(52) De g in dit woord stelt de djîm of djô der Oostersche alfabets voor, die wij thans gewoonlijk door dj uitdrukken. Zij stemt wel het best overeen met de Engelsche in joy, journey etc.
Adonis is in de Grieksche mythologie de naam van een schoonen jongeling, hartstochtelijk door Venus bemind, en, toen hij op de jacht door een ever gedood was, niet minder hartstochtelijk beweend. In den zin dezer mythe willen wij ons hier niet verdiepen. Ik herinner slechts dat in Syrië en Phoenicië, en later ook in Griekenland, ter eere van Adonis een jaarlijksch feest werd gevierd, vooral gekenmerkt door de luide jammerklachten der vrouwen. De hoofdzetel van dezen cultus was vroeger Byblus in Phoenicië, later Amathus op het eiland Cyprus. De naam Adonis is Phoenicisch en Hebreeuwsch, en samengesteld uit Adoon, dat heer beteekent, en het aangehecht voornaamwoord i, met de beteekenis van mijn. Adonis was dus oorspronkelijk niet de naam eener bijzondere Godheid; elke Godheid had Adoon kunnen genoemd worden, en in het Hebreeuwsch werd het woord in den meervoudvorm Adonai, vooral ook van den Eenigen God gebezigd. Voor de Grieken echter had dit woord, dat zij tegelijk met de Adonisfeesten uit het Oosten ontvangen hadden, eene zeer bepaalde beteekenis. Zonder zich om den oorspronkelijken zin te bekreunen, of dien zelfs te kennen, dachten velen daarbij alleen aan den schoonen, door Venus beminden jongeling.
In de moderne talen, ook in de onze, heeft het woord Adonis het karakter van een eigennaam weder verloren en beteekent het in het algemeen een jongeling van buitengewone schoonheid, en vooral, in scherts, een man, die zich inbeeldt schoon te zijn en zich beijvert om zich als zoodanig voor te doen, een pronker. De Vries en te Winkel in het „Nederlandsch Woordenboek” geven daarvan een voorbeeld uit „Willem Leevend”, dat gemakkelijk met andere te vermeerderen ware geweest. Maar zeer eigenaardig is het gebruik van het woord, als Adoons uitgesproken, in de taal der Kaapsche Boeren. Volgens Mansvelt's „Idioticon” noemen zij zoo den baviaan, zeker om met zijne afzichtige leelijkheid den spot te drijven.
Ook deze naam eener algemeen bekende moesgroente stamt in zekeren zin uit het Oosten; want hij is ontleend aan de stad Askalon, eene der in het Oude Testament vermelde steden der Philistijnen. Het voorkomen van uitgestrekte uienvelden bij Askalon wordt vermeld bij Strabo en Stephanus Byzantinus. Die uien werden echter onderscheiden als eene bijzondere soort, reeds bij Theophrastus ascalonion krommyon, bij Plinius en Columella caepa ascalonia genoemd. Vandaar ook de tegenwoordige botanische naam der sjalot Allium ascalonicum.
De verbastering van dit ascalonia of ascalonium tot sjalot (Duitsch Schalotte, Eng. Shallot) schijnt aan de Franschen te moeten geweten worden, uit wier taal het tot de andere moderne talen schijnt te zijn overgebracht. Bij oud-Fransche schrijvers door Littré, art. échalote, aangehaald, vindt men de vormen escalone, eschaloingne en eschalote. Het onverstane woord schijnt in de uitspraak allengs meer verbasterd te zijn.
Deze drie en nog vele andere namen behooren aan de voortreffelijke graansoort, de Zea Mays der botanici, die, als men in aanmerking neemt hoe wijd hare cultuur over alle warme gewesten verspreid is, nevens de rijst als het eerste der voedselgewassen mag beschouwd worden. Dat de maïs uit Amerika afkomstig is, wordt thans nauwelijks meer betwijfeld, ofschoon vroeger, onder andere door Bonafous, „Hist. nat. du maïs”, (Paris, 1836), de meening is voorgestaan, dat de maïs lang vóór de ontdekking van Amerika in de oude wereld bekend was, en dat zij door de Arabieren en de kruisvaarders uit het Oosten naar Europa is gebracht. Zeker is het, dat de maïs, tijdens de ontdekking van Amerika, daar overal door de Indianen verbouwd werd, en dat men reeds maïsklossen (zoo noemt men gewoonlijk de dikke rolronde aren) in de graven der Inka's heeft gevonden. Vanhier, dat in de Vereenigde Staten, waar de cultuur van maïs een groot gewicht heeft erlangd, dit gewas nog met den naam van Indian corn wordt aangeduid. Ook is de naam maïs stellig uit Amerika tot ons overgekomen; men meent dat het de naam is, dien deze plant op Haïti droeg. (Zie Hernandez, „Hist. plantarum”, VI, 44). Van maïs (maïze) is afgeleid maïzena, zooals een fijn meel genoemd wordt, dat van de maïs wordt bereid, en in de laatste jaren ook bij ons een veelvuldig gebruik heeft erlangd in de samenstelling van poddingen.
Miloe, de naam dien de maïs bij inlanders en Europeanen in de Minahassa draagt, is eene verbastering van het Portugeesche milho, dat zelf niets anders is dan het Latijnsche milium. Onder den naam van milho worden in het Portugeesch verschillende soorten van gierstgrassen (Paniceae), zooals milho painço, milho miudo, enz., samengevat, maar hij is ook uitgebreid tot de maïs, die dan tot onderscheiding ook wel milho grosso, milho zaburro of milho da India wordt genoemd. Waarschijnlijk noemden de Portugeezen reeds in Amerika de maïs milho; ik vind ze althans millio genoemd bij Hartsinck, „Beschrijving van Guiana”, bl. 901. Met het graan zelf brachten zij dan ook dezen naam over naar Afrika en Oost-Indië, en in beide gewesten werd hij, meer of min verbasterd, door de Nederlanders van hen overgenomen. Bij de Marrée, „Beschrijving van de Goudkust”, D. I, bl. 82 en 93, vind ik milhio geschreven, maar in de Kaapkolonie is daaruit miellies of mielies ontstaan. Zie Tromp, „Herinneringen uit Zuid-Afrika”, bl. 28, 39, 164, en Mansvelt's „Kaapsch-Hollandsch Idioticon”. Met het Eng. adjectief mealy, meelachtig, dat laatstgenoemde vergelijkt, heeft mielies ongetwijfeld niets uitstaande.
Het voorkomen van den Portugeeschen naam der maïs tot in de Minahassa maakt het ongetwijfeld zeer waarschijnlijk, dat de verbreiding van dit gewas vooral aan Portugal moet worden toegeschreven. Maar ook Spanje heeft daartoe bijgedragen, en men beweert zelfs, dat reeds Columbus de maïs naar Spanje heeft gebracht, dat zij reeds in 1520 in dat land werd verbouwd, en dat zij vandaar naar Italië, Turkije en de Levant kwam.
Ook in Insulinde ontbreken de sporen van Spaansche herkomst niet. Rumphius, „Ambonsch Kruydboek”, D. V, bl. 203, zegt: „de Turkze Tarwe.... wast nu ook op vele plaatsen van deze Eilanden, wordt echter voor een uitlandsch gewas gehouden, door de Spanjaarden eerst ingevoerd. Men heet het op Maleyts Jagum, Baleys Jagum Castila. In Ternaten Bira Castela”. In deze namen is Jagum kennelijk het Maleisch-Javaansche Djagoeng, waarop ik zoo aanstonds terugkom, en Castela (Kastîla) beteekent Spaansch (van Kastilië). Bira doet denken aan den Makassaarschen naam der maïs Birâlle, in het Boegineesch Barälle of Warälle. Bärrä of Wärrä, beteekent in die taal het ontbolsterde graan, hetzij rijst, gierst of maïs (het Mal.-Jav. bĕras, Makass. berasá). Is bîra daarvan soms slechts een andere vorm en birâlle eene samentrekking voor bira castelle?(53) Zoo zou de anders vreemde l in birálle en bärälls eene natuurlijke verklaring gevonden hebben.
Op Java, waar de cultuur van de maïs van betrekkelijk jongen oorsprong schijnt te zijn, is zij thans een algemeen en hoogst gewichtig voedingsgewas, dat niet alleen door de inlanders, maar ook door de Europeanen, zelfs als zij Nederlandsch spreken, altijd met den naam djagoeng of djagong genoemd wordt. Houdt men dit Djagoeng voor een oorspronkelijk inlandsch woord, dan kan men het aanwenden om de meening omtrent de Oostersche herkomst van de plant te steunen; maar waarom zouden dan alle andere namen dezer graansoort in den Archipel gebruikelijk naar Spanje en Portugal als het land van herkomst wijzen? Het reeds vermelde djagoeng kastila, d. i. Spaansche djagoeng, door Rumphius vermeld als op Bali gebruikelijk, wijst ook daarheen, en toont tevens dat djagoeng op zichzelf eene ruimere beteekenis had; want waartoe zou anders het bepalende kastila dienen? Vergelijkt men djagoeng kastila met het Ternataansche bira kastila, dan zal men zich genoopt voelen aan djagoeng eene analoge beteekenis met bira toe te kennen. Ik waag omtrent dit woord de volgende gissing. Djawa beteekent gierst (zie mijn „Java”, D. II, bl. 3 en 5), of oorspronkelijk misschien in het algemeen graankorrel, dat dan in een land, waar oudtijds geen ander graan groeide dan gierst, natuurlijk toch de naam van dit graan werd. Later noemde men op Java de gierst djawawoet, samengetrokken uit djawa awoet, d. i. fijne korrel. De maïs zal men daarentegen djawa agoeng of djawa goeng, d. i. groote korrel, genoemd hebben, volkomen beantwoordende aan het Port. milho grosso. Later werd dan djawa goeng tot djagoeng samengetrokken.
Eer ik dit artikel besluit, wil ik nog even opmerken, dat de naam van Turksch koren of Turksche tarwe, waarmede wij in Nederland veelal de maïs noemen, eene navolging is van het Fransche blé de Turquie, ook Turquet. Het schijnt dat in dit land de maïs eerst uit de Levant is ingevoerd, toen zij haren tocht door het Zuiden van Europa volbracht had. De naam blé de Turquie wordt door Littré volstrekt afgekeurd.
(53) Die samentrekking ziet er oppervlakkig niet zeer waarschijnlijk uit, maar men wordt er als met noodwendigheid toe gebracht door die anders onverklaarbare l.
Reeds in Dozy's „Oosterlingen” verklaard als tamr (of tamar) hindi, d. i. in het Arabisch Indische dadel. Zie ook „Glossaire des mots Espagnols et Port. dérivés de l'Arabe”, op Tamarindos. In het Fransch zegt men tamarin en voor den boom tamarinier, ofschoon men tegenwoordig in de dagbladen dagelijks tamar indien leest. De verklaring van het woord heeft grammatisch niet het minste bezwaar; maar waarin het punt van vergelijking tusschen de tamarinde en de dadels gelegen is, blijft raadselachtig, ook na raadpleging der plaats van Van Linschoten, „Itinerario”, bl. 99, die ik hier laat volgen. „De Malabaren heetent pulii, de Gusaratten en de ander Indianen ambilii, de Arabyers tamarindi, overmidts dat tamaras in Arabyen zijn, die men bij ons daalen heet(54), ende omdat se de Tamarinio anders geen beter gelijckenis weten te geven als naer de datylen ofte daalen, soo noemen se die Tamarindi (d. i. tamaren ofte daalen van Indië), waerom van de Portugesen ook tamarinio genoemd wordt.” Het moeten dus de vruchten zijn, die tot den naam Indische dadels hebben aanleiding gegeven; maar wanneer men bedenkt, dat de tamarindeboom (Tamarindus indica) tot de leguminosen behoort en eene lange peul draagt, die van zes tot twaalf kleine zaden bevat, en de dadel (Phoenix dactylifera) een palm is, met vleezige, slechts één zaad bevattende vruchten, dan gevoelt men, dat ook de overeenkomst tusschen de vruchten niet groot kan zijn. Zij schijnt hoofdzakelijk te bestaan in de trossen waarin beide groeien.
Dat de tamarindeboom een overvloed van fijn gevederd loof draagt en de prachtigste lanen vormt, en dat de vrucht een heerlijk zuur voor de spijsbereiding oplevert, waarom de boom in het Javaansch wit-asĕm, in het Maleisch pohon-asam, dat beide de zuurboom beteekent, genoemd wordt, zijn bijzonderheden, die geen plaats laten voor de meening, dat hij soms in andere opzichten iets met den dadelpalm kan gemeen hebben.
(54) Thans zegt men dadels, maar te Amsterdam hoort men nog steeds de Joden geconfijte dalen venten.
Kerrie (Eng. curry) is de algemeen bekende naam eener soort van specerij, uit de gepulveriseerde bladeren van verschillende aromatische planten vervaardigd, die ons uit Oost-Indië wordt aangebracht en doorgaans in flesschen in den handel komt. Onder de planten uit wier bladeren kerrie bereid wordt, noemt men Bergera Königi, Canthium parviflorum en andere. Het woord stamt uit het Tamielsch, luidt in die taal juist gezegd Kari (zooals het ook te Batavia door de inlanders wordt uitgesproken), en beteekent eigenlijk een gerecht, een schotel. Daar nu de inlandsche gerechten der Malabaren doorgaans met geurige kruiden worden toebereid, hebben de Europeanen dien naam niet van het gansche gerecht, maar alleen van die toespijs opgevat.
Bij van Linschoten, „Itinerario”, bl. 99, vindt men den vorm carryl gebezigd: „koken nimmermeer rijs ofte daer moet tamarinio bijwesen, waaruit hunnen compost, die zij carryl noemen, toemaken.” De tegenwoordige vorm kerrie schijnt rechtstreeks van het Engelsche curry af te stammen, evenals wij, naar het mij toeschijnt, herrie, dat een gewoon volkswoord geworden is,(55) ofschoon het nog in geen Nederlandsch woordenboek gevonden wordt, hebben gemaakt van het Engelsche hurry, dat spoed, overhaasting, verwarring, rumoer beteekent.
(55) Ziehier eenige voorbeelden. Van Lennep, „Poëtische werken”, XIII, bl. 189:
Van Maurik, „Uit één pen”, bl. 146: „om schandaligheid of herrie voor meheertje (den commissaris van politie) te vermijden”; Cremer, „Anna Rooze”, D. III, bl. 334: „naar de herrie gaan kijken”. Laatstgenoemde schrijver gebruikt ook geherrie, b. v. „Anna Rooze”, III, 150: „een Sultan met zoo'n massa vrouwen aan 't been, moet toch altijd in een afgesukkeld geherrie zitten”. Ibid. bl. 236: „och kind! geherrie”.
Deze, voor zoover mij bekend is, alleen in het Hoog- en Nederduitsch gebruikelijke vorm tot aanduiding der welriekende hars of gom van Styrax Benzoïn (een zeer geacht voortbrengsel van den Ind. Archipel, inzonderheid van Sumatra) is de algemeene bij onze hedendaagsche schrijvers (b. v. Miquel, „Sumatra”, bl. 72; de Sturler, „Handboek v. d. Landb. in N. O. I.”, bl. 997; van Dale, „Nieuw Ned. Wdbk.”). Vroeger schreef men benjuin (Baldaeus, „Beschrijv. van Malabar en Chorom.”, bl. 13) en gewoonlijk benzoïn (Valentijn, „Sumatra”, bl. 2; Eschelskroon, „Beschrijving van Sumatra”, bl. 64; ook nog Ritter, „Indische herinneringen” (1843), bl. 265). Radermacher, „Verhh. v. h. Bat. Gen.”, D. III, bl. 44, schrijft benzuin. In de „Hist. Beschr. d. Reizen” D. XXI, bl. 37, leest men benjoïn, den gewonen Franschen vorm, die uit den oorspronkelijken tekst in de vertaling zal zijn overgegaan. In het Engelsch zegt men benzoin of benjamin, het laatste vooral in Indië gebruikelijk en ontstaan uit de zucht, om vreemde woorden naar bekende klanken te verknoeien. De Italiaansche vormen zijn belzuino en belguino, de Spaansche benjui en menjui. De Portugeesche schrijvers eindelijk, die het woord misschien wel het eerst gebezigd hebben, gaven het de vormen benjoïm, beijoim of beijuim.
Onder deze menigvuldige vormen is het moeilijk te bepalen welke de zuiverste is, waardoor ook de nasporing van den oorsprong wordt bezwaard. De vormen in de inlandsche talen van den Archipel zijn niet minder menigvuldig, maar wijzen toch ook op een gemeenschappelijken oorsprong. Daar de echte benzoë vooral in de Bataklanden op Sumatra te huis is, mag de Bataksche vorm kemèndjen (Daïrisch hamindjon) wel het meest als de oorspronkelijke in aanmerking komen. „Dit kemèndjen,” schreef mij de heer Neubronner van der Tuuk, „is in 't Menangkabausch in 't noordelijk dialect koemòjon, in 't zuidelijk koemajan, voorts in 't gewoon Maleisch kemènjan en in 't Javaansch en Bataviaasch-Maleisch menjan geworden.”
Ofschoon beijoin (in 't Portugeesch de meest gebruikte vorm) en kemèndjen zeer ver van elkander schijnen te staan, vertoont zich een sterke toenadering tusschen benjoïn, dat mij de oudste Portugeesche vorm schijnt te zijn, en menjan. Het eerste kan door gewone letterverwisselingen tot het tweede herleid worden, en men vindt dan ook in het Spaansche menjui de m terug. De mogelijkheid schijnt mij hiermede gegeven, om in mendjen den grondvorm van al de verschillende vormen te vinden.
Intusschen heeft men ook eene afleiding van het woord uit het Arabisch voorgesteld, die niet van waarschijnlijkheid ontbloot is. Wij danken haar aan Valentijn, „Groot-Java”, bl. 67. De Arabische naam van de benzoë is loebân djâwi, d. i. Javaansche, of liever, wegens de ruimere beteekenis die Djawa oudtijds bij de Arabieren had (zie mijn „Java”, D. II, bl. 11–13) Indonesische wierook. Hieruit zou, door weglating der eerste lettergreep en samenvatting in één woord, bândjawi, naar Afrikaansche uitspraak beendjâwi, en door verdere verbastering beenzâwi, benzoïn, benzoë ontstaan zijn. Werkelijk komt de volledige naam loebân djâwi voor bij Ibn Bathoetha, IV, bl. 228, ofschoon de Arabieren gewoonlijk òf alleen loebân òf alleen djâwi gebruiken, zooals Dozy, „Glossaire des mots Espagnols,” enz. p. 239, met voorbeelden doet. Ook zegge men niet, dat de vorm benzoïn of benzoë in het Portugeesch onbekend is. Ofschoon hij in de woordenboeken ontbreekt, leest men bij Moraes Silva het daarvan afgeleide bijv. nw. benzoïco.
Deze afleiding uit het Arabisch krijgt, zooals terecht door v. d. Tuuk is opgemerkt, daardoor waarschijnlijkheid, dat de Portugeezen de namen van Oostersche producten doorgaans onmiddellijk van de Arabieren hebben ontvangen. Ik durf echter niet zoover gaan als Prof. Dozy, die in zijn aangehaald „Glossaire” deze verklaring zonder voorbehoud „la véritable étymologie de ce mot” noemt. Indien werkelijk benzoë met de Indonesische namen dezer stof niets te maken heeft, is de klankovereenkomst, die toch ongetwijfeld tusschen de Europeesche en Indonesische namen bestaat, een zonderling toeval.
Dit woord behoorde eigenlijk guerrilla geschreven te worden, want het is een Spaansch deminutief van guerra, oorlog. De letterlijke beteekenis is dus kleine oorlog, d. i. een oorlog die, althans van ééne zijde, gevoerd wordt door ongeregelde, aan geen militaire tucht onderworpen troepen, die zich in het gebergte of in de bosschen schuil houden, en in kleine partijen hunne tegenstanders overvallen en zooveel mogelijk afbreuk doen, om zich dan weder ten spoedigste voor hen te verbergen. In zulk een oorlog vallen dus geene veldslagen voor en vinden geene geregelde belegeringen plaats. Men heeft echter in Spanje den naam guerrilla ook overgedragen op de ongeregelde benden zelven, die op deze wijze krijg voeren, met dien verstande, dat alsdan doorgaans in het meervoud guerrillas wordt gebezigd.
De Franschen, dit woord overnemende, hebben daarin eene der r's laten vallen, en schrijven dus guerilla, wat bij het gebruik in onze taal wordt nagevolgd. Men spreekt bij ons ook wel van een guerilla-oorlog, eene uitdrukking die natuurlijk onbestaanbaar is, als men guerilla in de oorspronkelijke beteekenis opvat, maar zich zeer goed laat verdedigen als men denkt aan een oorlog, door guerillas of ongeregelde troepen gevoerd.
Zoo wordt dit woord geschreven door den heer J. ten Brink, die er telkens gebruik van maakt in zijne „Oost-Indische dames en heeren”, en wel altijd in de beteekenis van grillen, kuren, nukken; b.v. D. I, bl. 35: „Tinkaas! als ze niet dadelijk stil is, moet Moenah met haar naar binnen”; bl. 72: „We moeten ze wat ontzien, al hadden ze ook de lastigste tinkaas”; bl. 214: „Altemaal tinkaas!”; D. II, bl. 165: „Lucy is een zottin met een massa kuren en tinkaas.” Bij van Rees, „Herinneringen”, vinden wij hetzelfde woord, in dezelfde beteekenis tingka geschreven; b. v. D. I, bl. 124 (3e druk): „Het is geen wonder dat die paarden tingka's hebben.” Inderdaad is tinka voldoende, daar de n vóór de k van zelve als ng wordt uitgesproken.
Het woord, zeer gebruikelijk in de samenleving der Indo-Europeanen te Batavia, is uit de inlandsche talen overgenomen. Het is gemeen aan het Javaansch, Soendaasch en Maleisch, en heeft in die talen niet alleen de ng, maar ook nog een h op het einde (dus tingkah), die echter in de uitspraak niet of nauwelijks gehoord wordt. Het heeft echter oorspronkelijk eene meer algemeene beteekenis, namelijk die van wijze van zijn of van doen, manier. De overgang tot de meer beperkte beteekenis van bijzondere, in het oog loopende manieren, grillen of kuren is nagenoeg dezelfde als die in onze taal, wanneer wij van manier en gemanierdheid in de kunst spreken.
Bendi, soms ook bindi (en in het Tamielsch, waaruit het misschien afkomstig is, wendi) geschreven, is op Java de gewone, ook onder de Europeanen zeer gebruikelijke naam van een licht, tweewielig rijtuig of sjees. Ziehier eenige voorbeelden: Van Hoëvell, „Reis over Java”, I, bl. 128: „De Regent bood mij eene bindi aan om mij verder te brengen”. Van Rees, „Herinneringen”, 3e druk, D. I, bl. 123: „Onder een afdak op het smalle plaatsje, tegenover den stal, prijkte een keurige bendy”. Ten Brink, „Oost-Ind. dames en heeren”, I, bl. 250: „soms was een bendi hen voorbijgesneld”. (Zie ook bl. 67, 90, 109, 148, enz. enz.) Van Rees, t. a. p., gebruikt ook het samengestelde bendyjongen. Voor het gebruik der y in dit woord is geen reden.
Baboe beteekent in het Javaansch en Maleisch de voedster of minne van een kind, hetzij de moeder zelve of eene andere vrouw die taak vervult, en bij uitbreiding ook de oppasster van een kind of kindermeid. Het gebruik van het woord komt zeer overeen met dat van het Engelsche nurse; de baboe is zoowel dry nurse als wet nurse. Ook in Nederland is dit woord zeer bekend en gebruikelijk. De Javaansche meiden, die vaak de uit Indië terugkeerende familiën tot verzorging der nog jonge kinderen naar Europa vergezellen, zijn algemeen bij den naam van baboe bekend, en in onze dagbladen zijn advertentiën niet zeldzaam, waarbij eene naar Europa overgekomen baboe hare diensten aan naar Indië vertrekkende familiën aanbiedt, of gelegenheid zoekt op andere wijze naar haar vaderland terug te keeren.
Ampas is een Javaansch en Maleisch woord, dat volgens het „Jav. Woordenboek” van Prof. Roorda beteekent: „het vaste overblijfsel van iets, waarvan de waterdeelen uitgeperst zijn, of dat uitgetrokken of uitgekookt is, zooals van uitgeperst suikerriet, koffiedik of teebladeren”. Volgens Klinkert's „Supplement op het Mal. Woordenb. van Pijnappel” beteekent het te Riouw ook uitvaagsel, afschrapsel.
Bij de Europeanen in Indië is dit woord zeer in gebruik voor den afval in de fabrieken van suiker en indigo, bv. de Sturler „Handboek v. d. Landbouw in Ned. O.-I”, bl. 823: „De dessahoofden wier indigo-product verwerkt wordt, moeten zorgen dat er steeds brandstof voorhanden is, wanneer de ampas (in dit geval de takjes der bladeren) ontbreken mocht”.
Bibit is Javaansch en Maleisch en is een zeer gebruikelijk woord bij den landbouw in Ned.-Indië, om de jonge plantjes van rijst, suikerriet, tabak, enz. aan te duiden, die op kweekbeddingen worden geteeld, om later op den akker te worden overgeplant. De Sturler, „Handboek voor den landbouw in Ned.-Indië”, bl. 1108: „Voor bibit neemt men jonge stekken van het boveneinde”. Van Rees, „Herinneringen”, 3e druk, D. II, bl. 17: „Met kinderlijke onnadenkendheid verkoopt de Javaan den oogst van de pas geplante rijst-bibit, de vruchten die nog aan zijne boomen moeten wassen”.
Bij de cochenielje-teelt worden ook de jonge insecten die op nieuwe nopalplanten worden overgebracht, bibit genoemd. De Sturler, t. a. p. bl. 1014: „Gedurende de eerste vijf dagen dat de cochenille aan het baren is, is zij het best geschikt om voor bibit te dienen, teneinde op andere nopals overgebracht te worden.”
De kris is het gewone wapen der Javanen, dat zij zelfs in den diepsten vrede altijd bij zich dragen. „Men kan de kris een ponjaard noemen, omdat het lemmer (behoudens de golving) steeds recht en slechts drie à vier palmen lang is; maar het is daarentegen altijd plat, als dat van een zwaard, ofschoon scherp aan beide zijden. De snede, hoewel nooit ver van de rechte lijn afwijkend, volgt in vele der meest voorkomende verscheidenheden eene golflijn met meer of minder, en grooter of kleiner bochten.” In deze korte beschrijving, die ik hier overneem uit mijn „Java”, D. I, bl. 611, heb ik getracht de onnauwkeurigheden te vermijden, die gewoonlijk in de omschrijvingen van het woord worden aangetroffen. De kris heeft niet den vorm eener slang en kan zelfs geheel recht van snede zijn; een kris is dikwijls vergiftigd, maar dit behoort niet tot zijn wezen.
Het is zonderling dat in een zoo eenvoudig woord, dat met de letters onzer taal nauwkeurig kan worden uitgedrukt, zoovele verschillende en verkeerde schrijfwijzen voorkomen, vooral daar men den juisten vorm cris (= kris) reeds vindt in „Begin en Voortgang”, tweede schipvaerd der Hollanders, bl. 12. Van Linschoten, „Itinerario”, bl. 25, schrijft: „de pongiaerden, die men in Indië heet cryses.” Bij Wouter Schouten vind ik nog in de uitgave van 1780 kritzen gespeld. Vooral vindt men dikwijls krist geschreven.
Van kris heeft men in Indië het werkwoord krissen gevormd, voor met de kris afmaken. Zoo zal men er bijv. zeggen: „de ter dood veroordeelde misdadigers werden vroeger in de Vorstenlanden op Java gekrist.”
Martavaan, soms martevaan geschreven, is onder de Europeanen in Indië de naam van een soort van groote aarden vaten of potten van oude herkomst en bij de inlandsche bevolking in groot aanzien. Beroemd was van ouds de Martavaan van Soya op Amboina, door Valentijn, III, 1, bl. 9, beschreven als: „een verglaasde, groote Siamsche pot”, die omtrent een half uur van het dorp op eene hoogte stond, waarbij eene godheid haren zetel had, die, als na het offer van een witten haan, met een bamboestokje uit het naburig bosch in den pot geroerd werd, onmiddellijk regen gaf. Wanneer de inlanders boven de hoogte regenwolken zagen, plachten zij te zeggen: „Radja Soya roert zijn pot”. Vgl. nog ald. bl. 30 en Brumund, „Indiana”, II, 73. In het „Tijdschr. v. N.-I.” 1871, D. II, bl. 238 v. wordt gewaagd van merkwaardige overblijfselen der oudheid, voornamelijk bestaande uit een oud stuk geschut, een verminkt beeld en een groote martavaan, gevonden bij den oorsprong der Tjitaroem in de Preanger Regentschappen.
Men leest somtijds van „Japansche Martavanen”, b.v. bij Perelaer, „Ethnologie der Dajaks”, bl. 112, die niet of nauwelijks verschillen van de oude tampajans of koelpotten, door de Dajaks zoo hoog in eere gehouden (zie mijn „Borneo's Westerafdeeling”, D. II, bl. 262). De herkomst dier oude, vaak zoo verbazend duur betaalde potten wordt als onzeker beschouwd. (Zie Sal. Muller's „Reizen en onderzoekingen in den Ind. Archipel”, D. I, bl. 264). Mij schijnt het toe dat zij echte Martavanen zijn, maar dat thans onder dien naam ook Japansche en Chineesche namaaksels in den handel komen, die echter de Dajaks (vgl. Perelaer, bl. 117) zeer wel van de echte weten te onderscheiden.
Doch, daargelaten welke betrekking er tusschen de echte Martavanen en de tampajans der Dajaks bestaat, zeker is het dat de herkomst van eerstgenoemde aan onze oude schrijvers niet onbekend was. Valentijn, zooals ons reeds bleek, noemt ze Siamsche potten, en dit is in zooverre juist, dat hun eigenlijk vaderland Martaban, een landschap van Achter-Indië, dat thans deel uitmaakt van de Britsche provincie Tenasserim, aan Siam grenst en er oudtijds toe behoorde (zie Valentijn, III, 2c, Tonkin enz., bl. 58). Dit Martaban, welks gelijknamige, aan de Golf van Martaban gelegen hoofdstad, in vroeger eeuwen een zeer belangrijke handelsplaats was, maar thans als zoodanig geheel door het naburige Maulmain is in de schaduw gesteld, wordt door Valentijn bestendig Martavan genoemd, eene spelling die wegens de zoo gewone verwisseling van b en v niets bevreemdends heeft. Een nog oudere schrijver, P. v. d. B(roeck), in zijne „Curieuse beschrijving van verscheyde Oost-Indische gewesten” (Rott. 1677), schrijft zelfs herhaaldelijk Martavaan (bl. 112, 117, 121), geheel zooals de naam der potten gewoonlijk geschreven wordt. Maar v. d. Broeck noemt ook uitdrukkelijk, waar hij, bl. 121, de handelswaren dezer landen opsomt: „Potten, groot en kleyn, die men naar het land Martavanen noemt”, en verzekert ons een paar regels verder, dat deze potten alleen van Martavaan en Taway komen. Ook Valentijn, V, 1, bl. 118, spreekt van: „Verglaasde potten, Martavanen, na 't land daar zij eigenlijk vallen, genoemt”, en voegt er ook bij dat zij alleen in 't rijk van Martavan en Taway worden gekocht. Er kan dus omtrent de herkomst der Martavanen en den oorsprong van hun naam geen twijfel bestaan. Die naam is een der vele voorbeelden van waren, die eenvoudig naar de plaats van herkomst genoemd worden.(56)
Diezelfde naam voor dezelfde potten was ook, doch in den vorm Martaban, aan de Arabieren bekend, en kan wellicht door onze voorouders van hen zijn overgenomen, een vermoeden dat voor de hand ligt, daar martaban of martavaan in de talen van den Ind. Archipel niet schijnt bekend te zijn. De Arabieren gebruikten deze potten tot bewaring van confituren, specerijen, geneesmiddelen enz. De Arabische reiziger Ibn Bathoetha verhaalt, dat hij van eene Indische vorstin vier Martabanen ten geschenke kreeg, gevuld met gember, peper, limoenen en andere provisiën. Zie de noot op een fragment van Ibn Bathoetha door Dulaurier, „Journal Asiatique”, 1847, I, bl. 252.
De heer Logan spreekt over de Martavanen in den Jaarg. 1850 van het „Journal of the Indian Archipelago”, p. 336. Hij gewaagt daar van „the fame which Pegu, and especially Martaban, at one time enjoyed for their beautifully glazed and gilded vases, sometimes of enormous size.” Deze woorden zeggen nog iets meer dan de plaatsen van v. d. Broeck, Valentijn en Ibn Bathoetha, van welke Logan de laatste aanhaalt, maar de beide andere waarschijnlijk niet eens kende; hieruit is af te leiden dat de Martavanen en hunne vervaardiging te Martaban hem ook uit andere bronnen bekend waren. Hij voegt er bij dat de vraag naar deze vazen (hij noemt ze „dragon vases” omdat zij met draken versierd zijn) eenmaal zeer groot moet geweest zijn bij de Hindoe-kolonisten op Java, daar op dat eiland dikwijls martavanen met andere overblijfselen van den Hindoe-tijd worden opgegraven. Voor hem is het ook niet twijfelachtig of de tampajans der Dajaks zijn werkelijk als Martavanen te beschouwen. Volgens deze aanduidingen moet er eenmaal tusschen de volken langs de Irawaddi en de bevolking van westelijk Insulinde een druk verkeer hebben plaats gegrepen,—een feit dat de bijzondere aandacht verdient van hen, die zich aan de studie der ethnologie en oude geschiedenis van den Indischen Archipel wijden.
(56) Ik noemde eenige voorbeelden van manufacturen in art. Gingang. Vele soorten van wijnen, b. v. Bordeaux, Bourgogne, Champagne, Madera, Malaga, worden op dezelfde wijze benoemd.
Benting, ook benteng en binting uitgesproken, is een Javaansch en Maleisch, misschien van het Sanskritsche bhitti, wal, gevormd woord, dat een schans of bolwerk beteekent. Het woord is iederen Nederlander gemeenzaam, die niet geheel vreemdeling is in de krijgsgeschiedenis van Ned.-Indië, en de werken van Weitzel, de Stuers, Lange, van Rees, Perelaer over onze oorlogen op Java, Sumatra, Borneo en Celebes heeft gelezen. Voorbeelden komen in die werken bij honderden voor en het is bevreemdend, dat benting noch in het „Nieuw Ned. Wdbk.” van van Dale, noch in den „Kunstwoordentolk” van Kramers en Bonte is opgenomen. Vooral in den Javaanschen oorlog met Dipå Negårå spelen de bentings een groote rol. Er werden toen door het Nederlandsche leger een verbazend aantal van die kleine schansen op de wijze der inlandsche versterkingen opgericht. De vijand was er langen tijd in geslaagd, door de taktiek om ernstige gevechten te vermijden, maar zich in kleine afdeelingen over een groot terrein verspreidende, onze troepen aanhoudend te verontrusten, van tijd tot tijd belangrijke voordeelen te bevechten. De Generaal de Kock besloot nu elken voet gronds, op den vijand veroverd, door de oprichting eener kleine benting met blijvende bezetting tegen zijn terugkeer te waarborgen. Die bentings werden door wegen met elkander verbonden, waarop aanhoudend kleine mobiele kolonnes heen en weder trokken, om de gemeenschap tusschen de versterkingen te onderhouden en het doordringen van den vijand tusschen de posten te beletten. In onze Indische krijgsgeschiedenis is deze wijze van oorlogen, die later door den Maarschalk Bugeaud in Algerië tegen Abd-el-Kader werd nagevolgd,(57) bij den naam van bentingstelsel bekend. Dit stelsel wordt door den Generaal Weitzel, „de oorlog op Java”, D. II, bl. 34–42, uitvoerig beschreven en door de afbeelding eener benting toegelicht.
(57) Dat hier terecht het woord navolgen gebruikt is, wordt door den heer Weitzel, bl. 37, aangetoond.
Sago, eigenlijk Sagoe, ofschoon de eerstgemelde uitspraak in onze taal alleen gebruikt wordt, is de Maleisch-Javaansche naam van een soort van zetmeel of meelachtig merg, dat in de stammen der Cycadeeën en van vele soorten van palmen, zooals de Arengpalm, de Gebangpalm, eenige soorten van het geslacht Caryota, maar bovenal in de palmen van het geslacht Metroxylon, bij uitnemendheid sagoboomen genoemd, wordt aangetroffen. De sagoboomen zijn over den geheelen Archipel verspreid, ook op Java, waar zij in het Javaansch boeloe, in het Soendaasch kirai heeten en in de administratieve taal bij den naam van zoetwater-nipah bekend zijn. Zij worden daar in sommige streken veel aangeplant, omdat de bladeren een goede dakbedekking (atap) opleveren en uit de bladstelen sterke matten gevlochten worden; maar het meel is er in geen tel, en wordt slechts door zeer arme lieden of bij groote schaarschte van rijst als voedsel gebruikt. Van de sago en hare aanwending op de overige groote Soenda-eilanden schijnt weinig bekend te zijn, behalve dat met Maleische vaartuigen groote hoeveelheden ruwe sago van Borneo's Noordwestkust en Sumatra's Oostkust te Singapore worden aangebracht, om daar in fabrieken, die bijna allen aan Chineezen behooren, tot korrel- of parel-sago, den vorm waarin de sago in Europa in den handel komt, te worden verwerkt. Maar het eigenlijke gebied der sago, waar met geringe moeite uitgestrekte sagotuinen worden aangeplant en onderhouden, waar het merg uit de gevelde en doorgezaagde stammen losgeklopt en uitgelicht en vervolgens gewasschen en van houtvezels gereinigd wordt, en waar het dus verkregen meel, op verschillende wijzen bereid, nam. als pap (papéda), broodjes (lempeng) en als koekjes en gebakjes van velerlei soort, het hoofdvoedsel der bevolking uitmaakt, zijn de Moluksche en Papoesche eilanden in het algemeen en Amboina met de omliggende eilanden bovenal.
Alang-alang is de, bij de Europeanen in Indië algemeen gebruikelijke, laag-Javaansche naam van eene soort van lang rietgras, (Imperata arundinacea of Imperata Königii), die in hoog-Javaansch kambĕng, in het Soendaneesch eurih, in het Maleisch lalang heet. Dit gras, tot eene hoogte van drie à vier voet opschietende en dicht bijeen groeiende, vormt op Sumatra, Java en elders uitgestrekte, door vele tijgers bewoonde wildernissen, daar het mijlen ver de vlakten en zachtglooiende berghellingen met een eentonig, vaalgroen kleed bedekt. Het vertoont zich spoedig overal, waar vroeger voor den landbouw ontgonnen velden weder verlaten en der woeste natuur prijsgegeven worden. Men bedient zich van het alang-alang veelvuldig tot dekriet voor inlandsche woningen. Vgl. op Atap.
Atap Mal., atĕp Jav. en Soend., schijnt oorspronkelijk in het algemeen dak of dakbedekking te beteekenen; men spreekt daarom ook van de atap, of het dak, eener Javaansche kar (pedati). Wanneer men dus, gelijk dikwijls gebeurt, het alang-alang-gras of de nipah-bladeren atap noemt, heeft dit geen betrekking op de planten; maar op het materiaal voor dakbedekking dat zij opleveren. Atap is nooit een plantennaam. De uitdrukking „een dak van atap” of „een atappen dak”, dikwijls door Europeanen gebezigd, is daarom ook eigenlijk niet juist; want wie zal van „een dak van dakbedekking” spreken. Zij is echter eenigszins verschoonbaar en brengt althans geen misverstand teweeg, omdat het gebruik gewild heeft dat atap, ook door de inlanders, gebruikt werd van het gewone dakmateriaal, dat in sommige streken het nipah-blad, in andere het alang-alang-gras is, en zulks in tegenstelling met de daken vervaardigd van sirap, kleine houten plankjes of platte stukjes bamboes, op de wijze onzer dakleien geplaatst, en van talahab of gekloofde bamboeleden, waarvan eerst eene laag met de holle en dan eene met de bolle zijde naar boven op het dakgeraamte gelegd wordt.
Bandjer of Banjer, een zeer gewoon woord bij de Europeanen in Indië en in geschriften die over Indië handelen, is het Mal. en Jav. bandjir, d. i. overstrooming, watervloed, zooals die op Java, ten gevolge van het plotseling zwellen der rivieren, in den regentijd voorkomt. Men kan in dien tijd nauwelijks berichten over Java opslaan, zonder van bandjirs gewag te vinden. Van de vreeselijke uitwerkingen van zulk een bandjir gaf eenmaal Douwes Dekker, ik meen in zijn boekje: „Wijs mij de plaats waar ik gezaaid heb”, eene aangrijpende beschrijving.
Het zeer algemeene woord is terecht opgenomen in het „Nieuw Ned. Wdbk.” van van Dale; maar zijne verklaring: stortvloed, zware regenbui, is niet geheel nauwkeurig; want bandjir duidt nooit den zwaren regen zelven aan, maar steeds zijn gevolg: den stortvloed.
Djaksa, Mal. en Soend. (de Javaansche vorm is djĕksô), heet ook bij Europeanen, en zelfs in officieele stukken, de openbare aanklager, fiskaal, of, zooals men thans meestal zegt, officier van justitie bij de inlandsche rechtbanken. Zie b. v. van der Lith en Spanjaard, „Staatsinstellingen van Ned.-Indië”, bl. 144: De titel van de inlandsche officieren van justitie is die van hoofd-djaksa op de hoofdplaatsen der gewesten, elders die van djaksa. Adjunct-djaksa's staan hun gewoonlijk ter zijde.
In het Javaansch beteekent balé in de eerste plaats ongeveer hetzelfde als ambèn, d. i. eene bank, zit- of ligplaats, doorgaans van bamboe vervaardigd, en die het voornaamste stuk huisraad in eene Javaansche woning uitmaakt. Op zulk eene bank strekt de Javaan gaarne op het warmste van den dag de van den arbeid vermoeide leden uit, om zich over te geven aan eene droomerige rust. Gelijk vele andere woorden wordt ook balé, althans in de hier vermelde beteekenis, dikwijls verdubbeld, en bij de Indo-Europeanen op Java is het bepaaldelijk de gewoonte geworden, altijd dien geredupliceerden vorm te bezigen. Zoo lezen wij b. v. bij van Hoëvell, „Reis over Java”, D. I, bl. 127: „Menigmaal kon ik de verzoeking niet weerstaan, mij op een oogenblik op een balé-balé voor een der woningen neder te zetten.”
Door eene uitbreiding van het gebruik beteekent het Jav. balé ten tweede ook een pandôpô of paviljoen, dat bij bijzondere gelegenheden tot zitplaats dient, en hieraan sluit zich de beteekenis van het Maleische balei, dat ongetwijfeld hetzelfde woord is, dus omschreven in het „Mal. Woordenboek” van Pijnappel: „een aan de vier kanten open gebouw, dat voor vergaderingen, het huisvesten van vreemdelingen enz. dient, het raadhuis.” Zulk een gebouw is inderdaad te vergelijken met eene groote overdekte rustbank. Vgl. Klinkert's „Supplement”. Ook in dezen zin komt balei wel eens in Nederlandsche geschriften voor, b. v. van Hasselt, „Volksbeschrijving van Midden-Sumatra”, bl. 142; Verkerk Pistorius, „Studiën over de inlandsche huishouding in de Padangsche bovenlanden”, bl. 9. Laatstgenoemde schrijft ook dit woord balei-balei, waarschijnlijk omdat hem die vaak, schoon in andere beteekenis, op Java gehoorde klank voor den geest zweefde.
Er ligt iets verleidelijks in om ons balie, in den zin van rechtbank, van dit Maleische balei af te leiden; want in beide heeft het woord bank eene gelijksoortige uitbreiding erlangd. Het denkbeeld is dan ook werkelijk geopperd; maar het woord behoort volstrekt niet tot die klasse van woorden, die ons Nederlandsch aan het Maleisch verschuldigd is. Maar bovendien is het niet twijfelachtig of de ware beteekenis van balie is afpaling, afschutting, hek, slagboom, het Latijnsche cancelli (waarom het ook voor het afschutsel eener stoep, de leuning eener trap enz. gebezigd wordt), en dus ook de afschutting tusschen de rechters en advokaten. De advokaat spreekt dus vóór de balie. Misverstand dier uitdrukking zal aanleiding gegeven hebben dat het woord op de rechtbank zelve werd overgebracht.
Ik verkies deze schrijfwijze boven de gewone moxa, niet alleen omdat het Nederlandsch het gebruik der letter x verwerpt, maar ook omdat, zooals zoo aanstonds blijken zal, in het Japansch, waaraan dit woord ontleend is, de k en s afzonderlijke letters zijn, zelfs door een korte vokaal gescheiden. Van Dale, „Nieuw Ned. Wdbk.”, art. Moxa, omschrijft de beteekenis dus: „bijvoetwol, uitwendig als brandmiddel gebruikt ter genezing van jicht en podagra.” Inderdaad is het niet de bewerking, maar de stof, die moxa genoemd wordt, zoodat die naam ten onrechte door de Europeanen gebezigd wordt, wanneer men eene andere stof dan de bijvoet voor de brandwonde bezigt. Wijlen Prof. Hoffmann gaf mij omtrent dit woord op mijn verzoek de volgende opheldering: „Moksa is de vulgaire Japansche naam van Artemisia vulgaris L. (bij ons bijvoet). Het woord wordt ook Mo-kusa (Mo-ksa) en Mo-gusa geschreven, en beteekent naar mijne opvatting brandkruid, van Mo, Moye = branden (intransit.) en Kusa, kruid. De wetenschappelijke Japansche naam is Yo-mogi, de Chineesche Gai of Ngai. Men bezigt de stelen tot pitten van waskaarsen en de gedroogde bladeren tot het zoogenaamde moksa-branden, waarvoor de Europeesche kliniek thans schietkatoen bezigt. De Japaneezen hebben het moksa-branden van de Chineezen geleerd, en de Europeanen (Kaempfer, Thunberg enz.) zijn het eerst door de Japaneezen hiermede bekend geworden.” Uitvoerige mededeelingen over het moksa-branden, de bereiding der stof, de wijze en het doel der aanwending vindt men in Kaempfer's „Japan” (Ned. tekst), bl. 463–472. In de hedendaagsche geneeskunde is het moksa-branden nauwlijks meer bekend.
Gewoonlijk schrijft men Soya; doch ik zie geene reden waarom wij eene lettergreep volkomen gelijkluidend met ja in jagen en Java, in andere woorden ya zouden schrijven. In het Engelsch heeft de y de waarde onzer j, en de j de waarde die wij in vreemde woorden door dj (of dsj) uitdrukken, omdat geene letter in onze taal aan dien klank beantwoordt. Iedere taal houde zich in de spelling aan haar eigen klankstelsel; anders geraakt men in onoplosbare verwarring en bevordert verkeerde uitspraak. Dus ook geen u (als in het Duitsch en Italiaansch) of ou (als in het Fransch) voor den klank dien wij met oe uitdrukken. Alleen in vreemde eigennamen, waarvan geen Nederlandsche vormen bestaan en die in het oorspronkelijk met dezelfde letterteekens (ofschoon niet altijd met dezelfde waarde) als in de onze geschreven worden, behoude men de vreemde spelling. Het spreekt echter van zelf dat deze regelen niet toepasselijk zijn op wetenschappelijke werken, waarin een vast stelsel van transscriptie gevolgd wordt, zooveel mogelijk alle talen omvattend. De lezer behoort dan echter gewaarschuwd te worden, dat hij met eene algemeene, niet met eene Nederlandsche spelling te doen heeft.
Soja is de naam eener Japansche saus, die ook bij ons door velen als een aangenaam toevoegsel bij vele spijzen beschouwd wordt. In het Japansch luidt het woord soo-joe of sjoo-joe en beteekent uitstekende saus.
Het hoofdbestanddeel dezer saus is een soort van boon, die door Linnaeus Dolichos soya, door Mönch Soya hespida genoemd werd. De plant is, zoo het schijnt, oorspronkelijk in Japan te huis, waar men zomer- en herfstboonen onderscheidt. De late soort komt in Europa, zooals uit proeven in den Leidschen hortus gebleken is, zelfs na een gunstigen zomer niet tot rijpheid. Daarentegen is de plant met goeden uitslag naar de tropische deelen van Azië overgebracht. Op Java noemt men ze soms katjang djĕpoen, d. i. Japansche boon, maar gewoonlijk kadĕlé of kĕdĕlé. De Javanen bereiden daaruit, behalve de soja, ook de témpé, die, tot platte koekjes gevormd en gebakken of gebraden, een zeer geliefde toespijs is bij de rijst.
In de Soja onderscheiden de Japanners twee soorten, naarmate ze met gerst of met tarwe is vermengd. De met tarwe bereide wordt smakelijker geacht.
In een stukje over de „bereiding van de Japansche Soja”, medegedeeld door Prof. Hoffmann, in de „Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenk. van N.-I”., 3e Volgreeks, D. V, bl. 192, wordt de bereiding der Soja nauwkeurig beschreven volgens de Japansche Encyclopaedie Wa-kan san-sai dzu-e, en ter vergelijking ook de beschrijving opgegeven die in Kaempfer's Amoenitates exoticae wordt aangetroffen.
Sake, meestal als saki uitgesproken, is de algemeen bekende naam van een bierachtigen drank dien de Japanneezen uit rijst bereiden. Prof. Hoffmann schreef in de „Bijdragen voor Taal-, Land- en Volkenk. van N.-I.”, 3e Volgr., D. V, bl. 179, een uitvoerig opstel over de „rijstbier- of sakibrouwerij in Japan” naar Japansche bronnen, waarin de volgende verklaring van het woord voorkomt. „De uit rijst of andere granen bereide gistende drank, die in het Chineesch Tsieu(58) genoemd wordt, heet in het oud-Japansch Ki, hetgeen de Japanneezen zelven voor identisch honden met het Chineesche Ki, geest, essence. Vandaar de Japansche woorden Sira-ki en Kuro-ki, d. i. wit of klaar en donker of troebel rijstebier, en Mi-ki, de eerewijn, die aan de goden en vorstelijke personen wordt voorgezet. De naam sàke (saki) later aan deze aftreksels gegeven, wordt verschillend uitgelegd; de meeste waarschijnlijkheid heeft die uitlegging voor zich, welke in Ke eene variant van het oude Ki, essence, ziet, en het woord Sake terugbrengt op Masa-ke, echte geest.”