwrichting van het economisch leven, welke zij met zich voerde, hadden ten gevolge dat rekening gehouden moest worden met verschuivingen, waardoor in bepaalde takken van bedrijf overvloed van arbeidskrachten in de eene plaats gepaard zou gaan met een tekort in een andere gemeente of een andere streek. De Staatscommissie had ook het vraagstuk der intercommunale arbeidsbemiddeling in haar verslag onder de oogen gezien en een plan van organisatie daarvan aangegeven. Dat plan in het leven te roepen was in enkele dagen niet mogelijk, maar er werd aanstonds gedaan wat gedaan kon worden. Met den voorzitter van de Vereeniging van Nederlandsche Arbeidsbeurzen, Prof. de Vooys, werd door mij overleg gepleegd, met het resultaat dat toen deze even voortvarende als ter zake kundige man zich bereid had verklaard, de leiding op zich te nemen, reeds den 3den Augustus 1914 een Centrale Arbeidsbeurs van Regeeringswege werd opgericht, welke de taak overnam, die tot dusver door de Haagsche arbeidsbeurs was vervuld.

De nieuwe Centrale Arbeidsbeurs stelde zich aanstonds met de verschillende plaatselijke beurzen in verbinding; zij kon de taak der intercommunale arbeidsbemiddeling ook hierdoor terstond met grooter intensiteit aanvatten, omdat in verschillende gemeenten, die tot dusver geen blijk hadden gegeven van het nut der onpartijdige arbeidsbemiddeling te zijn doordrongen, onder den drang der omstandigheden tijdelijke arbeidsbeurzen werden opgericht, met welke de centrale beurs aanstonds in verbinding trad.

Op den heer de Vooys werd spoedig, in zijn kwaliteit van voorzitter van de Uitvoerende Commissie van het Kon. Nat. Steuncomité en van nijverheidscommissies die uit het Steuncomité voortsproten, zooveel beslag gelegd, dat hij de functie van directeur van de Centrale Arbeidsbeurs niet langer kon blijven waarnemen. Gelukkig was het mogelijk hem te vervangen door iemand, die eveneens aan het werk der Staatscommissie over de Werkloosheid een belangrijk aandeel had gehad en van hetgeen op het gebied der arbeidsbemiddeling werd verlangd, geheel op de hoogte was. De heer Ant. Folmer, oud-ambtenaar bij den dienst der arbeidsinspectie en gewezen adjunct-secretaris van de Staatscommissie over de Werkloosheid, die bij de inwerkingtreding der nieuwe Armenwet secretaris was geworden van den armenraad in Den Haag, werd door mij aangezocht, als leider op te treden van de afdeeling welke aan het Departement van Landbouw tijdelijk moest worden ingericht voor hetgeen op het gebied der bestrijding van de werkloosheid en van haar gevolgen gedurende den oorlogstoestand van Regeeringswege had te geschieden. Toen de heer Folmer die taak aanvaard had, werd het directeurschap van de Centrale Rijksarbeidsbeurs aan hem toevertrouwd. Daarmede verloor echter deze instelling haar tijdelijk karakter nog niet. Het werd nu echter mogelijk aan deze door den drang der omstandigheden voorloopig opgerichte Rijksinstelling niet alleen, behoudens de onmisbare medewerking van de Staten-Generaal, een blijvend karakter te verzekeren, maar ook haar plaats te bepalen in een aaneensluitende organisatie van plaatselijke, interlocale en nationale arbeidsbemiddeling. Daartoe werd door mij (de werkloosheidszorg was mij bij mijn overgang naar het Departement van Financiën gevolgd) de hulp ingeroepen van de Vereeniging van Nederlandsche Arbeidsbeurzen. Ook in verband met de mobilisatie was het dringend noodig met de organisatie der arbeidsbemiddeling spoed te maken, opdat men bij de demobilisatie zou gereed zijn.

Op dit punt moest ook samenwerking worden gezocht met de Nationale Vereeniging tot Steun van Miliciens. Ook deze vereeniging stelt zich namelijk tot taak miliciens weer aan werk te helpen, nadat zij met verlof zijn gegaan of uit den dienst zijn ontslagen. Zij beperkt haar werkzaamheid echter tot die soldaten, op wier gedrag in dienst niets valt aan te merken. Indien nu niet onderling voeling werd gehouden tusschen deze vereeniging en de georganiseerde arbeidsbemiddeling, zouden verwikkelingen, welke aan de zaak schade zouden hebben berokkend, niet te vermijden zijn geweest. De besprekingen tusschen de besturen der Nationale Vereeniging tot Steun van Miliciens en der Vereeniging van Nationale Arbeidsbeurzen, in tegenwoordigheid van den Directeur-Generaal van den Arbeid en den Directeur van de Centrale Arbeidsbeurs gehouden, wilden in het eerst niet recht vlotten. Men begreep elkaar niet goed, hetgeen ook hieruit te verklaren is, dat de Vereeniging tot Steun van Miliciens, van wie niet te verlangen en te verwachten was, dat zij een diepgaande studie van het vraagstuk der arbeidsbemiddeling had gemaakt, niet ten volle doordrongen was van de moeilijkheden der taak, welke zij op dit gebied op zich wilde nemen. In een bijeenkomst, waarin ook de voorzitter van de in het volgende hoofdstuk te bespreken Regeeringscommissie in zake het middenstandscrediet tegenwoordig was en welke op verzoek der heeren door mij werd geleid, werd na eenige gedachtenwisseling overeenstemming verkregen en de grondslag voor samenwerking gelegd.

Het is duidelijk dat bij de demobilisatie arbeidsbemiddeling dubbel noodig zijn zal. Er komen dan plotseling een aantal arbeidskrachten beschikbaar, wier plaatsen gedurende den tijd, dat zij onder dienst waren, door anderen werden ingenomen, of die bij herplaatsing in hun vorigen werkkring andere, tijdelijk aangenomen, krachten zullen verdringen. Hoe het dan met de vraag naar arbeidskrachten zijn zal, is bovendien hoogst onzeker. Te verwachten is, dat als de vrede in het vooruitzicht zijn zal, er spoedig een groote vraag zal ontstaan naar artikelen, welker voortbrenging gedurende den oorlog moest worden verwaarloosd en dat daartegenover bedrijven die oorlogsbenoodigdheden produceeren of waren, welke met de oorlogsbehoefte verband houden, tot stilstand zullen komen of hunne productie zullen moeten inkrimpen. Als gevolg van een en ander is niet te voorzien hoe het er, als er eindelijk vrede zijn zal, met vraag en aanbod op de arbeidsmarkt zal uitzien. Alleen dit is wel zeker, dat de verhouding van vraag en aanbod in verschillende bedrijfstakken heel anders zijn zal dan vóór of gedurende den oorlog het geval was en dat, ten gevolge daarvan, zoowel verschuivingen van arbeidskrachten tusschen aanverwante bedrijven als verplaatsingen tusschen verschillende deelen van het land noodig zullen zijn. Men behoeft dus nog niet eens te denken aan de algemeene crisis, die als gevolg van de economische uitputting van Europa ten gevolge van den oorlog na het sluiten van den vrede wel niet lang op zich zal laten wachten, om te beseffen, hoe groot de behoefte in een nabije toekomst aan een goed georganiseerde, over heel het land vertakte arbeidsbemiddeling zijn zal.

Deze overwegingen hebben mij er toe geleid om de totstandkoming van die organisatie zooveel mogelijk te bevorderen. Toen de Vereeniging van Nederlandsche Arbeidsbeurzen mij een plan daartoe aanbood, dat zich in hoofdzaak aansloot bij de voorstellen der Staatscommissie over de Werkloosheid omtrent dit onderwerp, heb ik met volle overtuiging omtrent de hooge noodzakelijkheid en de groote sociale beteekenis van dezen maatregel, aan de Staten-Generaal gelden aangevraagd voor de verwezenlijking daarvan. De Tweede Kamer heeft erkend, dat het hier een zaak gold van algemeen nationaal belang en de daartoe noodige gelden reeds gevoteerd. Op het oogenblik dat ik dit schrijf, moet de Eerste Kamer haar oordeel nog uitspreken, maar het is weinig twijfelachtig dat zij haar medewerking niet zal onthouden. Zoodra deze zal vaststaan, zal de Rijks Centrale Arbeidsbeurs haar tijdelijk karakter definitief hebben verloren. Feitelijk is zij reeds sedert het begin van het jaar niet alleen een blijvende Rijksinstelling geworden, maar het knooppunt van een over het geheele land verspreid netwerk van plaatselijke, intercommunale en nationale arbeidsbemiddeling. Ik moet aan de verleiding weerstand bieden op de inrichting daarvan hier in te gaan. Dit zou mij te ver voeren. Genoeg dat, terwijl bij het uitbreken van den oorlog de arbeidsbemiddeling zoo goed als uitsluitend plaatselijk georganiseerd was en zich bepaalde tot ruim 30 arbeidsbeurzen in de grootere steden, thans het aantal stedelijke arbeidsbeurzen meer dan verdubbeld is, en bovendien in zoo goed als alle gemeenten, waar geen beurs bestaat, correspondenten van de Centrale Arbeidsbeurs zijn, zoodat de georganiseerde arbeidsbemiddeling nu bijna 1000 gemeenten bestrijkt en dat een 24 tal der plaatselijke arbeidsbeurzen tevens op Rijkskosten dienst doen als districtsbeurzen voor de arbeidsbemiddeling ten platten lande en voor de intercommunale en nationale arbeidsbemiddeling, welke in de Rijks Centrale Arbeidsbeurs te ’s Gravenhage haar hoofdleiding en haar vereenigingspunt vindt. Op den duur zal de noodzakelijkheid eener wettelijke regeling van dit onder den drang der omstandigheden tot stand gekomen geheel, zich zoo goed als zeker doen gevoelen, maar als de wetgever daartoe overgaat, zal hij niet iets nieuws hebben te scheppen, maar zich er toe kunnen bepalen, aan het reeds bestaande en uit het vrije initiatief met aanmoediging van het Rijk gewordene, wettelijke sanctie te verleenen, met wegneming hier van een uitwas en met oplegging elders van een wettelijken dwang, waar moreele en sociale drang niet voldoende bleken.


Reeds vóór de arbeidsbemiddeling als over het geheele land verspreide instelling haar beslag kreeg, verleende de Centrale Arbeidsbeurs goede diensten aan de landweerplichtigen, die telkens, bij het opkomen van een lichting oorspronkelijk van dienst vrijgestelde landstormplichtigen, met klein verlof naar huis gezonden werden. Daardoor is de centrale arbeidsbemiddeling reeds in staat geweest, haar recht van bestaan en het nut dat zij kan afwerpen, practisch te bewijzen. Het vertrouwen in de openbare arbeidsbemiddeling is daardoor zoowel bij werkzoekenden als bij werkgevers versterkt.

Bij de gedeeltelijke demobilisatie heeft zich de vraag voorgedaan, wat zou moeten gebeuren met arbeiders, die, indien zij van het klein verlof dat zij konden krijgen, gebruik maakten; werkloos zouden zijn. Het Kon. Nat. Steuncomité heeft zich, na overleg met zijne beide algemeene voorzitters, op het standpunt gesteld, dat zulke werkloozen geen hulp moesten ontvangen, aangezien zij niet verplicht werden den werkelijken dienst tijdelijk te verlaten, maar daartoe alleen een verlof kregen, waarvan zij geen gebruik behoefden te maken. Door zulke personen, die buiten het leger geen werk konden vinden, te helpen in de burger-maatschappij leeg te loopen, zou men lieden ondersteunen, die in het leger zeer nuttige diensten konden bewijzen en er de voorkeur aan gaven, niet te werken. Tegen de circulaire aan de plaatselijke comités van 21 Mei 1915, waarin dit standpunt werd uiteengezet en zij werden uitgenoodigd aan de bedoelde gedemobiliseerden geen ondersteuning te geven, kwam groot verzet uit arbeiderskringen. Dat verzet ging van een principieel verkeerd standpunt uit en er kon dus ook niet aan worden toegegeven. De protesteerende arbeidersorganisaties hadden echter in zoover gelijk, dat het beginsel waarvan de circulaire uitging, daarin tot een te krasse consequentie had gevoerd. Het was billijk en redelijk dat men den gedemobiliseerden arbeider, die op het oogenblik zijner demobilisatie nog geen werk had, gelegenheid gaf gedurende korten tijd naar werk te zoeken. Vandaar dat in het begin van Juni 1915 de circulaire in dien zin werd verzacht. Aan personen die redelijke kans hadden, spoedig werk te zullen vinden, zouden de plaatselijke comités gedurende zeer korten tijd ondersteuning kunnen geven.

Ook de organisatie der intercommunale arbeidsbemiddeling, al had zij in het midden van het jaar 1915 nog slechts ten deele haar beslag gekregen, droeg er toe bij, dat het Kon. Nat. Steuncomité zonder onbillijk te zijn, dit standpunt kon innemen. Men vergete bij de beoordeeling dezer zaak voorts niet, dat—gelijk door dit comité terecht wordt opgemerkt—als er van de oudste landweerlichting werkloozen naar huis gaan, „de plaatsen, die zij ledig laten, moeten vervuld blijven worden door hen, voor wie de terugkeer in het maatschappelijk leven inderdaad dringend noodig mag heeten.”

Behalve bij de plaatsing van gedemobiliseerden heeft de Centrale Arbeidsbeurs hare bemiddeling ook verleend bij het tewerkstellen van vluchtelingen en van geïnterneerden. Hierbij heeft zij er zooveel mogelijk voor gezorgd, dat de geïnterneerden alleen open plaatsen zouden innemen en dat hun tewerkstelling niet ten gevolge zou hebben, dat Nederlandsche arbeiders, die anders werk zouden hebben gevonden, werkloos zouden blijven. Dat dit nu en dan tot eenige wrijving aanleiding gaf en het wel eens bleek, dat er ook onder de zeer groote werkgevers waren, die aan de meer handelbare geïnterneerden boven Nederlandsche werklieden de voorkeur gaven, vermeld ik slechts ter loops. Het zal wel niemand verwonderen; verbazingwekkend zou het geweest zijn, als zulke wrijvingen en moeilijkheden geheel waren uitgebleven.

In den aanvang, toen de werkloosheid hier groot was, werkte de Centrale Arbeidsbeurs door bemiddeling van de bij haar aangesloten Nederlandsche Arbeidsbeurs te Oberhausen afvoer van arbeiders naar Duitschland in de hand. Daarbij werd er streng aan vastgehouden, dat geen bemiddeling werd verleend aan werkgevers, die arbeiders zochten voor oorlogsdoeleinden. Te dezen aanzien hebben zoowel de Centrale Arbeidsbeurs als de arbeidsbeurs te Oberhausen gezorgd, dat op de eischen der neutraliteit niet de minste inbreuk werd gemaakt. Later, toen de economische toestand in Duitschland allengs slechter werd en tegelijkertijd hier de werkloosheid zoodanig verminderde, dat in vele bedrijfstakken gebrek aan werkkrachten kwam, heeft de internationale arbeidsbemiddeling een tegenovergestelde richting aangenomen en hebben de genoemde beurzen er toe bijgedragen, dat Nederlandsche arbeiders, die tijdelijk in Duitschland hadden gewerkt, hier in de Limburgsche mijnen en elders werk vonden.

§ 4. De Werkloosheidsverzekering.

Naast de verschillende andere maatregelen, die in dit hoofdstuk besproken werden en in de volgende hoofdstukken behandeld zullen worden, heeft de georganiseerde arbeidsbemiddeling er zeker toe bijgedragen, de werkloosheid te verminderen en de crisis voor de arbeidende klasse minder pijnlijk te doen verloopen. Zij was wel is waar niet in staat de arbeidsgelegenheid te vergrooten, maar zij leidde er toe, dat de duur van het werk zoeken door de werklooze arbeiders, voor wie werkgelegenheid bestond en van het arbeiders zoeken door werkgevers, die om arbeidskrachten verlegen waren, werd verkort. Zoo kwam zij zoowel aan het weder op gang brengen van het bedrijf als aan de vermindering van werkloosheidsellende ten goede. Toch is hetgeen op het gebied der arbeidsbemiddeling in den oorlogstijd tot stand kwam van nog meer waarde voor de toekomst dan voor de oorlogscrisis zelf. Anders staat het met hetgeen ten aanzien van de werkloosheidsverzekering geschiedde.

De werkloosheidsverzekering is over het algemeen en inzonderheid hier te lande nog in haar kindsheid; maar toch gaven de laatste jaren verblijdende teekenen van vooruitgang te zien. Een toenemend aantal vakvereenigingen en nationale vakbonden begon zich ernstig met dezen vorm van steun der vakgenooten in den maatschappelijken strijd bezig te houden en de gemeentelijke werkloosheidsfondsen namen in verband daarmede toe in aantal zoowel als in beteekenis. De onderzoekingen van de Staatscommissie over de Werkloosheid waren aan die verlevendiging der belangstelling in de werkloosheidsverzekering niet geheel vreemd. In zoover wierp het verslag der Staatscommissie reeds vóór zijn verschijning zijn licht vooruit.

Toen nu de oorlogscrisis zoo onverwachts uitbrak en een ongekende werkloosheid als gevolg daarvan voor de deur stond, dreigde al hetgeen op het stuk der werkloosheidsverzekering met veel moeite en zorg was opgebouwd, met één slag te worden omvergeworpen. Het was toch te voorzien, dat noch de werkloosheidskassen der vakvereenigingen en vakbonden noch de werklozenfondsen der gemeenten tegen een werkloosheid van zulk een buitengewoon grooten omvang bestand zouden zijn. Begrijpelijkerwijze wekte dit bezorgdheid in de eerste plaats in de kringen der belanghebbenden; maar niet alleen daar. Toen in de vergadering van de Uitvoerende Commissie van het Koninklijk Nationaal Steuncomité, welke den avond van den 10den Augustus 1914 werd gehouden, hierop door den heer Oudegeest werd gewezen, kon ik hem antwoorden dat het reeds mijn aandacht had getrokken en „dat hiertegen in elk geval maatregelen zullen worden beraamd zoo noodig met Regeeringshulp”. De heer Oudegeest nam als vertegenwoordiger van het Nederlandsch Vakverbond in den Werkloosheidsraad de gelegenheid te baat, den Voorzitter van dien Raad, Prof. de Vooys, uit te noodigen deze zoo urgente aangelegenheid in den Werkloosheidsraad ter tafel te brengen. In overleg met mij gaf de heer de Vooys daaraan zóó spoedig gehoor, dat die vergadering reeds den volgenden dag kon worden gehouden. Daar werd een subcommissie benoemd onder voorzitterschap van Mr. Dr. Hudig, destijds directeur van het Centraal Bureau voor Sociale Adviezen, om het vraagstuk met den meesten spoed te onderzoeken en een voorstel daaromtrent aan den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel te doen. Wegens de dringende urgentie van de zaak werd door mij in de volgende dagen, toen ik bijna dagelijks met den heer de Vooys confereerde, nog enkele malen bij hem er op aangedrongen, dat hij de subcommissie tot den meest mogelijken spoed zou aanmanen. Den 21en Augustus kwam het rapport van den Werkloosheidsraad als resultaat van den arbeid der subcommissie in. Daar de materie mij, na hetgeen ik er als voorzitter van de Staatscommissie over de Werkloosheid over had moeten nadenken, niet vreemd was, behoefde ik niet veel tijd om te beslissen, dat het ingekomen rapport in hoofdzaak kon worden gevolgd en op welke ondergeschikte punten het wijziging noodig had. Dientengevolge kon reeds den 22en Augustus aan de besturen der gemeenten waar een werkloosheidsfonds bestond, een circulaire worden gericht, waarin de noodregeling ter instandhouding en bevordering der werkloosheidsverzekering werd uiteengezet en die gemeentebesturen tot medewerking werden aangezocht. Den 26en Augustus volgde een aansluitende circulaire aan een aantal gemeenten, die zich nog niet op het gebied der werkloosheidsverzekering bewogen hadden. De in die circulaires uiteengezette regeling is in de kringen der verzekeringsfondsleiders en der besturen van vakvereenigingen bekend geworden als de noodregeling-Treub.

Eigenaardig genoeg is zoodoende mijn naam toevallig verbonden geworden aan een der noodmaatregelen, waartoe ik persoonlijk het minst heb bijgedragen. Mijn aandeel heeft, wat deze noodregeling betreft, zich zoo goed als geheel bepaald tot aandrang op spoed bij de voorbereiding daarvan en tot het betrachten van spoed bij haar inwerkingstelling. Ik erken zelf, dat ook hierin eenige verdienste stak, maar toch niet genoeg om met voorbijgang der werkelijke ontwerpers daarvan de noodregeling met mijn naam te doopen. Intusschen is dit wel niet het eenige geval, waarin de paarden, die de haver verdienen, haar niet krijgen of waarin een Minister pronkt met andermans veeren.

De hoofdtrekken der noodregeling werden door den heer Folmer in zijn artikel „De verzekering tegen de werkloosheid tijdens de crisis” in aflevering 3, jaargang 4 van het Tijdschrift der Nationale Vereeniging tegen de Werkloosheid in de volgende woorden weergegeven:

„Haar hoofddoel was de instandhouding der verzekering, die op den datum, waarop de crisis geacht werd in te gaan, bestond. Dientengevolge omvatte zij uitsluitend die werkloozenkassen, welke op gemelden datum reeds in werking waren, hetzij afzonderlijk, hetzij als onderdeel eener andere kas (in welk laatste geval zij thans moesten worden afgezonderd).

„Deze werkloozenkassen zouden zelf zoo lang mogelijk blijven uitkeeren, met dien verstande, dat zij de uitkeeringen zouden staken, zoodra haar vermogen was gedaald tot op een vierde deel van haar bezit op 1 Augustus 1914, welke datum als beginpunt der crisis werd aangenomen. Met het vierde deel, dat in kas moest blijven, zouden zij na afloop der noodregeling hare normale taak kunnen hervatten, terwijl aldus voor uitkeeringen tijdens de crisis beschikbaar was 75% van het bezit van 1 Augustus 1914, benevens de opbrengst der contributiën, die voortdurend in de werkloozenkas bleven vloeien.