AANTEEKENINGEN.


J1) Onderziel = onderborstrok.

J2) De synode van 1816.

J3) Nl. na 1795, toen wij bij de vredesluiting met Frankrijk, niet alleen 100 millioen oorlogschatting betaalden, maar ook een fransch leger van 25.000 man te onderhouden kregen.

J4) Op zijn koten. We zouden nu zeggen: op zijn pooten of beenen staan.

J5) De centen waren pas in 1818 ingevoerd. Daarvóor had men de penning en de duit. Sprak dus van: hij is echt op de penning.

J6) Toespeling op den opstand van het kaas- en broodvolk van 1491.

J7) Jeremia.

J8) In de 18e eeuw was dat eigenlijk al begonnen en juist in—proza. Denk aan de teringachtige heldin Lotje Roulin in Willem Leevend. De dichters van de romantiek uit de jaren 1830–40 namen dien tering-cultus over, die wel zijn hoogtepunt vond in de verzen van Jan van Beers.

J9) „Seebarichen boezem.” Men vermoedt dat Potgieter hier de herinnering voorzweemde aan een uitdrukking, die bij Roemer Visscher voorkomt, doch dan in den zin van zedig (zedebarig, zooals odebaar, 't latere ooievaar, schatdrager beteekende); met zee had 't werkelijk niets uit te staan. Een verband tusschen een zee en boezem kan Potgieter gevoeld hebben door de golving van beide.

J10) Drempelmeiden: eigenlijk „daghulpen.” Dus minder juist voor inwonende bonnes en gouvernantes. Maar P. zal 't woord gebruikt hebben om de geringschatting, die 't uitdrukte.

J11) Na de opofferingen, die de voortgezette strijd met België gevorderd had en die al de krachten van ons volk uitgeput schenen te hebben, verkeerde ons land in een echte depressie.—Zie ook noot R6 bij 't Rijksmuseum.

J12) Hier komt voor 't eerst een verwijzing naar Jan Salie—die, zelf futloos, op vaders en moeders bijeengegaard kapitaal moet teren.—

J13) In 't was maar een Pennelikker heeft Potgieter hetzelfde onderwerp: de beroepskeuze der jongeren, behandeld.

J14) Sirene zeenimf, meermin; bekoorlijke verleidster.

J15) Oud spreekwoord, waarin de heibewoners die vasten grond onder de voeten voelden, te kennen gaven, dat zij den drassigen, ingezonken bodem aan onzen zeekant niet vertrouwden.—Dus een uitdrukking van afkeer voor waaghalzerij; van zucht tot voorzichtigheid.

Ook 't volgende aangehaalde spreekwoord geeft uiting aan denzelfden geest.

J16) De piepstem en de slemp—introduceeren onzen Jan Salie.—

J17) Houding van Slierislari.—Een volks-eigenaardige uitdrukking door Potgieter aardig gevonden met die herhaling van de beginletters en den slotklinker en de opvolging van ie-a, gelijk we die in meer komische volkstermen hebben. Denk aan slimpslamp, mismas.

J18) De Statenbijbelvertaling van 1626–1636, die mèt de werken onzer 17e eeuwsche dichters het nieuwere hollandsch hielp vormen. „Bidt en werkt” is 't Latijnsche Ora et labora.

J19) Must is for the King: „Moeten is dwang en huilen is kindergezang”—maar in dit hollandsche gezegde komt de Koning niet tot zijn recht!

J20) Uit Vondels treurspel Palamedes of 't vermoorde onnoozelheid, het welbekende figuurlijk treurspel, w/i. de geschiedenis van Oldenbarneveldt is voorgesteld in den vorm eener historie uit de Grieksche tijden. Palamedes = Barneveldt, opent het stuk met een lange voorafspraak w/i. hij, evenals Gijsbreght van Aemstel in zijn spel, opsomt al wat hij deed. En daaronder: Vs. 121:

Uitheemsche ballingen, van have en huis beroofd,
Gelokt, gewellekomd en in mijn schoot gestoofd;
(Vergroot der steden kreits en ommeloop der muren,
Tot Griekens hulp verplicht gekroonde nageburen;)
Ja, daar de naalde zwijmt, gestaan na vrijen pas.—

Die laatste regel beduidt: Waar de kompasnaald ons begeeft (d. i. dus in 't hooge noorden) een vrijen doortocht gezocht.—

J21) Onnoozel kruistochtje. Tegen de Algerijnen, met Engeland, in 1816?

J22) Slag van Doggersbank (1781)—Onze laatste triumf ter zee, meent Janmaat.—

J23) Potgieter, als handelsman, had den innigen afkeer van den fondsenhandel te pakken, „luttel werks en toch rente”—echt voor Jan Salie! Maar zelfs dat was den onnoozele nog te machtig. „Verstandig” speculeeren is nooit ons zwak geweest.—

J24) In bonis. In goeden doen.

J25) Metallieken. Oostenrijksche effecten.

J26) Ardoins, Spaansche fondsen, door een Parijsche bankiersfirma, Ardoin, ter beurze gebracht.

J27) Kansbiljetten. In 1813 uitgegeven aan de houders van Nederl. Schuldbrieven, welke door Napoleon bij zijn tierceering (d.i. ontkenning van 2-derden onzer Schuld) waardeloos waren verklaard; hij, wiens kansbiljet uitlootte, kreeg dan tegen inruiling van een stuk waardelooze, immers ook na 1813 rentelooze, schuld een bewijs van werkelijke Schuld. Met deze kansbiljetten schijnt men veel gespeculeerd te hebben; 't geheel was een credietregeling w/op Jan niet trotsch behoefde te zijn.

J28) Jantje Goddome, een vloekende vent en Jan Kalebas, kerel van niets, als de holle kalebas; vgl. „Een redeneering van Jan Kalebas, een rekening van J. K.”—Dr. Stoett vertaalt Jan Kalebas door blufferd en haalt uit de 17e eeuw aan: Don de Calebassa, als spotnaam voor Spanjaarden, die op de vlucht geslagen zijn.

J29) Jan Hagel en Jan Rap en zijn maat. Bekende uitdrukking voor gepeupel. Jan Rap werd ook vooral de scheldnaam voor de vrijzinnigen op godsdienstig gebied, die met hun vrijdenkerij te koop liepen. Denk aan de Genestet's: „Jan Rap is zeer vrijzinnig, zeer”—

J30) Denk aan de stichting van v. d. Bosch: De Maatschappij van Weldadigheid, met haar landkolonies voor bedelaars, die langen tijd als de oplossing van de landloopers-kwestie golden en nog in onze dagen navolging vonden in de kolonies van 't Leger des Heils.

J31) 't Schavot.

J32) In de 17e eeuwsche minneliedjes hield men, naar Italiaansch voorbeeld, zeer van verkleinwoordjes. Maar zoo kwam er iets zoetelijks, slaperigs ook in de verzen.

J33) De Muzen-Almanak: In het jaar 1819 gesticht door I. Immerzeel, uitgever en „dichter,” later bij Laerman verschenen. Beets, v. Lennep, Ten Kate, Hazebroek, Heye, ook Potgieter zelf, gaven er verzen in; later kwam er ook proza in, o. a. in die van 1842 een stuk van mej. Toussaint.—

J34) Potgieters woorden, hier neergeschreven tegen Cats en vóór Hooft en Vondel zijn als de Inleiding tot zijn latere uitvoerige beschouwing in 't Rijksmuseum.

J35) Schimpscheut op Van Alphen met zijn bekend:

We zaten laatst bij Saartje,
Die goeie oude dienstmaagd,
Die wafeltjes kan bakken, enz.

J36) Joannes Antonides v. d. Goes, Vondels trouwe leerling en navolger, (1647–1684), vooral bekend door zijn allegorisch gedicht De IJstroom (1671).

J37) Onno Zwier van Haren werd geacht in de 18e eeuw, met zijn ruige en onafhankelijk gedachte verzen, den 18e eeuwschen slendergeest de bons gegeven te hebben; doch Bilderdijk was noodig geweest om zelfs deze te doen waardeeren.—En Bilderdijk met zijn vurigen aard was zelf een Jan Saliedooder die er zijn mocht! Een gedicht als De Ondergang der eerste wereld was zeker geen predikatie in Cats-trant!

J38) De rhetorica, die inderdaad binnendrong, en door de jongeren van 1880 er weer uit gebonsjoerd werd.

J39) Een zelfde gerijmel werd ook later in Braga bespot. Maar 't kwam telkens weer op.—Tot Cornelis Paradijs het voor goed, naar we hopen, doodde.—Potgieter zelf had trouwens in zijn jeugd ook boezem op bloesem laten rijmen!—(Fragment, 1830).

J40) D. i. de school der jongeren van 1840, onder aanvoering van Potgieter zelf.

J41) Flapper. Kan met deksel, dat toeflapt.

J42) Zie noot R45 bij Rijksmuseum.

J43) Kandeel. „Warme drank, bereid uit melk of wijn met dooiers van eieren, suiker en kaneel (inzonderheid voor jonge kraamvrouwen)”—zegt van Dale. In Hoofts Warenar hebben we den bekenden regel: „Kandeel en hyprocras is te veel op één dag.

J44) Zie alweer straks de passage in 't Rijksmuseum over de hollandsche vrouw der 17e eeuw.

J45) Jan Compagnie. Een gunsteling van Potgieter, als blijkt uit een der Liedekens van Bontekoe. Er zat een waaghals in den man die uittrok van moeders pappot om vreemde gewesten te bezoeken en te onderwerpen; en geen Jan Salie!—

J46) Palankijn. Indische draagstoel met verhemelte. Een koelie is een Indisch lastdrager.—

J47) De vraag schijnt aan te geven, dat Potgieter zelf ontgaan was, vanwaar de aanhaling hem in 't hoofd was blijven spelen. Hij had ze uit Vondels Palamedes, de beschrijving door den Bode van de toebereidselen tot diens terdood-brenging. Onder de menigte:

„Een eenig zwijger weegt de wereld in een schaal.
's Volks zotternij belacht en treurt om 's lijders kwaal.”

J48) Zie noot R84 bij het Rijksmuseum de aanhaling uit Vondels Verovering van Grol, waar Vondel, van zichzelf sprekend, Frederik Hendrik vraagt:

„Zoo oordeel heusch van hem, die, door uw deugd gewinkt,
Geen leidster kent als 't licht, dat op uw helmtop blinkt.”

De regel, zelfs gewijzigd, lijkt door Jan de Poëet hier dus slechts met een verwringing te passen. 't Is nu Jan Cordaat, niet de dichter, die zich door den veldheer laat leiden.

J49) Zooals Potgieter later in 't Rijksmuseum herinnert, trok Vondel fel partij tegen Willem II om diens aanslag op Amsterdam. Jan de Poëet heeft hier dus geen prijzend citaat bij de hand en hapert.—

J50) Zie dit achteraan in zijn geheel aangehaald:

„De Ridderschap van Amsterdam.”—

J51) Een regel die me echt Vondeliaansch aandoet. Oogenschijnlijk slaat hij op Willem III en zijn verzet tegen Lodewijk XIV, maar is dan zeker niet van Vondel. Waarschijnlijk heeft P. hem slechts toepasselijk gemaakt. Maar terecht brengen kan ik hem, ondanks veel gesnuffels, niet.—

J52) Dat is dus de 18e eeuw. De vrede van Utrecht viel in 1713.

J53) Hasselt en Leuven; herinnering aan den strijd tegen België.

J54) D.w.z. niet langer ook vreemde huurlingen.

J55) Woord van Juno, in Faeton of Reuckelooze Stoutheid, in het 4e bedr. in het tooneel waar Febus, de zongod, genade smeekt van Jupiter, Juno en den Hemelraad voor zijn zoon Faeton, in den zonnewagen opgestegen: 1264.

Febus: Och zoon, in welk een staat verlaat ge uw lieven vader!

Juno: Hoe menig vader lijdt in zijnen zone alleen?

Echt voor Vondel, die regel!—Hij, die in zijn leven zijn grootste leed en sterkste lotwisseling aan zijn eigen zoon te wijten had. Herinner U ook de slotregels van zijn Jozef in Dothan:

Och d' ouders telen 't kind en brengen 't groot met smart.

J56) Sla bij deze passage eens op P's Liedekens van Bontekoe, 't 6e, Machteld en de daarop volgende bespiegeling van den dichter zelf:

En echter hebt gij 't lied beluisterd?
Een andre vraag, 'k was die gewis,
Vol lachs of vol van ergenis?—enz.

J57) „Patertje langs den kant”—

J58) Zie onze afbeelding van de luitspeelster van den Delftschen Vermeer, in ons Rijksmuseum.

J59) Jent, (van 't fransche gentiel, dat Hooft ook gebruikt) een liefkoozend woord, dat men met lief, fraai, aanvallig kan vertalen. Vooral bij Hooft in zijn minneliedjes gebruikelijk:

„Zoo zoud ik streng
Met armen eng
Uw jente lijfjen prangen.”

J60) Mopsje zal wel 't liederenboekje moeten beteekenen.—'t Groot Nederl. Woordenboek is er haast aan toe; maar net juist nog niet. De bedoeling is evenwel duidelijk.

J61) Iets geestelijks of iets wereldlijks. De gewone verdeeling in de 16e en 17e eeuwsche liederenboeken, ook in werken der schrijvers persoonlijk. Breeroo onderscheidt zijn liederen in „Boertig” en „Aandachtig” (d. i. vroom, godsdienstig).

J62) Zangster voor Muse.—

Het lied Heilige Venus, is het eerste dat in Hoofts Zangen voorkomt. Zie hierachter bij de aangehaalde Gedichten.

J63) Dit oude treurspel zal wel 18e eeuwsch zijn, dat men mogelijk in P's tijd nog op den Amsterdamschen Schouwburg vertoonde.

J64) Naar de aanhalingen in 't Groot-Woordenboek gegeven zou H. H. H. op een aanbevelingsbrief naar den Oost beteekend hebben:

Help hem haastig;” maar ook met spotgebruik = houd hem hier (d.i. in Indië).—Jan Compagnie bedoelt intusschen blijkbaar alleen: „al gaf u hem de dringendste aanbeveling mee”—

J65) Lees nog maar eens P's lied van Bontekoe, op Jan Compagnie, ook voor 't geen volgt.—

J66) Nabob, rijk bevelvoerder in O. Indië.—

J67) 't Handelshuis mijns vaders. „De Nederlandsche Handelmaatschappij” door Koning Willem I in het leven geroepen.

J68) Ik herinner me uit vroeger tijd een levendig geredetwist tusschen taalkundigen, of men moest schrijven: „iemand het hart onder den riem steken” (d. i. onder den riem welke over den schouder loopt en waaraan zijn zwaard hing) of „een riem onder het hart steken,” d. i. om te voorkomen dat hem „'t hart in de schoenen zonk.”—Dr. Stoett acht de eerste uitdrukking de juiste; de laatste, die ook Potgieter gebruikt, een verbastering.—(Dr. F. A. Stoett, Spreekwoorden enz. Zutphen, Thieme & Co).

J69) Zie inleiding. En 't Rijksmuseum. Noot R5.

J70) Inderdaad moet aan onze 17e eeuw de eer worden toegekend van een zeer ruime verdraagzaamheid in 't godsdienstige. Tegenover den verketterlust van al te rechtzinnige predikanten, stond een openbare meening, die de zelfbevochten vrijheid ook anderen verzekerde. 't Waren niet alleen vervolgde secten, die men hier toeliet, ook onafhankelijke denkers lieten in Amsterdam hun boeken verschijnen, welke hun elders duur zouden zijn te staan gekomen. De fransche schrijver Ernest Legouvé heeft daar in een aardig boekje een voor ons waardevol getuigenis van afgelegd: La Hollande et la liberté de Pensée (Holland en de gedachtevrijheid).

J71) Snaaksche bochel: Jan Klaassen.—Ter Gouw in zijn Ned. Volksvermaken, vertelt dat volgens overlevering Jan Klaassen een trompetter was van de lijfwacht van Prins Willem II, die, na zijn paspoort genomen te hebben, in Amsterdam de poppenkast vertoonen ging en daarbij, onder zijn eigen naam, een nieuw personage met een dubbelen bochel invoerde.—Waarschijnlijker is, dat de man zelf een dubbelen bochel had en van den spotlust, dien deze opwekte, partij trok.—Hier vertegenwoordigt Jan Klaassen 't Oud-Hollandsche kluchtspel.

J72) Jan Gat en Jan Hen. Jan Gat een scheldnaam, die bij Hooft op de Spanjaards wordt toegepast; bij Potgieter blijkbaar genomen in den zin van een vloekerd. Jan Hen, dien Dr. Stoett in verband brengt met Hannes, een betiteling die in zijn beteekenis den invloed ondergaan heeft van hen, dus een verwijfd man, mag ook al niet bij zijn vader aanzitten. Men zou geneigd zijn te vragen of Jan Salie niet erger is dan hij?—

J73) Constantyn Huygens, die zijn klucht van Trijntje Cornelis schreef.—

J74) Ik was te gemeen. Kieskeurig was ons 17e eeuwsch kluchtspel zeker niet; er zijn er op den Amsterdamschen Schouwburg vertoond, waarvan met recht mocht gezegd worden, dat er „een luchtje aan is.”—Maar Potgieter komt vooral op tegen het effen fatsoen, dat ook de kostelijkste weerde, omdat ze drastisch waren.

Ronzebons verklaart v. Dale als „draagbare poppenkast.”—'t Wil me toelijken dat Potgieter er vooral bij dacht aan Jan Klaassen's ronden rug.—En zou niet rons met rond samenhangen?—

J75) De vertaalwoede in de 18e eeuw was zeer groot, en deed zich vooral te goed aan eindelooze „treurspelen” uit het fransch.—Eenigszins vreemd dat P. héélemaal niet denkt aan Langendijk, wiens blijspelen en kluchten toch nog nà Trijntje Cornelis kwamen.

J76) Doldijnen, wiegelend koesteren in de armen.

J77) Paradoxaal. Schijnredeneering.

J78) Loof maken. Loof beteekent: vermoeid. „'t Iemand loof maken,” dus: „iemand klein krijgen.”—„Ik ben niet voor niemendal Jan Kritiek.” Dat mocht Potgieter wel zeggen, „de Blauwe beul” werd immers De Gids, naar zijn blauw omslag en om zijn felle kritiek, genoemd!—

J79) Die andere karaktertrek—n.l. van vroomheid.