(7) Zie op het art. Krom.

(8) Hier zijn echter de onderhandelingen met vreemden natuurlijk niet buitengesloten.

Paan.

Paan, ook dikwijls, door de gewone zucht der Hollanders om zich van verkleinvormen te bedienen, paantje, is ter Westkust van Afrika een zeer gewoon woord voor een doek of lap van wollen, katoenen of linnen stof, die als kleedingstuk wordt gebruikt. Het is alweder een Portugeesch woord pano of panno, afkomstig van het Lat. pannus, in het Spaansch pano uitgesproken, in het Fransch pagne, ofschoon ook pan tot dezelfde familie behoort. Treffend juist is de omschrijving bij Littré (in v. Pagne): „Morceau de toile de coton ou d'autre étoffe, dont tous les nègres d'Afrique qui ne vont pas tout-à-fait nus, s'enveloppent le corps, depuis la ceinture jusqu'aux genoux, et quelquefois jusqu'au milieu des jambes”. Van Dale, art. Paan, verklaart het door: „Schaamteschort der negerinnen”, en de Kunstwoordentolk van Kramers en Bonte door: „een stuk stof dat de negerinnen om haar onderlijf slaan en dat de plaats van een rok vervangt”. Hoe komt men er toch toe om den paan alleen door de zwarte dames te laten dragen? Ik sla een paar Afrikaansche reisverhalen op die mij het eerst in handen komen, en lees bij de Marrée, „Reizen op en beschrijving van de Goudkust”, I, bl. 28: „De linnen of katoenen lap, paantje genaamd, mag [bij de meer vermogenden] wat fijner stoffaadje en grooter zijn, teneinde dien over den linkerschouder te kunnen slaan; doch overigens zijn zij allen aan elkander gelijk”. Ald., bl. 31: „De eilanders hebben de gewoonte, dat zij, zoo lang zij op hun eiland zijn, geen handbreed goed (of paantje) op hun ligchaam dragen,... de vrouwlieden zoowel als de manspersonen;... wanneer echter deze lieden van hun eiland naar een ander dorp gaan, dan kleeden zij zich gelijk alle andere Negers met eenen paan, bestaande uit eenig stuk lijnwaad.” Ald. II, bl. 57: „De Koning zelf gaat in een op zijn manier kostbaren paan.” H. J. Pel, „Aanteekeningen op eene reis van St. George Delmina naar Comassie”, bl. 12:(9) „Het voedsel en de kleeding der Caboceërs [dorpsgrooten] zijn dezelfde als van den geringsten Neger; het paantje is somtijds iets beter, doch bij lange na niet van allen.”

Het katoen voor de paantjes aan het stuk, zooals het in den handel voorkomt, wordt soms panen-goed geheeten (de Marrée, I, bl. 109). Veel fraai panen-goed wordt geweven te Accra, en de fraaiste soorten worden aan de Europeanen verkocht, die daarvan dekens en spreien voor bedden en rustbanken maken. (Ald., II, bl. 129.)


(9) Zie over dit wèl gedrukte, maar, zoo het schijnt, nooit uitgegeven, en slechts in eenige overdrukken voorhanden reisverhaal, Veth en Kan, „Bibliographie van Afrika”, bl. 32. De heer Suzanna, uitgever van Pel's reisverhaal, teekent bij paantje aan: „Aldus wordt de min of meer groote en prachtige doek genaamd, waarmede zij zich het hoofd bedekken.” Dit is een fout. Er is wel-is-waar geen reden, waarom paan niet ook een hoofddoek zou kunnen aanduiden; maar hoofddoeken zijn op Afrika's Westkust niet gebruikelijk.

Krom.

Dit woord komt bij onze schrijvers over de Kust van Guinea ontelbare malen voor, maar hoe Hollandsch het er ook uitziet, het schijnt een echt negerwoord te zijn. Het is op de Goudkust de naam der dorpen. Gramberg, „Schetsen van Afrika's Westkust”, bl. 31: „Alleen bij de inlandsche dorpen of krommen vertoonen zich eenige kokosboomen.” De Regeering van zulk een dorp bestaat uit den Koning en zijne caboceërs [van het Portug. cabeceira] of edellieden, d. z. degenen die in de krommen, of in de wijken waarin de voornaamste dorpen verdeeld zijn, de meeste slaven en het meeste goud bezitten (zie de Marrée, „de Goudkust”, I, bl. 122.). Zij worden door de Nederlandsche schrijvers dikwijls de Kromsgrooten genoemd (b. v. Gramberg, t. a. p., bl. 65.) De Raadsvergaderingen van den Vorst en de edelen worden in de open lucht gehouden. Gramberg, t. a. p., bl. 64: „Zelfs de kleinste krommen hebben hunne opene vergaderzalen; deze bestaan eenvoudig uit eene schoon geveegde plaats, afgesloten door vier boomen in carré gelegd.” De Marrée, „de Goudkust”, II, bl. 5, verwisselt krom met negerij (zie op dat woord), en Kan, „Nederland en de Kust van Guinea”, spreekt van negerkrommen.

Baar.

Baar is volgens van Dale's „Nieuw Ned. Wdbk.” „een nieuweling aan boord, een nog onervaren, matroos; een Europeër die voor het eerst in Oost-Indië komt, aldus genoemd in tegenstelling met een oudgast. 't Woord is ontleend aan het Maleisch.” Volkomen juist, slechts had de beteekenis in de tweede plaats vermeld, moeten voorafgaan; want natuurlijk is de Maleische naam baar het eerst in O.-Indië aan de nieuwelingen gegeven, en daarna door de schepelingen op de nieuwe matrozen toegepast. De Oostindische baar is zeer goed geschetst in Weitzel's „Batavia”, bl. 153–161. Het blijkt uit dat stuk dat men van baar ook het adjectief baarsch en het afgetrokken naamw. baarschap heeft gevormd. „Heeft Mijnheer de baarsche stoot reeds gehad?”—„Er bestaat een natuurlijk en een conventioneel baarschap.”—„Ieder is in Indië genegen baarsche hoedanigheden op te merken in anderen, die er korter dan hij hun verblijf hielden.”

Men ziet uit het gezegde dat in Indië baar beantwoordt aan hetgeen onze studenten groen noemen; aan de Militaire Akademie te Breda worden dan ook de nieuw aangekomen studenten baren geheeten. In het algemeen is baar ieder die zich nog vreemd voelt in een kring waarin hij pas geplaatst is, en, de daarin bestaande gebruiken niet kennend of er althans niet in geoefend, zich telkens vergist, of er inloopt, zooals men zegt. Vandaar heeft baar ook de beteekenis gekregen van ongeleerd, ongeoefend. In Zuid-Afrika, waar in de taal der boeren veel Maleische woorden zijn ingedrongen (zie op Amper), heeft baar dikwijls deze beteekenis, niet alleen waar men van menschen, maar ook waar men van trekbeesten spreekt. Zie Mansvelt, „Proeve van een Kaapsch-Hollandsch Idioticon” (Kaapstad, 1884), op Baar. In dien zin spreekt men er ook van baar-Kaffers, d. z. Kaffers die nog vreemd zijn aan alle beschaving, nog niet gewoon zijn aan den omgang met Europeanen. Zie Schüssler, „Zuid-Afrika”, bl. 77, 104. Een eigenaardig gebruik van baarsch vond ik vermeld bij de Marrée, „de Goudkust”, I, bl. 20. De klimaatziekte der nieuwelingen, die de Engelschen seasoning noemen, wordt daar, volgens dien schrijver, door de Nederlanders de baarsche ziekte geheeten.

Baar is het Maleische beharoe of baroe, d. i. nieuw, of als bijw. nieuwelings, pas; maar wordt vooral gebruikt als verkorte spreekwijs voor orang baroe datang, iemand die pas is aangekomen. Het staat over tegen orang lama datang, of bij verkorting orang lama of oorlam, een oudgast. Zie op Oorlam.

Orang oetan.

Orang oetan, veelal (ook door van Dale en Kramers en Bonte) orang oetang, en vroeger,—tengevolge der zonderlinge voorkeur die ons volk in vreemde namen aan de Fransche spelling geeft, (als ware al wat vreemd is, Fransch)—orang outang geschreven, is de naam dien wij, met het geheele beschaafde Europa, aan eene bekende soort van anthropomorphische apen geven, die alleen op Borneo en Sumatra voorkomen. De naam is volkomen duidelijk en bestaat uit twee zeer bekende Maleische woorden: orang, mensch, en oetan, bosch, die, dus samengevoegd, aan ons boschmensch beantwoorden. Wegens de groote overeenkomst van den in de bosschen levenden orang-oetan met den mensch, is deze naam niet ongepast; maar de oorsprong daarvan schuilt nochtans in het duister, daar de Maleiers zelven dien naam wel aan wilde, in de bosschen levende menschen, maar, zooveel wij weten, nooit aan eene soort van apen geven. Zij noemen den orang-oetan mawas, waarvoor men op Borneo majas zegt. Het verdient echter opmerking dat, volgens Burns, „Vocabulary of the Kayan language”, in „Journal of the Indian Archipelago”, 1849, bl. 134, de majas in de taal van den stam der Kajans op Borneo orang tuan heet, terwijl bl. 182 tuan door wood, jungle, verklaard wordt, zoodat dit woord geheel aan het Maleische oetan beantwoordt. Misschien is orang oetan eene bij de Maleiers op Borneo wel eens gebruikte vertaling van dezen naam, en hebben oude reizigers die uit hunnen mond opgevangen.

Daar orang oetan, voor den majas gebezigd, geen Maleisch is, maar alleen de Europeanen deze verbinding van twee Maleische woorden tot aanduiding van den majas gebruiken, zijn sommigen van oordeel, dat men ook de gewone Europeesche schrijfwijze orang-oetang moet behouden. De nasale n (ng) op het einde der woorden is een gewone verminking der op eene zuiver dentale n eindigende Maleische woorden, in het bij de Europeanen in zwang zijnde zoogenaamde laag-Maleisch of brabbel-Maleisch. Daar het woord in de beteekenis van majas inderdaad tot dit brabbel-maleisch behoort, wil men het dan ook de in die ontaal(10) te huis behoorende uitspraak en spelling laten. Het is een zaak van zeer weinig gewicht; maar daar de samenstellende woorden beide zuiver Maleisch zijn, kan men ze, dunkt mij, ook den zuiver Maleischen vorm doen behouden.


(10) Ik waag het onze taal, naar de analogie van onzin enz., met dit woord te verrijken.

Wouwouw.

Wouwouw is de naam van eene soort, of juister misschien van een geslacht, van in Insulinde levende apen, en is door de Europeanen gevormd van de klanken oea-oea of oa-oa, door de inlanders gebezigd als nabootsing van den onwelluidenden kreet, dien deze apen telkens doen hooren. (Zie Sal. Müller in „Verhh. over de Nat. Gesch. der Ned. overzeesche bezittingen”, afd. Zoölogie, bl. 48).

De vermelde inlandsche benamingen zijn lokaal. Oea-oea (door Mohnike, „Blicke auf das Pflanzen- und Thierleben in den Niederl. Malaien-ländern, bl. 356, wau-wau geschreven) behoort volgens Müller bij de Maleiers op Borneo, oa-oa bij de Soendaneezen op Java te huis. Het geslacht Hylobates telt vier op de groote Soenda-eilanden wonende soorten, maar alleen op Java leeft Hylobates leuciscus, alleen op Borneo Hylobates concolor, terwijl Hylobates syndactylus (de Siamang) en Hylobates variegatus of agilis (de Oengko) tot Sumatra bepaald zijn. De bewoners van Borneo bedoelen dus met hun oea-oea Hylobates concolor, die van de Soendalanden met hun oa-oa Hylobates leuciscus; maar ook de soorten van Sumatra uiten kreten die, schoon eenigszins verschillend, met die der andere in hoofdzaak overeenkomen, zooals o. a. blijkt uit de mededeelingen van de leden der Sumatra-expeditie in het groote werk „Midden-Sumatra” (I. Reisverhaal, 1, bl. 118, II. Aardr. beschr., bl. 158, IV. Nat. Hist., Fauna, 1, bl. 5 en 8; vgl. ook D. Veth's „Reizen in Angola”, bl. 89). Het gansche geslacht Hylobates, althans zoover het op de Soenda-eilanden voorkomt, heeft dus eigenlijk aanspraak op den klanknabootsenden naam wouwouw, en toen de heeren J. van Iperen en Fr. Schouwman in de „Verhandelingen van het Bat. Gen.” D. II, hunne „Beschrijving der wouwouwen” leverden, sloten zij ook de verdere soorten geenszins buiten, al moest hunne beschrijving zich, bij gebrek van bekendheid met de andere soorten, tot de Javaansche soort bepalen. Met betrekking tot het gebruik van het woord verdient nog opmerking, dat in genoemde verhandeling het wijfje wouwouwin genoemd wordt.

Het is zeer vreemd, dat men het woord wouwouw, zoo dikwijls in geschriften over Indië voorkomend, in geen enkel Ned. Woordenboek, zelfs niet in Kramer's „Kunstwoordentolk”, vindt opgenomen. Het is evenwel een echt Nederlandsch woord, omdat het natuurlijke klanken, geuit door eene in Insulinde levende klasse van dieren, nabootst op eene wijze, die alleen in onze taal bestaanbaar is. Ook was het, schoon thans vergeten, eenmaal in onze volkstaal lang niet zeldzaam. Ik herinner mij zeer goed het ± 60 jaren geleden dikwijls in mijne geboortestad Dordrecht gehoord te hebben; ik meen zelfs dat het een gewone spreekwijs was een knaap, dien men als vlug en vlijtig prijzen wilde, „een koninkje van de wouwouwen”(11) te noemen. Misschien dacht men, bij deze uitdrukking, aan de bekende en niet geheel ongegronde verhalen omtrent de in Indië voorkomende apenkoloniën, die een ouden aap tot leidsman, koning of, zooals men op Java zegt, tot koewoe hebben; doch in dat geval heeft men zich bedrogen, daar zulke koloniën altijd uit apen van eene geheel andere soort, nam. Macacus of Cercocebus cynomolgus, den grijzen aap of meerkat, bestaan.

Voor vreemde dieren, in afgelegen landen vertoevende, heeft onze taal slechts een zeer beperkt aantal eigen woorden. De taal wordt in die richting, gelijk op zoo menig ander wetenschappelijk gebied, niet ontwikkeld, omdat onze geleerden meer en meer het gebruik der moedertaal versmaden. Men moet zich dan ook in onze museën en diergaarden veelal met Latijnsche of Fransche namen behelpen, die den beschouwer zoo vreemd zijn, dat hij ze dadelijk weder vergeten is. Een naam als wouwouw, die op een duidelijk kenmerk van het dier, nam. de vreemde klanken die het voortbrengt, berust, wordt daarentegen dadelijk in het geheugen gegrift. Wenschende dat deze naam, gelijk andere dergelijke, in onze taal zou herleven, heb ik daarvan ook reeds in mijn „Java”, D. I, bl. 258, gebruik gemaakt, na in mijne vertaling van Wallace's „Insulinde”, I, bl. 107, het minder Hollandsche wauwau te hebben gebezigd.


(11) Of moet het soms „koning van de wouwen” zijn, met toespeling op den koningswouw (Milvus regalis)?

Kazuaris.

Kazuaris is een bekende vogel uit Nieuw-Guinea en de Molukken, in gestalte op den struis gelijkende, maar geheel vleugelloos en bedekt met lange, grove, op haar gelijkende vederen. Valentijn, III, 1, bl. 298: „De naam van dezen vogel is door gansch Indië de Kasuwaris.” Hij is van Papoeschen oorsprong en luidt, volgens Sal. Müller, „Reizen in den Indischen Archipel”, I, bl. 120, volgens de uitspraak der westelijke Papoea's Kasoewari.

Met den naam van den Kazuaris hangt die van de Casuarinen samen, Oostindische boomen, zoo genoemd, omdat de naaldvormige takjes, die, oppervlakkig beschouwd, de bladeren schijnen te vervangen, door onze voorouders met de haarachtige vederen van den kazuaris vergeleken werden (Jav. tjemôrô, Mal. tjemara, wij zouden zeggen paardestaartboom). Zie Val. III, 1, bl. 222; Pijnappel, „Geogr. van Ned.-Indië”, bl. 25. In 't Nederlandsch schrijft men echter beter kazuaris-boom, zooals bestendig geschiedt in 't „Amboyns Kruydboek” van Rumphius, b. v. D. III, bl. 87: „naam in 't Lat. Casuarina.... op 't Duytsch Casuaris-boom van de gedaante der bladeren.”

Papegaai.

Papegaai, Duitsch Papagei, Eng. Popinjay, oud-Fransch Papegai, Papegaut, Ital. Pappagallo, Sp. en Port. Papagayo, stammen zonder twijfel af van het Arabische babagâ of het Perz. bapgâ; maar daar deze woorden in hun oorsprong noch Arabisch, noch Perzisch kunnen zijn, blijft de vraag over in welke taal zij oorspronkelijk te huis behooren. Prof. Dozy, die Papegaai niet in zijne „Oosterlingen” opnam, zegt in zijn „Glossaire des mots Espagnols” etc., p. 326: „M. de Slane, dans une note sur la traduction d'Ibn Khallicân (II, 149) a soupçonné qu'il appartient à quelque dialecte Indien. Notre savant indianiste, M. Kern, m'assure, qu'il n'est pas ainsi. Je suppose donc que c'est un terme Africain.” Onmogelijk is dit zeker niet; maar de ondergeschikte rol die de papegaaien in Afrika vervullen, maakt het minder waarschijnlijk. Doch er is ook nog eene andere onderstelling mogelijk: het woord kan ook van Papoeschen oorsprong zijn, evenals Kazuaris, of ook aan eene der Moluksche landtalen behooren. Nieuw-Guinea en de Molukken zijn vanouds wegens de veelsoortigheid en schoonheid hunner papegaaien beroemd geweest. Vgl. het aangeteekende op Kakatoe en Lori.

Kakatoe.

Deze schrijfwijze is geloof ik de meest gebruikelijke en bewaart beter den oorspronkelijken vorm dan kakketoe, dat door de Vries en te Winkel en ook door van Dale is aangenomen. In het Engelsch zegt men cockatoo.

Ieder weet dat kakatoe een geslacht van papegaaien is, zich onderscheidende door een kuif op den kop, een grooten, gekromden, scherpgepunten en krachtigen snavel, en in witte en zwarte soorten voorkomende. Het vaderland dezer vogels zijn de Moluksche of Papoesche eilanden en hun naam, evenals die van den kazuaris, behoort dan ook, naar allen schijn, oorspronkelijk in de talen dier eilanden te huis. Die naam is tot de Maleiers gekomen en luidt bij hen kakatoewa. Uit het Maleisch is deze in de talen van Europa overgegaan; maar dat hij oorspronkelijk Maleisch zou zijn, is hoogst onwaarschijnlijk. In die taal zou hij een samengesteld woord moeten zijn; maar de verbinding van kaka met toewa geeft geen zin, en in de Maleische landen geldt even goed als bij ons de regel, dat dieren uit vreemde landen komende, doorgaans hunne uitheemsche namen behouden.

Kakatoewa heeft intusschen in het Maleisch nog twee wel niet algemeen bekende, maar toch genoegzaam vaststaande beteekenissen. Volgens Crawfurd, in „Journal of the Indian Archipelago”, 1850, p. 183, beteekent het a vice, a gripe, d. i. een nijptang. Het is zeker meer waarschijnlijk, dat men dit werktuig kakatoewa heeft genoemd, omdat zijn vorm en gebruik aan den snavel van dien vogel herinnerden, dan dat de vogel naar de nijptang is genoemd, zooals Crawfurd schijnt te meenen. Ook Klinkert, in zijn Supplement op het „Maleisch-Ned. Wdbk.” van Pijnappel, kent die beteekenis van nijptang, maar bovendien ook die van een soort van pagaai of schepriem. Dit laatste voorwerp wordt niet nader beschreven, maar moet toch ook, dunkt mij, gekenmerkt zijn door iets in zijn vorm dat aan een kakatoe doet denken. Pijnappel heeft in de tweede uitgave van zijn Woordenboek ook de beteekenissen van nijptang en een soort van pagaai opgenomen.

Lorre.

Lorre, of de verkleinvorm Lorretje, is de gewone naam waarmede bij ons een papegaai, als huisdier in een kooi gehouden, wordt aangesproken. Dus b. v. in Potgieter's „Liedekens van Bontekoe” (Verspreide en nagelaten werken, Poëzy, D. II, bl. 28):

Ai! Lorretjen,
Kaporretjen,
Kapoe, kapoe, kapoe,
Houd mij je bekjen toe!

Ook bestaat er in onze taal een spreekwijs: „Hij is van lorretje [in zijn hersens?] gepikt”, d. i. hij is onnoozel.

Men heeft dit woord afgeleid van het Spaansche loro (volgens den Diccionario de la real Academia Esp.”: lo mismo que papegayo); zie M. J. Koenen, „Sprokkelingen” (Tiel 1888). Dat loro (of louro, wat ik als Portug. vind opgegeven) in Indië reeds vóór onze komst door onze Spaansche en Portugeesche voorgangers gebruikt werd, is zeker mogelijk; maar de oorsprong van dit woord is stellig, evenals kazuaris, kakatoe en andere namen van alleen in het Oosten van den Archipel voorkomende dieren, in de talen van de Moluksche en Papoesche eilanden te zoeken. Die fraaie, borsteltongige, driekleurige papegaaien, de meest gezochte en geliefde als huisvogels, die aan de zoölogen onder den naam van lori (lorius) bekend zijn, komen in al hunne soorten bijna uitsluitend op genoemde eilanden voor. Hun inlandsche naam luidt noeri of, door de gewone verwisseling der liquidae, loeri, is ook in het Maleisch overgenomen en is het eigenlijke grondwoord van lori, loro, louro en lorre te achten.

Salanganen.

„De tot de gierzwaluwen behoorende Salanganen (Colocallia esculenta en C. fuciphaga) bouwen tegen den wand van de holen der kalkrotsen, uit eene kleverige zelfstandigheid, die in den krop wordt afgescheiden, de bekende eetbare nesten, die zulk een geliefd artikel voor de tafel der Chineezen zijn, dat de exploitatie voor Gouvernements-rekening eene niet onbelangrijke bijdrage aan de schatkist levert.” (Zie mijn „Java”, D. I, bl. 213). In het Javaansch heeten deze vogeltjes manoek walet, in het Maleisch lajang boehi; doch vanwaar komt de naam salangane, die voor deze vogeltjes bij Franschen, Duitschers en Nederlanders algemeen is? (Zie Littré's „Dictionnaire, Brockhaus' „Conversations Lexicon, Pijnappel's „Geogr. v. Ned.-Indië”, 2e druk, bl. 4). Sommigen leiden dien af van Salanga bij de Westkust van het Maleisch Schiereiland (bij Valentijn Oedjang Salang, en op zijne kaart Junsalan, bij Engelsche schrijvers Junk Ceylon met allerlei verscheidenheden in de schrijfwijze); maar ik heb geene bewijzen kunnen vinden, dat dit tinrijke eiland ook door zijne vogelnesten beroemd was. Eene andere verklaring, die ik niet geloof aan een eigen inval verschuldigd te zijn, maar meen ergens gelezen te hebben, is dat salangane (door een verwisseling der liquidae l en r, waarvan wellicht de sporen in sommige Maleische taaltakken zijn weer te vinden) gevormd is van het Maleische sarang, nest(12). Gelijk bij ons in den handel de eetbare vogelnestjes doorgaans alleen vogelnestjes heeten, noemen ook de Maleiers ze enkel sarang boeroeng, dat hetzelfde beteekent, en die uitdrukking is ook door de Javanen onveranderd overgenomen. Dit sarang zou dan, als salang uitgesproken, en met een Europeeschen uitgang vermeerderd zijn, zoodat salangane zooveel als nestvogel zou beteekenen, nest in de speciale beteekenis van de bekende eetbare vogelnestjes genomen.


(12) In het Bisajasch, een taal der Philippijnsche eilanden, heet een nest salag, en volgens Littré wordt door Camelus, in de „Philosophical transactions” voor Mei en Juni 1703, salamga als een op Luçon gebruikelijke vorm van dit woord vermeld.

Kaalkop.

Ik heb reeds bij het woord Toepassen gewezen op de zonderlinge liefhebberij onzer voorvaderen, om namen voor Indische zaken, die een zweem van overeenkomst met bekende Europeesche woorden hadden, zoodanig te verknoeien, dat zij geheel den vorm dier Europeesche woorden kregen, zonder dat de beteekenis daartoe eenige aanleiding gaf. Dat de gewone Jav. rijstmaat in plaats van Amĕt of Angmĕt door den naam hangmat werd aangeduid; dat eene vrucht, in sommige Indische talen soorsak geheeten, den naam van zuurzak ontving; dat de paséban, de plaats waar de Jav. ambtenaren zitting houden, passeerbaan werd geheeten; dat men kati, een gewicht van 1¼ Amst. pond, als katje uitsprak; dat men het eiland Bawéan verdoopte tot Baviaan, het Panditô-eiland tot Bandieten-eiland, het district Païton tot Phaëton, de bekende koopstad Djewônô of Djoewônô tot Joanna, den Banian-boom (een soort van Weringin) tot Benjamin (vanwaar bij Linnaeus Ficus Benjamina),—dit alles heeft niets met de beteekenis dier woorden te maken. Geheel onafhankelijk van deze, verminkte men al die namen, omdat zij zoo den Europeanen meer naar den mond stonden. Ik merk dit hier op, omdat sommigen gepoogd hebben den naam kaalkop, dien de Nederlanders aan de bekende vischsoort kakap gegeven hebben, te verklaren uit de omstandigheid dat de schubben op den kop en den nek van dezen visch zoo klein en met elkander verwassen zijn, dat deze deelen geheel kaal schijnen. (Zie „Batavia in derzelver gelegenheid”, IV, bl. 94). Mogelijk is het dat deze omstandigheid tot verbreiding en instandhouding van dien naam heeft medegewerkt, maar de aangehaalde voorbeelden geven ons genoegzamen waarborg, dat hij oorspronkelijk uit de corruptie van een inlandsch woord is ontstaan.

Bij de toegenomen kennis van de talen en de geographie van Ned.-Indië zijn die verbasterde woorden allengs in onbruik geraakt en worden ze thans zelden meer vernomen. Dit is ook reeds eenigermate met kaalkop het geval; althans Dr. van der Burg, „de Geneesheer in Indië”, D. I, bl. 156, verzekert: „Slechts zelden hoort men den verbasterden naam kaalkop voor dien visch bezigen”.

Hoe algemeen hij vroeger was blijkt b. v. uit Stavorinus „Reize naar Batavia”, I, 48, en zelfs uit Bleeker's „Geneeskundige topographie van Batavia” (Tijdschr. van N.-Ind. Jg. VII, D. III, bl. 408), die de woorden: „de vermaarde kaalkop van de Europeanen dezer Indiën” daarvan bezigt.

De kakap of ikan kakap (ikan beteekent visch) is eene soort van zeebaars, ongeveer zoo groot als een schelvisch, en heet bij de zoölogen Lates calcarifer (vroeger Lates nobilis). Hij is van alle zeevisschen te Batavia de meest geachte, en is voortreffelijk als hij versch gekookt kan gegeten worden, maar dieper in 't binnenland moeilijk goed te krijgen, daar het vleesch bij het vervoer bijna altijd eenigszins week en melig wordt.

Ik vermeld hier in het voorbijgaan nog even een nog zonderlinger naam van een visch, welke naam wel-is-waar ook in Indië te huis behoort, maar zuiver Nederlandsch in oorsprong en vorm is, en dus niet onder de vreemde woorden in de Nederlandsche taal kan gerangschikt worden. De bedoelde visch behoort mede tot de Percidae of baarzen en wel tot het geslacht Serranus, ondergeslacht Epinephelus. De inlanders noemen deze vaak zeer kolossale visschen gewoonlijk Ikan krapoe, maar volgen ook niet zelden het gebruik der Europeanen, die ze van oudsher Jakob Evertsen noemden. De oorsprong dezer zonderlinge benaming is vermeld door Bontius, „Historia naturalis et medica Indiae Orient.”, p. 77: „Piscis hic cute est flava, nigrioribus maculis per totum corpus distincta, unde nostri navales socii, cum primum in Indiam navigantes, circa insulam Mauritii eum cepissent, Jacob Evertsen vocabant, qui ipsorum Nauarchus, et homo parva et compressa statura, flava cute, plurimas similes maculas in facie gerebat, unde et per totam Indiam adhuc idem nomen retinet”. D. i.: „Deze visch heeft een gele huid, over het geheele lichaam met zwartachtige vlekken geteekend, waarom onze zeelieden, toen zij, op de eerste reizen naar Indië, zulk een visch nabij het eiland Mauritius gevangen hadden, dien Jakob Evertsen noemden, omdat deze hun vlootvoogd, een man van kleine en gedrongen gestalte en taankleurige huid, vele dergelijke vlekken in het aangezicht had. Dien naam heeft sedert deze visch in geheel Indië behouden”. Zie verder „Batavia in derzelver gelegenheid”, IV, bl. 26; Bleeker in T. v. N.-I. Jg. VII, D. III, bl. 409; van der Burg „de Geneesheer in Indië”, I, bl. 156 enz.

Kaaiman.

Kaaiman is volgens van Dale, „Nieuw Ned. Wdbk.” een soort van krokodil die de rivieren van Amerika, inzonderheid van Guiana, bewoont. Dit is volkomen juist en in overeenstemming met het oude en echte spraakgebruik. Piso, „de Indiae utriusque re naturali et medica”, p. 282, spreekt van den Crocodilus vulgo Cayman dictus als van een dier in West-Indië, gelijkende op de krokodillen van Afrika en Azië, maar kleiner. Bij S. de Vries „Curieuse Aenmerkinghen”, D. II, bl. 576, waar hij van Nieuw-Granada spreekt, leest men: „de rivieren herberghen ook 't verslindende dier, van de Indianen genoemd Caymans, van de Spanjaarden Lagartos, zijnde een slagh van crocodillen”. Wij zien hieruit dat de ware Kaaiman noch een Gaviaal, noch een echte Krokodil is, maar een Alligator. In het voorbijgaan zij hier opgemerkt, dat Alligator slechts in schijn een Latijnsch woord is, maar inderdaad een Spaansch, nam. Lagarto, vermeerderd met het lidwoord el, en waarin oorspronkelijk het Latijnsche lacerta, d. i. hagedis, schuilt. De naam waarvan wij kaaiman gemaakt hebben, is door de Indianen van Amerika zelven aan de hun bekende soort van krokodillen gegeven.

Intusschen wordt thans door de Nederlanders in den Indischen Archipel de naam kaaiman algemeen toegepast op den daar menigvuldig voorkomenden Crocodilus biporcatus, eene soort van echten krokodil, en men schijnt er zich zoozeer overtuigd te houden dat kaaiman van echt Nederlandschen oorsprong en met man samengesteld is, dat men, evenals man van timmerman in het meervoud timmerlieden, of in de volksspraak timmerlui maakt, zoo ook gewoon is van kaailieden en kaailui te spreken. Dat het gebruik van kaaiman voor den Oostindischen krokodil reeds zeer oud is, blijkt daaruit, dat Bontius, wiens aanteekeningen over de natuurlijke historie van Indië Piso als een aanhangsel op zijn zoo evengenoemd werk heeft uitgegeven, bl. 55 schrijft, dat de krokodil, zooals hij te Batavia voorkomt, „per totam Indiam Cayman audit.” Bontius was een tijdgenoot van Koen. Het blijkt dus dat de naam kaaiman reeds zeer vroeg, òf door onze landgenooten, òf door de Portugeezen, uit West-Indië naar Oost-Indië moet zijn overgebracht. Die vroege verbreiding van het woord in Insulinde doet mij echter bij voorkeur aan de Portugeezen als overbrengers denken, vooral in verband met zijn vorm. De Portugeezen schrijven het woord Caimâo of Caimam, vormen die, zooals bekend is, in uitspraak schier geheel met ons kaaiman overeenkomen. Wij zullen dus het woord door hunne tusschenkomst van de Indianen ontvangen hebben.

Het woord Caiman wordt ook in het Fransch gebruikt. Ik voeg hierbij wat Littré over den oorsprong van dit woord aanteekent, omdat het mijn gevoelen bevestigt: „Etym. Acayouman, nom du crocodile en langue caraïbe. Dict. fr. caraïbe du Père Raymond Breton, Auxerre, 1664. Indi Aquelzoallin, alii Caymanem vocant. Nieremberg, Hist. Nat. XII: 5. De los lagartos o Caymanes qua llaman (des lézards, ou, comme on dit, caimans). Acosta, Hist. nat. de Indias, III, 17.”

Leguaan.

Leguaan is de naam van de Kamhagedis, Iguana tuberculata, die Midden- en Zuid-Amerika bewoont. Het woord is stellig uit Amerika afkomstig en luidt in het Spaansch, waarin het vermoedelijk het eerst is opgenomen, Iguana. Het Woordenboek der Spaansche Akademie zegt uitdrukkelijk, dat Iguana de naam eener Amerikaansche hagedissensoort is, en Littré teekent aan op Iguane, „Etym. Yuana, mot caraïbe, cité par Oviedo en 1525”.

Maar evenals het woord Caimâo of Kaaiman, is ook Iguana of Leguaan reeds zeer vroeg naar Oost-Indië overgebracht en op de daar voorkomende hagedissensoorten toegepast. Bontius, in het aanhangsel op Piso, „de Indiae utriusque re nat. et med.”, p. 56, gelooft zelfs dat leguaan de inlandsche naam eener hagedis op Java is, en nog worden de hagedissen van het geslacht Monitor in Ned.-Indië algemeen leguanen genoemd, ofschoon wij thans genoeg van de talen van onzen Archipel weten, om in te zien dat die naam er niet inheemsch kan zijn. Zie Sal. Müller in de „Verhandelingen over de Nat. Gesch. d. Ned. overz. bezittingen, Afd. Zoölogie, Reptiliën”, bl. 37. Nochtans zijn wij Nederlanders waarschijnlijk niet de eersten geweest, die den Amerikaanschen naam op Oostindische hagedissen hebben toegepast. Vermoedelijk zijn de Spanjaarden ons daarin voorgegaan. In het „Vocabulario de la lengua Tegala” van Fray Domingo de los Santos wordt op bl. 515 het Spaansche lagarto (lacerta) verklaard door Yguana, als ware dit een Tagaleesch woord, en door Bayauvac, het Biawak der Maleiers.

Wat den vorm betreft schijnt leguaan, waar voor men bij onze oude schrijvers (b. v. S. de Vries, „Curieuse Aenmerkinghen”, I, bl. 82) ook legaan leest, eene verbastering te zijn van het Sp. Iguana, dat de Engelschen onveranderd hebben overgenomen, terwijl men in het Fransch Iguan of Iguane gebruikt. Geene andere Europeesche natie schijnt het woord te kennen in den door ons gebruikten vorm, met uitzondering van de Duitschers, die hun Leguan vermoedelijk van ons hebben overgenomen.

Tor.

Dit bekende synoniem van Kever (Hoogd. Käfer, Eng., ofschoon slechts plaatselijk, chafer) schijnt in het Nederd. alleen te staan; men wil het afleiden van tieren, wegens het snorrend of gonzend geluid dat sommige torren maken. Dit is echter slechts eigen aan eenige weinige onder de vele duizenden soorten van deze insecten. Men zou dus moeten aannemen dat het woord oorspronkelijk tot een of meer der meest geraasmakende soorten beperkt was, en bij uitbreiding een algemeene naam der schildvleugelige insecten geworden is. In ieder geval is kever, wanneer daarin, zooals men meent, het begrip van knagen ligt, een veel gepaster naam voor de geheele groep. Merkwaardig is het dat van tor noch in het Duitsch, noch in het Engelsch, ook zelfs in de dialecten, eenig spoor schijnt voor te komen.

Die sporen ontbreken echter niet in het Zweedsch en Deensch en wijzen in die talen op een geheel anderen oorsprong van Tor dan hierboven werd aangegeven. In het Zweedsch heet een kever Torbagge, Tordyfvel en Skalbagge. In het laatste schijnt skal de schaal, het vleugelschild, het eigenaardig kenmerk der kevers of schildvleugelige insecten, te beteekenen. Bagge houd ik voor hetzelfde woord als het Engelsche bug, dat thans wel-is-waar bijzonder de wantsen of halfvleugelige insecten aanduidt, maar vroeger wel niet zoo scherp begrensde beteekenis zal gehad hebben, daar vele hemiptera, met hunne halve dekschilden, niet in 't oog loopend van de torren verschillen.(13) Men moet zich altijd herinneren, dat dergelijke namen eeuwen lang gebruikt zijn, eer er entomologen opstonden die de klassen, geslachten en soorten nauwkeurig onderscheidden. Van dit bagge en bug schijnt mij ook het Nederlandsche bok in torbok niet wezenlijk te verschillen. Ik ken dit torbok slechts uit de woordenboeken van Weiland en van Dale, en zag nooit een voorbeeld van het gebruik, maar het is mij onmogelijk met Weiland aan te nemen, dat het hetzelfde is als boktor. Boktorren zijn de Cerambycidae of Longicornia, die zich door lange gebogen horens, als die van een bok, onderscheiden. Hoe onmogelijk het volgens ons taaleigen is, dat torbok, tenzij door later misverstand, hetzelfde zou beteekenen, daarvan kan men zich zonder geleerde beschouwingen gemakkelijk door een proef overtuigen. Geen Nederlander zal zich laten diets maken, dat een snuitkever ook een keversnuit of een loopkever ook een keverloop kan genoemd worden. In het Deensch heet een tor Torbist, Skarnbasse of, met een vage benaming, zooals ons worm, ook somtijds Bille. In Skarnbasse beteekent de eerste lettergreep mest, en bewijst dus dat die naam eigenlijk aan de mestkevers (Geotrupes) behoort. Bist en basse zullen wel met bagge, bug en bok verwant zijn.

Wij vinden nu in onderscheidene dezer namen als eerste lettergreep tor, en velen mijner lezers zullen wellicht vreemd opzien wanneer ik het waag uit te spreken, dat daarin de naam schuilt der door de Scandinaviërs het hoogst vereerde godheid, den Dondergod Thor. Gelijk aan de meeste andere godheden waren ook aan Thor verschillende diersoorten toegewijd, en daaronder ook de mestkever, misschien oorspronkelijk wegens het nut dat hij sticht door het verteren van onreine stoffen. Ook bij de oude Egyptenaren bestond, zooals ieder weet, een heilige mestkever, die zeer groot aanzien genoot, de Scarabaeus (Ateuchus Sacer). Men leerde in Gothland dat wie zulk een heiligen mestkever op den grond zag liggen en weder op de pooten zette, daarmede zeven zonden uitdelgde, en zag hierin een herinnering van Thor's voorspraak bij Alvader.(14) Men noemde dus oorspronkelijk den mestkever, en later ook andere groote kevers of zelfs de kevers in het algemeen, bagge, bug, bok, bist (of welke andere vormen men ook bezigde), d. i. kever van Thor, en toen men later, bij de invoering van het Christendom, diepen afkeer voor al zulk heidensch bijgeloof begon te koesteren, den Thordjefvul, d. i. de duivel van Thor, waaruit in het tegenwoordig Zweedsch als algemeene naam der kevers Tordyfvel is ontstaan. Bij ons zeide men, zoo het schijnt, oorspronkelijk Torbok, dat later tot enkel Tor is afgekort.

Ik ben het meeste wat ik hier heb medegedeeld verschuldigd aan Cowan's „Curious facts in the history of Insects” (Philadelphia, 1865), p. 28. Doch daar ik het werkje slechts uit de tweede hand ken, en in mijne aanteekeningen mijn eigen bijvoegselen en gevolgtrekkingen niet van die van den schrijver heb onderscheiden, kan ik niet meer met juistheid opgeven wat ik hem verplicht ben. De toepassing op het Ned. tor en torbok is in allen gevalle van mij, en zoo zij eene dwaling blijkt te zijn, komt die op mijne rekening.

Sporen van bijgeloof met betrekking tot de torren ontbreken ook in Duitschland niet. Scheffel, zeker een der uitstekendste kenners van de Germaansche oudheid, weet ons in zijn „Ekkehard” (bl. 242) veel van den eerbied des Duitschen volks voor den Hornschröter, ons vliegend hert, te verhalen. Een der namen van dezen schoonen kever, den grootsten van Europa, is de Donnerkäfer (ook Donnergugi), en het blijkt dat hij werd beschouwd als het middel waarvan de toovenaars zich bedienden om donder te verwekken. Scheffel haalt daarbij de volgende woorden aan uit Grimm's „Mythologie” (3te Ausg., bl. 657; vgl. bl. 176): „Dem Schröter, den es mit Donner und Feuer in Bezug setzt, mag das Deutsche Volk besondere Ehre angethan haben.” De hier vermelde bijzonderheden voeren ons terug tot den Dondergod Thor.(15)

Het vliegend hert is te zeer van den mestkever onderscheiden, om aan te nemen dat zij vereenzelvigd werden; maar het eerstgenoemde kon met hetzelfde recht als de laatste „Thor's kever” genoemd worden en dus medewerken om, toen men den zin voor de oude mythologie verloor, aan alle kevers zonder onderscheid den naam van Thorbagge, Torbok of bij afkorting Tor te doen geven.

De vraag doet zich mij voor of het woord tor, als waarschijnlijk niet werkelijk van vreemde afkomst, hier wel eene plaats had verdiend. Daar evenwel, door het verloren gaan van tusschenschakels, de ware verklaring van het woord in het Nederlandsch niet meer te vinden was, kon het slechts door de hulp van vreemde talen worden opgehelderd. Ook blijft de vraag of wij het niet inderdaad aan de invallen der Noormannen in ons land verschuldigd zijn.