XXXI. No. 1245. W. v. Honthorst (1604–1666).
Prins Willem II (1626–1650) (geschilderd in 1661).
Bilderdijk heeft, in een zijner uitvallen, Honthorst, dien hij een schilder van vioolspelers en ligtekooijen scheldt,R113) onwaardig gekeurd, ons eene afbeelding van Willem II te leveren;—het was de partijschap van den prinsgezinde, die het penseel niet vergeven kon, dat het ook de schaduwzijde van 's vorsten karakter had veraanschouwelijkt. Hoe zou het des dichters adelaarsblikken zijn ontgaan, dat het bleek van 's prinsen wangen op de eenige der beide afbeeldingen van XXXI Willem II, die min of meer binnen het bereik der toeschouwers hangt, niet alleen aan het doffe harnas valt toe te schrijven, dat de gestalte des vorsten omsluit; dat er onder die zielvolle oogen en om dien fraaijen mond diepten zijn, als bijwijlen maar inspanning van geest, als meer dan deze uitspatting in genot, gelegenheid geeft op te merken? Voor ons, die van geenen maatstaf van zedelijkheid houden, welke zich uitzet, waar het hertog Aelbrecht geldt, welke zich inkrimpt als er sprake is van vrouwe Jacoba;R114) voor ons, die wenschten, dat de tijd gekomen ware, waarin vorsten het beneden zich zullen achten, in dit opzigt met eene andere weegschaal te worden gewogen, dan die, welke voor burgers vonnis wijst; voor ons steekt er niets ergelijks in de afschaduwing van wat zoo waarschijnlijk waar was, terwijl we tevens Honthorst's schilderij de verdienste toekennen, vele der groote gaven van den prins te hebben gehuldigd. Er is geen arbeid zoo vergeefsch, als het pogen in woorden terug te geven, wat slechts volkomen mede wordt gevoeld, als men meê ziet; doch vergelijk, bij uw eerstvolgend bezoek dezer zaal, den indruk, dien de beeldtenis op u maakt, eens met den volgenden. Anders, dan Honthorst u Willem II aanbiedt, anders, ik geef het u toe, anders wenscht ge 's vorsten oogen te ziet schitteren op den zomermiddag des jaars 1650,R115) toen eene sloep dien anderen Caesar en zijne fortuin over de flikkerende golven van het IJ voortdroeg, maar hij het schuim niet opmerkte, dat de roeispanen om zich heenspatten; maar hij met éénen blik de wereldstad, welke zich voor hem uitbreidde, te omvaêmen zocht. Amsterdam, gij weet het, Amsterdam was in die dagen aan de oostzijde nog niet volbouwd; doch achter het mastbosch, dat op de reede lag; doch achter de wimpelpracht, die het ter eere van de komst Zijner Hoogheid wuiven deed, weêrkaatste toch de gulden zonneglans van torenspitsen zonder tal; verhief de stedemaagd, als ge mij de beeldspraak gunt, zich uit den schoot der wateren, grootsch genoeg, om den prins eenen zucht te ontlokken: „Waart ge mij!” Hij had hem naauwelijks geslaakt, of de blik der verrukking, waarmede hij het schoone schouwspel had aangestaard, ging schuil in rimpeling des hoogen voorhoofds en fronsing der bruine wenkbraauwbogen. Die stad zou hem toegedaan zijn, trots de winzucht harer inwoners, welke een doorn in het oog zijns vaders was geweest, daar ze, door den vijand van buskruit te voorzien, had bijgedragen, om zijnen toeleg op Antwerpen te verijdelen;R116) trots de staatzucht harer regering, welke geen middelen onbeproefd had gelaten, om te Munster het sluiten van den vrede te bespoedigen, opdat haar invloed op 's lands zaken in dezelfde mate wassen mogt, als de zijne dan moest ebben! Hoe bitter lachte hij om de genegenheid, waarvan hij droomde, zoodra die wenschen van hoog en laag, die wensch naar gezag, die wensch naar goud, hem weder levendig voor den geest stonden. Vonken van haat schoten zijne oogen uit, terwijl zijne vingers speelden met den knop van zijn zwaard. Honthorst, gij bekent het mij, Honthorst heeft ons den vurigen jongeling ook niet in zulk een oogenblik geschilderd, toen waarschijnlijk aandoeningen als deze zich in 's vorsten gemoed vervingen, terwijl de boot nog altijd voortstoof over de blinkende baan. Amsterdam, zoo voer Willem II voort zijne grieven op te sommen; Amsterdam had hem tot drie malen gekrenkt, door de weigering van hoogere wedde, door de beraamde afdanking van krijgsvolk, door het zenden van eenen gezant naar Cromwell. „Voort!” riep hij den roeijers toe, of zij de spanen te traag in het water sloegen, of hij zelf van traagheid te beschuldigen viel, schoon hunne gespierde armen de slagen verdubbelden; schoon hij de bezending der Algemeene Staten, aan wier hoofd hij de steden van het Noorder Kwartier had bezocht, in het prachtige jacht al verre achter zich liet. En digter kwamen zij het gewoel der vaartuigen, dobberende op de reê; digter den bootjes, die van schip tot schip schoten, als pijlen den boog ontsneld; digter der schuiten, met de weelde van Oost en West belaên; midden waren zij, midden in den bijenkorf, die gonsde, maar van allerlei tongslag, maar van allerlei taal. 's Vorsten oor ving de klanken van het Zuiden als van het Noorden; 's vorsten blik vermeide zich in het gâslaan der voortbrengselen van het eene als van het andere halfrond. En er was geen Sommelsdijk, er was geen hoveling aan zijne zijde, om dien indruk te verbitteren, door van gelijkenis met Venetië op te halen, door Amsterdams aristocratie harer oligarchieR117) over te stellen. „Een hoop winkeliers,” had Willem II hen meermalen, de inwoners der hoofdstad, hooren beschimpen; en echter dacht hij het dat oogenblik in zich zelven niet. Een betere geest behield de bovenhand. In spijt van zijne liefde voor de oorlogskunst, door zijn' oom schier tot eene wetenschap verheven, waardeerde de vorst zijns ondanks den handel; de velerlei kennis, die hij eischt; de volharding die zijne voorwaarde is; den vrede.... Het zou Honthorst, het zou den eersten schilder zijns tijds onmogelijk geweest zijn, u den ommekeer te veraanschouwelijken, die dat woord den gedachtengang van Willem II nemen deed; den vrede, waardoor men de diensten van zijn geslacht voorbijzag; den vrede, die hem van het staatstooneel dreef! Het was de eerste stormvlaag, die den lieveling der fortuin over het hoofd ging; het was het eerste blijk van geduld, dat den ongeduldige werd gevergd; hij, die in de vroegste vaag der ontwikkeling slechts naar de hand der dochter uit een van Europa's oudste koningshuizen had behoeven te dingen, om zich die toegereikt te zien; hij, die, naauwelijks jongeling in het veld, maar te paard behoefde te stijgen, om den lauwer van verre te onderscheiden, om dien te plukken. „Zalig hij,” zegt de Schrift, niet te vergeefs: „zalig hij, die zijn jok in zijne jeugd draagt.” Te wijken, te wachten, zou wijsheid zijn geweest, zijnen onsterfelijken grootvader waardig. Zoo de geest van dezen over Willem II had gezweefd, hij zou hebben beweerd, dat geen handelsstaat ooit zijne veelzijdige, zijne heinde en verre wortelschietende belangen duurzaam handhaven kon, zonder dat zijn bewind een zwaard op zijde droeg, dat het te regter ure in de schaal wist te werpen. Maar hij had er 's volks zucht naar verademing niet minder om gevierd; van het voorbijgaande van dat verlangen overtuigd, had hij den dag, die den zijnen zou mogen heeten, verbeid. Helaas, het vooruitziende, dat den eersten Willem onderscheidde, ontbrak zijnen vier en twintigjarigen naamgenoot, in den schoot der weelde van vleijers omringd. Hij herinnerde zich hunne inblazingen, ook in de ure, die wij poogden te schetsen, en de welvaart, die uit de naderende stad scheen op te gaan, wekte schier zijn' weerzin; en de onafhankelijkheid, waarop hare burgers roem droegen, heette slechts overmoed; en hij besloot haar te tuchtigen, als zij hem langer tergen zou. Honthorst hebbe er dank voor, dat hij ons den vorst niet in eene dier hartstogtelijke, heerschzuchtige vlagen heeft vereeuwigd, aan welke Willem II een oogenblik later ten prooi was: van de bank in de boot naar den steven gesprongen, staande en òm zich ziende, met neusvleugels opgesperd, als die van het oorlogsros, dat het krijgsgerucht insnuift; met oogen, vonkelende van vuur, als die des leeuws, wanneer hij zijne prooi binnen zijn bereik ziet! En echter eene wijle later, en de vorst zit weder temidden der wacht zijner dienstbaren, en zijne oogen zien zoo zacht, zoo weemoedig om zich heen; de vervoering is geweken; de toekomst, die hij zich zoo glorierijk dacht, schijnt in nevelen schuil gegaan. Als ge ons vergunt te gissen, wat de stemming zijns gemoeds dus wijzigen kon, dan herinneren we u het lot des koninklijken martelaars, dien Willem II's gemalin zoo dikwijls in tranen gedacht: Karel I, wiens besluiteloosheid zijnen schoonzoon bijwijlen ten spoorslag strekte, om eer naar hooger gezag te grijpen, dan zich het verworvene te laten ontglippen, maar wiens dood niettemin, als een waarschuwend, als een dreigend voorbeeld, soms aan zijne heerschzuchtige droomen een somber einde maakte. Vreeze mogt Willem II's gemoed vreemd zijn, een zweem van zwaarmoedigheid verduisterde bij de verschijning des vermoorden te met zijn schoon gelaat. Het had dier tempering van den overvloed zijns luisters; het had dier uitdrukking van verholen smart; het had der vraag, die hem op de lippen scheen te zweven: „waarom werd ik tot werkeloosheid gedoemd?” iets boeijends, iets belangwekkends dank te weten, dat geene zijner groote gaven in te donkere schaduw stelde, dat die alle door de wolk heenschitteren deed. Zoo ten minste bespiedde, zoo schilderde Honthorst hem, indien mijne opvatting niet te veel van de uwe verschilt; indien gij, evenmin als ik, ooit zonder aandoening voor zijne beeldtenis kondt stilstaan.
XXXII. No. 2117. Joachim van Sandrart (1606–1688)
Fragment: 't Corporaalschap van Cornelis Bicker. (1638)
De geschiedenis vermeldt hoe Willem II Amsterdam invoer, een paar uren vóór men hem er te gemoet zag, eer de kanonnen te zijner eere van de Nieuwe Brug konden losbranden, eer de schutterij langs het Damrak stond geschaard;—hoe hij over de naauwelijks voltooide brug bij de Waag aan wal stapte, en den maaltijd, waartoe hij door de burgemeesteren op het Prinsenhof werd genood, afsloeg met de woorden: „Om met elkander te eten en te drinken, zouden wij beter vrienden moeten wezen, dan wij tegenwoordig zijn.” De geschiedenis vermeldt tevens, welke geweldige maatregelen de vruchteloos beproefde bezending opvolgden: in het kerkeren van zes afgevaardigden ter vergadering van Holland op Loevestein, in den aanslag op Amsterdam.R118) Verbaast het ons bij de onvolledigheid dezer verzameling al niet, dat wij hier geen enkelen dier magistraatspersonen aantreffen, welke met verlies der vrijheid, hunne verkleefdheid aan beginselen boetten, het deert ons, hier ook hem te missen, die aan het hoofd van den weêrstand stond, door de belaagde stad aan Willem II geboôn; die zich zoo waardiglijk opofferde, toen zijn beleid den aanslag had verijdeld. Wij herhalen het, we stellen prijs op Kok en van Waveren en Huydecoper van Maarsseveen; maar welkomer nog zoude ons hier XXXII Cornelis Bicker wezen.R119) Hoe dierbaar hun, die er eene eer in mogen stellen zijnen naam te dragen, 's mans beeldtenis zij, men onthoude hem langer in deze zaal de verdiende hulde niet. Onze eerste geleerden hebben de rechtsvraag van den stap des stadhouders voldoende toegelicht, bestreden, opgelost; voor de staatkundige ontwikkeling onzes volks heeft het voorbeeld des burgemeesters weinig vruchten gedragen. Oppositie, hoe eerlijk, hoe belangeloos, hoe gemoedelijk ook, wordt te onzent meer gewraakt dan geschat; om die eerder oostersche dan westersche volgzaamheid bij de menigte te keer te gaan, wenschten wij Bicker hier. Hoe de stomme poëzij in zijne afbeeldingen welsprekend verkondigen zou, dat men zijn hoofd veil kan hebben voor wat men zijne regten gelooft te zijn, zonder daarom zich zelven te zoeken; dat er een tijd was, waarin onzen besten burgers geene verloochening,—die hunner eer uitgezonderd,—te zwaar viel, als deze konde bijdragen ter bevordering van het welzijn des algemeens!
XXXIII. Bartholomeus v. d. Helst, (1613–1670). No. 1144. Prinses Maria Henriette Stuart, moeder van Prins Willem III, (Ao. 1652)
XXXIV. No. 401. Jan de Baen (1633–1702).
Johan de Witt, Raadpensionaris. (1625–1672)
XXXV. No. 410. Ludolf Bakhuysen (1631–1708) Raadpensionaris Johan de Witt gaat op 13 Sept. 1665 aan boord van de Nederlandsche Vloot.
XXXVI. No. 1850. Jan Peeters (1624–1677).
Het verbranden van de Engelsche Vloot voor Chatham. (20 Juni 1667).
XXXVII. No. 2470. Willem v. d. Velde de Jongere. (1633–1707)
Vierdaagsche Zeeslag (11–14 Juni 1666.)
XXXVIII. No. 2471. Willem v. d. Velde de Jongere.
De veroverde prijzen in den 4-daagschen Zeeslag.
XXXIX. No. 549. Ferdinand Bol (1616–1680).
Michiel Adriaensz. de Ruyter (1607–1676) (1667).
Eene huivering overvalt ons, zoo dikwijls wij iemand vermetel de weegschaal Gods zien ter hand nemen; en echter, wie durft ontkennen, dat vergelding zoowel door het leven der vorsten, als door de geschiedenis der volken gaat? Willem II,—Jan de Witt,—Willem III; welk eene opvolging! En hoe gaarne voegen wij er bij, wanneer wij Maria van Engeland, op het schilderij van XXXIII Van der Helst, verweduwlijkt beklagen: welk eene wijsheid! Het lijdt geen' twijfel, dat hare oogen, waaraan de vreugd vreemd schijnt geworden, die schikking hebben beschreid. Acht dagen na het verscheiden van haren gemaal werd zij moeder, een zegen, door haar niet alleen in rouwe ontvangen, maar voor een gemoed als het hare vergald, eer zij uit de kraamkoets herrees. Amsterdam mogt zich tot peter van den jonggeborene hebben aangeboden; Amsterdam had hem de opvolging in 's vaders waardigheden tevens ontzegd; Amsterdam achtte het voortaan gevaarlijk, zoo veel gezags in éénen persoon te vereenigen. Er was weelde, onbeschrijfelijke weelde voor het moederhart weggelegd in de voorspoedige ontwikkeling des knaaps; maar eer hij vier jaren oud was, eischte Cromwell zijne uitsluiting van de betrekkingen tot den staat, door 's prinsen voorouders bekleed, en Jan de Witt bevlekte zijn levenR120)—om den wille des vredes. Hoe zij in hare verslagenheid het jongsken hartstogtelijk kuste, toen de mare tot haar kwam, dat de gemeente het „Wilhelmus” had toegejuicht, waarmede die vrede, ten koste van Oranje gesloten, te Amsterdam was gevierd. Een oogenblik van hoop, de aanvang der lange jaren van beurtelings teloorgestelde en beurtelings weêr aangewakkerde verwachting, gedurende wier loop zij en haar zoon in de schaduw schuil gingen, terwijl de roem van Jan de Witt, als eene rijzende zon, hare stralen al verder schieten, al vuriger schitteren deed. Laat ons een oogenblik den hoveling spelen, door mede naar haar op te zien; in deze zaal leverde ons het penseel van XXXIV de Baen de afbeelding des mans, die in schier nog jongelingsleeftijd „de wijsheid van Holland” heette. Staar naar de hoogte, als ge wilt, en beken met mij, dat Jan de Witt dien schilder wel het bewaren zijner trekken heeft dank te wijten, maar hem geene houding, zijn karakter waardig, is verpligt. „De duurzaamste geschiedenis,” heeft een vernuftig schrijver opgemerkt, „moge in muntpenningen geschreven zijn, de treffendste biographie spreekt ons uit portretten toe. Langer dan de indrukken, door de hoofdfeiten van een historisch leven op u gemaakt, bewaart het geheugen uws gemoeds de gewaarwording, welke u bij het zien van de beeldtenis eens beroemden mans aangreep. Het ware te wenschen,” voegt de geestige vreemdeling er bij, „dat ieder vernuft, 't geen zijnen naroem, in dit opzigt, een schilder prijs geeft, het bij de keuze van den stand, bij het bepalen der houding, bedacht!” Wie het deed, Jan de Witt niet! Maar tot geluk zijner gedachtenis, heeft hij zich voor de voorstelling van eenige der grootste daden zijns levens; van de glorie, die hij zich door zijne liefde voor 's lands zeemacht verwierf; van de triomfen, die hij haar in staat stelde te behalen, tot andere, tot groote meesters gewend. XXXV Backhuyzen, XXXVI Peters, XXXVII XXXVIII Van de VeldeR121) verklaren u in ditzelfde gebouw om strijd, waaraan het toe te schrijven viel, dat Janmaat hem op de handen droeg; waarom deze, „jongen van Jan de Witt,” nog een' eernaam houdtR122). Eene volgende schets zal ons, zoo uw geduld mij niet begeeft, tot die schilderijen brengen; eene schets, in welke wij, door de eenvoudige vermelding zijner feiten, tevens den man zullen huldigen, dien ieder onzer het eerst noemt, als de vreemdeling vraagt, om welke historische karakters wij Hollands zeventiende eeuw zijner studie waard achten; den held, dien XXXIX Bol ons hier heeft veraanschouwelijkt: Michiel Adriaenszoon de Ruyter. Ons volk heeft hem onlangs een standbeeld opgerigt, dat, zoo men wil, niet naar zee ziet, of men vreesde, dat hij zich onzer onbeduidendheid schamen zoude. Onze eerste redenaar was, bij de onthulling van het metaal, de tolk van het dankbare vaderland. Maar men moet Royer, maar men moet Van der HoevenR123) zijn, om zich van de veraanschouwelijking, van de waardeering van uit liefde betrachten pligt waardig te kwijten; wat zoude mij voegen, dan eene eerbiedige verwijzing naar Bol's schilderij? Ik gun u al het genot, aan de gedachte eener zoo harmonische vereeniging van deugden verknocht. Ik zou aarzelen u uit te noodigen, nog naar iemand anders om te zien, ware de jongeling, dien ik zoek, Willem III niet; hadde ik langer dan voor een oogenblik den hoveling willen spelen. Hoe de weêrspoed anders vormt dan de weelde; hoe die jeugdige vorst vele der vijanden zijns vaders met zijn geslacht heeft verzoend! Vondel, met het hart op de tong, Vondel, die Willem II der verwenschingen des volks prijs gaf, Vondel heeft hem reeds, als tienjarige knaap, aan het hoofd der Aemstelridders gevierd.R124) En echter—we spraken van Willem III's jongelingschap—echter is zijne toestand bewolkter dan ooit; het Eeuwig EdictR125) werd uitgevaardigd; wie weet of zijne moeder niet wanhoopt! Waarom ontbreekt hier eene schilderij, welke hem ons in die dagen veraanschouwelijkt; welke ons Willem III doet zien in tegenwoordigheid van Jan de Witt, hij die de eerste staatsman zijns tijds is; hij, die de eerste staatsman zijns tijds worden zal; de burger, die half Europa de wet geeft; de vorst, zich in den opgang der jeugd de kracht bewust het roer te sturen, dat de beschikker van zijn lot, zoo ge wilt, geen oogenblik glippen laat? Ons museum biedt ons niets, dat er naar zweemt, aan—en als we billijk willen zijn, welk schilder zou haar in beeld kunnen brengen, de rustelooze, maar verborgene, de onvermoeide, maar ontveinsde, opmerkzaamheid, waarmede Willem III Jan de Witt gadesloeg, en van iedere zijner zwakheden partij trok, en den oorlog te lande meer in bespiegeling bestudeerde, hoe minder aan dezen om den roem ter zee werd gedacht? Ons museum laat, met uitzondering van XL Cornelis, de Ruwaard, den raadpensionaris alleen zijnen tijd vertegenwoordigen; eene toevallige, eene treffende overeenkomst met onze geschiedenis, die ook de verantwoordelijkheid voor de stormen van den avond zijns levens slechts op zijne schouderen laadt. Eer men zijn vonnis wijze, dewijl hij hoog genoeg boven zijne tijdgenooten stond, om Holland naar zijne hand te kunnen stellen, wikke men welk verwijt deze verdienen, zoo verre in ontwikkeling ten achter te zijn gebleven. Het is eene opmerking, die evenzeer van Willem III's lateren invloed gelden mag. Och, dat ge mij niet beschuldigdet, mijn onderwerp vooruit te loopen, dat gij mij niet weêrhield u voor Willem III's beeldtenis te brengen, eer ik de gordijn van voor dien gruwelR126) ter zijde schoof!... Ga voorbij, bid ik u; de tijd biedt overvloed van tooneelen aan, waarbij ge u niet te schamen hebt mensch, niet te schamen hebt Hollander te zijn. Het vaderland was in gevaar; het vaderland eischte een genie, dat de gaven van Frederik Hendrik, van Maurits, van den eersten Willem in zich zou vereenigen; een twijg uit den verworpen' tronk ontlook, zie! Hoe? hoog in den hoek, een stuk van XLI Schalcken, bij toortslicht den man, die zijn' tijd door geene fakkels wilde zien bestralen, slechts aan bevoorregte handen toevertrouwd; hoe, Willem III in de schemering? hij, die niet rustte, eer het ieder, die de zon des lichts liefhad, vrijstond, zich te koesteren in de volheid harer stralen; den held, die Holland redde; den staatsman, die Europa hervormen mogt? Vergeef mij de vermetelheid, dat ik hem u anders wensche te doen zien.R127)
XL. No. 402. Jan de Baen (1633–1702).
Portret van Cornelis de Witt, (1623–1672)
Gedeputeerde ter Zee, Burgemeester van Dordrecht, Ruwaard van Putten.
XLI. No. 2140. Godfried Schalcken, (1643–1706).
Willem III v. Oranje, Koning van Engeland, (1650–1702).
(bij kaarslicht).
B) [Vele der hier geuite wenschen werden in 1858 door den heer P. L. Dubourcq bevredigd. Wij zijn hem eene Beschrijving der schilderijen op 's Rijks-Museum te Amsterdam en een Notice des tableaux du Musée d'Amsterdam verpligt, van veelzijdige studie getuigende. Gaarne brengen wij hem onze hulde, zoo voor hetgeen hij gaf, als voor zijne bekentenis dat hij meer zou hebben gegeven, had het maar aan hem gestaan ons Museum te voltooijen.]
William TempleR128) heeft in zijne bekende proeve, ter verklaring van de oorzaken van den val der Vereenigde Nederlanden in 1672, vernuftig opgemerkt, dat het verbond van Engeland met Frankrijk, tegen onzen staat, eene dier krankten heeten mogt, „welke, naar het zeggen der artsen, bezwaarlijk te herkennen zijn, zoolang hare genezing ligt zoude vallen, maar door welker verschijnselen de aard der ziekte naauwelijks aan het licht komt, of de wetenschap heeft er ook geen baat meer voor.” Dezelfde staatsman veraanschouwelijkte tevens den toenmaligen toestand onzes vaderlands nog treffender door zijne schets:—hoe die aanvallen van vreemden werden verzwaard door de verdeeldheid, welke binnen'slands heerschte,—aan te dringen met de gelijkenis van een ligchaam, aan ongezonde vochtmenging, aan kwaadsappigheid lijdende, voor 't welk eene kleine wonde gevaarlijk wordt, waarvoor eene groote doodelijk pleegt te zijn. Inderdaad, de geschiedenis van dat rampvolle jaar levert ons op iedere bladzijde bewijzen voor de droeve waarheid, zoo der eene als der andere stelling. Opgeschrikt uit gewaande veiligheid, waarin hij geloofde te verkeeren, zag Jan de Witt nauwelijks iedere poging, om bondgenooten te winnen, verijdeld, of ook de staf, ter tuchtiging van Karel II tot nog toe zoo roemrijk gezwaaid,R129) schoot ter afwering te kort. Vergeefs scheen de Ruyter bij Sole-bay de eere van 's lands vlag tegen de beide koningsvloten waardig te hebben gehandhaafd. Schier zonder wederstand te ontmoeten, schier met vliegende vendels, hadden de mijterdragers van Keulen en Munster zoo Overijssel als Drenthe veroverd. Lodewijk XIV onderwierp zich de reeks onzer grenssteden sneller, dan Boileau hare barbaarsche namen konde doen bukken onder het juk des rijms. Teloorgesteld zonder voorbeeld, daar men de schranderheid des mans zag vergaauwd, die voor den geslepensten staatkundige zijns tijds had gegolden; vreezende voor verraad, daar ieder dag in eene nieuwe jammermare een nieuw blijk der lafhartigheid bragt, waarmede zijn vertrouwdste dienaars het gevaar ontvloôn, waren weinige weken genoeg geweest, om een volk der wanhoop prijs te geven, welks voorvaders tachtig jaren lang in het geweer hadden gestaan, hopende op de hulp van God. Slechts twee gewesten meer tellende, waarin de oogst door de hoeven van de rossen des vijands nog niet was platgetreên; met uitzondering van het manhaftig Groningen, tot Zeeland en Holland beperkt, had het in zijne radeloosheid naar eenen redder uitgezien, en het Eeuwig Edict was vernietigd. Helaas, dat ik er moet bijvoegen, had het in zijne woede om een prooi gehuild, en de gebroeders de Witt waren vermoord!
Vergezel mij, als ge wilt, onder den indruk dier gedachten, ruim zes maanden later, op een Maartschen morgen des jaars 1673, in een der vertrekken van het Binnenhof te 's Hage, om een slanken jonkman te bespiên, die aan een zijner half geopende vensters stond, den blik op den Vijverberg gevest. Niets zou natuurlijker zijn geweest, dan dat het liefelijke landschap 't welk zich aan zijne voeten uitbreidde, hem had geboeid. Het westewindje droeg den wildzang van het gevogelte, uit de lindelaan aan 's vijvers overzijde, te hoof. De eiland-gaarde, waarin de nimf van het oord schijnt weg te schuilen, groende reeds. In den gloor der ochtendzon gingen de golfjes ten dans. Echter zouden wij ons bedrogen hebben, als wij den drieëntwintigjarige hadden verdacht in mijmeringen verdiept te zijn; in de lente de bodinne der liefde te hebben begroet. Hij trad van het venster; hij staarde de dubbele deuren des vertreks aan, of zijn blik die zou doen openspringen; hij ging peinzend heen en weêr,—maar zag de oproeijende zwanendrift niet, die u en mij aan den waterspiegel hadde gekluisterd gehouden, noch verlustigde zich in de vloeibare paarlen, harer hagelwitte wieken afgeschud. Verbaast het u? Als ge een' blik op zijn gelaat hadt geslagen, ge zoudt met mij hebben erkend, dat zijne wangen zoomin werden gekleurd door den frisschen blos, die overvloed van levenskracht waarborgt, als van onder zijne wenkbraauwen de geestdrift straalde, waarin natuurschoon den lieveling der kunst ontsteekt. De hoekige lijnen van het langer dan eironde gezigt; de zweem van stroefheid, die aan zijne ziekelijke schraalte viel toe te schrijven, zij zouden misschien een pijnlijken indruk op u hebben gemaakt, als de adelaarsneus geene kracht had aangeduid; als ge de magerte niet hadt voorbijgezien, door de majesteit van den opslag zijner oogen verrukt. Andermaal toch dompelde de zwanendrift in het vijvervocht; wiekgeklap rees op de lucht; hij luisterde er een oogenblik naar, en zijn blik schitterde. Ik zou u zeggen, dat hij er de ruischende vleugels der faam in hoorde, als ik niet vreesde, dat de gedachte, naar ge wilt, te dichterlijk of te droomziek heeten mag voor dien slanken jonkman, voor Willem III. Beslis het zelf, na een oogenblik studie der schets, ons van zijn karakter geleverd, eene schets, die ik gaarne overneme. „Die jeugdige vorst,” heet het, „paart aan de groote gaven den koninklijken bloede, waaruit hij sproot, eigen, de deugden, door welke het volk van het land zijner geboorte zich onderscheidt;—vriend van stilzwijgen en van nadenken, leent hij gereedelijk een luisterend oor, en schijnt onderzoek hem lust te zijn. Hij heeft een even gezond als bedaard verstand; standvastig in hetgeen hij voorneemt of afslaat, vol ijvers voor zaken, voor uitspanningen koel;—schoon der godsdienst zijns lands van harte toegedaan, betoont hij zich liefderijk jegens andersdenkenden;—matig, hoe weinig zijn leeftijd en de lucht des lands die ingetogenheid beloven;—huishoudelijk in het dagelijksch leven, en echter onbekrompen waar het pas geeft. Fier van geest en moedig van harte, dorst hij naar krijgsroem, blaakt hem de zucht een groot man te worden; maar zou hij toch die glorie liever verwerven, door zijn vaderland van dienst te zijn, dan zich zijnen medeburgers te onderwerpen; een vorst, in één woord, wiens vele deugden door geen enkel groot gebrek in de schaduw worden gesteld.” De teekening is van de hand eens vriends, zal men zeggen; doch die tevens, voege ik er bij, de vertrouwde van Jan de Witt was. Het zijn woorden des mans, die met dezen de Triple Alliantie stichtte; woorden van Sir William Temple,—schrijf ze niet aan vleijerij toe. Geen minder groot karakter dan dat, in deze regelen aan Willem III toegekend, zoude op drie en twintigjarigen leeftijd den moed hebben gevoeld, in zulk een onweder het roer van staat aan te grijpen; wat meer zegt, het genie hebben geopenbaard, de veege hulk klip bij klip te doen ontgaan, tot hij haar eindelijk in veilige haven loodsen mogt. Vreeze en wanhoop hadden zich van het grootste gedeelte der bewindslieden meester gemaakt; maar kalm mat de jonkman, in wijsheid zijnen jaren vooruit, den ganschen omvang des gevaars; maar koen besloot de held dit het hoofd te biên. De landmagt was ontzenuwd door de keuze van onbekwame bevelhebbers; was veronachtzaamd om den wille der glorie ter zee. Eer luttel maanden verloopen waren, bezielde zijn geest de eerste andermaal, reikte Janmaat die broederlijk de hand, de binnenwateren beschermende. Een leger te scheppen uit luttele hoopen vlugtelingen, en dat leger te verdubbelen, te veredelen, door hun, die op den oceaan nooit gevaar hadden gevreesd, een nieuwe taak aan te wijzen in de verdediging van den vaderlandschen grond, dat eischte eene zeldzame vereeniging van oordeel en kennis en was toch nog het grootste meesterstuk niet, van Willem III gevergd. Verdeeldheid smeulde onder de puinhoopen van het ingestorte stadhouderlooze gezag. Partijzucht, wrevel, haat ontzeiden hem, of beloofden hem slechts ten halve, de hulp van menigen arm, van menig brein. Zoo 's lands redding geen hersenschim blijven zou, moest ieder man er het zijne voor doen, met vergeting van vroegere veete, met toewijding van lijf en ziel. De vervreemde hollandsche harten te winnen was de beste waarborg, dat het hem gelukken zou, den buitenlandschen vijand af te slaan. En hoe nu uw oordeel uitvalle over het dichterlijke of droomzieke der gedachte, hem in der zwanen wiekgeklep het ruischen van de vleugelen der faam te doen hooren, weêrspreken zult ge mij niet, dat zoo al zijne zucht naar glorie hem daarbij een oogenblik het Sticht voor den geest bragt, der Fransche plage ter prooi, de pogingen, die hij ter bereiking van het laatste doel te 's Gravenhage had aan te wenden, toch zeldzamer gaven eischten, dan het opwerpen eener verschansing, het beramen van een uitval, het bevel over zijn heir. Hij zelf scheen dat te gevoelen, heen en weêr gaande in het vertrek, welks wanden ik mij gaarne voorstel, door een viertal schilderijen bekleed; afbeeldingen van doorluchtige mannen uit zijn huis, ieder van welke zijn blik gadesloeg, om zich fluks tot een' van deze lang te bepalen. Overmoed was het karakter van den ridderlijken jongeling, door de eerste voorgesteld; overmoed, aanschouwelijk in de fierheid, waarmede dat ideaal van koene jeugd hem aanstaarde. Wie gist niet reeds, dat ik zijn' vader, dat ik Willem II bedoele, al wiens drift den zoon door de aders vloeide, maar in wien wederspoed deze tot deugd had getemperd? Een zucht was zijn kinderlijk offer en hij ging voort, en zijn blik aarzelde tusschen zijn grootvaêr en zijn' oudoom; tusschen den beminden vorst, die het snoer der eendragt winden mogt om onze onderling verdeelde pijlen, en den bewonderden veldheer, die den evenaar van rijken aan zijne slinke droeg, tusschen Frederik Hendrik en Maurits. Waarom was hem de dubbele taak opgedragen, weleer onder die beide verdeeld: het handhaven van de vrijheid des volks tegen buitenlandsche vijanden, het verwerven der liefde des volks, in weerwil van binnenlandsche veeten? Waarom.... Hij vroeg niet verder, hij werd zijnen overgrootvader, hij werd Willem I gewaar; en schoon hij zich niet weêrhouden kon te wenschen, dezen meer dan hij deed te mogen gelijken, in de gave aller harten te mijnen, er was onbeschrijfelijke vertroosting in de heugenis, hoe hij vaak uit schier hopeloozen toestand gered was door God. Eene eeuw lang was de Heer met de afstammelingen van dezen geweest, was nog met hem, uit de verdrukking tot den rang zijner vaderen weder verheven; was dat geweest niet enkel om hunnentwil, maar ook, maar vooral om dien der zending, welke Hij hun toevertrouwde, waartoe ook hij zich geroepen dacht. Slechts zóó beschouwd, gaat Willem III niet boven mijn begrip.
Bedriege ik mij, als ik me voorstelde, dat oogenblikken van verteedering, van verheffing als deze, behoefte konden zijn voor den jeugdigen vorst; dat zij hem sterkten voor de taak, die hem in dat uur beidde? Niets minder toch gold zij, dan te beproeven twee mannen met elkander te verzoenen, wier pogingen, mits vereenigd, evenveel als zijne eigene konden bijdragen tot de redding des vaderlands. Alles wat het hoofd, alles wat beleid ter bereiking van dat doel vermogt, was door hem overpeinsd en uitgevoerd. Ik herinnerde u straks met een woord, hoe hij van de zeemagt partij wist te trekken, om den vijand binnen'slands afbreuk te doen; ik vermeldde slechts de helft zijner wijsheid. Onder het bestuur des mans, wiens wil zijne bevordering had gedwarsboomd, was de oceaan niet alleen onze weg ter glorie geworden, zijne golven hadden den lof van de Witt heinde en verre verbreid. Hoe het voor Willem III's verlicht verstand pleitte, dat hij het middel geen' haat toedroeg, waardoor zijn mededinger in staat was geweest, den vorsten van ons werelddeel eene wijle de wet te geven; dat hij het waardeerde, schoon het hem geene gelegenheid ter ontwikkeling zijner gaven bood! Eer ge mij gispt over die hulde voor den vrijdom van eene alledaagsche zwakheid, verzoek ik u op te merken, hoe algemeen zij ook onder groote mannen is. Volgaarne herroep ik het echter tevens in uw geheugen, dat de drie en twintigjarige het niet bij de erkenning der diensten, welke de vloot ook hem konde bewijzen, liet; dat hij den geest, waarmede de Witt haar had bezield, weder zocht op te wekken, door het vernieuwen der verordeningen, die de kennis van dezen had aangegeven en uitgevaardigd; een maatregel, welke den vorst eere aandeed, terwijl hij een verzoeningsoffer aan de schim des vermoorden heeten mogt. Doch ik dreig weder dichterlijk te worden, terwijl ik wilde optellen, wat het hoofd, wat het beleid had beproefd, om den goeden uitslag van eenen nieuwen zeetogt te verzekeren. Ik keer er toe weêr, in het gewagen van de onpartijdigheid, waartoe Willem zich had weten te verheffen, om twee mannen voor de vloot te behouden, tot zijne komst aan het bestuur door een' onzaligen twist verdeeld: eene prinsgezinde, die zich gekrenkt achtte, maar wien hij, ondanks vernieuwde benoeming, van vroeger ongelijk te overtuigen zocht; een staatsgezinde ... wat zeg ik? Cornelis Tromp mogt eene partij aankleven, de Ruyter was voor partijschap te groot,—het vaderland ging hem bovenal. Eere wien eere toekomt! De geschiedenis getuigt, dat de vlootvoogd den moord der de Witten met ontsteltenis en droefheid hoorde; dat hij den gruwel verfoeijen dorst, terwijl die zelfde muze vergeefs den vorst zocht te vrijwaren van het verwijt, waartoe zijn verzuim, de schuldigen te straffen, der nakomelingschap regt geeft. Niemand moge het Willem III in die dagen hebben gezegd, zijn eigen geweten zeide het hem voorzeker, toen de omstandigheden, die het schenen te verontschuldigen, voorbij waren, toen de smet kleefde op zijnen roem. Helaas, hij was nauwelijks het derde tiental jaren ingetreden, toen het geschiedde, en wat hem van de twee en twintig heugde, waren dagen, weken, maanden, jaren, verbitterd door den man, wiens slagtoffer hij gedreigd had te worden, wiens uiteinde hem geene deernis inboezemen kon. Ook onze voortreffelijkste vorsten waren slechts menschen, zou ik er bijvoegen, als ge de herinnering behoefdet, als ge om den gevierden wraaklust zoudt weigeren hulde te doen aan de voorzichtigheid, waarmede Willem III niet eerder aan Tromp het voeren van het Amsterdamsche Admiraalsschip toestond, vóor hij zich in zijne tegenwoordigheid met de Ruyter had verzoend. Tromp aarzelde, zegt de historicus onzer zeetriomfen,R130) tot hij bemerkte, dat het de volstrekte voorwaarde, dat het de vaste wil des prinsen was. En ik weet niet, wat het meest te bewonderen, òf het vooruitziende, òf het regtvaardige, òf het menschkundige van een besluit, door den vorst genomen, eer hij nog op de vervulling van den vermelden eisch aandrong; het besluit, waarbij de Ruyter verheven werd tot luitenant-admiraal-generaal van Holland en Westfriesland. Een maatregel, die driedubbel doel trof: verdere mededinging tusschen de vlootvoogden, die vroeger slechts gelijken titel voerden, te voorkomen; de Ruyter's weêrgalooze verdiensten regt te doen; Tromp het uitzigt te geven op de opvolging in deze waardigheid. Het hoofd, herhalen wij gaarne, het hoofd had alles overpeinsd en uitgevoerd, en het beleid was geslaagd, geslaagd boven verwachting. Tromp had toegegeven; thans was het de ure voor de taak van het hart. De beide vlootvoogden waren bescheiden, om binnen weinige oogenblikken hunne verzoening in 's vorsten tegenwoordigheid te bezegelen; het zou eene andere, eene hoogere eedsaflegging van trouw zijn. Wie durft er Willem III minder om achten, als hij zich zelven gewantrouwd heeft, in hoeverre het hem gelukken zou, den vereischten indruk te weeg te brengen, dewijl hij niet alleen menschenkennis genoeg bezat, om te weten, dat hij Tromp stemmen kon, zoo als hij wilde; maar ook zoo veel zin voor zedelijke grootheid als vereischt werd, om hem te doen opzien tegen de Ruyter? Het is waar, hij was vorst, en de beide mannen, welke hij wachtte, waren maar burgers; doch daargelaten, hoe luttel een hollandsch harte uit de zeventiende eeuw van den aangeboren' of ingezogen' eerbied voor menschelijke hoogheid wist, waarop zoovele vorsten tot het einde der achttiende eeuw vermetel zondigden, onze slanke jonkman streefde te vurig naar eene onderscheiding, die hij slechts zichzelven, en niet den stam, waaruit hij sproot, zou verschuldigd zijn, om zijne geboorte in de weegschaal te werpen. Het is waar, hij had zijne nog niet volkomen verstreken drie en twintig levensjaren voortreffelijk besteed, en zich gedurende de laatste tien maanden niet ten deele, maar met al zijne krachten der dienst des vaderlands gewijd. Doch wat zeiden deze bij den eerbied, dien meer dan een halve eeuw heldenlevens moest inboezemen; eene halve eeuw, die de Ruyter de bewondering der wereld verzekerde, en hem echter nederig genoeg liet, om in den laatsten slag admiraal, kapitein, matroos, soldaat, om dat alles te gelijk te zijn geweest, om alles te verrichten, wat zijne hand vond te doen? Hoe Willem III dat beginsel: toewijding aan zijnen pligt, opmerkte, waardeerde, hulde bragt;—hoe hij er den oorsprong van ontdekte, in liefde, in dankbaarheid voor een zestig jaren lang bekroond vertrouwen op den bijstand van „Gods almagtigen arm!”
De deuren gingen open,—Tromp en de Ruyter werden aangediend. Ter voltooijing der groep, ten einde drieërlei vermaardheid vereenigd te zien, zou ik schier wenschen, dat de grijze Constantijn Huijgens hen, als geheimschrijver des prinsen, hadde binnengeleid. Doch hoe dit geweest zij, Willem III sprak met de warmte der overtuiging, met die warmte des getroffenen gemoeds, welke alleen waarachtig welsprekend maakt. Lang van elkander vervreemde handen werden weder ineengeslagen; Holland zou niet van de wereldkaart worden gewischt. Ziedaar het tafereel, waarmede ik de galerij onzer roemrijkste eeuw gesloten wenschte te zien.
Onvoorzichtig genoeg, heb ik in dit opstel de grenzen, mij aangewezen, misschien meermalen overschreden, door te bepaald uit te drukken, hoe ik de voortbrengselen eener zusterlijke kunst ter voltooijing van ons museum verlangde. Er is weinig aan verbeurd, daar ik niet dwaas genoeg ben mij te vleijen, dat het meer dan vrome, maar vergeefsche wenschen zullen blijken; en toch wachte ik mij, en dat niet enkel om den wille der vriendschap, die ik er door krenken kon, het voor dit onderwerp andermaal te doen. Een der weinige onder onze jeugdige kunstenaars, die aan liefde voor den stijl van de Hollandsche meesters de studie der gewichtigste gebeurtenissen in de Hollandsche historie paartC) heeft onlangs de stoffe in beeld gebragt, en slaagde, naar het oordeel des algemeens, daarin niet zoo gelukkig als vroeger zijn „Barendsz” en zijn „Vondel” regt gaven te hopen. Voor mij, die misschien ook den moed niet zou hebben gemist, hem mede te deelen, hoe weinig zijn Willem III, met opgeheven, met zegenende handen, ons de jonkman schijnt, die onder Jan de Witt geleerd had zelfs zijne gebaren te bedwingen; die niet aanmatigend genoeg was, om den grijzen de Ruyter Gods zegen te durven beloven; voor mij, vergun me dit er bij te voegen, voor mij, ik zou ons verschil over de opvatting niet hebben uitgedrukt, zonder tevens zijn streven te huldigen. Waarom verzwegen, wat mij bovendien op het hart, op de tong ligt! Ik zou CornetR131) niet hard zijn gevallen over de misgreep eene roode hand te schilderen, waarvan slechts de dichter partij trekken kon, zonder hem tegelijk uit te noodigen voort te varen, door zijn penseel den indruk van het goede en groote in onze geschiedenis evenzeer te verlevendigen en te versterken, als Royer dit door zijnen beitel doet. Voor mij, ik zal niet vermetel genoeg zijn, nadat hij faalde, de groep waarin Willem III en de vlootvoogden mij voor den geest staan, om te trekken en aan te bevelen. Volgaarne erkennende, wat al zwarigheden er in de stoffe schuilen;—hoe hagchelijk eene onderneming het is, den driftigen Cornelis Tromp te schilderen op een oogenblik waarin slechts stugheid hem karakter schijnt te geven, ofschoon eene uitdrukking van edeler zielstoestand wenschelijk zoude zijn; hoe diepe gemoedsstudie er vereischt wordt, om aan de Ruyter's goedrondheid regt te doen, zonder haar te laten vervallen in eene, ik zeg niet ruwe, maar toch wel naar die schaduwzijde zweemende overdrijving van gebaren, welke men maar te veel met hartelijkheid verwart;—hoeveel gevoel, of wilt gij liever, hoeveel genie ter nood volstaat om de voorstelling te vrijwaren van het gebrek, waarvan dichter en schilder, bij de behandeling van dit onderwerp, om strijd gevaar loopen ophef te leveren in plaats van eenvoud, rhetoriek voor poëzij, declamatie, in één woord;—dat alles erkennende, wenschte ik niet minder onze eerste talenten tot een' wedstrijd over dat feit te kunnen uitlokken. Immers als een hunner er in slagen mogt, hoe rijk zou de symbolische zin der veraanschouwelijking zijn, hoe heerlijk zou de groep de reeks onzer groote mannen besluiten! Oranje en de burgerij, merkten wij in de beide voorgaande schetsen op, was de hoofdindruk, door de schilderijen dezer zaal gemaakt. Oranje en de burgerij weder vereenigd, na de wijle verdeeldheid, die in de dagen van Oldenbarneveldt smeulde, welke in die van Jan de Witt tot lichtelaaije vlam uitsloeg, zoude in zulk een tafereel het zegel op onze beschouwing zetten. Oranje, voor geenerlei glorie des volks koel; Oranje, de zeemagt waardeerende, uitbreidende, bezielende, schoon hij zelf aan het hoofd der landmagt schittert;—de burgerij, die van hare veeten afstand doet, om zich 's lands onafhankelijkheid, de wederoprichting des staats uit zijne bouwvallen, toe te wijden tot in den dood, ziedaar de tweede les, die ons in beeld zou worden gepredikt. En wel aller verbeelding, aller verheffing van gedachten vreemd moest hij zijn, die op zulk eene schilderij starende, hare wieken niet aanschoot, die zich volgende gebeurtenissen niet dankbaar herinnerde! Of zou het er u niet bij te moede zijn, als zaagt ge den geest van de Witt de Hollandsche vloot in den eerstvolgenden zeeslag op Schooneveld omzweven; als zaagt ge dien dankende opwaarts varen in de ure, toen de Ruyter Tromp te hulp kwam, en uit het hart van den laatste de woorden welden, waardoor hij de edelmoedigheid van zijnen redder opwoog?R132) Of zoudt ge, den jeugdigen Willem III aanziende, die op drie en twintigjarigen leeftijd zijn vaderland redde, niet voorgevoelen, hoe hij bestemd was, het later geheel Europa van de dubbele kluister van Lodewijk XIV te doen, de voortzetting, de voltooijing der taak, aan zijnen onsterfelijken overgrootvader opgedragen, in de bevrijding van den menschelijken geest?