(13) In Amerika wordt bug dikwijls van kevers gebezigd. Zoo noemt men er b. v. den Colorado-kever Potato-bug.
(14) Men vindt deze bijzonderheden ook vermeld in het pas verschenen tweede gedeelte van „De Dieren in het Germaansche volksgeloof en volksgebruik”, door mr. L. A. J. W. baron Sloet, bl. 389.
(15) In het bovenaangehaalde werk van baron Sloet, bl. 387, wordt gezegd dat het vliegend hert in verband met Thor staat, omdat het op den aan Thor gewijden eikeboom leeft, en dat het als drager van het hemelvuur als de oorzaak van brand wordt beschouwd.
Muskiet, zeldzamer, ofschoon juister, moskiet geschreven, is bij de Nederlanders in Oost- en West-Indië de algemeene naam voor alle stekende en den mensch aanvallende muggen, en is ook in het moederland gebruikelijk, wanneer van Oost- en Westindische muggen sprake is. Het is weder een woord dat wij in de koloniën van de Portugeezen of Spanjaarden hebben overgenomen. In de taal van beide volken is mosquito een verkleinvorm van mosca, het Latijnsche musca, en beteekent eigenlijk kleine vlieg, maar toch ook kleine mug, daar het volk deze verwante diertjes, beide evenzeer tot de diptera of tweevleugelige insecten behoorend, niet altijd nauwkeurig onderscheidt.
Van dit woord zegt Weiland: „de benaming is ontleend van Japan, een Rijk beoosten China, derhalve een kleed in navolging van de Japanners. Vanhier ook japonsch: een japonsche rok, een japonsche, japansche deken.” Zeker is het dat onze schrijvers ook wel Japon en Japonsch of Japoensch schreven, gelijk men nog in het Fransch le Japon zegt. Toch acht ik de hier gegeven verklaring van ons japon geheel verwerpelijk. Ik betwist niet dat men oudtijds japonsche rok zeide voor hetgeen men thans een Japanschen kabaai zou noemen; maar de verkorting van japonsche rok tot enkel japon is moeilijk te verklaren, en dat men eenvoudig den naam van een Aziatisch Keizerrijk aan een vrouwengewaad zou hebben toegekend, is nauw denkbaar. Maar wat meer weegt, er is een woord van Arabischen oorsprong, in verschillende vormen tot schier alle talen van Europa doorgedrongen, dat hetzelfde of een verwant kleedingstuk aanduidt, en waarvan het inderdaad zeer bevreemdend zou wezen, indien onze vaderen alleen den toegang daaraan geweigerd hadden, te meer dewijl dit woord vooral ook in het Fransch voorkomt, uit welke taal de namen van mode-artikelen van oudsher tot ons plachten over te waaien. Het woord dat ik bedoel is het Arabische djobbah, waardoor een groot, ruim kleed, doorgaans met wijde mouwen, veel gelijkende op onze kamerjaponnen, wordt aangeduid. Men zie daarover Dozy's „Dictionnaire détaillé des noms des vêtements chez les Arabes”, die o. a. opmerkt: „Du mot Arabe djobbah les Espagnols ont fait: aljuba, juba, chupa, jubon, les Portugais aljuba, les Italiens giuppa, giuppone et les Français jupe, jupon.” Maar hier is nog slechts een klein deel der talrijke nakomelingschap van het woord djobbah genoemd. Bij Littré vond ik nog als Italiaansch giubba en giubbone, als Portugeesch gibâo, als Provençaalsch jupa, jupon, jupio, als Normandisch jupin, als Bourgondisch gipon, als oud-Fransch jupel en jupeau genoemd. In het Hoogduitsch behooren tot deze familie jupa, jope, juppe, juppel, joppel en misschien ook schuba, schaube, in het Engelsch jippo, in het Nederlandsch de bij Kiliaan voorkomende namen jupe en juype. Tot deze laatste stond japon, als jupon tot jupe, als giuppone tot giuppa, namelijk als verkleinvorm, en daar door de aanhechting der verkleinende lettergreep, de u in jupe toonloos werd, kon ze gemakkelijk in een stomme e of korte a overgaan. Dat men japon is gaan schrijven, kan misschien ook aan den invloed van bovengemelde verkeerde afleiding worden toegeschreven, die intusschen zooveel gezag heeft erlangd, dat ze ook door Franck is aangenomen, en de waarschijnlijke oorzaak is waarom Dozy in zijne „Oosterlingen” aan Japon geene plaats heeft ingeruimd.
Sarong (van het Mal. en Jav. Saroeng) noemen wij gewoonlijk den op Java en elders in Nederlandsch-Indië bij de inlanders gebruikelijken rok, welke ook bij ons te lande door vele dames, die vroeger in Indië hebben gewoond, als huisgewaad wordt gedragen, en welke in onze vaderlandsche katoenfabrieken op groote schaal ten behoeve van Indië wordt vervaardigd. Evenwel wordt aan het woord, in dien algemeenen zin gebruikt, eene ruimere beteekenis gegeven, dan het oorspronkelijk bezit. Wat in den strikten zin een sarong is, zal ik hier kortelijk uiteenzetten.
Het woord saroeng beteekent eigenlijk scheede of koker, en inderdaad bestaat de sarong uit een lap katoen op de bepaalde grootte geweven, waarvan de beide einden zijn aaneengenaaid, zoodat men er de beenen door moet steken. Een sarong is dus strikt genomen overgesteld aan een kain pandjang of kain lepas, d. i. een lange doek of losse doek, waarvan de einden niet aaneen zijn gehecht, en die om het lichaam gewonden en ingestoken wordt. Zulk een lange doek heet in het Javaansch in de lage taal djarik (in den mond des volks veelal verbasterd tot djarit) en in de hooge taal siendjang. Zoowel de sarong als de kain pandjang worden op het smalle inlandsche weefgetouw slechts op de halve breedte geweven, zoodat twee banen in de lengte worden aaneengezet. De Europeesche industrie weeft ze echter op de volle breedte. Beide worden door beide seksen gedragen. De saroeng, ook samping geheeten, is meer in West-Java of de Soendalanden, de djarik, die als kleed der mannen bĕbĕd, als vrouwenrok tapih heet, in het eigenlijk Java te huis. Op de volle breedte wordt voor de sarong een lap van ten hoogste twee meter, voor een djarik van ten hoogste 2½ meter vereischt. Beide worden meestal om den middel bevestigd door een gordel, die door een gesp wordt vastgehouden.
Zoowel de sarong als de djarik kunnen bestaan uit doeken die wit geweven en later effen geverfd of gebatikt (met figuren beschilderd) worden, en uit doeken die van vooraf geverfde draden in ruiten of strepen worden geweven. De gebatikte stoffen komen met onze gedrukte katoenen, de geruite en gestreepte met onze gekleurde weefgoederen overeen. Geruite katoenen (kain polèng) zijn, nevens effen gekleurde, meer in trek in West-Java; gestreepte katoenen (kain loerik) genieten, nevens de gebatikte stoffen, in Midden- en Oost-Java de voorkeur. Voor de gebatikte is de inlandsche nijverheid het meest door de Europeesche verdrongen.
In de inlandsche gebruiken en drachten is veel aan vaste regelen onderworpen, waarin een willekeurig ingrijpen van luim of mode niet gaarne wordt gezien. De sarong, die zich als een meer afgewerkt en afgerond geheel voordoet, moet met de beide aaneengenaaide einden volkomen aaneensluiten. Aan beide einden van het doek wordt een zoogenaamd hoofd (kapala) gemaakt. De beide vereenigde hoofden, die te zamen ongeveer een vierde van het geheele doek uitmaken, verschillen geheel van het grondpatroon. Bij de in kleuren gewevene hebben deze vereenigde hoofden een effen grondkleur, met een aantal evenwijdige, verschillend gekleurde strepen, bij de gebatikte vormen de kapala's altijd twee reeksen van met de punt naar elkander gekeerde spitsen of zoogenaamde torens. De djarik mist in den regel de kapala's; slechts Chineesche vrouwen ziet men wel eens djariks met kapala's dragen.
Indien men het gebruik van het woord sarong door de Europeanen, niet slechts in het moederland, maar ook in Indië, aan de hier opgegeven eischen van eene echte sarong toetst, zal men waarschijnlijk bevinden, dat het zeer dikwijls verkeerd aangewend wordt. Ook in mijn werk over Java zijn in de beschrijving van sarong en djarik (D. I, bl. 601–603) eenige misstellingen ingeslopen, die ik hier volgens de mededeelingen van den heer van Musschenbroek over de inlandsche katoennijverheid en volgens de aanteekeningen op mijn werk van wijlen Tjondro Negoro, den Regent van Brebes, heb verbeterd.
Baadje, d. i. buis, wambuis, niet buisje, zooals van Dale zegt, want baadje is geen verkleinwoord. Afgaande op een, mijns inziens, geheel verkeerde etymologie, schreven Weiland, de „Woordenlijst” van de Vries en te Winkel en de eerste uitgaven van het „Nieuw Woordenboek der Ned. taal” van van Dale allen baaitje. Vreemder nog is het dat Franck de goede spelling met de slechte afleiding verbindt. „Baadje”, schrijft hij, „minder juist voor baatje, een door syncope der i gewijzigden vorm van baaitje, wambuis van baai of andere grove stof, het verkleinwoord van baai (wollen stof); vgl. katoentje van katoen”. In Manhave's nieuwe uitgave van van Dale leest men terecht: „Baadje. Vroeger schreef men verkeerdelijk baaitje. Het woord komt niet van baai, zooals men vroeger meende, maar is aan het Maleisch ontleend”. Ik heb dezelfde meening reeds voorgestaan in mijne aankondiging van Dozy's „Oosterlingen” in „de Gids” en ben er sedert steeds meer in bevestigd. Ja ik zou durven verklaren, dat indien er één woord in onze taal is waarvan de afkomst uit het Maleisch zeker is te achten, dat wel baadje moet zijn, en dat dit aan onze lexicographen bij eenige meerdere bekendheid met den Maleischen taalstam en met de literatuur over Ned.-Indië zeker niet zou zijn ontgaan. Zij zouden dan geweten hebben, dat bij de volken van Insulinde algemeen een kleedingstuk in gebruik is, dat in het Javaansch, Maleisch, Makassaarsch(16), Bataksch en Dajaksch den naam van badjoe draagt; dat dit bestaat uit een wijd, loshangend, tot op de heupen reikend buis, om den hals sluitend met een opstaanden kraag, en met ruime mouwen die slechts tot even over den elboog reiken; dat er echter eenige verscheidenheden in den vorm voorkomen, die zich door bijzondere namen onderscheiden; dat de stof doorgaans wit of blauw gestreept katoen, in sommige gevallen ook laken, fluweel of zijde is; en dat de naam van dit kleedingstuk ook bij de Nederlanders in Indië algemeen in gebruik is, en door hen baadje of baatje wordt uitgesproken. Bij oudere schrijvers vindt men nog wel den oorspronkelijken vorm badjoe (b. v. Valentijn, VI, 1, bl. 54: „die wat meer van staat zijn dragen wel een zijde of ander fraai wambuis of badjoe”); maar die vorm is allengs in baadje overgegaan (b. v. van Rees, „Toontje Poland”, I, bl. 19: „slavenmeiden met korte en halfopen baadjes”). En daar de dj (eigenlijk eene enkele letter, die aan de djim of djô van het Maleisch-Javaansche alfabet beantwoordt) door ons in d–j wordt opgelost, de d dus sluitletter eener lettergreep wordt, en als zoodanig in het Hollandsch (dat b. v. laadje, naadje evenzoo uitspreekt als maatje, staatje) de waarde van t krijgt, wordt dit baadje ook dikwijls door baatje vervangen (zooals bij Gevers Deynoot, „Herinneringen”, bl. 57: „mannen en vrouwen... in ligtkleurige katoenen baatjes”). Ja zelfs den vorm baaitje vindt men bij sommige onzer oudere Indische schrijvers, b. v. Canter Visscher, „Malabaarsche brieven”, bl. 46: „daarover hebben zij een baaitje van fijn lijnwaad”. Maar dat het woord ook in deze schrijfwijze in geen verband met baai staat, wat gelijk ieder weet een wollen stof is, blijkt reeds daaruit, dat alsdan een baaitje van lijnwaad een contradictio in terminis zou wezen. Dit baaitje wijst, zooals het mij toeschijnt, slechts op eene zekere eigenaardigheid van uitspraak, zooals men ook wel laaitje(17) hoort, en is verder van geen gewicht.
Schippers en matrozen dragen niet zelden een baadje, en het is zeer mogelijk dat door hen vooral zoowel de snit als de naam van dit kleedingstuk uit Indië is overgebracht. De meeste Maleische woorden in onze taal danken wij aan de zeelieden. Maar ik geloof, dat men zich vergist, wanneer men meent dat het matrozenbaadje gewoonlijk van baai is gemaakt. Bedrieg ik mij niet, dan geldt dit veel meer van den boezeroen, waarover het baadje vaak wordt aangeschoten. Is dit juist, dan vervalt zelfs de mogelijkheid om baadje van baai af te leiden. Ook heeft men de opmerking gemaakt, dat, indien baadje eigenlijk een verkleinvorm van baai was, men in die Nederlandsche gewesten die het verkleinwoord met ke vormen, baaike zou moeten zeggen, welke vorm echter geheel onbekend schijnt.
(16) 't Boegineesch heeft wadjoe.
(17) Laaitje is eigenlijk het deminutief van laai, een nieuwen vorm uit lade ontstaan, door de verweeking der d tot j (als in goeje of goeije voor goede, dooien of dooijen voor dooden enz.), evenals kaai uit kade. Baaitje verkeert dus niet in geheel hetzelfde geval als laaitje en kaaitje; mijne meening is slechts dat het door analogie met deze vormen ontstaan is.
Pampoesjes zijn onder onze varensgasten eene soort van schoenen van zeildoek, die men b. v. te Amsterdam in de winkels van scheepsbehoeften ziet uitgestald. Dit woord doet ons denken aan het Jav. pampoes, schoenen zonder hakken of met lage hakken, vervaardigd van stof of zacht leer. Volgens eene lijst van vreemde woorden in het Maleisch der Minahassa, door den heer de Clercq, voorkomende in het „Tijdschr. voor Ned.-Indië”, Jg. 1870, D. I, bl. 364, beteekent pampoes in de Minahassa pantoffels of damesschoenen.
Het pampoesjes onzer varensgasten, waarmede men ook nog het Eng. pumps voor dansschoenen kan vergelijken, kan zeer wel aan het Javaansche pampoes, waarmede het de m vóór de p gemeen heeft, ontleend zijn, maar stellig is dit pampoes afkomstig van het Perzische papoesj, door de Arabieren baboesj uitgesproken, en waarvan de Franschen babouche hebben gemaakt. De ingevoegde m is van denzelfden aard als die in Amfioen. Zie op dat woord.
De papoesjes der Oosterlingen worden in de „Reizen van Cornelis de Bruyn door de voornaamste deelen van Klein-Asia”, enz., bl. 95, aldus beschreven: „Als een goed Musulman aan de reinigingen voldaan heeft, moet hij met nedergeslagen gezicht tempelwaarts gaan, en, gedenkende wat eerbiedigheid hij aan die plaats schuldig is, zijne schoenen aan de deur uittrekken, weshalven de Oosterlingen, dewijl zij er zoo menigmaal daags toe gehouden zijn, een zoort van schoenen hebben uitgevonden, bekwaam om 'er zonder het lighaam eens te buigen of 'er het behulp der handen toe van nooden te hebben, met gemak te kunnen uittreden. Zij noemen ze Pabouches(18) en [deze] mogen eer voor een slag van pantoffels of muilen, als voor schoenen te boek gesteld worden. De kleur is verscheiden, geel, rood, paars, swart, enz. De Turken en Franken draagen ze gemeenlijk geel, d'Armeniërs rood, de Grieken paars en de Jooden swart, maar niemand van alle deze natiën vermag ze, zolang als ze in het gebied van den Grooten Heer woonen, groen te draagen, gelijk al de wereld in Perziën mag doen. 't Zou een Christen, die in Turkije woonde, tot een misdaad gerekend worden, een koleur aan de voeten te draagen, welke bij de Mahometaanen door de genegentheid welke hun Propheet tot deselve had, voor heilig werd gehouden.” Elders, bl. 131, voegt de Bruyn er nog bij, dat de Pabouches „bijna van maaksel als muilen zijn, de hiel met het overige der zool gelijk, doch beslagen met een halfrond ijzertje van gedaante als een hoefijzer.”
Dozy, „Dict. détaillé des noms des vêtements”, etc. heeft een aantal plaatsen van reizigers in het Oosten over de baboesjes bijeengebracht, maar de beschrijving bij de Bruyn is hem ontgaan.
(18) Deze spelling is blijkens het voorgaande onnauwkeurig; maar juist zoo wordt ook het woord geschreven door Sir Walter Scott, „St. Ronans well,” chapt. XXX.
„Slendangs”, zegt van Dale „Nieuw Ned. Woordenb.” op het woord, „zekere geweven stof”. Klaarblijkelijk kent hij het woord slechts van prijscouranten van fabrieken of dergelijke stukken, en kon dus voor eene bijzondere stof houden wat eigenlijk een bijzondere soort van kleedingstuk is. Men zou meenen dat de slendang of selendang genoeg bekend is door het gebruik dat onze uit Indië gekomen dames en hare bedienden er maken, en door de veelvuldige vermelding in alle geschriften uit en over Ned.-Indië, om althans eene juiste opgave der beteekenis te waarborgen. De inlandsche vrouwen dragen den slendang als sieraad (of ook om er een kind of iets anders in meê te voeren) over hunne overige kleedingstukken. Het is een lange, smal opgevouwen, veelal gebatikte(19) doek, die, dubbel toegeslagen, zoo over de schouders wordt gelegd, dat aan de rechterzijde de beide slippen lang van voren afhangen. Soms wordt ook de slendang over het hoofd gedragen. Het woord is aan het Maleisch en Javaansch gemeen.
Guingamp, eene kleine Fransche stad in Bretagne (Dep. Côtes du Nord), is sedert lang bekend door hare weverijen. In het Aardrijkskundig Woordenboek van Kramers lezen wij, dat zij fabrieken heeft van gingang, linnen en garen, en volgens den „Dictionnaire” van Littré, is de oorsprong van het woord gingang (ginggang), in het Fransch guingan geschreven, in den naam dezer stad te zoeken. Hier is op taalkundige gronden niets tegen in te brengen. Bekend is het dat vele fabrikaten, door verkorte spreekwijze, eenvoudig den naam dragen van de plaatsen, waarvan zij afkomstig zijn. Zoo spreekt men van Manchester, Oxford, Florence, Orleans, Valenciennes, Nankin enz., om de van die plaatsen afkomstige stoffen aan te duiden.
Desniettemin wordt door vele schrijvers gingang (of ginggang) als een product der Aziatische weefgetouwen beschouwd. Van Dale's „Nieuw Ned. Wdbk.” en Kramers en Bonte „Kunstwoordentolk”, toonen door hunne verwijzing naar een Maleisch of Javaansch woord ginggang, dat in die talen gestreept zou beduiden, dat zij den oorsprong in den Indischen Archipel zoeken. Naar den vorm (reduplicatie met veranderden klinker) kan zeker ginggang zeer wel een Javaansch of Maleisch woord zijn, ja het komt in het Javaansch voor met de beteekenis van afwijken, uiteengaan, waarvan men desnoods die van gescheiden zijn of uiteenstaan, zooals strepen van zekere kleur die door een andere kleur gescheiden worden, zou kunnen afleiden. Evenwel wordt die wijziging der beteekenis van ginggang, zoover ik weet, door geen enkel woordenboek van de Javaansche en verwante talen bevestigd. In het „Jav. Handwdbk.” van Prof. Roorda wordt ginggang genoemd: „een soort van gestreept of geruit Oostindisch lijnwaad, geen Javaansch fabrikaat”, terwijl in de jongste uitgaaf Prof. Vreede ten overvloede herinnert, dat de Javaansche gestreepte lijnwaden loerik heeten. In het „Soendaasch Wdbk.” van den heer Oosting lezen wij op ginggang: „benaming van een soort van geruit of gestreept goed, dat op Java wordt ingevoerd.” In Klinkert's „Supplement op het Maleisch-Ned. Wdbk.” van Dr. Pijnappel lezen wij op ginggang: „geruit hessen- of kielengoed. Op Riouw tjélé, doch ginggang wordt ook verstaan.” Dat men op Riouw, het centrum als het ware der Maleischsprekende bevolkingen van Insulinde, ginggang ternauwernood verstaat, begunstigt stellig niet de meening dat het een echt Maleisch woord zou zijn.
Ik moet nog opmerken, dat de aangehaalde plaatsen volstrekt niet pleiten voor de bewering dat ginggang eigenlijk gestreept goed zou wezen. Het wordt nu eens gestreept of geruit, dan eens bepaaldelijk geruit goed genoemd. Hierbij mag evenwel aan den anderen kant niet verzwegen worden, dat in de katoennijverheid soms een onderscheid tusschen ginggang of gingham (den Engelschen vorm van het woord) en tjélé wordt gemaakt, en dat, waar dit in acht wordt genomen, werkelijk ginggang de gestreepte en tjélé de geruite stof aanduidt. De heer Ekker (firma T. C. Stork te Hengelo) schrijft mij: „Voor Makassar en de Molukken wordt de stof steeds bij ons aangevraagd onder den naam gingham, wanneer zij gestreept, onder dien van tjélee of cotonnetten, als zij geruit moet zijn. De eigenlijke beteekenis van gingham zal dus naar mijn inzien gestreept weefsel zijn. Ook voor Engelsch-Indië wordt bij ons gestreept goed onder den naam van gingham aangevraagd, geruit daarentegen onder dien van checks.” Men begrijpt hieruit hoe de meening ontstaan is dat ginggang bepaaldelijk gestreept zou beteekenen. Inderdaad schijnen echter de woorden ginggang en tjélé synoniem te zijn en het onderscheid tusschen beide gemaakt slechts op een handelsusantie te berusten.
Er kan na al het gezegde weinig twijfel zijn, of ginggang en tjélé zijn in den Indischen Archipel oorspronkelijk uitheemsche namen voor uit den vreemde ingevoerde goederen. Wij zullen dus de meening moeten opgeven, dat ginggang eigenlijk een Maleisch of Javaansch woord is. Dit maakt echter de afkomst uit het Fransch wel waarschijnlijker, maar nog geenszins zeker. Wij zagen reeds dat de ontkenning dat ginggang een Javaansch fabrikaat is, niet buitensluit, dat het toch van Indischen oorsprong, namelijk van het vasteland van Indië (of van Ceilon) afkomstig kan zijn. En dit wordt zeer aanbevolen door de volgende door Littré aangehaalde plaats uit de „Histoire philosophique des Deux-Indes” van Raynal (het eerst in 1771 uitgegeven): „Une centaine de balles de mouchoirs, de pagnes et de guingans d'un très-beau rouge, que les Malabares fabriquent à Gaffanapatnam(20), où ils sont établis depuis très-longtemps.”
Nauwkeurig bezien is zelfs deze plaats den aanspraken van Guingamp op de eerste productie der ginggangs en het geven van zijn naam aan die stof zeer vijandig. In den tijd waarin Raynal dit schreef werd nog Europa door de Engelsche en Nederlandsche O.-I. Comp. op groote schaal van de schoone voortbrengselen der Indische weefgetouwen voorzien, en begon de Europeesche katoennijverheid pas hare vleugelen uit te slaan. Ofschoon thans de namen van vele in Europa vervaardigde stoffen algemeen in Indië bekend zijn, is het moeilijk te gelooven, dat reeds vóór 1770 zulk een naam in de inlandsche talen aldaar het burgerrecht heeft erlangd.(21)
Ik geloof derhalve niet dat ginggang iets met Guingamp te maken heeft, maar acht de overeenkomst der beide namen bloot toevallig. Littré zegt ook niet uitdrukkelijk, dat te Guingamp ginggans gemaakt worden, maar slechts in het algemeen dat er „fabriques de tissus” bestaan, en wanneer anderen nu daarvan bepaald ginggang-fabrieken maken, is het wellicht alleen een besluit uit den eenmaal aangenomen samenhang van ginggang en Guingamp getrokken.
Bepaald en duidelijk te zeggen wat eigenlijk ginggang is, of door welke kenmerken het zich onderscheidt, is zeer moeilijk. Alle voortbrengselen der nijverheid zijn aan gedurige wijziging, namaak in geringer qualiteit of vervalsching onderhevig, terwijl de naam alleen blijft. Dat alles wat men later ginggang heeft genoemd of nog dien naam draagt, volkomen aan het oorspronkelijk dus genoemde fabrikaat gelijk is, zal zeker niemand durven beweren. Volgens het „Nederlandsch Handelsmagazijn” (Amsterdam, Diederichs, 1843) zijn de gingans, ginggans of ginghams bontgestreepte of bontgeruite geweven stoffen, nu eens geheel uit linnen of katoenen garens, dan eens uit katoen gemengd hetzij met linnen, hetzij met zijde, hetzij met schors vervaardigd. Terwijl vroeger de ginggangs, zoo ik meen, steeds als zeer fijne weefsels genoemd werden, verzekert mij de heer Ekker dat zij thans geweven worden in verschillende, grove zoowel als fijne, qualiteiten. Zij schijnen zelfs gewoonlijk van grover qualiteit te zijn, want terwijl de heer Klinkert, zooals wij zagen, ze hessen- of kielengoed noemt, schrijft mij de heer Ekker, dat zij voornamelijk gebruikt worden voor arbeidersbroeken of -baadjes.
Vervolgens moet ik nog opmerken dat in den manufactuurhandel, de artikelen niet enkel genoemd en onderscheiden worden naar de grondstof, de kleur, het patroon, den aard en de fijnheid van het weefsel, maar ook nog naar de wijze van opmaken of verpakken. Saroengs, kain-pandjangs, slendangs, zijn, onafhankelijk van alle andere omstandigheden, in den manufactuurhandel lappen of doeken die op een bepaalde maat geweven zijn, en wel zoo dat ze juist de grootte en den vorm hebben die voor een saroeng, een kain-pandjang, een slendang vereischt wordt, terwijl ze verhandeld worden per corge(22), d. i. per pak dat 20 doeken bevat. Daarentegen behooren de ginggangs tot de zoogenoemde stukgoederen; zij zijn aan één stuk geweven tot eene lengte van 12 tot 24 yards, bij eene breedte van 24 tot 36 inches, waarvan men afsnijdt naarmate van de behoefte.
De Engelsche vorm gingham, waarvan men zich in den katoenhandel gewoonlijk bedient, zoowel als de gebruikelijke opgave van lengte en breedte in Engelsche maat, bewijzen dat onze inlandsche ginggang-fabrikatie, ofschoon een belangrijke tak van onze katoen-nijverheid, op Engelschen grondslag rust en zich naar Engelsche voorbeelden moet richten. Ik geloof echter dat, waar men niet door handelsusantiën gedwongen is, de schrijfwijze die in het Maleisch, Javaansch en Soendaasch wordt gebezigd, nam. ginggang, voor ons de beste is te achten.
Ofschoon dit artikel omtrent den oorsprong en de rechte schrijfwijze van den naam tot geene zekerheid leidt, mag ik het toch niet eindigen zonder mijn dank te betuigen aan de heeren F. Driessen te Leiden en H. J. Ekker te Hengelo voor de mij zoo welwillend verschafte inlichtingen.
(20) D. i. Jafnapatnam op Ceilon, door Malabaren van de kust van Hindostan gekoloniseerd.
(21) Het zou mij niet verwonderen, dat bij opzettelijke nasporingen wel meer sporen van den hoogeren ouderdom van het woord ginggang zouden gevonden worden. Het zijn toevallige vonden, geen vruchten van systematisch onderzoek, die ik in deze artikelen den lezer aanbied.
(22) De oorsprong van dit woord corge is te onzeker om er iets van te zeggen.
Gevormd van het Javaansche batik, op de wijze die reeds in art. Soebatten werd ter sprake gebracht. Batik beteekent in het Javaansch met figuren beteekende of beschilderde (gebatikte) katoenen stof, in tegenstelling met de uit gekleurde draden in ruiten of strepen gewevene. De gebatikte stoffen nemen dus in de inlandsche katoen-industrie de plaats in onzer gedrukte katoenen, maar de wijze waarop ze vervaardigd worden is oneindig veel omslachtiger en kostbaarder. Het geschiedt niet in fabrieken, maar behoort tot den huiselijken arbeid der Javaansche vrouwen. (Van Rees, „Herinneringen”, II, bl. 85: „Is dat werk verricht, dan zet zij zich nevens haar man, om uit te rusten, een oud kleed te herstellen of een nieuw te batikken.”) Elke gebatikte doek wordt afzonderlijk uit de hand bewerkt, door eerst de omtrekken van het patroon aan te geven, en daarna de verschillende kleuren ieder afzonderlijk op het doek te brengen, eenigermate op de wijze onzer chromolithographie. Gelijk bij deze de vereischte teekening wordt verkregen door achtereenvolgens afdrukken van even zoovele met kleuren beteekende steenen als er kleuren in de plaat moeten voorkomen, zoo geschiedt dit bij het batikken door achtereenvolgende indompeling van het weefsel in elk van de kleurstoffen, door wier samenstelling de voorgenomen teekening wordt gevormd. Natuurlijk moet gezorgd worden, dat bij elke dier indompelingen slechts die gedeelten van het doek met de verfstof in aanraking komen, die hare kleur moeten aannemen. Deze uitkomst wordt verkregen door vóór elke indompeling het doek in al die deelen, waarop de kleurstof die aan de beurt is niet mag inwerken, aan beide zijden met een mengsel van was en hars te bedekken. Deze bewerking, die schrijven of teekenen (serat) wordt genoemd, wordt verricht met een scheppertje met langen tuit, bevestigd in een bamboe, die als een schrijfpen in de hand wordt gehouden. Door dit tuitje laat de batikster het kokend mengsel op het doek vloeien dat vóór haar op een raam is uitgespannen. Daar deze bewerking voor iedere kleur moet herhaald worden, is het gemakkelijk na te gaan, hoeveel tijd en geduld voor het batikken, vooral bij meer samengestelde patronen, gevorderd wordt. Wie de bewerking, die ik hier slechts in vluchtige omtrekken mocht schetsen, meer in bijzonderheden wenscht te leeren kennen, kan zijn weetlust bevredigen door de raadpleging der geschriften van den heer van Musschenbroek, den grooten kenner der inlandsche nijverheid van Insulinde. Zie zijn werkje „Iets over de inlandsche wijze van katoenverwen op Midden-Java”, (Leiden 1878) en zijne inleiding op Groep II, 10e klasse, G. Nijverheid, in den Catalogus der Ned. Kol. Afd. van de Amst. Tentoonstelling 1883, bl. 228, v. v.
De Europeesche nijverheid heeft door de gewone procédé's van het katoendrukken de gebatikte stoffen zoo goed mogelijk nagebootst, maar ofschoon het haar, wat de patronen betreft, gelukt is den inlandschen smaak vrij wel te bevredigen, baart de fabriekmatige bewerking eene stijfheid en hardheid der omtrekken, die den Javaan dadelijk den vreemden oorsprong doet erkennen en zijne voorkeur voor de lossere teekening en zachter uitvloeiende kleuren van het werk der inlandsche vrouwen in stand houdt. Alleen de geringe prijs heeft aan de batik tiron, de nagemaakte batik, ingang verschaft en zelfs de Javanen genoopt, op hunne beurt, pogingen aan te wenden om de Europeesche gedrukte stoffen met gebrekkige hulpmiddelen na te bootsen. Zie mijn „Java”, D. I, bl. 541.
Een merkwaardig Nederlandsch-Indisch woord, dat uit het Hollandsche oor en het tot krab afgekorte Maleische kraboe is samengesteld. Men gebruikt ook den verkleinvorm oorkrabbetje. Het gewone oorsieraad der Maleische en Javaansche vrouwen, in laag-Javaansch of Ngoko Soeweng, in hoog-Jav. of Krômô Sengkang geheeten, is geen ring noch aan een ring gehangen, maar bestaat uit een spil of schroef, die sluit in een vrij groot in de oorlel gemaakt gat, waarin aan de voorzijde de knop of schijf, die het eigenlijke pronkstuk vormt, wordt bevestigd, terwijl een plaatje of moer, aan de achterzijde aangebracht, het uitvallen verhindert.
Men onderscheidt vele soorten van oorkrabben, die in de inlandsche talen ieder haar eigen naam hebben. Zij verschillen in grootte, vorm, materiaal en versiering. De grootste worden gedragen op Sumatra, waar eene soort voorkomt waarvan de schijf dikwijls een middellijn heeft van elf centimeter en de wangen geheel bedekt. Zie wat de Sumatraansche oorsieraden betreft, „Midden-Sumatra”, III, Volksbeschrijving, bl. 8 v., 17 v. en Pl. XX–XXII van den Atlas. Van de Javaansche oorkrabben vindt men de nauwkeurigste beschrijving bij Poensen, „Iets over de kleeding der Javanen”, in „Mededeelingen van wege het Ned. Zendelinggenootschap”, D. XXI, bl. 15, waaraan ik de volgende plaats ontleen: „De oorkrabben kunnen soms vrij kostbare voorwerpen zijn; doch men ziet ze ook dragen, die van luttel waarde zijn. Men draagt ze van goud en zilver, met edelgesteenten, van been, hout, koper, enz. Het plaatje van goud enz. in den knop van een oorkrab, daar het rosetje van juweelen op vastgemaakt wordt, heet djadam; vandaar soewĕng-djadam, d. i. een oorkrab met een djadam.”
Dit woord was door Engelmann opgenomen in de eerste uitgave van het „Glossaire des mots Espagnols et Portugais dérivés de l'Arabe”, maar zonder andere verklaring dan: „espèce de guarance, rubia seca”, en voorts met een vraagteeken er achter, omdat hij den oorsprong niet kende. Prof. Dozy voegde hieraan in de tweede uitgave niets toe, maar nam in zijn „Oosterlingen” Alizariwortel op, met de opmerking dat ook hem de oorsprong van alizari onbekend was; dat het woord er wel-is-waar Arabisch uitzag, maar dat in het Arabisch de meekrap andere namen heeft. Prof. Land slaat in den „Nederl. Spectator”, 1867, voor, alizari te beschouwen als samengesteld uit het Arabisch lidwoord al en eene verbastering van het Grieksche isatis, welk woord wel-is-waar niet de beteekenis had van meekrap, maar de wouw (isatis tinctoria L.) aanduidde, doch, zegt hij, lichtelijk bij vergissing op eene andere verfplant kan zijn overgedragen, zooals dat meermalen met oud-Grieksche plantennamen is gebeurd. Zeer aannemelijk is die verklaring zeker niet. Al wil men over het verschil in beteekenis en de verbinding van een Grieksch naamwoord met het Arabisch lidwoord heenstappen, dan blijft nog als grootste struikelblok de verwisseling van t met r over, die zelfs als verbastering bezwaarlijk kan worden aangenomen. Veel waarschijnlijker is de verklaring van Marcel Devic in zijn „Dictionnaire étymologique des mots d'origine orientale”, geplaatst achter het Supplement op den „Dictionnaire de la langue Française” van Littré. Volgens dien schrijver is alizari samengesteld uit het Arab. lidw. en het eveneens Arabische ʾaçárah [waarschijnlijk ook wel ʾiçarah uitgesproken], welk woord, van den wortel ʾaçara, persen, afgeleid, alle uitgeperste plantensappen aanduidt (vgl. de Sacy, „Chrestomatie Arabe”, 2e ed., T. III, p. 451). Devic geeft een voorbeeld, waarin het gebruikt wordt van de kleurstof der pastel of weede, en toont ook aan dat in den handel de Levantsche meekrap azala of izari (d. i. dus alizari zonder het lidw.) genoemd werd. De letter çad van het Arabische alfabet gaat in de talen van Zuid-Europa gewoonlijk in z over. (Zie Engelmann en Dozy, „Glossaire”, p. 18). Het is zeer denkbaar dat het handelsgebruik een woord met de algemeene beteekenis van uitgeperst plantensap allengs, bij wijze van verkorte uitdrukking, tot een bijzonder gewichtig artikel van dien aard beperkt heeft.(23)
Behalve in de toch ook niet zeer gewone samenstelling alizariwortel, is alizari in onze taal niet gebruikelijk, maar des te meer in den laatsten tijd het daarvan afgeleide alizarine. Terwijl alizari een handelsnaam van de meekrap is, verstaat men door alizarine de kleurstof die de scheikunde uit de meekrap trekt, maar die in de laatste jaren ook verkregen wordt uit steenkolenteer, eene uitvinding die aan de meekrapteelt veel afbreuk heeft gedaan. Ook wordt eene inktsoort, waarin meekrap als bestanddeel voorkomt, en die blauwgroen van kleur is, maar op het papier donkerzwart wordt, alizarine-inkt genoemd.
(23) Het schijnt mij toe, dat op soortgelijke wijze heulsap in onze taal een synoniem voor opium is geworden, ofschoon het oorspronkelijk elk sap beteekende, waarbij men heul, verzachting van smart en pijnen, vond. Ofschoon deze gissing geheel van het gewone gevoelen afwijkt, bleek mij uit een brief van den heer van der Tuuk, waarin hij ook de hasjîsj of bang een heulsap noemt, dat ik in dit gevoelen niet alleen sta.
Henna, soms met het Arabische lidwoord alhenna geschreven, is eigenlijk hetzelfde woord als kanna of alkanna, dat voornamelijk in den laatsten vorm gebruikelijk is. Het zijn verschillende wijzen van uitspraak van het Arabische woord henná of hinná, den naam van het roodachtig gele of donker oranjekleurige sap, geperst uit de bladeren eener altijd groene struik, die de botanici Lawsonia inermis of Lawsonia alba noemen. Maar ofschoon henna en alkanna in den grond hetzelfde woord zijn, verschilt het gebruik, daar het laatste slechts van een surrogaat der echte henna wordt gebezigd. De henna wordt in het Oosten algemeen door de vrouwen aangewend om de nagels en eenige andere deelen van handen en voeten te beschilderen. De wijze dezer bewerking kan men het best leeren kennen door de uitvoerige beschrijving en afbeelding in Lane's „Modern Egyptians”, 5th edit., p. 38. Hetzelfde gebruik komt ook voor in den Indischen Archipel, althans op Sumatra, waar de henna (in het Maleisch) ínei heet. Miquel, „Sumatra”, bl. 100: „Met het uitgekookte sap van de bladen van de inei of henna kleuren de inlanders de nagels van handen en voeten rood.” (Vgl. ook Filet, „Plantkundig Woordenboek”, 2e uitg., no. 1747).
Onder Alkanna (Eng. Alkanet) verstaat men de plant, eertijds Anchiusa tinctoria en Lithospermum tinctorium, thans gewoonlijk Alkanna tinctoria geheeten, en hier en daar in Midden- en Zuid-Europa gekweekt. De bruinroode kleur die zij oplevert wordt door de apothekers tot het kleuren van zalven en tincturen, door de ververs tot het nabootsen der kleuren en vlammen van rozenhout (d. i. het hout van Dalbergia nigra) en andere Zuidamerikaansche boomen, eindelijk door de wijnhandelaars als kleurmiddel bij het vervalschen van portwijn gebruikt.
Het is eenigszins bevreemdend dat Prof. Dozy aan dit woord geene plaats heeft gegeven in zijne „Oosterlingen”, daar het stellig van Semietische afkomst is, en een bekend handelsartikel aanduidt. Het echte manna is eene in kleine, gele, doorzichtige korrels voorkomende zelfstandigheid, verhard uit het taaie en zoete sap, dat uit een zekere in Arabië menigvuldig voorkomende struik, de Tamarix mannifera, vloeit, tengevolge van tallooze voor het bloote oog onzichtbare wondjes, door den steek van een insect, Coccus manniparus, teweeggebracht. Deze stof is, daargelaten het wonderbare gelegen in den verbazenden overvloed waarin ze zich voordeed tijdens de omzwervingen der Israëlieten in de woestijn van Arabia Petraea, en in de omstandigheden waaronder ze zich vertoonde, hoogstwaarschijnlijk niet verschillend van dat hemelsch brood, dat in Exodus XVI onder den naam van man wordt vermeld. Manna is daarvan de gewone vorm, gebezigd in het Arameesch dialect dat ten tijde van de opkomst des Christendoms in Palestina werd gesproken, en daarom ook, bij aanvoering van woorden in de landstaal, in het N. Testament wordt gebruikt (Joh. VI: 31, 49, 58; Hebr. IX: 4; Openb. II: 17). Het woord man beteekent in het Arabisch een geschenk, eene gave, en wanneer de Arabische schrijvers het boven beschreven manna mannoe's-samáï, d. i. gave des hemels, noemen, dan schijnen ook zij aan een wonderbaren oorsprong te denken, hetzij alleen omdat de herkomst dezer stof ook voor hen in het duister school, hetzij omdat de kennis van de wonderbare spijziging der Israëlieten in de woestijn ook tot hen was doorgedrongen. Voor dit laatste pleit de overeenkomst met de uitdrukkingen hemelsch brood en hemelsch koorn, die Ps. CV: 40 en LXXVIII: 24 worden aangetroffen. Bij de nauwe verwantschap tusschen de Hebreeuwsche en Arabische talen, is er volstrekt geen reden om bezwaar te maken, ook in het Hebreeuwsch de beteekenis van gave aan het woord manna toe te kennen. En wanneer wij dan Exod. XVI: 15 lezen, dat de Israëlieten, het manna ziende, en niet wetende wat het was, tot elkander zeiden: „man hoe,” dan is er geen reden om dit anders dan met „dit is een gave” te verklaren. Vers 31 wil dan ook zeker slechts te kennen geven, dat man, d. i. gave, sedert de naam bleef van dit van den hemel nedergedaald geschenk. Er bestaat wel eene andere verklaring van die uitdrukking man hoe, aan de Grieksche vertaling der LXX ontleend, volgens welke die woorden op vragenden toon moeten worden uitgesproken en vertaald worden: wat is dat? zoodat, tengevolge dier vraag, Wat de naam der onbekende stof zou gebleven zijn. Maar man als vragend voornaamwoord komt wel voor in de latere Aramaïseerende taal van Palestina, maar is in het echte Hebreeuwsch onbekend(24).
De naam manna is later ook aan andere soortgelijke in den handel voorkomende stoffen gegeven, zooals aan het manna van Fraxinus ornus, welks uitvloeiing mede door den steek van een insect, Cicada orni, wordt bevorderd, of dat van Hedysarum Alhagi, eene struik op wier takken en bladeren zich korrels als gekristalliseerde suiker vormen, die men tegen het najaar op ieder uur van den dag kan inzamelen. Van deze gewassen komt het eerstgenoemde vooral in Italië, het andere, behalve in Perzië, ook in Arabië voor.