(24) Wie het hier gezegde vergelijken wil met mijn art. Manna in 1855 in het „Bijbelsch Woordenboek” opgenomen, zal bemerken dat ik thans, na 33 jaren, eene andere meening ben toegedaan.
In onderscheiding van andere soortgelijke aan den Bijbel ontleende uitdrukkingen, welker verklaring ik aan de bijbelsche woordenboeken overlaat, gun ik een plaatsje aan dit woord, omdat het in onze taal niet enkel de naam is der Joodsche sekte die het aanduidt, maar nog de algemeene beteekenis van schijnheilige of huichelaar heeft gekregen, en ook het adjectief farizeesch (of farizeeuwsch) heeft voortgebracht. Men denke b.v. aan Vondels bekende regelen: (van Lennep's „Vondel”, V, blz 427):
In Vondels „Joannes de Boetgezant” leest men ook farizeeusheyt voor huichelarij (ald. X, bl. 74) Het Hebr. farîsch, waarvan de naam afkomstig is, beteekent afgezonderde, afgescheidene, iemand die zich door bijzonder vertoon van vroomheid van de menigte onderscheidt.
Bij de vroeger gegeven verklaring van den sterrennaam Rigel had ik ook gaarne die gevoegd van Betelgeuze, die in dezelfde daar aangehaalde verzen van Nieuwland als een door rooden gloed gekenmerkte ster in den schouder van Orion vermeld wordt. Maar ofschoon omtrent den Arabischen oorsprong van Betelgeuze geen twijfel kan bestaan, werd de verklaring gedrukt door eene zwarigheid, die ik niet kon oplossen. Ik wachtte met de behandeling van het woord tot wellicht een gelukkig toeval mij de oplossing zou aan de hand geven. Ware mij vroeger ingevallen den „Dictionnaire étymologique des mots d'origine orientale” van Devic, achter het Supplement van Littré te raadplegen, dan zou ik zijne zeer aannemelijke verklaring niet zoolang aan mijne lezers onthouden hebben.
Betelgeuze is de door de Europeesche schrijfwijze meer of min onkenbaar gemaakte samenstelling van twee Arabische woorden: bait (of bêt), d. i. huis, ook in de astronomische beteekenis van de huizen der zon of teekenen van den dierenriem, en van djauzá (met het lidw. al-djauzá), den bekenden naam van het teeken der Tweelingen. Dus beteekent Betelgeuze „het huis der Tweelingen”, wat op zichzelf niet de geringste zwarigheid oplevert. Moeilijk is het echter te verklaren, hoe diezelfde naam kan gegeven zijn aan de schitterende roode ster in den schouder van Orion.
Uit de Arabische woordenboeken (b. v. Freytag, D. I, bl. 324b) blijkt, dat niet alleen de Tweelingen, maar ook het sterrenbeeld Orion al-djauzá genoemd werd. Deze homonymie, zoowel als de eigenlijke, oorspronkelijke beteekenis van djauzá, laat Devic onverklaard. Misschien kunnen Ideler's „Untersuchungen über d. Sternnamen” daaromtrent eenig licht geven; doch dit boek heb ik niet ter hand. Verder leeren ons de woordenboeken (b. v. Freytag, D. IV, bl. 331a) dat de ster Betelgeuze in 't Arabisch mankiboeʾl djauzá, d. i. de schouder van Orion, heet, wat ons niet veel verder brengt. Maar aan Devic behoort de verdienste van in een Arabisch HS. te hebben opgespoord, dat mankiboeʾl-djauzá ook door jadoeʾl-djauzá, d. i. de arm van Orion, vervangen wordt. In de niet zeldzame uitspraak jèd-el-djauzá kon dit, zooals hij nog verder terecht schijnt op te merken, lichtelijk door hen, die de Arabische sterrenamen gebruikten zonder ze te verstaan, met bêt-el-djauzá verward en verwisseld worden.(25)
(25) Het woord jad of jèd beteekent gewoonlijk hand, niet arm. Deze tegenwerping beantwoordt Devic met de opmerking: „dans le language scientifique yed se dit de l'ensemble du bras, depuis l'épaule jusqu'au bout des doigts.”
In werken over Ned.-Indië wordt niet zelden het woord tijferen gebezigd in den zin van „palmwijn door insnijding uit een boom tappen.” Zie b. v. „Tijdschr. v. N.-Indië”, 1870, II, bl. 240: „de plaats waar de inlanders de saguweer tijferen.” Het zou zeer zeker eene vergeefsche poging zijn voor dit woord eene Germaansche afstamming te zoeken; maar uit welke taal is het dan afkomstig?
In Rumphius' „Amboinsch Kruydboek”, D. I, bl. 5, leest men daarover het volgende: „De personen die op het tappen van drank uit boomen afgericht zijn, noemt men hier te lande met een Portugeese naam Tiffadoros en het werk zelfs tiffar, bij onze Duytsche tyfferen.” Op bl. 60 herhaalt hij dit in de volgende, in hoofdzaak alleen in de spelling verschillende woorden: „Het werk en de wetenschap om diergelijke dranken uit boomen te tappen, heet men hier met een Portugees woord tifar en de personen die zulks doen Tifadores, waartoe wel de bequaemste en ervarenste zijn de Baleyers, die ook een bijzondere en van de Amboinsche verschillende manier van teifferen hebben,” enz. Intusschen vind ik ook in de beste en volledigste Portugeesche woordenboeken van deze woorden tifar of tiffar en tifador of tiffador geene melding, en ofschoon men zeker op gezag van Rumphius mag aannemen, dat de Nederlanders in de Molukken het woord tijferen van hunne voorgangers hebben overgenomen, is daarmede de oorsprong nog geenszins verklaard. Misschien is het door de Portugeezen ontleend aan een der dialecten van Timor of de Molukken, waarin, gelijk men weet, de letter f voorkomt, die aan het Maleisch en Javaansch geheel en al vreemd is.
't Is zeker een curieuse bijdrage tot de kennis van 't gebruik van 't woord tijferen in onze taal, dat in 1670, bij A. v. d. Burgh te Amsterdam, een bundel gedichten in 't licht werd gegeven door zekeren M. Cramer, onder den titel: „D'Indiaensche tijfferboom, uyt-tijfferende verscheyden heylsame rijmen”. Zoo men zulk een titel verstaan zou, moest het publiek, waarvoor men schreef, toch wat meer van Indië weten, dan het tegenwoordig geslacht. Thans zou dat niemand verstaan, en wanneer iemand de bestaande woordenboeken ging raadplegen om over de beteekenis van tijferen te worden ingelicht, zouden ook de volledigste hem teleurstellen.
De gewone schrijfwijze thee wil mij niet uit de pen vloeien, omdat er voor de h noch in den oorsprong noch in de uitspraak van het woord eenige grond is. De letterverbinding th wordt bij ons gebezigd in vele woorden van Griekschen oorsprong om de thêta aan te duiden, en in enkele andere vreemde woorden, b. v. Thaler, Thallium, enz. In echt Nederlandsche woorden komt ze slechts voor in thuis, thans, althans, omdat deze uit te huis, te hands, al te hands zijn samengetrokken. De naam tee, zoowel als de plant (de Thea Chinensis der botanici) is tot ons gekomen uit China. De echte Chineesche vorm is tschā, waaronder de Chinees eigenlijk het tee-aftreksel verstaat. Het blad noemt hij tschā-yĕ, teeblad. Rechtstreeks van het Chineesche woord stamt het Portugeesche cha, waarnevens echter thans ook teha gebruikt wordt. In sommige Chineesche dialekten nadert de uitspraak wat meer tot den bij ons gebruikelijken vorm; maar vooral is dit het geval met het Javaansche té of hĕté en het Maleische teh, wat het vermoeden wekt dat wij wellicht ons tee door tusschenkomst dezer talen hebben ontvangen. Onze oudere schrijvers (b. v. Baldaeus, „Beschrijvinge van Malabar ende Coromandel”, bl. 183), hebben dikwijls tee zonder de h. Ook de Engelschen schrijven tea zonder h, en spraken oudtijds, gelijk dit nog in Ierland geschiedt, dat woord juist zoo uit als wij ons tee, zooals blijkt uit de volgende regels van Pope's „Rape of the lock”:
Daar nu de h zuiver overtollig is, schijnt de latere schrijfwijze thee, enkel door de voorkeur voor een ingewikkelde spelling, misschien onder den invloed van het Fransche thé, te zijn voortgebracht. Onze oude taal heeft echter meer recht om hier de toongeefster te zijn dan het Fransch. Want ofschoon de tee aan vele oudere reizigers bekend was, staat het genoegzaam vast, dat deze drank het eerst door onze landgenooten over Europa verspreid is. Zie Schotel, „Letterkundige bijdragen tot de geschiedenis van den tabak, de koffij en de thee”, bl. 185 vv.
Onder de samenstellingen met thee noemt Weiland o. a. theeboe, maar zonder dit woord te verklaren. Het is natuurlijk hetzelfde als het Fransche thé bou, waardoor in vroeger tijd de zwarte tee, in onderscheiding van de groene, werd aangeduid. Men meende namelijk dat de zwarte en groene tee van verschillende planten afkomstig waren, die de botanici door de namen van thea viridis en thea bohea onderscheidden, en het is van dit bohea dat het Fransche bohé of bou afkomstig is. Ook in het Engelsch is bohea (de ea uitgesproken als tegenwoordig in tea) als de naam eener soort van tee bekend. Onze voorouders gebruikten dit woord evenzeer, maar spraken het boei uit, zoodat ik niet recht weet hoe Weiland aan zijn theeboe komt. Theeboei leest men nog bij Schotel, t. a. p., bl. 205.
De oorsprong van bohea (eig. boe-ie-tschā) is te zoeken in den geographischen naam van een gebergte in de Chineesche provincie Foekiën of Hokkiën, vanwaar men de dusgenoemde soort verkreeg, Woe-ie of Boe-ie. Voor het overige weet men thans, dat het onderscheid tusschen groene en zwarte tee meer van de wijze van bereiding dan van het soortverschil af hangt. Want, ofschoon in de teeplant talrijke verscheidenheden voorkomen, zooals met alle op groote schaal in ver uiteenliggende streken en onder verschillende omstandigheden gekweekte cultuurplanten het geval is, kan men, in het algemeen gesproken, van dezelfde verscheidenheid zoowel groene als zwarte tee bereiden, wat niet buitensluit dat men wellicht sommige verscheidenheden bij voorkeur voor het bereiden van groene tee verkiest.
Aan verschillende in den handel voorkomende teesoorten, waarvan het onderscheid nu eens op werkelijk verschil in de planten, dan eens op de sorteering in top-, fijn-, middel- en grofblad, dan weder op de wijze van behandeling schijnt te berusten, worden verschillende namen gegeven. De meest bekende zijn Congo (eig. koeng-foe, d. i. werk), Souchong (siao-tschoeng, d. i. kleine soort), Hyson (hi-tschoen, d. i. glanzende lente), Uxim (You-tsiën, d. i. vóór de regens), en Pecco (pih-koe of pĕ-hao, d. i. wit haar, ook tee met witte puntjes). In Engeland is, of was althans vóór korten tijd, ook de bohea nog in den handel bekend, maar de naam heeft zijne vroegere beteekenis van zwarte, in tegenstelling met groene tee verloren en dient alleen nog om tee van de geringste hoedanigheid aan te duiden. Over de beste tee, Joosjes-tee geheeten, zie men het art. Joosje.
In Wilcock's Engelsche vertaling der Reizen van Stavorinus, D. I, bl. 173, vond ik de volgende curieuse aanteekening over dit woord, dat bij ons een der volksnamen van den duivel is. „The images which the Chinese worship, are called joostje by the Dutch and joss by the English seamen. The latter is evidently a corruption of the former, which, being a Dutch nickname for the devil, was probably given to these idols by the Dutch who first saw them, either for their hideous appearance, or from the principle that all idolatry is demonolatry. On no better ground than this the authors of the „Universal History” accuse the Chinese of worshipping the devil knowingly and de facto.”
Het zwakke punt in de redeneering van Wilcock is, dat hij onverklaard laat, waarom Joostje in het Hollandsch een bijnaam van den duivel is,—eene vraag die, als ze in ernst gedaan werd, zeer moeilijk te beantwoorden zou zijn; want Joostje, zooals Wilcock het woord spelt, is een deminutief van Joost, en Joost is een mansnaam, die afstamt van het Latijnsch Justus, dat rechtvaardig beteekent, en zeer ongeschikt is voor een naam van den vorst der duisternis. In enkele gevallen wordt Joost ook gebruikt voor personen die Jozua gedoopt zijn; maar Jozua zou als naam van den duivel even onverklaarbaar wezen.
Dat, door de gelijkheid in vorm bedrogen, vele Nederlanders werkelijk meenen dat Joosje als naam van den Duivel van den eigennaam Joost afstamt, blijkt genoegzaam uit de spreekwijze „Joost haal' mij” en andere dergelijke; maar onze oude schrijvers geven ons ook hier het noodige licht, daar zij het ons duidelijk maken, dat Joosje oorspronkelijk een Chineesch woord is, dat het gewone voorwerp van de dagelijksche vereering der Chineezen aanduidt, hetwelk door de Europeanen van ouds als de Duivel beschouwd werd. Zoo lezen wij bij Wouter Schouten, „Reistogt naar en door Oost-Indiën” (uitgave van 1780), D. I, bl. 23, dat de Chineezen te Batavia in hunne donkere woningen waskaarsen ontsteken ter eere van den Vorst der hel, dien zij als hunnen God aanbidden. „Den Schepper,” zegt Schouten, „vreezen zij niet, wijl van Hem alles goeds komt; maar de Duivel, dien zij gemeenlijk Joosje noemen, is, zeggen zij, een machtig en geweldig vorst der wereld, die de menschen met duizenden van plagen kan bezoeken en gantschelijk verderven.” Deze voorstelling aangaande de vereering des duivels door de Chineezen vindt men bij verschillende schrijvers en zelfs nog in de „Mededeelingen over de Chineezen op Java” door Aquasi Boachi(26), in „Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde van Ned.-Indië”, Dl. IV, bl. 283. Het is wel ontwijfelbaar dat die vereenzelviging van Joosje, als het voorwerp der vereering van de Chineezen, met den Duivel, tot het gebruik van Joost of Joostje in onze volkstaal als naam van den Duivel aanleiding heeft gegeven. Dat de voorstelling aangaande eene vereering des Duivels door de Chineezen geheel verkeerd is, zooals Prof. Hoffmann in zijne aanteekeningen op het stuk van Aquasi Boachi, bl. 279, aantoont, doet hier niets ter zake; het is ter verklaring van den bedoelden naam des Duivels genoeg te weten, dat zij vroeger algemeen was.
Den naam Joosje voor het voorwerp van vereering der Chineezen vindt men met eenige wijziging ook in het Engelsche Joss en in de samenstellingen josshouse, zooals de kleine Chineesche huistempels, en josssticks, zooals de Chineesche offerstokjes genoemd worden. Bij latere Nederlandsche schrijvers vindt men dit Joosje vervangen door Djoesie, dat waarschijnlijk de echte Chineesche uitspraak meer nabij komt. Zie W. L. Ritter, „Java, tooneelen uit het leven, karakterschetsen en kleederdrachten van Java's bewoners”, bl. 134; de Hollander, „Land- en Volkenk. van Ned.-Ind.”, 3e uitg., D. I, bl. 470.
Volgens Prof. Hoffmann, t. a. p., bl. 282, zou Joosje of Joss eigenlijk niet het door de Chineezen vereerde beeld zijn, maar hun tabernakel, een kistje waarin een houten beeldje van Boeddha of een of anderen boeddhistischen heilige geplaatst is. Deze kleine tabernakels of Boeddha-huisjes heeten namelijk gewoonlijk Tschoe tszé, Japansch Dsoe-si. Hiervan zal dan Djoe-si afkomstig zijn.
Minder waarschijnlijk dunkt mij de gissing, die Joosje of Joss voor eene verbastering van het Port. Deos, Sp. Dios (d. i. God) houdt. Men zou daaruit desnoods nog het Eng. Joss, maar bezwaarlijk het Hollandsche Joosje kunnen verklaren.
Naar alle waarschijnlijkheid staat ook nog met het behandelde Joosje de naam in verband van joosjes-tee, dien de Nederlanders gewoon zijn te geven aan eene zeer fijne soort van tee, tot zeer kleine balletjes gekneed, waarom zij ook buskruid- of parel-tee wordt geheeten. Zie de Sturler, „Handboek voor den Landbouw in Ned.-Indië”, bl. 392; Jacobson, „Handboek voor de cultuur en fabricatie van thee”, I, bl. 101. De samenhang is echter niet volkomen duidelijk. Ik waag het daaromtrent het volgende te gissen.
De godsdienstoefening waarbij de Djoesi behoort, is geen openbare, maar een huiselijke. Elke Chinees heeft in zijne woning een huisaltaar met eene tafel, waarop het boven beschreven kistje staat. Op deze tafel worden dagelijks vruchten, reukwerk en andere voorwerpen geofferd. Zou het nu niet kunnen zijn, dat tot deze offergaven ook de bovenvermelde balletjes van de fijnste tee behooren en deze daaraan den naam van joosjes-tee te danken hebben? Dat tee werkelijk onder de gewone Chineesche offergaven voorkomt, blijkt uit „Bijdragen voor de taal-, land- en volkenk. van Ned.-Ind.”, D. II, bl. 325.
(26) Aquasi Boachi is een Ashantijnsche prins, dien de Generaal Verveer van de kust van Guinea naar Nederland bracht, om daar eene beschaafde opvoeding te ontvangen, en die, aan de Delftsche Akademie opgeleid, een tijd lang als ingenieur bij het mijnwezen werkzaam was, doch zich later op Java aan landbouwondernemingen wijdde.
Beiram of Bairam is een Turksch woord, dat feest beteekent. Het ontbreekt in de „Oosterlingen” van Dozy; maar onze oude schrijvers gebruiken het doorgaans tot aanduiding der beide groote feesten van den Islam, het feest bij het einde van de vasten, en het offerfeest, dat op den 10den der laatste maand door de bedevaartgangers te Mekka, maar ook elders in de Mohammedaansche wereld, ter herinnering, zegt men, van Abrahams offerande(27), met offermalen gevierd wordt. Zoo lezen wij in C. de Bruyn's „Reizen”, I, bl. 118: „Eer wij dit hoofdstuk eindigen, moeten wij ook yts van den Bairam of Paaschfeest zeggen”, en ald. bl. 119: „Behalve dezen Bairam, die de groote of de Bairam des Ramadans geheeten wordt, hebben de Turken noch den kleinen, of den Bairam der Adgi's [Hadji's] of Pelgrims van Mecha”.
De bijv. naamwoorden groot en klein zijn hier door de Bruyn verkeerd gebruikt; want inderdaad is volgens de leer van den Islam het Mekkaansche offerfeest het groote, en het feest bij het einde van de vasten het kleine; maar hij is daarbij in overeenstemming met de zienswijze der Turken, die het offerfeest het kleine, en het feest na de vasten het groote noemen, omdat het laatste met veel grooter vreugdebedrijven gevierd wordt. Even verkeerd is het in den grond, wanneer de Bruyn het feest na de vasten het Paaschfeest noemt, maar ook hier is hij in overeenstemming met der Turken spraakgebruik. Inderdaad staat het offerfeest in nauwer historischen samenhang en heeft meer punten van aanraking met het Israëlietische Paschen, dan het feest dat zoo dikwijls het „Turksche Paschen” genoemd wordt.
De verwarring in de benamingen van deze feesten is reeds aangewezen in eene noot van onzen beroemden Reland op zijn werkje: „de Religione Mohammedica”, ed. alt., p. 109.
(27) Zie hierover mijn „Java”, I, bl. 397.
Efendi of Effendi is een Turksch woord, dat heer, meester beteekent en als titel geplaatst wordt achter namen van personen en van waardigheden, als in: Ja'koeb Efendi, de heer Jakob; Raïes Efendi, titel van den Minister van Buitenlandsche Zaken. Men beweert dat Efendi oorspronkelijk Grieksch is en verbasterd uit authentis, in hedendaagsche uitspraak afthendis.
Dozy heeft het woord niet in de „Oosterlingen” opgenomen, ofschoon hij er over spreekt bij Aga, dat nagenoeg hetzelfde beteekent. Het onderscheid bestaat daarin, zegt hij, dat Aga wordt gebruikt wanneer men van een militair opperhoofd, en Efendi, wanneer men van een burgerlijk ambtenaar spreekt. Ook aan Efendi had een afzonderlijk artikel moeten gegeven worden, dat uit een eenvoudige verwijzing naar Aga had kunnen bestaan. Dat dit niet is geschied, zal wel een bloot toevallig verzuim zijn.
Omtrent den oorsprong van dit woord bestaan twee gevoelens; volgens het eene komt het uit het Perzisch, volgens het andere is het Germaansch, maar gewijzigd door doorgang door het Italiaansch. Door het woord niet op te nemen in de „Oosterlingen”, heeft Prof. Dozy getoond aan de afleiding uit het Perzisch geen waarde te hechten. Maar in zijne aankondiging van dat werkje in den „Ned. Spectator”, 1867, zegt Prof. de Goeje: „Ik moet bekennen dat de afleiding van balkon van het Perzische bâlâkhâneh (opperkamer, 't bovenste van 't huis) mij althans even waarschijnlijk voorkomt, als die van het oud-Hoogduitsche balcho (balk).” Inderdaad verzet zich noch de woordvorm, noch de beteekenis bepaaldelijk tegen die afleiding. Bâlâkhâneh is samengesteld uit bâlâ boven, en khâneh, woning, en beteekent dus bovenhuis. De overgang tot de beteekenis van balkon is niet zeer bezwaarlijk, zooals blijkt uit de volgende verklaring van bâlâkhâneh in Stocqueler, „Oriental Interpreter”: „Persian, Balcony, an upper-room, open in front, and generally overlooking another and lower apartment”. Nochtans blijft voor mij deze afleiding van balkon onwaarschijnlijk, zoolang niet is aangetoond hoe en langs welken weg zulk een woord uit Perzië naar Europa kon worden overgebracht; want het is veel te oud in de Europeesche talen om over Britsch-Indië tot ons te zijn gekomen. Bovendien heeft de beteekenis toch een veel moeilijker sprong gemaakt, dan bij de afleiding van het Germaansche, ook in onze taal voorkomende balk, terwijl de vorm geheel duidelijk wordt door de tusschenkomst van het Italiaansch, waarin woorden van Germaanschen oorsprong zoo menigvuldig zijn, en waaruit zoo menig woord van dien aard tot de Germaansche volken in gewijzigden vorm is teruggekeerd. Mij dunkt de verklaring in Grimm's „Deutsches Wörterbuch”: „Balkenvorsprung, auf dem man eines Standes im Freien zur Aussicht geniesst, nach dem Italienischen balcone, das selbst aus unserem Balke entlehnt wurde”, laat weinig te wenschen overig.
Veranda is eene open galerij aan de buitenzijde eener woning, zooals in de laatste jaren meer en meer aan villa's en op tuinen uitziende vertrekken in zwang komen. De naam zoowel als de zaak is ons uit Indië aangebracht. In Britsch-Indië zijn namelijk veranda's, uit een lichten steenen buitenmuur en jalousiën bestaande, en bestemd om de warmte en het licht in de vertrekken te temperen, van oudsher in algemeen gebruik geweest. Zoowel de Portugeezen, die varanda, als de Engelschen die meestal verandah schrijven, hebben het gebruik dezer aanbouwsels nagevolgd, en in hunne koloniën zoowel als in het moederland en verder over Europa verspreid. Ook in Nederlandsch-Indië zijn zij in zwang gekomen, en de naam veranda is in den vorm bĕranda in het Maleisch opgenomen. Bij ons schrijft men meestal in navolging der Engelschen verandah; maar beter is het de h, voor welker gebruik geen reden bestaat, weg te laten. Het woord is ontleend aan het Sanskriet of liever Prakriet, waarin het waranda luidt, dat ons tevens aan een ander van ouds gebruikelijk Nederlandsch woord, warande, doet denken. Vondel schreef reeds eene verzameling fabelen onder den naam van „Warande der dieren”, en nog in onze dagen gaf de heer J. Alberdingk Thijm een aan kunst en letteren gewijd tijdschrift onder den titel van „de Dietsche Warande” in het licht.
In den laatsten tijd vindt men in onze dagbladen van tijd tot tijd veranda door het oude warande vervangen, waarbij de schrijvers ongetwijfeld ten doel hebben den uit Engeland ingedrongen vorm weder door een oud Nederlandschen te vervangen. Er is trouwens geen twijfel aan of veranda en warande hangen etymologisch ten nauwste samen, en gaan beide terug tot denzelfden wortel war (vanwaar waren, bewaren). Maar dat is nog geen voldoende reden om de beide woorden met elkander te vereenzelvigen. Zij zijn langs geheel verschillende wegen tot ons gekomen en drukken voor ons iets geheel anders uit. Kiliaan, die waerande schrijft, verklaart dit door: „Roborarium, vivarium, cunicularium, leporarium, theriotrophium; locus septus ubi ferae inclusae custodiuntur et asservantur”, en vergelijkt het Fransche garenne en het Engelsche warren. Hieruit blijkt dus dat de eigenlijke beteekenis van warande is „bewaarplaats voor levende dieren, diergaarde, dierenpark”. Daar echter zulke dierenparken doorgaans ook fraai beplant waren, werd de warande ook een lustoord, een wandelpark. Zoo zegt Vondel in de Inleiding tot de Warande der dieren:
terwijl bij eenige regels verder, in het vers:
het woord warande door lustplaats vervangt. Men kan dus onze tegenwoordige diergaarden of zoölogische tuinen in volmaakt goed en teekenend(28) Nederlandsch waranden noemen; maar juist daarom klinkt het zeer vreemd, ja ongerijmd, wanneer men leest, „dat in de Rotterdamsche diergaarde belangrijke uitgaven zijn gedaan voor het aanbrengen van warande's”. Ik acht het dus verkieslijk voor de open galerij den vorm veranda te behouden, maar geschreven zonder de overtollige h.
(28) Ik vrees dat men dit woord on-Nederlandsch zal vinden; doch wanneer men van het water kan zeggen, dat het teekent, wanneer bij zijn val een vochtig merk aanduidt tot hoe hoog het gewassen was, of van een paard dat het niet meer teekent, wanneer zijn tanden niet langer zijn ouderdom aanwijzen, dan mag men zeker ook van een woord wel zeggen, dat het teekent, wanneer het juist en scherp aanwijst wat men uitdrukken wil.
Zoo noemt men soms in Indië het fraai gevlamde hout van Pterorarpus Indicus, dat in de Molukken Lingoa en in de Minahassa Aga-aga heet. Zie Miquel, „Flora van N.-I.”, I, 1, bl. 135; Pijnappel, „Geographie van Ned.-I.”, bl. 29. Ik laat hier eene plaats volgen uit het „Amboinsch Kruydboek” van Rumphius, D. II, bl. 206, die schijnbaar de verklaring van dezen naam geeft. „Deze stukken [hout] zijn zomtijds zo schoon geadert, dat men een grooten brand, met een draayenden rook, daarin speculeeren kan, diergelyke de Maleyers en Macassaren zeer zoeken, om krisscheeden van te maken. Zij laten zig redelyk wel polysten, maar houden hare coraal-roode verwe niet lange, en besterven bruin-rood. Zulke stukken vind men ook omtrent de schorsse, daar de stam gescheurt is, en gestadig van de zon geraakt werd, dewelke de vettigheid na deze plekken trekt, dezelve van buiten swart en verbrand maakt, waaronder 't bruine, en daar na 't ligt-roode hout leid, doch overal zo vet, dat voornoemde oly aan 't vuur uitsweet. Ik heb diergelijke boomen op steenige en steile stranden gevonden, wiens voorste wortelen van 't zout water bespat, en met beurten door de heete zon gebrant wierden, maar de achterste of landelijkste geenzints, als zijnde met eenige ruigte bedekt, waaraan ik bemerkte, dat de eerste wortelen vet, schoon rood en welriekende waren, en daaruit besloot, dat de zonnehitte de vettigheid in dezen boom bij elkander vergaderde.”
Wie deze plaats met den naam zonne-hout vergelijkt, zou allicht geneigd zijn om dien naam te verklaren uit den invloed, dien de zon gezegd wordt op dit hout uit te oefenen. In waarheid echter is de naam zonnehout niets anders dan eene verbastering van den Javaanschen naam van dit hout kajoe sônô. Kajoe beteekent hout en sônô is het Sanskrietsche sana, dat licht, glans beteekent (vgl. het Soend. seuneuh, vuur). Valentijn zegt III, 1, bl. 215, dat „sommige stukken van dit hout den heerlijken gloed van een brandend vuur vertoonen.”
Dit is van ouds de Nederlandsche, thans wel minder gebruikelijke, maar toch nog niet geheel verouderde naam van het beroemde Djatihout, het hout van Tectona grandis, een zwaren boom, die op Java in uitgestrekte bosschen, die als domein van het Gouvernement beheerd worden, voorkomt. De twee vormen, tusschen welke het moeilijk is te kiezen, laten zich beide, zooals straks blijken zal, evengoed verklaren. Daar evenwel het woord in de woordenboeken der Nederlandsche taal niet is opgenomen, wil ik in de eerste plaats zijn burgerrecht door eenige voorbeelden bewijzen. Rumphius, „Amboinsch Kruydboek”, III, bl. 34. „Naam. In 't Latijn Jatus. Op 't Duitsch Kiatenhout. Maleyts en Javaans Jati en Caju Jati.” Verhuell, „Herinneringen van eene reis naar de Oost-Indiën”, II, bl. 89: „Wij kwamen door een groot bosch van Jati-boomen, bekend als timmerhout onder den naam van Cajaten.” J. W. H. Cordes, „de Djati-bosschen op Java”, bl. 2: „Rheede van Drakenstein beschreef hem met den naam van Theca en de als Indische plantenkenner zoo beroemde Rumphius als Jatus en in het Nederduitsch als Kiati-boom, het hout Cajujati of Kiatenhout.” Lang voor ik deze plaatsen kende, vond ik op den catalogus eener verkooping van meubelen „een cajatenhouten” kantoor-bureau vermeld. Ik vroeg mijn timmerman wat dit beteekende en vernam van hem dat onder dien naam bij timmerlieden en kastenmakers het teak-hout van Britsch-Indië bekend is. Maar wij zullen zoo aanstonds zien dat Teak de Britsch-Indische en Engelsche naam is van den boom die op Java Djati heet. Dat hout, dat een der grootste schatten uitmaakt waarmede de Natuur ons Java heeft gezegend, is (hoe beschamend voor ons!), omdat men den moed mist om het naar Nederland uit te voeren, bij ons veel meer onder den Engelschen dan onder den Javaanschen naam bekend, en de oude Nederlandsche naam is bijna geheel vergeten.
Rumphius, t. a. p., bl. 35, zegt dat de echte Javaansche naam djati is, zooals ook thans algemeen wordt geschreven, doch onze voorvaderen vervingen doorgaans de Javaansche djô en Maleische djîm door de j, b. v. ook in den naam Java zelven, die eigenlijk Djawa moet zijn (zie mijn „Java”, II, bl. 6). Men las nog in de eerste helft dezer eeuw in Hollandsche boeken doorgaans Jati.(29) Verder zegt Rumphius, dat Djati eigenlijk deugdzaam, durabel beteekent en ook van menschen gebruikt wordt,—„een bewijs dat djati-hout voor 't beste en durabelste onder alle timmerhouten in aanzien is”. En inderdaad, ofschoon Djati ook op zichzelf het hout kan aanwijzen, plaatst men in het Javaansch en Maleisch daar dikwijls kajoe, d. i. hout, vóór, zoodat djati een adjectief schijnt te zijn en kajoe djati de volledige uitdrukking, die door het rechte, echte hout, het hout bij uitnemendheid, moet vertaald worden. Uit kajoe djati is ongetwijfeld door samentrekking kajate ontstaan; maar daar in de eerste lettergreep kajoe, d. i. hout, reeds schuilt, is de gewone vorm kajatenhout (een volkomen parallel van porte-brisée-deur) inderdaad als een belachelijk pleonasmus af te keuren. Ofschoon dit nu alleen hen hinderen kan, die met den oorsprong van het woord bekend zijn, ware het wellicht beter hout en tevens de verbindende n weg te laten en eenvoudig kajate te schrijven.
In het Soendaasch, of de taal van West-Java, beantwoordt aan kajoe kaï, of bij samentrekking in samenstellingen ki. Men zegt dus kidjati, of naar de oude wijze van transscriptie kijate, waarin ook de j, die als overgang tusschen de klinkers i en a van zelf ontstaat, ongeschreven kan blijven. Hieruit is de vorm kiatenhout ontstaan, die ongeveer evenveel recht van bestaan heeft als kajatenhout. Men zou echter een zekere voorkeur voor den Javaanschen vorm kunnen wettigen door de opmerking, dat de djatiboom, die in het eigenlijk Java uitgestrekte terreinen bedekt, in de Soendalanden slechts weinig voorkomt.
In Britsch-Indië komt de djati-boom vooral voor op de kust van Malabar en verder noordwaarts. Van de Javaansche soort, die ook zelve eenigszins variëert, verschilt de Indische ten hoogste als variëteit. De inlandsche naam is volgens Cordes Tayk of Doda-Thayka. Hiervan maakten de Portugeezen Teca, dat reeds voorkomt bij de Couto, (dec. 7, liv. 6, cap. 6), van Reede van Drakestein (in den „Hortus Malabaricus”, lib. IV, p. 57) Theka(30), de Engelschen teak, teak-timber, en waar de Javaansche djatiboom bedoeld wordt, Java-teak, de Franschen Tek of Teck, bois de Tek, Tek des Indes, de Duitschers Teakholz, Tikholz, Thekholz. Zelfs Nederlandsche schrijvers spreken van Teakhout, zonder eenig bewijs te leveren dat hun de Jav. naam djati of de oud-Nederlandsche kajatenhout bekend is. In van Dale's „Nieuw Ned. Wdbk.” verm. uitgave door Manhave, vind ik een artikel Jatti-, Djatti- of Deak-hout, en een afzonderlijk art. Teakhout, zonder dat daarbij naar het andere wordt verwezen. Hoe de schrijver aan Deakhout komt, kan ik niet nagaan; die vorm is mij nooit ergens anders voorgekomen.
Sedert Bontius is de Djati-boom dikwijls de Indische eik genoemd. Dit is echter slechts te beschouwen als eene hulde aan de voortreffelijkheid van zijn hout, dat voor Indië de plaats van het eikenhout in Europa vervulde. Botanisch bestaat er tusschen den Djatiboom en den Eikeboom geene verwantschap.
(29) Dikwijls ook Jatti. Over zulke verdubbelingen van een consonant tusschen twee vokalen spreek ik nader in het artikel rotting. Het door Rumphius als Latijnsche naam gebruikte jatus herinnert aan djatos, den hoog-Javaanschen of kråmåvorm van djati. Doch vgl. het art. Klapper.
(30) Vandaar bij Loureiro („Flora Cochinchinensis”, I, p. 169) Tectona theca, bij Lamarck Theca grandis. De naam Tectona grandis is van Linnaeus fil.
Dit woord komt schier alleen voor in de samenstellingen kajaputboom en kajaputolie, vooral in de laatste. Het is, behoudens de verminking door de Europeanen van een niet begrepen term, samengesteld uit de Maleische woorden kajoe, hout, en poetih, wit; kajaputboom is dus letterlijk withoutboom. Door de inlanders worden zoo genoemd verschillende boomen van de geslachten Melaleuca, Leptospermum, Myrtus, Eucalyptus, allen behoorende tot de familie der Myrtaceae en door hunne vluchtige oliën gekenmerkt. Men zie Filet, „Plantkundig woordenboek”, no. 120, 1737, 1938, 2885, 3423; v. d. Burg, „de Geneesheer in Indië,” Dl. II, bl. 106, 317, 453, 611. De beroemde kajaputolie van den handel, de minjak kajoe poetih der inlanders, wordt vooral gebruikt tot inwrijving bij pijnen van allerlei aard, alsook tot wering van insekten. De echte kajaputolie wordt verkregen door destillatie der takken en bladeren van Melaleuca cajaputi Rexb., en vooral op het eiland Boeroe gestookt. De olie van Melaleuca leucadendron wordt vaak onder denzelfden naam begrepen.
Cacao, ook wel kakao geschreven, is de naam der zaden van den cacaoboom, Theobroma cacao, die uit tropisch Amerika afkomstig is, maar thans ook in andere tropische gewesten gekweekt wordt. De cacao is, gelijk ieder weet, het hoofdbestanddeel voor de bereiding van chocolade. De oorsprong van den naam is, evenals die van het gewas, Amerikaansch. Piso, „Mantissa Aromatica”, p. 198, zegt van deze zaden: „Hi sunt decantati illi ab indigenis cacahuatl, ab Hispanis corrupte cacao nuncupati, quorum causa arbor tantopere expetita est, utpote chocolatae potionis caput”. Van de Spanjaarden en Portugeezen is het verbasterde cacao tot alle volken van Europa overgebracht.
Ook het woord chocolade is van Amerikaanschen oorsprong en luidt in de taal van Mexico en aangrenzende landen, volgens Piso, „Mantissa aromatica”, p. 196, chocolatl, waarvan de Spanjaarden en Portugeezen, die den naam aan alle andere volken van Europa hebben medegedeeld, chocolate gemaakt hebben. Men zegt dat wat de Mexicanen zoo noemden, een mengsel was van cacao en maïs, op eene ruwe wijze tusschen steenen onder elkander tot poeder gemalen en in water gekookt. Maar de Europeanen gaven den naam chocolade aan het mengsel van cacaoboonen en verschillende geurige zelfstandigheden, zooals vanielje, kaneel, piment enz., dat met suiker bereid en in melk of water gekookt, den bekenden heerlijken drank oplevert, die zich uit een Mexicaansch nonnenklooster over de geheele beschaafde wereld heeft verbreid. Zie de Sturler, „Handboek voor den landbouw in Nederlandsch O.-Indië”, bl. 266.
De over alle tropische gewesten verspreide en in ontelbare behoeften hunner bevolking voorziende Cocos nucifera is aan ieder onder den naam van Kokospalm bekend, maar wordt in Nederlandsch-Indië onder de Europeanen Klapperboom genoemd. De eerste dezer namen is van de Portugeezen tot ons gekomen, de andere is eene verbastering van een der menigvuldige inlandsche namen. Over beide heb ik het een en ander te zeggen.
Kokos is eigenlijk de naam van de noot, zoodat de boom terecht Kokosboom of Kokospalm geheeten wordt, terwijl kokosnoot strikt genomen een pleonasmus in zich sluit. Van Linschoten, „Itinerario”, bl. 78, zegt: „De Portugesen noemen deze vruchten coquo, om die drie gaetkens die daer in sijn, ghelijckheyt hebbende met een meerkattenkop.” Indien deze laatste woorden eene verklaring beoogen, zijn zij volkomen onverstaanbaar voor hem die in de Portugeesche taal geheel vreemdeling is; wie deze echter eenigszins kent, kan althans naar de beteekenis gissen. Coco (de vorm coquo is thans geheel verouderd) beteekent in het Spaansch en Portugeesch een momaangezicht of masker, waarmede men den kinderen vrees aanjaagt. Nu heeft de kokosnoot door de gaatjes of putjes die er in worden opgemerkt, eenige overeenkomst met een aangezicht,(31) inzonderheid, zooals van Linschoten opmerkt, met dat van een meerkat, en is dus niet ongeschikt om als middel te dienen om kinderen bang te maken. Bepaaldelijk wordt de oorsprong van den naam zoo voorgesteld door de Paiva: „Sermôes”, I, p. 232, waar hij, na de gedaante van de kokosnoot beschreven te hebben, dus voortgaat: „per razâo da qual figura,... os nossos lhe chamarâo coco, nome imposto pelas mulheres a qualquer cousa, com que querem fazer medo as crianças”, d. i. „om reden van welke gedaante de onzen haar coco noemen, een naam die door de vrouwen gegeven wordt aan ieder voorwerp waarmede zij kleine kinderen willen bang maken.”
Misschien zullen sommigen deze verklaring van den naam kokos wat gezocht vinden, en liever aannemen dat het woord uit de eene of andere taal van tropisch Azië, Afrika of Amerika afstamt. Het ontbreekt echter zooveel ik weet geheel aan getuigenissen, die dat gevoelen zouden kunnen schragen.(32)
De naam klapper heeft aanleiding gegeven tot eene zonderlinge verwarring, doordien hij ook aan de Nederlanders in Europa bekend is als naam voor een inheemschen boom en eene inlandsche olie. De Europeesche klapperboom is volgens van Dale de abeel, volgens Heremans, „Ned.-Fr. Woordb.”, le tremble, welk woord hij in het Fr.-Ned. deel vertaalt door ratelaar, ratelpopulier, trilpopulier, klaterabeel. Deze namen, die allen klaarblijkelijk de Populus tremula L. aanduiden en ontleend zijn aan hare lange, saamgedrukte, bij het minste zuchtje het blad in trillende beweging brengende bladstelen,—kunnen dus nog met klapperboom vermeerderd worden. Van Dale's verklaring door abeel, indien men daardoor als gewoonlijk de Populus alba verstaat, is niet volkomen juist. De Europeesche klapperolie is volgens van Dale en Heremans de papaverolie, de olie getrokken uit de klapper- of klaproos. Het maakt op hen die deze weinig gebruikelijke namen niet kennen, en daarentegen met de Indische beteekenis van klapperboom en klapperolie gemeenzaam zijn, een komischen indruk, wanneer zij bij Weiland onder de samenstellingen met klapper, klapperen: „klapperboom, klapperman, klapperolie, klappertanden”, door elkander zien aangevoerd. Ik houd mij overtuigd, dat Weiland, die klaarblijkelijk niets van Indië en Indische zaken wist, bij klapperboom en klapperolie alleen aan de Populus tremula en aan de papaverolie gedacht heeft. Zijn hem die woorden al eens in de Indische beteekenis voorgekomen, dan heeft hij ze hoogstwaarschijnlijk niet verstaan of ter goeder trouw gemeend dat ook in Indië ratelpopulieren groeiden en papaverolie in algemeen gebruik was. Heeft hij zich werkelijk zoo vergist, dan is hij de eenige niet. In de „Annales de l'extrême Orient” gaf de heer Meyners d'Estrée een uittreksel van een artikel over het landschap Deli in het „Tijdschrift v. h. Aardr. Gen.”, waarin ik over de kultuur van klapperboomen sprak. De Fransche schrijver vertaalde dit met „la culture du tremble”.
De kokosnoot heet in laag Javaansch kerambil, in hoog Javaansch kĕlôpô of klôpô. Dit laatste komt in den vorm kĕlapa of klapa ook voor in het Soendaasch, alsmede in het Maleisch, dat echter ook een eigen naam voor deze vrucht heeft, njioer of nioer. Onze oude schrijvers maakten van kelapa of klapa, met een latiniseerenden uitgang, calappus of clappus, evenals van Jati soms Jatus (zie op Kajaten). Voorbeelden van dit clappus (een enkele maal tot clappes verbasterd) vindt men o. a. bij Baldaeus, „Malabar en Choromandel”, bl. 143, „Afgoderye der Heidenen”, bl. 136; Wouter Schouten (uitg. van 1875), I, bl. 190; Rumphius, „Amb. Kruydboek”, I, bl. 1; „Verh. v. h. Bat. Gen.”, V, bl. 3. Later is klapper, klapperboom, klapperolie enz. in zwang gekomen, zonder twijfel als een uitvloeisel dierzelfde zucht om aan Indische zaken, onafhankelijk van de beteekenis, den Europeaan gemeenzame namen te geven, waarvan ik een aantal voorbeelden in het artikel kaalkop heb bijeengesteld.