XLII. No. 2559. Joh. Fr. Aug. Tischbein (1750–1812) Pastel-portret van Frederica Sophia Wilhelmina van Pruisen, gemalin van Prins Willem V.

Eene klagt over ons volksverval, over ons onbeduidend gewigt in de weegschaal van ons werelddeel, over ons verloren gezag ter zee, over wat niet al? was de aanhef dezer beschouwing. Als ooit eene herhaling verschoonlijk mogt heeten, hier zoude zij het zijn, waar de afneming onzer glorie onwillekeurig veraanschouwelijkt wordt, niet alleen door de weinige beeldtenissen, welke wij uit den volgenden tijd, welke wij uit de achttiende eeuw aantreffen, maar ook door het gehalte der kunst zelve, dalende tot zij ons XLII portretten van vorsten en vorstinnen uit het Huis van Oranje levert—in pastel. Een hoogleeraar heeft u onlangs willen vertroosten door eene verhandelingR133) ten bewijze dat wij hooger geklommen waren dan wij kracht hadden te blijven staan; ons is het hier te moede, als waren wij dieper gezonken, dan met zulke voorvaderen, met zulke voorbeelden, in eene reeks van eeuwen te vreezen viel. Intusschen, wij herinnerden hier slechts den aanvang van dit opstel, om den wensch lucht te geven, dat men de stukken uit lateren tijd dan dien van Willem III elders plaatsen mogt. Onze oude meesters hebben geene behoefte aan de vergelijking, waartoe zij gelegenheid biên, om naar waarde te worden geschat. De indruk des geheels, de historische, lijdt onder die doellooze vermenging. Of hebben wij geheel ons wit gemist, toen wij na de klagte, waarmede wij begonnen, lieten doorschemeren, dat de hulde, welke wij den vaderen meenden toe te brengen, ons, ja, beschamen, maar ook bezielen moest? Een der kleinste volken van Europa handhaafde twee malen in ééne eeuw de belangen der menschheid tegen de magtigste staten van het werelddeel,—tegen Spanje, dat bovendien de beide Indiën beheerschen mogt;—tegen Frankrijk, dat geene heugenis bewaarde, hoe zijne hervormde bondgenootenR134) het tegen Philips II hadden beveiligd. Gevoelen wij vanwaar wij uitgevallen zijn? Der verschijning van ons gemeenebest in de wereldgeschiedenis, zoo hoog, zoo heilig een doel toekennende, moesten ons vorst noch volk ter harte gaan, als zij het doen, zoo wij ons koningrijk in honderde opzigten niet gaarne meer zagen gelden, dan het tot nog toe doet. Een oordeel, in hoeverre de pogingen, tot dat einde aangewend, gelukten; eene verklaring, of ge u opgewekt gevoeldet, naar het voorbeeld des voorgeslachts, ontwikkeling aller gaven en krachten ten beste des algemeens pligt te achten, heiligen pligt, staat niet aan mij, maar aan u. Slechts dit bidde ik u, wijt het, wanneer ik te kort schoot, om dien indruk te weeg te brengen, wijt het mijner zwakheid, wijt het ons museum niet. „Der grieksche kunst mogt het gegeven zijn,” als een groot man heeft gezegd,R135) „zoowel den voorwerpen der zinnen eene ziel te bedeelen, als den afgetrokken' begrippen der wijsbegeerte een ligchaam.” Er is geenerlei gebrek, waaraan onze landaard hinkt, voor 't welk de Hollandsche schilderschool dier eeuw niet waarschuwt; geenerlei deugd des landzaats, waaraan we onze vroegere volksgrootheid zijn verpligt, die zij geenen onverwelkbaren krans heeft gevlochten. Stelden wij er eenige misschien slechts schemerachtig in het licht, ga die op uwe beurt zelf aanstaren tot ze u toeschitteren. Daartoe te hebben aangespoord en uitgelokt, zal ons roems genoeg zijn. „De oude mythologie der Grieken,” ik haal nogmaals een gezag uit de kunstwereld aan, „leverde overvloed van stoffe op voor plastische scheppingen; de kunst draaide om de spil eener levende nationale poëzij.” Beschuldig mij, als ik er niet in geslaagd ben, u Hollands oorspronkelijke schilderschool te doen huldigen als eene aanschouwelijking dier met de liefde voor het vorstenhuis gepaarde vrijheidszucht, welke ons volk niet verloor—dan om onder te gaan.

1844.


C) Nogmaals verwijzen wij den lezer naar het onder dit opstel geplaatste jaartal. Het verklaart niet slechts het hierboven uitgesproken oordeel over onze jongere schilderschool; maar ook de waarde van geheel den omtrek eener beeldtenis aan wier voltooide uitvoering Macaulay de onsterfelijkheid dankt. P.