(4) Welk eene zonderlinge voorstelling men zich, toen dit werk geschreven werd (1783), nog in het moederland van de Javanen en Maleiers vormde, blijkt uit het volgende. De Graaf had geschreven: „Les Mestices sont venus d'un Hollandais et d'une Moresse”. Hij had het woord Moresse, in navolging van de Portugeezen, gebruikt voor eene inlandsche vrouw, niet met het oog op hare kleur, maar van haren godsdienst (zie hierover het art. Moor). In het aangehaalde werk worden nu de woorden van de Graaf vertaald door: „Mestische zijn eindelijk diegene, welke door een blanken vader bij een pikzwarte moeder zijn geteeld”.

Kasties.

Gelijk mesties overeenkomt met het Spaansche mestizo en het Portugeesche mestiço, is het in het vorige artikel reeds een paar malen vermelde kasties gelijk aan het Spaansche castizo, en het Portugeesche castiço, afstammende van casta, waarvan ons kaste komt, waaraan vroeger reeds een artikel werd gewijd. Castizo en castiço beteekenen van goed, zuiver ras (vandaar cavallo castiço, een raspaard, een dekhengst). Het woord is dus uit zijn aard niet zeer geschikt om voor eenige soort van kleurlingen gebezigd te worden; maar vele woorden hebben nevens de absolute ook een relative beteekenis, gelijk men b. v. vele zaken wit noemt die in het geheel niet zuiver wit zijn, maar relatief wit in vergelijking met andere. Te Goa, de hoofdstad der Portugeesche bezittingen in Indië, noemt men kastiezen, niet te onrecht, in tegenstelling met de personen van gemengde afkomst, degenen die, hoewel in de koloniën geboren, toch van zuiver Europeesch ras zijn, daar beide ouders daartoe behooren (dus Creolen in den meest gewonen zin). Maar in de Nederlandsche Koloniën heeft men die klasse van kleurlingen kastiezen, genoemd die, door herhaalde kruising met blanken, reeds zoozeer tot de volkomen blanken naderen, dat, wanneer nog ééne kruising met blank bloed plaats heeft, de carnatie der kinderen niet meer van die der Europeanen te onderscheiden is. Zoo zegt Valentijn, II, 1, bl. 256: „de kinderen van een mixstice en een Hollander noemt men poestiçen, en de kinderen van een poestiçe en een Hollander castiçen, die bijna zoo blank als een Hollander zijn, en na welke men de kinderen, uit de volgende huwelijken voortkomende, weer onder de Hollandsche telt.” Hiermede stemt overeen N. de Graaf, op de plaats in het art. Mesties aangehaald, behalve dat hij de poestiezen overslaat, die door Valentijn tusschen de mestiezen en de kastiezen zijn ingeschoven. Waarschijnlijk heeft hij die onder de mestiezen medegerekend.

In Nederlandsch West-Indië, waar men ook met mesties wel een weinig in de war schijnt te zijn, is de beteekenis van kasties geheel miskend. Zoowel volgens van Sijpesteyn als volgens Dr. Dumontier (zie de plaatsen aangehaald in het art. Mesties) staan de poestiezen niet, gelijk bij Valentijn tusschen de mestiezen en de kastiezen, maar nog achter deze laatsten, als afstammelingen van een blanken vader met een kastiezin, en volgens Dumontier bestaat er zelfs nog een lichtere graad van kleurlingen dan de poestiezen, namelijk de testiezen, gesproten uit een blanken vader met eene poestizin en omgekeerd. Maar wanneer er nog twee graden tusschen een kasties en een blanke staan, heeft eerstgenoemde, dunkt mij, nog weinig recht om zelfs in betrekkelijken zin een persoon van zuiver ras genoemd te worden.

Ik kan in geen enkele taal behalve de onze een spoor vinden van die woorden poesties en testies. Hun oorsprong is mij onbekend en de oe in het eerstgenoemde woord is iets zoo eigenaardig Hollandsch, dat ik nauwelijks de gedachte onderdrukken kan, dat wij hier met door de Nederlanders naar de analogie van mesties en kasties gevormde kunstwoorden te doen hebben.

Onder de namen voor soorten van kleurlingen vind ik ook nog Terceronen en Quarteronen of Quadronen. Deze namen hebben het voordeel dat zij door hun vorm zelf den graad van bloedmenging aanduiden; maar wanneer ik nu als verklaring van Terceroon vind opgegeven: afstammeling van een Europeaan en eene mulattin, en van Quarteroon: afstammeling van een Europeaan en van een terceronin of mesties (Kramer's „Algemeene Kunstwoordentolk”, 4e druk, in v. v. quart en tercero), dan weet ik weer niet waar mij aan te houden, daar mesties òf kleurling in het algemeen, òf, volgens speciaal Spaansch gebruik, een afstammeling van een blanke met een Indiaansche, òf eindelijk, volgens Dr. Dumontier, juist zelfs een afstammeling van een Europeaan en een mulattin (dus hetzelfde als volgens de hier gegeven verklaring terceroon) beteekent. In het belang der anthropologie wordt eene vaststelling van den zin dezer verschillende benamingen dringend gevorderd.

Karboeger.

Een bijzondere soort van kleurlingen wordt in Suriname door den naam van Karboeger aangeduid. Eigenlijk zijn de Karboegers een stam van Indianen, die de oevers der Tebiti-rivier, een zijtak van de Coppename, bewoont. Deze Karboeger-Indianen onderscheiden zich van andere Indiaansche stammen door een donkerder huidkleur en gekroesd haar. Zij zijn blijkbaar een gekruist ras, en men beweert dat zij afstammen van Caraïben, die van een gestrand schip de mannen gedood en de vrouwen weggevoerd hebben. Te Paramaribo geeft men den naam van Karboegers aan kinderen van negers en mulattinnen of negerinnen en mulatten, die dus drie vierden negerbloed hebben en een terugtred tot het zuiver zwarte ras maken. Zij heeten waarschijnlijk zoo omdat hunne carnatie het meest met die der Karboeger-Indianen overeenkomt. Zie over hen van Sijpesteyn, „Beschrijving van Suriname”, bl. 161, en Dr. Dumontier in „Catalogus der Ned. Koloniale afd. van de Amsterdamsche tentoonstelling van 1883”, Groep I, bl. 151.

Liplap.

Naam die vooral op Java, misschien ook elders in Nederlandsch-Indië, gegeven wordt aan eene zekere klasse van personen, in hoofdzaak afstammende van de Portugeezen die tijdens de verovering der bezittingen van Portugal door de Ned. O.-I. Compagnie in hare nederzettingen gevestigd bleven en de Hervormde kerkleer aannamen, en te wier behoeve te Batavia en elders langen tijd in de Portugeesche taal werd gepredikt, totdat deze schier geheel door de Maleische verdrongen was. Ofschoon van Europeanen, althans Europeesche vaders, die vóór twee à drie eeuwen leefden, afstammende, moeten zij echter, wegens de sterke inmenging van inlandsch bloed, als kleurlingen beschouwd worden. Doorgaans onder elkander huwende of zich weder met inlandsche vrouwen verbindende, leven zij schier geheel gescheiden van de Europeanen of kleurlingen van nieuweren oorsprong, en vormen bijna een eigen ras, dat een mengelmoes van Maleisch en Hollandsch van de slechtste soort als taal heeft aangenomen, eigenaardige gewoonten volgt en zich, tengevolge van grove verwaarloozing, veelal door groote stompzinnigheid en onkunde onderscheidt.

„Geplaatst”, zegt van Rees, „Herinneringen uit de loopbaan van een Indisch officier”, 3e druk, 1e serie, bl. 239, „tusschen Europeanen, die zich niet met hunne vorming bemoeien, en inlanders, waarmede zij zich niet willen afgeven, blijven zij op een lagen trap van ontwikkeling staan”. Beide seksen zijn bijzonder keurig op hunne kleeding, die bij de mannen, signo's geheeten, zeer nauwsluitend en stijf is, maar bij de vrouwen, die nonna's genaamd worden, en er in hare jeugd dikwijls allerliefst uitzien, zich door bevalligheid en goeden smaak onderscheidt. De mannen schrijven doorgaans eene fraaie hand, en worden dus dikwijls als kopiïsten gebezigd, maar begrijpen vaak zoo weinig van hetgeen zij schrijven, dat hunne kopiën van fouten wemelen; de vrouwen zijn vaardig in handwerken, hebben eenigen aanleg voor muziek en zijn hartstochtelijke danseressen.

De naam liplappen dien men hun geeft, en die ook wel, misschien beter, liblabben geschreven wordt, is uit geene bekende taal te verklaren, of men moest er, met sommigen op Sumatra's Westkust, het Bataksche liplip in vinden, hetwelk beteekent: iemand als zijn bloedverwant verloochenen, omdat men zijne schulden niet wil betalen. Zie v. d. Tuuk, Bataksch Wdbk., bl. 484. Deze verklaring is echter geheel onaannemelijk; behalve dat de beteekenis in het geheel niet past, was de naam van Liplap reeds te Batavia in gebruik, toen men er zelfs den naam der Bataks te nauwernood kende. Liplap schijnt mij een komisch, willekeurig gevormd woord te zijn, op de wijze van mikmak en dergelijke,—een spotwoord dat, eenigszins geluidnabootsend, op de hoogst gebrekkige en belachelijke taal dezer klasse van kleurlingen wijst.

In de beruchte „Relation de la ville de Batavia”, als aanhangsel gevoegd bij de „Voyages aux Indes Orientales” van Nic. de Graaf, komt, bl. 291, eene plaats voor over de vrouwen te Batavia, waarin van de Hollandoises-Indiennes, dat zijn de in Indië uit Europeesche ouders geborene meisjes, gezegd wordt: „on les appelle ordinairement les Enfants Liblabs; la plus part de celles-ci ont, a ce qu'on dit, le timbre un peu felé”. Ik weet niet recht wat ik van deze woorden maken moet. Is de naam Liblab in de Graaf's tijd (omstreeks 1720) de speciale naam geweest der in Indië uit Europeesche ouders geboren vrouwen, of schuilt er iets bijzonders in dat Enfants Liblabs? Dat destijds de toon der Bataviasche Maatschappij uitermate slecht was, dat ook Europeesche ouders de opvoeding hunner kinderen schandelijk verwaarloosden, ze vaak geheel aan slaven overlieten en zelfs niet zorgden, dat zij de Nederlandsche taal leerden, en dat de dochters zich in reine zeden en beschaafde manieren vaak weinig boven de Liplapsche dames verhieven, zijn zeker maar al te bekende zaken; maar dit is toch de eenige plaats die mij ooit is voorgekomen, waarin dames van onvermengd Europeesch bloed, in weerwil van, ja men zou zeggen juist om hare zuiver Europeesche afkomst, Liplappen, of eigenlijk, wat nog vreemder is, Liplapsche kinderen worden genoemd. Wie tegenwoordig het wagen mocht eene dame van zuiver Europeesch bloed, die gewoonlijk te Batavia zelve al de voordeelen eener Europeesche opvoeding heeft genoten en in niets bij hare zusters in het vaderland achterstaat, eene Liplap of een Liplapsch kind te noemen, zou haar eene grove en waarschijnlijk geheel onverdiende beleediging toevoegen.

Wetanger.

In de „Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned.-Indië”, N. V., D. I, wordt, in een rapport over den staat van Bantam in 1786, op bl. 147 gewag gemaakt van Wettangers of Compagnies-onderhoorigen. De Redactie tracht dit woord in eene noot te verklaren, en noemt het „een bastaardwoord ontleend aan Wettang (wetan), het Oosten, zoodat Wettangers „menschen uit het Oosten” zou beteekenen”. Die verklaring is echter zeer onvoldoende. Waar komen die Oosterlingen van daan? Waarom wordt in een land, waar Makassaren, Boegineezen, Timoreezen, Alfoeren, Papoea's en ik weet niet hoevele stammen meer, terecht „Oosterlingen” kunnen genoemd worden, die naam in het bijzonder geschonken aan een klein deel der bevolking, dat er bezwaarlijk een speciaal recht op hebben kon?

Wij weten thans beter wat in den tijd der Compagnie de Wettangers of liever Wetangers waren, uit het „Resumé van het onderzoek naar de rechten van den Inlander op den grond in Bantam”, bl. 3. Ziehier wat wij daar lezen: „Zij waren tot zekere straffen veroordeeld en gehouden tegen de zeeroovers en ander kwaad volk in straat Soenda en langs de kusten te kruisen, omtrent de schepen te rapporteeren en andere zware diensten te doen, hetgeen ten gevolge had dat velen zich daaraan onttrokken, door zich in de bovenlanden te vestigen. Zij waren verplicht nabij St. Nikolaaspunt te wonen.”

De toestand dezer Wetangers schijnt mij verklaard te moeten worden uit het inlandsch recht, volgens hetwelk schuldenaars, die hunne schulden niet kunnen betalen, ter voldoening daarvan tot lichamelijke diensten ten behoeve hunner schuldeischers verplicht worden, en dus in een staat van onvolkomen slavernij verkeeren. Men noemt zulke pandelingen orang beroetang of orang oetangan, en uit dit laatste woord schijnt wetanger verbasterd. Zij zullen dus als het ware pandelingen der Compagnie zijn geweest, haar door den rechter toegewezen om door persoonlijke diensten de boeten of andere straffen te vervangen, hun wegens misdrijven opgelegd.

Mardijker.

Mardijker is de vernederlandschte vorm van het Maleische mardaheka of mardeka, Jav. mardikô, vrij, een vrij man, die niet tot heerediensten verplicht is. Men noemde mardijkers eene klasse van inlanders, die in de geschiedenis van Insulinde eene vrij belangrijke rol heeft vervuld, maar omtrent wier oorsprong en beteekenis veel onzekerheid heerscht. Men vindt reeds sporen van het bestaan der Mardijkers onder het Portugeesch bestuur, dat aan onze verovering der Molukken is voorafgegaan. Zie Valentijn II, 1, bl. 123; 2, bl. 16. Het is waarschijnlijk hun naam die Valentijn en anderen op het denkbeeld heeft gebracht, dat zij afstammelingen waren van vrijgegeven of vrijgekochte slaven; maar, ofschoon het zeer mogelijk is, dat velen onder hen inderdaad vrijgelatenen of afstammelingen van dezen geweest zijn, staat het toch vast dat het woord niets meer beteekent dan een vrijman, onverschillig of hij al of niet eenmaal tot den slavenstand heeft behoort. Men leert evenwel ook nog uit dien naam, dat de bedoelde vrije lieden geen Europeanen, maar inlanders waren; want waarom zou men ze anders een Maleischen naam gegeven hebben? De vrije, niet in dienst der Compagnie staande of door haar bezoldigde Europeanen, met andere woorden, de blanken die als kolonisten naar Indië waren gekomen, werden Vrijburgers genoemd; zulke Vrijburgers waren nu ook de Mardijkers, maar als men hen met den naam van Vrijburgers noemde, voegde men er doorgaans tot onderscheiding zwarte bij, daar men gewoon was alle inlanders zwarten te noemen.

De kolonel Haga, die ons, als inleiding tot een lezenswaardige verhandeling over de Mardijkers van Timor (in het Tijdschrift v. het Bat. Gen., Dl. XXVII, blz. 191), de resultaten van zijn zorgvuldig onderzoek over de Mardijkers heeft medegedeeld, erkent als het doel dezer instelling, een inlandsch element te scheppen, dat, onder het rechtstreeksch bestuur der overheerschers geplaatst en door voorrechten aan deze verbonden, een tegenwicht zou helpen vormen tegen de massa der inheemsche bevolking. Het lag in den aard der zaak, dat men onder die Mardijkers oorspronkelijk alleen zulke inlanders opnam, die, ter plaatse waar men ze vestigde, vreemdelingen waren, welke of om eenige reden de bescherming der Compagnie gezocht hadden, of door het voorspiegelen van voordeelen waren gelokt. Later zich voortplantende en in aantal wassende, erlangden zij, vooral te Batavia, eene belangrijke plaats in de maatschappij. Velen dreven een aanzienlijken handel, inzonderheid in kleedjes en kostbaarheden, waren vermogend en bewoonden fraaie huizen; anderen leefden in de nabijheid der stad van tuin- en akkerbouw. Zie Valentijn, IV, 1, bl. 254; „Batavia in derzelver gelegenheid”, III, bl. 35.

De Mardijkers werden tijdens de Compagnie ook voor schuttersdiensten bestemd; waar hun aantal dit toeliet werden de weerbare mannen onder hen in compagniën of vendelen ingedeeld. Zie b. v. de beschrijving van Batavia in D. I der Verhandelingen van het Bat. Gen., bl. 61. Niet zelden namen de Mardijkers ook deel in de militaire expeditiën door de Compagnie uitgerust. Zie b. v. Baldaeus, Ceilon, bl. 71 en 80, en de Jonge „Opkomst van het Ned. gezag,” D. VI, bl. CVIII en 171. Nergens echter hebben de Mardijkers eene grootere rol vervuld dan op Timor; alleen op dat eiland (te Koepang en Babauw) is nog onder dezen naam eene afdeeling militairen, uit verschillende inlandsche en vreemde elementen bestaande, in dienst gebleven. De verhalen echter omtrent hunne heldendaden en de hun toegekende eerbewijzen bij een aanval der Portugeezen in 1749, berusten slechts op mondelinge overlevering, en het legendair karakter dezer berichten is door kolonel Haga in het aangehaalde stuk duidelijk in het licht gesteld.

Te Batavia is de naam Mardijkers sedert lang in onbruik geraakt, en vervangen door dien van Papangers. Radermacher en W. van Hogendorp in hun beschrijving van de stad Batavia (Verhh. v. het Bat. Gen. I, bl. 61) gebruiken Papangers en Mardijkers als synoniemen, en het Koloniaal Verslag over 1849 zegt over die Papangers het volgende: „Dit corps, samengesteld uit vrijgegeven slaven, Maleiers, Mooren, Bengaleezen en hunne afstammelingen, die hun 16e jaar zijn ingetreden en hun 40e nog niet hebben bereikt, is reglementair eene inlandsche schutterij en staat dan ook, behoudens het gezag van den Resident, onder de bevelen van den kommandant der schutterij. Zij onderscheidt zich echter van de boven behandelde schutteren daardoor, dat zij geheel voor 's lands rekening komt buiten de schutterlijke kas, en geregeld al de wachten in de oude stad betrekt tegen dagelijksche soldij. De diensten welke dit corps bij voortduring verricht, geven reden tot tevredenheid”. In weerwil dezer laatste woorden blijkt uit „Ind. Staatsbl.”, 1849, no. 17, dat de Regeering destijds reeds het voornemen koesterde, het corps Papangers te reorganiseeren of geheel op te heffen. Dit laatste schijnt eenige jaren later gebeurd te zijn.

Van den oorsprong van den naam Papangers kan ik geene rekenschap geven. Onder de vreemde Oosterlingen, te Amboina wonende, worden door Valentijn, II, 1, bl. 156, ook Pampangers (bewoners van het gewest Pampanga op Manilla) genoemd. Men kan aannemen dat onder de Mardijkers ook afstammelingen van die natie scholen, maar, daargelaten dat het woord Pampangers een m te veel heeft, is het niet aan te nemen, dat zij onder de Bataviasche Mardijkers ooit zoodanig het overwicht hebben gehad, dat hun naam dien van Mardijkers verdringen kon.

Toepassen.

Zoo heet een deel der bevolking van de door de Compagnie beheerde gewesten, dat veel overeenkomst had met de Mardijkers en dikwijls met hen verward wordt. Zoo lezen wij in „Batavia in derzelver gelegenheid”, D. III, bl. 35: „de Mardijkers of Toepassers zijn Indianen van verschillende natiën, volgens veler meening Toepassers genoemd, omdat zij de zeden en godsdienst der volkeren, bij welke zij woonen, lichtelijk, als bij toepassing, aannemen”. Valentijn onderscheidt echter tusschen Mardijkers en Toepassen, en zegt dat deze laatsten, althans te Amboina, afstammelingen zijn van Portugeesche vaders en inlandsche moeders. De belachelijke verklaring van den naam Toepassers, zoo even vermeld, zal wel niet vele voorstanders vinden; maar het woord is klaarblijkelijk verhollandscht en zal moeten afstammen van het een of ander inlandsch woord, dat met het Nederlandsche woord toepassen eene toevallige overeenkomst had. Het zal dus gevormd zijn op de manier van kaalkop van kakap, passeerbaan van paséban, boetjongen van boedjang, Bokje van Boegis of Boeginees, Baviaan van (het eiland) Bawéan, en andere dergelijke producten van Europeesche onwetendheid of valsch vernuft. Zulk een woord vinden wij in het Malabaarsche toepay, dat volgens Canter Visscher, „Mallabaarse brieven”, bl. 121, tolk beteekent. Men werpe niet tegen dat deze verklaring niet met de klankwetten strookt; zulke willekeurige verbasteringen zijn aan geen wetten onderworpen. Canter Visscher bevestigt de meening van Valentijn, dat de Toepassen in hoofdzaak van Portugeesche vaders en inlandsche vrouwen afstammen, en verzekert ons, dat zij, ofschoon met slavenkinderen en vrijgelaten slaven van allerlei natiën vermengd, zich veel op hunne Portugeesche afkomst lieten voorstaan. Allen echter werden door hen afgestooten die niet den Roomschen godsdienst beleden. „Daar wordt”, zegt gemelde schrijver, die een langen brief aan de Toepassen wijdt, „een groote menigte van deze Toepassen gevonden door Mallabaar en bijzonderlijk aan den zeekant en bij Fortressen en Losiën (Loges) der Europeanen; men vindt er ook vele in en rondtom deze stad Couchim, die zich generen met allerlei Ambagten....... ook begeven zich degene welke buiten de stad wonen tot den landbouw. Daarbij worden ze van de E. Maatschappij gebruikt in den oorlog, of tot het bezetten van Posten, daar ze meteen tot briefdragers dienen.”

De Toepassen schijnen dus oorspronkelijk op de kust van Malabar te huis te behooren, en vandaar hun verminkten naam naar Batavia en de Molukken te hebben medegebracht. De weinige naar die gewesten afdwalenden verloren zich onder de Mardijkers, waarvan, om dit in het voorbijgaan te zeggen, ook velen den Christelijken godsdienst beleden.

Bokje, Bokkenees.

Er is misschien geen tweede volksnaam die zoo mishandeld en op velerlei wijzen verminkt is, als die der Boegineezen op Zuid-Celebes.

Hun Maleische naam is Orang Boegis, menschen van Boegis. Maar dit Boegis is reeds door verwisseling der lipletters W en B ontstaan uit Woegi, een dorp aan de rivier Tjenrana, welks bewoners in ouden tijd de rol van tolken vervulden bij de vreemdelingen, die het Hof van den machtigsten Vorst dier streken, Sawêri Gôding, kwamen bezoeken. De naam To Woegi, dien deze volken zich gaven, werd weldra uitgebreid tot allen die hunne taal spraken. (Zie Matthes, „Boegineesche Spraakkunst”, Inleiding). Zooals men van Balineezen, Soendaneezen en Bankaneezen spreekt, maakten de Nederlanders van Boegis soms Boegissen, maar meest Boegineezen, en deze vorm bleef tot heden de gebruikelijke; bij oudere schrijvers echter vindt men ook Boekaneezen (Canter Visscher, „Mallabaarse brieven”, bl. 65 en elders) en Bokaneezen (Stavorinus, „Reize van Zeeland naar Batavia”, I, bl. 236: „Bijzonder maken de slaaven die van het eiland Celebes of Macasser komen, en wel voornamelijk de Bokaneezen, zich aan gruwelijke moorden schuldig; ook behooren de meeste amokspuwers tot deze natie”). De Engelschen noemden ze oudtijds gemeenlijk Buggesses of Bugguesses. Maar de zonderlingste verbastering is die tot Bokjes, welke naam te Batavia werd gegeven aan eene kolonie van Boegineezen, na het einde der Makassaarsche oorlogen derwaarts overgebracht. Zie „Batavia in derzelver gelegenheid”, D. III, bl. 35.

In onze volkstaal hoort men een zeer onbeschaafd en ruw mensch, iemand van barbaarsche manieren en voorkomen, wel eens een Bokkenees noemen. Klaarblijkelijk is ook dit eene verbastering van Boeginees. Met de beteekenis van gemelden scheldnaam komt het karakter van wreedheid en teugellooze drift, dat men aan de Boegineezen toekende, goed overeen.

Ik wil hier in het voorbijgaan nog van een verbastering van een anderen op Celebes te huis behoorenden naam spreken. Nabij en op de kusten van dat eiland leeft een aanzienlijk gedeelte van den steeds op het water zwervenden stam der Badjo's of Bayo's (bekend door Vosmaer's „Korte beschrijving van het zuid-oostelijk schiereiland van Celebes” in Deel XVII der „Verhandelingen van het Bat. Gen.”, en van Verschuer's bericht „de Badjo's”, in D. VII van het T. v. h. Aardr. Gen.). Deze Badjo's worden in het Makassaarsch Toe-ri-djêné genoemd, d. i. letterlijk: menschen op het water. Volgens sommige schrijvers zou die naam door de Europeanen te Makasser tot Trojeenders verbasterd zijn. De heer Matthes zegt echter in zijne „Opmerkingen omtrent de Hollander's beschrijving van het Gouvernement van Celebes in zijne „Handleiding bij de L. en Vk. van N.-I.””, bl. 16, dat hij die benaming Trojeenders nooit heeft vernomen.

Laskar, Laskarijn.

Indische, ook Maleische en Javaansche matrozen, op Europeesche schepen varende, worden thans dikwijls ook in Nederland laskars genoemd. De Woordenlijst van de Vries en te Winkel en van Dale's Nieuw Ned. Wdbk. geven den vorm laskaar, mv. laskaren, die echter minder gebruikelijk en naar mijn inzien ook minder juist is; eerder ware dan als vernederlandschte vorm lasker aan te bevelen.

Dit woord is het Perz. lasjkar, dat eigenlijk leger beteekent en in dien zin ook in de Maleische taal is overgegaan, zooals blijkt uit de in Marsden's „Malay Dictionary aangehaalde voorbeelden. Het tegenwoordig gebruik van laskar voor Indische matrozen hebben wij van de Engelschen overgenomen. In Stocqueler's „Oriental Interpreter wordt het dus verklaard: Lascar, a European term for certain descriptions of menials in India. Sailors (shipkeepers), employed in harbour, tent-pitchers, the people employed to do the dirty work of the artillery and the arsenals etc. are called lascars. The term is derived from lushkur, literally an army man.” Lucas,Engl.-Deutsches Wörterb.”, verklaart lascar door, „der Lasker, der Indische Matrose im Dienste der Englischen Compagnie.”

Bij deze verklaringen moet echter worden opgemerkt:

1o. Dat het Perz. lasjkar nooit iets anders beteekent dan leger, en de beteekenis van krijgsman, soldaat, alleen toekomt aan het denominatieve lasjkari, waarvan onze oude schrijvers zeer juist in het Nederlandsch laskarijn maakten, b. v. van Linschoten, „Itinerario”, bl. 59. En zoo wordt ook bij Baldaeus, „Beschrijvinge van Ceylon”, bl. 66, 71, 80, 90 enz. aan de inlandsche soldaten in dienst der Compagnie de naam van Lascaryns gegeven.

2o. Dat de samenhang en overgang der beteekenissen waarschijnlijk deze is: a. soldaat, b. inlandsch soldaat in dienst der Engelsche of Nederlandsche Compagnie, aan wien, in vergelijking met de Europeanen, mindere diensten werden opgedragen, c. sjouwer, werkman op de werven en kaden, d. inlandsch licht matroos, met het gewone scheepswerk belast.

Neger.

Ik begrijp volstrekt niet, waarom Weiland en Lexer (in Grimm's „Deutsches Wörterbuch), dit woord van het Fransche nègre afleiden. Nègre is de verfranschte, gelijk het Hoog- en Nederduitsche neger de verduitschte vorm van het Portugeesche (ook in het Spaansch, Italiaansch en, behoudens de wijziging der uitspraak, in het Engelsch onveranderd gebruikte) negro. Niet aan de Franschen, maar aan de Portugeesche zeevaarders, zijn wij onze eerste kennis van West-Afrika verplicht. Negro beteekent zwart, een zwarte en stamt af van het Latijnsche niger. Met neger komt overeen het Arab. aswado, mv. soedân, vanwaar biladoe's Soedân, het land der zwarten of negerland.

De geographische bepaling van den naam Negerland is zeer moeilijk. Men gaf langen tijd den naam van Negers aan alle zwarte stammen van Afrika, en velen doen dit nog heden. De ethnologen echter beperken den naam Neger tot de koolzwarte stammen, die ten zuiden der Sahara tot omstreeks den Evenaar wonen. Deze vormt, zeer ruw genomen, de grens tusschen de Neger- en de in vele opzichten van hen verschillende Bantoe-stammen, die zich uitstrekken tot Afrika's zuidspits, behalve dat de zuidwesthoek door de Hottentotten en met hen verwante Boschjesmannen bewoond wordt. Ten noorden der Negers wonen Semietische en Hamietische stammen, verspreid onder hen Nubiërs en Fellatah (Nuba-Fulah-volken). Wenschelijk ware het dat zich het gewone spraakgebruik naar die wetenschappelijke onderscheiding richtte. Vgl. mijne opmerkingen in „Daniel Veth's reizen in Angola”, bl. 335–337.

Heeft ons de Kaapkolonie in betrekking gebracht tot de Zuid-Afrikaansche stammen, onze voormalige bezittingen op de kust van Guinea plaatsten ons te midden van echte negers. Ook daar zij uit de vermenging van blanken en zwarten een zeker aantal kleurlingen gesproten, die eveneens, naar den graad der vermenging, verschillende namen dragen, welke niet geheel met de benamingen in Oost- en West-Indië gebruikelijk overeenstemmen. Ik lees daaromtrent bij de Marrée, „Reizen op en beschrijving van de Goudkust van Guinea”, D. II, bl. 135: „de dochter door eenen Blanke bij eene Negerin verwekt, is eene Tapoeijerin—bij eene Tapoeijerin, Mulattin,(5)—bij eene Mulattin, Castiessin,—en bij eene Castiessin wederom Blanke. De dochter van eenen Tapoeijer of Mulat bij eene Negerin noemt men Caboegerin”. Uit hetgeen voorafgaat blijkt echter dat Mulat, daargelaten de speciale beteekenis hier vermeld, ook de algemeene naam is van afstammelingen van blanken en zwarten.

Caboeger (er staat eigenlijk Cabocger, maar dat zal wel een drukfout zijn) schijnt mij hetzelfde als het in West-Indië gebruikte Karboeger, waarvan ik hierboven in een afzonderlijk artikel gesproken heb. Evenals deze naam moet ook Tapoeier uit Amerika afkomstig zijn. Het is oorspronkelijk de naam van een zeer woesten stam van Indianen, die onze bondgenoot was in onze oorlogen met de Portugeezen in Brazilië. De Portugeezen schrijven hun naam Tapuya. Zie over hen o. a. van Kampen „Geschiedenis der Nederlanders buiten Europa”, bl. 411, 425, 433, 446, enz. Hoe deze namen naar Afrika gekomen zijn, kan ik evenmin verklaren, als de beteekenis waarin zij gebruikt worden.

De Engelsche populaire vorm nigger voor neger en de omstandigheid dat de duivel gewoonlijk als zwart wordt afgemaald, zouden ons bijna verleiden eenig verband te zoeken tusschen den Neger en den zwarten Nikker. Doch de Germaansche oorsprong van Nikker (bij Vondel „Peter en Pauwels”, II, 135, ook Ikker(6) geschreven), verwant met het Zweedsche năk, nek, het Eng. nick (old nick), het Hoogd. neck, necker, nicker, nixe enz. alles benamingen voor booze geesten, staat te vast om eenigen twijfel toe te laten.


(5) Bl. 44 worden Tapoeiers en Mulatten gelijkgesteld; bl. 52 worden Tapoeiers genoemd „kinderen van blanken en die van de kleur.” Zij vormen een zoogenaamd kwartier en trekken op als eene Compagnie in volle uniform, gecommandeerd door een Kapitein en twee Luitenants. De Tapoeiers hebben eene groote neiging om de blanken na te apen.

(6) Van Lennep, Vondel, IV, bl. 53, noot, meent dat van 't oude den Ikker, door de n van 't lidw. bij 't zelfst. nw. te trekken, later de Nikker ontstaan is, op de wijze zooals 't volk Noom heeft gemaakt uit den Oom of mijn Oom. Maar ofschoon die meening het gezag van Bilderdijk voor zich heeft, schijnt het mij dat hier het omgekeerde heeft plaats gehad, namelijk aantrekking van de n van het zelfst. nw. door het voorafgaande lidwoord, zooals in ar, voor nar (narrenslede). Die n tusschen het lidwoord en het volgend met een vokaal beginnend zelfst. nw. was altijd een zeer bewegelijk element, omdat zij doorgaans niet den verbogen vorm van het lidwoord aanduidde, maar bloot euphonisch was.

Kafir, Kaffer.

Dit woord is Arabisch en beteekent ongeloovige. In eene noot op zijne vertaling van de Warren's „Engelsch-Indië”, I, bl. 167, zegt de heer van der Maaten: „Kaffer of Kafir is een scheldnaam dien Aziatische en Afrikaansche Muzelmannen aan alle volken geven die met hen van geloof verschillen. Waarschijnlijk afgeleid van het gebergte Kaf, dat volgens hunne mythologie de grenzen van hun halfrond omgeeft.” Deze afleiding is een waarschuwend voorbeeld voor allen die het wagen verklaringen van woorden te beproeven uit talen, waarvan zij niets verstaan. Kafir is in het Arabisch het tegenwoordig deelwoord van het werkwoord Kafara, dat ondankbaar, goddeloos, ongeloovig zijn beteekent, en wordt inzonderheid gebruikt van allen die den Islam verwerpen. De naam is bij ons het meest in gebruik als geographische naam van twee volken: de bewoners van Kafiristan in het N.-O. van Afghanistan, en die van het Kaffergebied in Zuid-Afrika, dat den zuidoostelijken hoek van dat werelddeel tot aan de Delagoa-baai beslaat. In beide gevallen is de naam ongetwijfeld van de belijders van den Islam afkomstig en misschien alleen door misverstand der Europeanen bepaaldelijk een geographische naam geworden. Zelfs als zoodanig was in vroeger tijd het gebruik in Afrika veel minder beperkt. Zoo zegt b.v. van Linschoten, „Itinerario”, bl. 60, dat over 't geheel naakt loopen „die swarten ofte Caffres van 't land van Mossambique en alle die custe van Aethiopia ende te landwaarts binnen, tot die Cabo de Bona Esperansa.”

Moor, Mooriaan.

Moor komt van het Latijnsche Maurus; de Mauri waren de bewoners van het noordwestelijk gedeelte van Afrika, dat tegenover Spanje ligt en thans door Marokko en Algerië wordt ingenomen. Door de Arabieren onderworpen en tot den Islam bekeerd, smolten de Mooren eenigermate met hunne overheerschers te zamen, maar staken later het hoofd weder meer zelfstandig op, zoodat de strijd dien de Christenen van Spanje en Portugal te voeren hadden om zich van hunne Moslimsche, steeds uit Afrika ondersteunde, overheerschers te bevrijden, veelal als een strijd tegen de Mooren beschouwd wordt.

In hoofdzaak zijn de oude Mauri hetzelfde volk dat later door de Arabieren Berbers werd genoemd, een naam ontleend aan het oude, klassieke barbaren. In eene nadere ontleding der stammen, die onder de namen Mooren en Berbers worden begrepen, kan ik hier niet treden. Men zie het voortreffelijk artikel van Prof. de Goeje over de Berbers, in „de Gids” voor 1867, D. III, bl. 13.

De naam van Mooren kreeg bovendien in tweeërlei richting eene uitbreiding. De donkere huidskleur der Mooren, ofschoon op verre na niet zoo zwart als die der Negers, was oorzaak dat zij in de voorstelling der Europeanen met de overige donkerkleurige en zwarte rassen van Afrika samensmolten en Moor of Mooriaan als synoniem met Zwarte of Neger werd gebruikt. Vandaar in het Engelsch blackamoor; vandaar dat Othello „the Moor of Venice” heet; vandaar onze spreekwijze „den Mooriaan wasschen” of „schuren”, voor vergeefsch werk doen. Speciaal wordt nog in de Statenvertaling des Bijbels de naam van Mooren gegeven aan de Cuschieten of Ethiopiërs, eene van ouds beroemde zwarte of donkerkleurige natie, wier rijk zich over het tegenwoordige Nubië en Abessynië uitstrekte.

De tweede uitbreiding van het gebruik van den naam Moor had haren oorsprong niet zoozeer in overeenkomst van huidskleur, maar in overeenkomst van belijdenis. De Mooren, met wie de bewoners van het Iberische Schiereiland eeuwenlang in oorlog hadden geleefd, waren niet alleen vijanden van hunne vrijheid, maar ook van hunnen godsdienst. De Spanjaarden en Portugeezen streden voor het Kruis tegen de Halve Maan. Toen hunne ontdekkingstochten hen naar Malabar en Koromandel voerden, vonden zij ook daar een groot aantal belijders van den Islam, op wie ze den naam van Moros of Mooren overbrachten, en van de Portugeezen leerden ook de Nederlanders het gebruik om de Indische Mohammedanen Mooren te noemen. Zoo zegt b.v. Valentijn, „Choromandel”, bl. 108: „Behalve de Heydenen heeft men hier te lande ook zeer veel Mooren of Mohammedanen, die mettertijd ook meesters van het land geworden zijn”. Maar dit gebruik werd door ons hoofdzakelijk beperkt tot de Moslemen van het vasteland van Indië. Vgl. Pijnappel, „Geographie van Ned.-Indie”, 2e druk, bl. 59. Zoo is het althans in onze dagen, maar bij vroegere schrijvers werd ook wat op Java Mohammedaansch is niet zelden Moorsch genoemd. Zoo leest men b. v. in „Batavia in derselver gelegenheid”, D. I, bl. 19, van den Moorschen Landvoogd van Japara; bl. 22, van de Moorsche lijfwacht van den Soesoehoenan, in tegenstelling met de Europeesche wacht hem toegevoegd; bl. 23 van den Moorschen tempel (d. i. de moskee) van Toeban, enz. Doch van de Javanen als Mooren te spreken, is thans geheel in onbruik geraakt.

Razzia.

Dit woord is niet opgenomen in Prof. Dozy's „Oosterlingen”, maar dat het wel had mogen opgenomen worden, is reeds opgemerkt door Prof. de Goeje, in zijne aankondiging van genoemd werk in „de Ned. Spectator”, 1867. Dozy geeft echter de verklaring van razzia in zijn „Glossaire des mots Espagnols et Portugais, dérivés de l'Arabe”, art. Gazua. In de eerste uitgave van het Glossaire had de heer Engelmann alleen geschreven: Gazua portug. (expédition militaire), de gazât ou gazâwa, qui signifie: une expédition militaire contre les infidèles. De ce mot Arabe les Français ont fait leur razzia.” Dozy doet hierbij nog opmerken, dat ook de vorm gazwa, schoon ontbrekende in het Woordenboek van Freytag, in het Arabisch menigmaal voorkomt; dat dit eigenlijk de vorm is waarvan gazua afstamt, en dat men in het Port. ook gazia en gaziva aantreft. Dit gazia nu, dat het meest overeenkomt met het Fransche razzia, heeft ook zijn voorbeeld in het Arabisch, zooals blijkt uit Dozy's „Supplément aux Dictionnaires Arabes”, T. II, p. 212, nam. in gâzia, attaque, coup de main, prise. Om te doen begrijpen hoe uit dit gâzia razzia kon ontstaan, heb ik alleen nog te doen opmerken, dat de Arabische letter gain of ghain, die noch aan onze g, noch aan onze r beantwoordt, maar beider klank eenigermate in zich vereenigt, evengoed door r in razzia, als door g in gazua kon worden uitgedrukt.

Dit woord razzia kwam bij de Franschen in gebruik in Algiers, voor de menigvuldige strooptochten op het gebied van vijandige stammen, om hen van hun vee en leeftocht te berooven. Maar men gebruikt het ook voor de slavenjachten, die nog zoo vaak door de Moslemen in Afrika gehouden worden, als een ontaard overblijfsel van den heiligen oorlog tegen de ongeloovigen, dien de Islam zijnen belijders tot plicht heeft gemaakt.

Een paar voorbeelden van het gebruik van razzia in onze taal mogen hier niet ontbreken. In het Tijdschr. v. N.-I., Jg. 1863, D. I, bl. 61, vindt men een artikel, getiteld: „Razzia's in Ned. Indië”, waarin o. a. gelezen wordt: „Razzia's, zooals er eene tegen de Alfoeren van Mani heeft plaats gehad, zijn voorzeker niet het middel om tot verwezenlijking dezer inzichten te geraken.” D. Veth's „Reizen in Angola”, bl. 387: „Portugal kan door geene dekreten de vormen veranderen die eenmaal het Afrikaansche leven heeft aangenomen, den stempel uitwisschen dien de razzia en de slavenhandel er sedert eeuwen diep hebben ingedrukt.”

Azagai, Assegaai.

De Mooren waren van oudsher beroemd om hunne werpspiesen en de behendigheid waarmede zij die wisten te hanteeren. Wie herinnert zich niet de regels van Horatius:

„Integer vitae scelerisque purus
Non eget Mauris jaculis, nec arcu” etc.?

De werpspies der Mooren schijnt zich als wapen over geheel Afrika te hebben verspreid. De schrijvers over de meest verschillende streken van dat werelddeel maken van haar gewag en noemen haar Azagai of Assegaai, een naam die, met het wapen zelf, van de Berbers afkomstig is, maar waarschijnlijk uit het Spaansch tot de overige volken van Europa is gekomen. Ziehier eenige voorbeelden bij Nederlandsche schrijvers. G. v. Broekhuizen in zijne Vertaling van Dan's „Historie van Barbaryen” (Amsterdam 1684), bl. 286: „Hun wapenen zijn een halve-piek of een werpspies, welke zij een Agay of een Azegay noemen, daar ze zich met zulk een behendigheid en kracht af dienen, dat ze er iemand op vijftig treden ver mee doorschieten.” De Marrée, „Reizen op en beschrijving van de Goudkust”, I, 235: „Eer hij nog de sabel konde vatten, kreeg hij van achteren eenen worp met een Azagai (werp-pijl), van welke de Negers in vroegere tijden zich bedienden”. Th. Tromp, „Herinneringen uit Zuid-Afrika”, bl. 171: „De oorspronkelijke wapenen van den Kaffer zijn assegaai, knopkiri's (stokken, in den regel van assegaaihout, die van een knop zijn voorzien), boog en lans”. Idem, „de stam der Amazoeloe”, bl. 90: „Ketchwayo begon over te hellen tot den onstuimigen wensch van zijn eer- en huwelijkszuchtige jongelieden, om de assegaaien eens te gaan wasschen.” Hendrik P. N. Muller, „Herinneringen uit de Transvaal” (Gids 1888, D. II, bl. 242): „Alleen verstaan de negers [d. z. hier de Kaffers] het smeden van assegaai-spitsen uit het ijzer, dat in het noordelijk deel der Republiek bijna allerwegen wordt gevonden.” De opmerking schijnt mij hier niet overbodig, dat de azagai en andere oorspronkelijke wapenen in vele streken van Afrika meer en meer door het schietgeweer verdrongen worden.

Het woord Azagai (onder de verschillende schrijfwijzen schijnt mij deze de beste) is dikwijls ten onrechte voor Arabisch gehouden. Het woord is wel-is-waar vermeerderd met het Arabische lidwoord (en luidt dus eigenlijk az-zagâja); maar wanneer wij dit afscheiden blijft zagâja over, dat nog in de taal der Berbers de voorvaderlijke werpspies aanduidt. Van daar in het Fransch gewoonlijk zagaie. De aanwezigheid van het Arabisch lidwoord in den Spaanschen vorm Azagaya, waaraan ons Azagai onmiddellijk is ontleend, moet ons niet verwonderen, daar de Berbertaal, ofschoon eigenlijk niets met het Arabisch gemeen hebbende, thans met allerlei Arabische woorden en woordvormen vermengd is.

Vgl. over dit woord vooral Engelmann en Dozy, „Glossaire des mots Espagnols” etc.; op Azagaya.

Palabber.

Palabber beteekent eigenlijk niets dan een woord, en is het Spaansche Palabra, dat ook Palavra kan geschreven worden (omdat b en v conson. in het Spaansch niet verschillen) en steeds dien laatsten vorm heeft in het Portugeesch. Het woord is door de Spanjaarden en Portugeezen in zwang gebracht bij de Negers, en van dezen tot ons gekomen, gelijk het dan ook alleen in gebruik is onder de Nederlanders op Afrika's Westkust, of waar door onze schrijvers van de bevolking dier kust wordt gewaagd. Palabber is waarschijnlijk de gewone negeruitspraak en daarom ook de meest gebruikelijke vorm. Somtijds leest men palaber en enkele schrijvers geven de voorkeur aan den vorm palaver. Zie Tengbergen, „Reistocht en Expeditie naar de Ned. Bez. ter Westkust van Afrika”, bl. 37, noot.

Daar het woord van Europeesche afkomst is, mag men vermoeden dat het oorspronkelijk gebruikt werd om een woordenwisseling, mondgesprek of onderhandeling met Europeesche handelaars of autoriteiten aan te duiden. Ziehier een paar voorbeelden van dit gebruik. H. Muller Szn., „de afstand der Kust van Guinea aan Engeland”, bl. 6: „In de te Cape Coast verschijnende West-African Herald komt een uitvoerig verslag voor van een onlangs op het kasteel van Elmina gehouden palabber of vergadering, waaruit zoowel de ijverige pogingen van de daar aanwezige Engelsche autoriteiten en onderhandelaars blijken om de Negers over te halen zich onder Engelsche vlag te stellen, als de onveranderlijke weigering der laatsten om daaraan te voldoen”. Roëll, in „Jaarboek van de Ned. Zeemacht, 1875–76”, bl. 302: „De Koningen eischten, dat wij zouden gaan naar dezelfde plaats, waar het vorige jaar de Commodore Hewitt was geweest tot het houden van een palaver”; bl. 307: „De heer Pape begon dit palaver met de mededeeling van het gebeurde acht maanden geleden”.

De Negers gebruiken echter het woord palabber ook van hunne onderhandelingen onder elkander, inzonderheid van hunne rechtsgedingen. Gramberg, „Schetsen van Afrika's Westkust”, bl. 65: „De rechtsgedingen, palabers genoemd, die voor de vergadering [der Kromsgrooten(7)] worden gebracht, beginnen met het drinken van rum; want zoowel de eischer als de beklaagde is verplicht twee flesschen vooruit te betalen. Zulke rechtsgedingen zijn uiterst langwijlig en luidruchtig; de Neger, die zijne zaak voordraagt, houdt er van om veel over zijne familie uit te weiden, en begint gewoonlijk met zijn grootvader of overgrootvader”, enz. De Marrée, „Reizen op en Beschrijving van de Goudkust”, II, bl. 53: „De algemeene Elminasche Regeering bestaat uit den Koning, een tweeden Koning, een Onderkoning, die eigenlijk eerste Secretaris is, en nog eenen anderen Secretaris, welke tevens in alle palabbers(8) het woord voert.”

In de derde plaats worden, bij overdracht, ook de geschillen, de rechtsquaesties zelve, palabbers genoemd. De Marrée, a. w., I. 25: „Het recht van den sterkste heerscht hier, en waar dit niet geldt vormen zij [de Negers] een allerwanvoegelijkst denkbeeld van het recht van eigendom, en de uitspraken over verschillen (palabbers) van dien aard zijn allerellendigst.” Ald. bl. 28: „Het ellendige denkbeeld dat zij vormen van het recht van eigendom, geeft aan hunne twistzucht oneindige stof van verschillen (palabbers)”. Ald. bl. 159: „Een Neger had, bij zekere afdoening van zijn palabber of geschil te Elmina, kennis gemaakt met een der Elminasche.”