Indien dit nu werkelijk zoodanig is, hoe kunnen wij dan een vrijen wil hebben?

Hoewel de leer der atomen eene hypothese is welke ons tot tegenstrijdigheden verleidt, zoo heeft zij onze chemische kennis niettemin buitengemeen bevorderd. Men zal derhalve voorloopig de atomen in de scheikundige theoriën evenzeer moeten behouden, als men in het empirische leven, ter meer gemakkelijke opvatting van de verschijnselen, zal voortgaan om alle bestendig voorkomende vereenigingen van zekere eigenschappen stof te noemen en daaraan afzonderlijke benamingen te geven, zoo als goud, suiker, zetmeel, hout, enz.—In dien zin zal ook ik mij in het vervolg van deze uitdrukkingen blijven bedienen.

Vergunt mij ten slotte nog met een enkel woord te spreken van de groote moeijelijkheid, waarmede de natuuronderzoeker heeft te kampen bij de buitengewoon groote menigvuldigheid van het organische leven, ten einde de levensverschijnselen, zoomede den rijkdom aan gestalten van de planten- en dierenwereld uit de algemeen bekende, chemische en physische krachten te verklaren. Reeds bij den aanvang mijner voordragt heb ik op deze moeijelijkheid gewezen, welke ten duidelijkste haren oorsprong heeft in het groote aantal gelijktijdig werkzame krachten. Het physische leven van het organismus op zich zelf beschouwd (als iets gegevens) laat zich, wel is waar, uit de ter bedoelde plaats (zie vroeger bladzijde 317) opgenoemde, allerwege met de stof verbreide krachten verklaren, zonder dat men andere zoogenaamde typische of eigendommelijke levenskrachten welke van de onorganische natuur verschillen, behoeft aan te nemen; waarom echter het leven der verschillende organismen slechts tijdelijk van duur is, en dit bij elke afzonderlijke soort op een onderscheidenen, vast bepaalden (gemiddelden) tijd ophoudt, laat zich daaruit evenmin verklaren,—als de bijzondere vorm welke elk der 100,000 planten- en 130,000 diersoorten bezit die tot heden beschreven zijn geworden, daaruit kan worden afgeleid, en welke toch allen, niettegenstaande het groote onderscheid in haren vorm en de afwijkende, menigwerf wonderbare structuur van de menigte harer organen, uit dezelfde grondstoffen, bij de werking van dezelfde physische en chemische krachten zijn ontstaan.

Moest dan in de atomen der elementen, welke de eiwitstof of den dojer van het vrouwelijke ei uitmaken (vergelijk de analysen die lager worden gevonden) het streven niet liggen,—dat door de werking van het mannelijke zaad bij de zoogenaamde bevruchting d. i. wezenlijk door het indringen der spermatozoiden in den dojer eerst gewekt of werkzaam gemaakt wordt en waarbij de gelijktijdige gunstige invloed van algemeene natuurkrachten b. v. van een bepaalden gemiddelden (noch te hoogen, noch te lagen) warmtegraad, als noodzakelijke voorwaarde wordt aangenomen,—moest dan in deze atomen niet het harmonisch streven zijn gelegen, om bij voortdurenden toevoer van gelijke stoffen (als eiwit, bloed) een dierlijk of menschelijk ligchaam met al zijne deelen te vormen,—hier een oog of een oor (beide zoo wondervol, schijnbaar zaâmgesteld en toch zoo eenvoudig van inrigting!) te doen ontstaan, elders zich tot eene spier of eene long, eene zenuw of een borstbeen te vereenigen,—uit een bepaald aantal spieren, beenderen, pezen, aderen en zenuwen een arm, eene hand met vingers te maken en al deze deelen en organen in het behoorlijke aantal, ter behoorlijker plaats daar te stellen, zoomede in de vereischte verhouding der duizenden van cellen, vezelen, membranen, aderen en zenuwen, waaruit zij bestaan!—en deze wondervolle kracht zou in de chemische stoffen, in de atomen liggen!

In eenige atomen zuurstof, kali, phosphorus of zwavel, welke dit hoenderei meer bezit dan het gindsche (waarvan het echter in zulk eene geringe mate verschilt, dat men door middel van een scheikundig onderzoek niet in staat is eenig onderscheid tusschen beiden aan te toonen) zou het vermogen zijn gelegen, om de geheel verschillende geslachtsorganen van den haan met kam, sporen en prachtig gevederte te voorschijn te brengen,—terwijl de afwezigheid van dit paar atomen aan het andere ei dat in hetzelfde nest uitgebroeid wordt, de kracht geeft om eene hen te doen ontstaan, welke weder geheel verschillend gevormde geslachtsdeelen, ander gevederte bezit dan de haan en sporen noch kam heeft,—ja terwijl misschien bij eene gelijke percentsgewijze verhouding der bestanddeelen in een kalkoenenei een geheel ander dier: een kalkoensche haan of hen wordt uitgebroeid.

Ten einde aan de lezers die zich niet bijzonder hebben bezig gehouden met de beoefening der chemie, een denkbeeld te geven van de groote menigte krachten welke gelijktijdig in het organismus werkzaam zijn, van het ingewikkelde zamenstel van schijnbaar zoo eenvoudige stoffen als dojer en eiwit, deel ik de volgende analysen mede. (Van het mannelijke zaad ontbreken naauwkeurige chemische analysen nog bijna geheel en al.)

Het eiwit bestaat uit stikstof, koolstof, waterstof en zuurstof, ongeveer in die verhouding als in Mulder’s oude proteïnformule is uitgedrukt: N5 C40 H30 O12, waarbij echter naar gelang van de verschillende soorten van eiwit in het dieren- en plantenrijk nog eene grootere of geringere hoeveelheid zwavel, ook phosphorus en nog meer of minder zuurstof komt.

Honderd deelen dojer zijn volgens Gobley in het kippen- en in het karperei (welke laatsten uitsluitend uit dojer, zonder eiwit bestaan) zaâmgesteld uit:

Kippenei. Karperei.
Vitelline 15,76 14,08
Margarine en Elaïne 21,30 2,57
Cholesterine 0,44 0,27
Lecithine 8,43 3,04
Cerebrine 0,30 0,20
Chloorammonium 0,03 0,04
Chloornatrium en Chloorkalium 0,28 0,45
Zwavelzure kali 0,28 0,04
Phosphorzure kali 0,04
Phosphorzuren kalk en phosphorzure magnesia 1,02 0,29
Alcoholextract 0,40 0,39
Vliezen 14,53
Kleurstof, sporen van ijzer, enz. 0,55 0,03
Water 51,49 64,08

En in honderd deelen asch werden gevonden:

IN DEN DOJER. IN HET EIWIT.
door Poleck. door Weber. door Poleck. door Weber.
Kali 8,93 10,90 2,36 27,66
Natron 5,12 1,08 23,04 12,09
Chloorkalium 41,29
Chloornatrium 9,12 9,16 39,30
Kalk 12,21 13,62 1,74 2,90
Magnesia 2,07 2,20 1,60 2,70
IJzeroxyde 1,45 2,30 0,44 0,54
Phosphorzuur 63,81 60,16 4,83 3,16
Phosphorzuurhydraat 5,72
Zwavelzuur 2,63 1,70
Kieselzuur 0,55 0,62 0,49 0,28
Koolzuur 11,60 9,67

Wij behoeven slechts een vlugtigen blik te werpen op het zamenstel van het ei uit zoo velerlei verschillende stoffen die in genen deele enkelvoudige stoffen zijn, maar die elk weder bestaan uit eene vereeniging ten minste van 2, gewoonlijk van 3, ja 4 zoogenaamde elementen, om te begrijpen met welke moeijelijkheden de natuuronderzoekers in toekomstige eeuwen zullen te kampen hebben, om de verschijnselen van het organische leven terug te brengen tot de bekende chemische en physische krachten. Eene eerste stelling onzer hedendaagsche natuurwetenschap is (gelijk u op eene voldoende wijze is bekend): dat menging,7 kracht en vorm allen niet anders dan gelijktijdig zich veranderen en dat, wanneer verandering in de menging plaats heeft, noodzakelijkerwijze insgelijks de kracht (of eigenschap) en de vorm zich moeten veranderen. Wat het plantenrijk betreft b. v., behoeven wij slechts een blik te werpen op onze tuinen en onze tamme aardappelen en groentesoorten gade te slaan, waarin men de oorspronkelijke, in het wild groeijende stamplanten ter naauwernood kan herkennen, om deze stelling ten volle bewaarheid te zien, en wij moeten bekennen dat gelijke voeding (gelijke stofcombinatie): gelijke gestaltevorming, ongelijke voeding (ongelijke stofcombinatie): ongelijke gestaltevorming ten gevolge heeft. Daarentegen zou men aan de algemeene geldendheid van den regel dezer stelling twijfelen, wanneer men het dierenrijk gadeslaat en ziet hoe uit het eene ei eene hen, uit het andere een haan geboren wordt, niettegenstaande de scheikundige niet in staat is eenig onderscheid in de zamenstelling dezer eijeren te ontdekken. Dit kan echter zijn grond hebben in de onvolkomenheid der methode of wel hierin, dat men er tot heden niet in geslaagd is om door middel der analyse van organische ligchamen resultaten te verkrijgen, welke eene voldoende juistheid bezitten.

Want wanneer wij zien, dat indien een atoom waterstof en zuurstof meer wordt gevoegd bij rietsuiker (C12 H11 O11) deze wordt omgezet in druivensuiker (C12 H12 O12), of dat vijf atomen water, ontnomen aan den reuk- en smakeloozen, fraai gekristalliseerden zoogenaamden terpentijnkamfer (C20 H16 + 6HO), dezen veranderen in eene aangename, naar hyacinthen riekende olie (C20 H17 O),—of dat ligchamen, welke niet slechts wat betreft de mengingsgewigten hunner bestanddeelen, maar (even als de 2 verschillende zuren waarin het druivenzuur zich laat ontleden) insgelijks in alle andere eigenschappen bijna volkomen met elkander overeenstemmen, niettemin van elkander verschillen moeten in de menging of in de ligging der kleinste deelen, dewijl de gepolariseerde lichtstraal bij beiden niet dezelfde werking te weeg brengt en het polarisatievlak bij het eene zuur regts, bij het andere ter linkerzijde afwijkt,— ja dat een geheel onschadelijk zout, als mierenzure ammoniak (H4 NO, C2 HO3) bloot door het te verhitten in een sterk werkend vergift, in blaauwzuur (HC2 N (+ 4HO) wordt veranderd, hetwelk zoodra het in aanraking komt met water en een sterk zuur, weder in ammoniak en mierenzuur overgaat,—dat derhalve uit schijnbaar zoo geringe stoffelijke veranderingen terstond geheel andere krachten worden geboren en nieuwe ligchamen met geheel andere eigenschappen dan vroeger ontstaan,8 dan mogen wij de stellige hoop voeden, eenmaal in staat te zullen zijn niet slechts in de zaden van alle planten, maar insgelijks in de eijeren van alle dieren (waaruit zich zoo verschillende krachten en eigenschappen ontwikkelen) eveneens stoffelijk onderscheid aan te toonen, al bestond dit slechts in eenige weinige meer of minder er in aanwezige atomen phosphorus, margarine, cerebrine en dergelijken.

Wij hebben te meer grond om zulks te hopen, wanneer wij bedenken dat de verscheidenheid der scheikundige verbindingen uit niet meer dan een 39 tal enkelvoudige stoffen die veelvuldig voorkomen, schijnbaar tot in het oneindige voortgaat en dat—om slechts een voorbeeld aan te halen—alleen het aantal der ontledings- en afleidingsproducten welke van de alcoholen afstammen (de bijzondere ethersoorten, de eigenaardige aldehyden en de bepaalde zuren, welke tot elke bijzondere alcoholsoort behooren) zoo buitengewoon groot is, dat naar de berekening van den Franschen scheikundige Dumas alleen uit het tot heden bekende alcoholradicaal9 (koolstof en waterstof) en ammoniak (stikstof en waterstof) meer dan 60000 verschillende verbindingen kunnen worden gevormd die allen verschillende eigenschappen bezitten.

Wanneer wij het als mogelijk moeten beschouwen, dat de hersenen van een orthodoxen pastoor die vóór 500 jaren over Gods moeder, Gods vader of over de hemelvaart van Gods zoon predikte, uit dezelfde stofdeelen, of althans grootendeels uit dezelfde atomen zuur-, water-, kool- en stikstof, phosphorus, natron, kali en kalk bestonden, die deels tot water, deels tot meer zaâmgestelde vet- en eiwitachtige verbindingen (als elaïne, oliezuur, oliephosphoruszuur, margarinezuur, cholesterine, cerebrinezuur, enz.) zaâmgegroepeerd waren en welke heden (juist in dergelijke verbindingen) de geheel anders denkende hersenen van den wijsgeer Feuerbach vormen, nadat zij vóór 176 jaren reeds hadden medegewerkt tot het daarstellen van den „ketterschen” kop van Spinoza,—dan moeten wij het insgelijks als mogelijk beschouwen dat het ons eenmaal zal gelukken, niettegenstaande de algemeene overeenstemming welke in de genoemde verbindingen heerscht, een onderscheid in de chemische zamenstelling der verschillende individuele hersenen te ontdekken en daaruit de onderscheidene rigtingen van gedachten der vele millioenen menschen, die gelijktijdig op aarde leven en na elkander geleefd hebben, uit de stof te verklaren. Wij durven deze hoop voeden, hoewel onder al deze millioenen welligt slechts enkele individuen worden aangetroffen die, zelfs bij schijnbaar gelijke uitwendige omstandigheden waarin zij leven, in de rigting hunner gedachten, zoomede in de trekken huns karakters en in den uitwendigen vorm des ligchaams volkomen met elkander overeenkomen. Verschil in menging, eene geringe hoeveelheid van de eene stof in deze hersenen meer, in gene minder, eene andere combinatie der enkelvoudige stoffen tot zaâmgestelde verbindingen,—geringe afwijkingen in den vorm en in de grootte der hersenen, zoomede in de verhouding van de afzonderlijke deelen der hersenen tot elkander, deze zouden dan (in verband met verschillende indrukken door de buitenwereld te weeg gebragt) moeten beschouwd worden de oorzaken der verscheidenheid in de rigting der denkbeelden en de mate van geestvermogens dier millioenen van individuen.

Het kan niet onmogelijk zijn de wijze te ontdekken, waarop deze verschillende mengings- en vormtoestanden der hersenen in verband staan tot de geestvermogens bij de verschillende individuen en de stoffelijke wetten op te sporen, waarnaar algemeen genomen alle verschijnselen in de organische natuur zich zinnelijk openbaren;—het waarom? deze wetten echter juist zoodanig en niet anders werken,—waarom aan elke verschillendsoortige stofvereeniging een bepaalden vorm in het dieren-, in het planten- en in het mineraalrijk toebehoort en waarom zij ook telken male gepaard gaat met bepaalde, eigenaardige verschijnselen of levensverrigtingen, welke wij bij geen anderen vorm, geene andere stofcombinatie ontmoeten,— dit laatste waarom zullen wij nimmer doorgronden, maar altijd stuiten op iets dat ons onverklaarbaar is.

Noemt dit onbekende gelijk gij wilt; noemt het natuurnoodzakelijkheid, wereldziel, geest in de natuur, eeuwigen wil, eeuwig zelfbewustzijn; noemt het God!—wat toch doet de naam ter zake?—Maar dit onbekende dat op den helderen, lichten dag zich steeds openbaart op eene zoo geheimzinnige wijze, uitsluitend naar vaste wetten in, met en door deze raadselachtige atomen, welke datgene zaâmstellen hetwelk wij „stof” noemen,—het is verheven, het is wonderbaar en schoon!

(was geteekend) Avondrood.10

NACHT. Niettegenstaande de gematigde slotsom welke gij ten laatste uit uw stelsel van natuur en God trekt, komt het mij niettemin huiveringwekkend, ja vreesselijk voor en ik wensch hartelijk dat het nimmer opgang vinde bij het publiek, dewijl het een verderfelijken invloed op de maatschappij zou kunnen uitoefenen. Hoe zou ik God als een rein, heilig, goed wezen kunnen vereeren, indien ik op uw voetspoor moest gelooven dat Hij bloeddorstig in gindschen tijger rondsluipt om buit te zoeken, of in dezen moordenaar woedt die zijns nabuurs vrouw en kind om het leven brengt, of diens huis in brand steekt ten einde hem te berooven of zich op hem te wreken?—Hoe durf ik dan den booswicht straffen? Wat zal ik hem antwoorden, wanneer hij zich met de door u verkondigde leer verontschuldigt en zegt: „ik werd door eene onweêrstaanbare kracht gedwongen te handelen gelijk ik deed;—deze mij beheerschende kracht zult gij waarschijnlijk uitgedrukt vinden in den vorm mijns schedels, waarmede ongetwijfeld de inwendige bouw en eene bepaalde scheikundige menging mijner hersenen overeenkomen; ik heb geen vrijen wil.”—Voert uwe leer niet regtstreeks naar het geestverdoovende geloof aan de voorbeschikking, aan het fatalismus, dat reeds zoo veel onheil heeft gesticht?

AVONDROOD. Waarde broeder! Indien gij u als geloovige Christen en met orthodoxe gestrengheid aan de zoogenaamde geopenbaarde godsdienst houdt, kan ik u met eene menigte bijbelplaatsen bewijzen dat gij dan evenzeer in den geest van Augustinus en Calvijn moest gelooven aan de praedestinatie. Ik wil mij echter niet beroepen op boeken of autoriteiten, maar uitsluitend op de natuur. Voor den natuuronderzoeker bestaat er evenmin een vrije wil, als een blind toeval, dewijl alles wat in de natuur geschiedt, wat de mensch verrigt en wat hij denkt, een noodzakelijk gevolg is van voorafgegane oorzaken. Ook de menschelijke wil is, zoo als ik op eene voldoende wijze vermeen te hebben bewezen, slechts een schakel in de keten van den noodzakelijken, door middel van oorzaken gevormden zamenhang der gebeurtenissen, niettegenstaande de oorzaken waarvan onze wilsuitingen het gevolg zijn, in tijdsorde menigwerf zoo verre verwijderd, of zoo verborgen zijn kunnen, of zoo zamengesteld en ingewikkeld van aard zijn, dat het ons niet altijd mogelijk is ze duidelijk te kunnen herkennen. Dit echter mag als zeker worden beschouwd dat gij, van het Christelijke dogma uitgaande, aan uwen persoonlijken, van de natuur gescheiden God althans de hoedanigheid der voorwetenschap moet toekennen en aannemen moet dat Hem alles, ook het verschrikkelijke, het booze, de misdaad welke is gepleegd, vooraf bekend was en dat hij zulks niet verhinderde, hoewel Hij „almagtig” is. Hetgeen ik reeds vroeger heb aangemerkt, behoef ik thans niet te herhalen: dat deze voorwetenschap en het niet verhinderen door den almagtigen God volkomen van gelijke beteekenis is te achten met het zelf verrigten der daad. Een menschelijk spreekwoord zegt: „de heler is zoo goed als de steler.”

NACHT. Gij dwaalt, broeder, indien gij mij beschouwt als een gedachteloozen naprater van de woorden des bijbels. Veroorloof mij u te zeggen, dat ik aan het blinde geloof der orthodoxe school reeds voor lang ben ontwassen. Ik acht de rede verheven boven het geschrevene woord, waaraan ik slechts dan geloof, wanneer het met de wetten van het redelijke denken niet in strijd is. Het dualismus van God en der natuur schijnt mij echter volstrekt noodzakelijk toe. Aan de onafhankelijkheid der ziel van de stof, aan den vrijen wil des menschen moet ik gelooven, dewijl anders aan de zedeleer hare wezenlijke, d.i. zedelijke grondslag geheel en al ontnomen wordt. De empirische maatstaf toch van het goede en het kwade welke gij hebt opgegeven, kan mij niet bevredigen.

Om de vrijheid van den menschelijken wil te redden, moeten wij de voorwetenschap aan God ontzeggen.

AVONDROOD. Wat?—dan verlaagt gij uwen God tot beneden den mensch! Wij menschen weten immers veel van hetgeen over tien, over honderd, ja over honderde jaren zal geschieden, vooraf te zeggen, namelijk al datgene hetwelk zich regelt naar natuurwetten die ons volkomen bekend zijn geworden!—En zou uw God deze natuurwetten minder goed kennen dan wij?—Geven wij niet voor elk jaar, alvorens het aanvangt, een sterrekundig jaarboek of zeemansalmanak uit, waarin de stand van alle planeten ten opzigte van elkander en van de zon, der trawanten ten opzigte van de planeten, zoomede de stand dezer hemelligchamen ten opzigte van de vaste sterren met betrekking tot onze aarde, voor elken dag des jaars, voor elk uur van den dag, voor elke minuut, seconde, ja voor een gering gedeelte eener seconde met juistheid vooraf wordt bekend gemaakt?—Weten wij niet, dat heden na 32 jaren, namelijk op den 19den Augustus 1887 eene totale zonsverduistering zal plaats hebben, en zijn wij niet in staat om voor elke plaats der aarde (waar zij zigtbaar zal zijn) naauwkeurig den tijd op te geven van den aanvang en van het einde der verduistering, zoomede de grootte en den vorm van het verduisterde gedeelte, benevens vele andere verschijnselen welke er mede gepaard zullen gaan?—Hebben de sterrekundigen dan niet even naauwkeurig als alle zons- en maansverduisteringen die zullen plaats grijpen, insgelijks den tijd van doorgang van Mercurius en Venus voor de zon honderden van jaren vooraf berekend!—Weten wij dan niet, dat de „morgen- en avondster” welke ons zoo menigwerf door haren helderen glans verheugt, op den 8sten December des jaars 2125—derhalve na verloop van 271 jaren—als eene kleine zwarte schijf voorbij de zon zal gaan, nadat zij te rekenen van 1874 tot op 2117 reeds vijfmaal datzelfde verschijnsel zal hebben opgeleverd?—Ja, heeft men zelfs niet de wetten ontdekt welke den loop regelen der kometen, die gedeeltelijk duizenden van jaren behoeven om hare banen te doorloopen, en het weder verschijnen der Olbersche komeet (welke in 1815 werd waargenomen) op den 9den Februarij 1887, zoomede naar de berekening van Bessel dat van de komeet van 1807 op de 33ste eeuw en dat van de komeet van 1811, naar Argelander, op het jaar 4700 na Christus niet vooraf gezegd?—Berekenden Leverrier en Adams de elementen niet van eene nog geheel onbekende planeet, duidden zij de plaats niet aan waar deze in het wereldruim zou zijn, niettegenstaande nog geen sterfelijk oog haar had gezien en zeiden zij niet vooraf, dat men haar daar zou vinden, ter plaatse waar men haar later werkelijk vond en Neptunus noemde?—Zijn wij zelfs de wetten niet op het spoor die zoowel op het physieke, als op het maatschappelijke leven des menschen invloed uitoefenen en naar welke wij het gemiddelde getal der toekomstige geboorten, sterfgevallen enz. leeren kennen, ja, welke ons in staat stellen met evenveel zekerheid vooraf te zeggen, dat op elke 650 personen in Frankrijk jaarlijks één zich aan misdrijf zal schuldig maken,—als wij de hoeveelheid regen naar duimen en strepen vooruit kunnen bepalen, welke in de eerstvolgende vijf jaren te ’s Gravenhage of te Utrecht zal vallen!—Zou uw God onwetender zijn dan de mensch? Zou hij de natuurwetten niet beter kennen dan wij en met behulp daarvan niet in staat zijn vooraf te kunnen zeggen, welke van die 650 personen de misdaad begaan en hoeveel regen dagelijks op elke plaats vallen zal?—Is het niet duidelijk dat ons onvermogen om het lot van elk bijzonder mensch, om de weêrsgesteldheid van elken afzonderlijken dag vooraf te kunnen opgeven, zijn grond heeft in het ingewikkelde der verschijnselen, in het groote aantal gelijktijdig werkende oorzaken, waardoor het heldere overzigt van de wetten die dit alles regeren, voor ons bemoeijelijkt of onmogelijk wordt gemaakt, dewijl toch het noodzakelijke gevolg, het eindresultaat, slechts uit de vastgeregelde zamenwerking van al deze oorzaken of krachten geboren wordt. Uit de volkomene en grondige kennis dezer wetten echter moet elke gebeurtenis in de natuur en in het menschelijke leven duizende jaren vooruit kunnen voorzegd worden. En deze gave der voorwetenschap welke de mensch in zekere mate bezit, ontzegt gij aan uwen God? Is dat niet ongeveer gelijkluidend met geheel en al het aanzijn van God te loochenen?

NACHT. Broeder, dit denkbeeld doet mij duizelen; gij voert mij naar een afgrond waarin ik vrees te verzinken.

MORGENROOD. Lieve Nacht! Ik ken den weg waar langs gij den afgrond kunt omgaan. Er voert slechts een enkele weg daarom heen. Volg mij en ik zal u geleiden naar de bloemrijke beemde, waar geen tweespalt heerscht en alles zich in harmonie oplost.

AVONDROOD. Vergunt mij vooraf nog een enkel woord hier bij te voegen. De wijsgeeren hebben reeds van den vroegsten tijd tot op Kant en van dezen tot op Hegel over den vrijen wil gestreden, maar de vraag is tot heden onopgelost gebleven. Wij zijn geene wijsgeeren, geene idealisten, maar natuuronderzoekers en behooren te trachten om de vraag die wij willen oplossen, ons vooraf zoo duidelijk en zoo eenvoudig mogelijk voor te stellen. Slechts een van deze beide gevallen kan waar zijn. Of (a) wij hebben een vrijen wil en daar deze slechts denkbaar is als de eigenschap eener zelfstandige, onsterfelijke ziel, moeten wij eene ziel hebben welke onafhankelijk is van de chemische en physieke krachten, die in onze hersenen en in de overige deelen onzes ligchaams werkzaam zijn.—Of (b) de aanwezige verschijnselen en opgedane ervaring veroorloven ons niet, aan het bestaan eener zoodanige onafhankelijke ziel te gelooven. Wij gelooven aan de werkzaamheid der chemische en physieke krachten in onze hersenen: maar dan kunnen wij geen vrijen wil hebben, omdat, gelijk gij zeer wel weet, deze chemische en physieke krachten aan onveranderlijke en onverbiddelijk gestrenge, consequente natuurwetten gehoorzamen.

Laat ons nu eens nagaan waarheen de eerste stelling a ons leidt. Wij zijn allen eenparig van gevoelen en moeten dit als natuuronderzoekers zijn, dat de dingen wel van vorm en zamenstel veranderen, maar dat geene nieuwe stof, geene nieuwe krachten kunnen geschapen worden. Derhalve kunnen ook onze zielen niet op nieuw geschapen zijn, maar moeten zij vroeger reeds onder een anderen vorm hebben bestaan. Om nu het aanwezen te verklaren dezer zelfstandige zielen welke van de naar vaste wetten werkende natuurkrachten onafhankelijk zijn en een vrijen wil zouden hebben, moeten wij toch het bestaan van een zielenvoorraad of eene zielenbron aannemen van waar zij (langs voor ons geheel onbekende wegen) in ons ligchaam zijn gekomen, derhalve eene algemeene ziel, eene wereldziel, een God. Van deze goddelijke ziel heeft zich een deel in ons uitgestort (hoewel ons onbekend is wanneer zulks plaats had, of dit geschiedde bij de bevruchting, in het embryo, bij de geboorte, of later?) en zich herschapen in eene bijzondere (individuële, menschelijke) ziel met bijzonderen vrijen wil. Maar vrijheid van wil en almagt moet toch bovenal de eigenschap zijn der algemeene ziel, dewijl zij zich in het weinigje stof waaruit wij bestaan, niet had kunnen overstorten, indien zij deze eigenschap niet bezat. Indien nu echter uwe zielen, zoomede de zielen van zoo vele millioenen andere menschen—elk afzonderlijk—haren eigen, onafhankelijken vrijen wil heeft, hoe kan God dan almagtig zijn en een vrijen wil hebben, uithoofde iets vrijs buiten hem,—uithoofde zoo vele milioenen afzonderlijke, van hem onafhankelijke gedeelten van vrijen wil aanwezig zijn?—Is deze veronderstelling niet ongerijmd, onbestaanbaar en leidt zij niet regtstreeks tot het geloof aan wonderen, ’t welk gij, broeder Dag, in uw evangelie met zoo veel klem hebt bestreden? Betaamt het ons, wier aanhoudend streven het is en moet zijn: de wetten na te speuren waarnaar de verschijnselen in de natuur zich regelen, aan dergelijke wonderen te gelooven? En in welke betrekking zou dan een dergelijke, van de natuur gescheiden, persoonlijke God staan tot de natuurkrachten en wetten? Zou hij misschien niet anders verrigten dan toezien en—zielen scheppen, namelijk scheppen zoodra de gelegenheid daartoe gekomen is, derhalve voortdurend oppassen en—zoo spoedig en zoo dikwerf het aan de natuurkrachten in het menschelijke ligchaam (zoomede vooraf aan twee exemplaren van den vrijen menschelijken wil) aangenaam is geweest, uit het vrouwelijke ei en het mannelijke zaad de vereischte stof daartoe te verschaffen, fluks van zijne zijde eene ziel in deze stof te scheppen en te zeggen, daar ziel, loop; ik wil dat gij zijt en na negen maanden vrijen wil hebt. Want dan zijt gij vrij en kunt uwes weegs gaan; maar geef acht, dat gij de vingers niet brandt; want allerwege om u heen zijn natuurkrachten werkzaam en deze bekommeren zich noch om u, noch om uwen vrijen wil.

b. Aan dergelijke wonderen kunnen wij niet gelooven, dewijl zij in strijd zijn met het verstand en met de waarneming, welke laatste leert dat de zielsvermogens van den mensch slechts van lieverlede in, met en door de stof—het ei, embryo, foetus, kind, jongeling en volwassen mensch—tot ontwikkeling komen. Er blijft ons derhalve niets over dan de tweede veronderstelling aan te nemen en God met de natuur te vereenzelvigen. Doen wij dit, dan kunnen wij—naar de stellige of absolute beteekenis van dit begrip—aan geen vrijen wil gelooven. Dit denkbeeld van vrijheid van wil is slechts een zelfbedrog, een waan, waarin de meeste menschen van de wieg tot aan het graf blijven voortleven.—Enkele diepdenkende personen hebben zich boven dien waan verheven en onderwerpen zich met tevredenheid aan den wil der natuur, die zich in hen doet gelden, ja, zij putten troost en opbeuring uit de gedachte: wij zijn slechts een deel van het eeuwige bewustzijn, aan stof gebonden, thans latent, maar zullen eenmaal weder vrij worden. Als individu hebben wij niets dat ons eigen toebehoort, behalve dit individuële bewustzijn (deze afspiegeling der gansche natuur is ons binnenste door middel onzer zintuigen), dat na onzen dood in de Godziel als herinnering zal voortleven.

NACHT. Uwe beschouwing is in strijd met mijn innigst gevoel. De grens tusschen zedelijke en physieke vrijheid wordt door u niet duidelijk getrokken; gij vermengt de eerste met de afhankelijkheid onzes ligchaams van de natuurkrachten, zonder in aanmerking te nemen dat de zedelijke vrijheid slechts afhangt van zedelijke beweegredenen en dat wij in dien zin—zedelijk—wel degelijk vrij moeten zijn.

AVONDROOD. Vergun mij dan, dat ik dit denkbeeld naauwkeuriger beschrijf.—De innerlijke opgewektheid, die wij begeerte, willen noemen, hangt af van indrukken van buiten of van inwendige aandoeningen die, gelijk het geval is met onze herinneringen, als een gevolg van uitwendige indrukken zijn overgebleven, van behoeften, gevoel, zoomede van het voorbeeld door anderen gegeven; zij kan derhalve niet vrij zijn. Ons blijft, wel is waar, de keuze over tusschen twee begeerten en de middelen ter harer bevrediging. Wij kunnen onze eigene begeerten besturen en beheerschen, en wanneer wij overleggen en eene keuze doen, daar schijnen wij ons zelven toe vrij te zijn. Maar eene andere vraag is deze: of wij de overleggingen, dan of de overleggingen ons beheerschen.—Ik geloof dat zij ons beheerschen. Want van waar toch komen de overleggingen? Wij zijn immers niets uit en door ons zelven, maar alleen datgene hetwelk natuur, opvoeding en lotgevallen ons hebben gemaakt. Reeds in het embryo ligt de kern van het karakter en den aanleg, waarmede wij ter wereld komen en waarvan de oorzaak moet gezocht worden in de verscheidenheid der oorspronkelijke stoffelijke menging;—hoe toch zou het anders mogelijk zijn, dat tweelingen van eene moeder menigwerf zoo geheel verschillend van elkander kunnen zijn van inborst en van aard? Opvoeding en doelmatige of verkeerde behandeling des ligchaams in het tijdperk van zijne ontwikkeling dragen later het hare daartoe bij, om de eigenaardigheden van het opwassende individu scherper of onduidelijker te voorschijn te doen treden. Maar noch de oorspronkelijke stoffelijke aanleg, noch de wijze van behandeling of van voeding des jeugdigen ligchaams, noch het stelsel waarnaar het kind wordt opgevoed, stonden ter keuze van het individu. Hij toch moest met blindheid zijn geslagen, die niet wilde inzien dat onze geestvermogens, onze inborst, onze denkwijze en ons karakter het product zijn der genoemde omstandigheden, welke de ontwikkeling van het individu beheerschen en waarop deze niet den geringsten invloed kan uitoefenen. Het zijn juist zulke oorzaken waarop onze keuze niet den geringsten invloed kan uitoefenen, waarnaar zich (veelal onbemerkbaar, dewijl er geen acht op geslagen wordt—) in rijperen leeftijd voortdurend onzen wil rigt. Uit dien hoofde moet, gelijk ik reeds vroeger heb aangemerkt, de maatstaf worden veranderd waarmede wij het goede en kwade meten en behoort deze zuiver menschelijk te zijn.—Herinnert gij u in de nieuwspapieren te hebben gelezen van den man die, uit eene ziekte hersteld, weder tevreden aan den arbeid zat,—tot hij eens plotseling in woede geraakte, zijne vrouw en kinderen vermoordde en zich zelven daarna op eene vreeselijke wijze om het leven bragt? Indien hij in het leven ware gebleven, zou de regter dan, op grond van zedelijke beweegredenen, hem van moord beschuldigen en als moordenaar hebben durven straffen? Was de moord aan zijne vrouw en kinderen gepleegd eene zoogenaamde daad van willekeur of eene onwillekeurige (of reflex-) beweging? Waar ligt de grens tusschen gezond van geest en krank van geest?

NACHT. Daarover behoort de geneeskundige te beslissen. Dergelijke gevallen, waarvan gij zoo even gesproken hebt, waar het moeijelijk is te beoordeelen of een individu gezond of ziek van geest is, kunnen van tijd tot tijd voorkomen. De gezonde echter—hieraan valt niet te twijfelen—heeft het volle bewustzijn van de beweegredenen zijner handelingen, of zij goed of kwaad, zedelijk of onzedelijk zijn. Niettegenstaande dat wilt gij thans ook den zedelijken wil des menschen als een noodzakelijk gevolg van oorzaken voorstellen, die niet weder kunnen beschouwd worden als zijn eigen wil, maar daarvan geheel onafhankelijk zijn!—Ik geloof daarentegen dat mijn eigen zedelijke wil, als eene eigenschap mijner ziel die mij door God werd geschonken, slechts van mijn zedelijk inzigt en niet, gelijk door u wordt beweerd, van de natuurwetten afhankelijk is. Want het zedelijke willen is geene natuurwet, maar eene taak, een ideaal, naar welks verwezenlijking de mensch moet streven. En juist, dewijl het ons mogelijk is dit ideaal meer en meer te naderen, kan de wil niet eenig en alléén het gevolg zijn van oorzaken die van buiten op ons werken, maar moet integendeel het gevolg zijn van eene innerlijke, aan wetten gebondene regelmaat van het geestelijke leven zelf.

AVONDROOD. Dat heet met andere woorden: „de oorzaak van den wil ligt in de vatbaarheid van het geestelijk leven om opgewekt te worden.”—Gij geeft daarmede toch tevens te kennen dat er innerlijke drijfveeren, oorzaken van den wil bestaan en dat is zeer juist, dewijl de meest bepaalde wil steeds het duidelijkst van zijne beweegredenen bewust, derhalve afhankelijk van beweegredenen is, d. i. van oorzaken die eerst vóór korten tijd of reeds vele jaren geleden op uw voor indrukken vatbare gemoed invloed kunnen hebben uitgeoefend, waarvan de indruk niet is uitgewischt. Zoodra nu gunstige omstandigheden zich vereenigen, die opwekkend zijn voor dezen indruk, zal hij zich als een gevolg dier vroegere oorzaken noodzakelijker wijze als wil! uiten.

NACHT. Het is moeijelijk om met u te redetwisten. Maar gij zult toch toegeven dat de wil niet in dier voege aan bepaalde beweegredenen is gebonden, dat niet ook andere oorzaken invloed daarop zouden kunnen uitoefenen?

MORGENROOD. Gij lacht en gij (Nacht) fronst het voorhoofd?—Zonderling; waarom redetwist gij toch! Het komt er immers in het practische leven juist niet zoo zeer op aan of de vrijheid van wil in absoluten, positiven zin genomen (met betrekking tot God en de natuur) bestaat, maar slechts of de mensch als verschijnsel met betrekking tot andere menschen dezen vrijen wil heeft en dit geloof ik volmondig toestemmend te moeten beantwoorden. Of de mensch eene daad a als zelfstandig vrij wezen, dan of b eene onbekende magt in hem de wilsuiting te weeg brengt, dit is den regter onverschillig. Daarnaar behoeft hij niet te vragen, dewijl hij zich noodzakelijker wijze in hetzelfde geval bevindt als de mensch over wien hij zal oordeelen, of in het geval a of in het geval b. De zederegter en wetgever grondt wel degelijk zijn regt om te beloonen of te straffen op de mate van toerekenbaarheid van het individu, niet op de mate waarin hij de mogelijkheid of onmogelijkheid van het bestaan des absoluut vrijen wils in aanmerking neemt, maar slechts in zoo verre als hij, om te beloonen of te straffen, noodig heeft ten eerste een persoon aan wien de wil als een zich zelfbewuste wil kan aangerekend worden, en ten tweede het bewijs dat op dit willen de daad waarover geoordeeld wordt, als voorbedachte daad is gevolgd.—Het is waar, ook hier loopen de grenzen tusschen met bewustheid en niet met bewustheid willen en handelen wederom zoodanig in een, dat het niet immer mogelijk is deze bepaaldelijk te kunnen onderscheiden. Derhalve zal elke milde wetgeving daarheen zijn gerigt: dat niet worde gestraft, waar geene verbetering meer mogelijk is, maar dat onschadelijk worde gemaakt, hetgeen voor de zamenleving verderfelijk zou kunnen worden.

AVONDROOD. Toegegeven, broeder! Op dit punt zijn wij de zaak eens. Van ouds her werd het als eene deugd der goede en verlichte vorsten beschouwd, dat zij de misdadigers genade schonken en de doodstraf slechts in zeldzame gevallen lieten voltrekken, wanneer de toestand der maatschappij dit vorderde of de openbare meening dit offer scheen te verlangen.

NACHT. Dit is eene stelling van uw systeem welke ik zou kunnen beamen, namelijk in zoo verre het wenschelijk is te achten dat de twijfel aan de mate van toerekenbaarheid der misdadigers den wetgever tot eene zachtere behandeling van hen stemme en zulks aanleiding geve tot afschaffing van alle barbaarsche straffen. Maar vreest gij dan niet dat, indien het niet-gelooven aan den vrijen wil algemeen verbreid en de afschrik verwekkende straffen geheel en al afgeschaft waren, de misdaden alsdan op eene onrustbarende wijze zouden toenemen?

MORGENROOD. Veroorloof mij op deze vraag te antwoorden. Ik vermeen mij overtuigd te mogen houden, dat ik in dit opzigt hetzelfde gevoelen ben toegedaan als broeder Avondrood en Dag. Vooreerst verzoek ik u uwe eigene ervaring te raadplegen en neem ik de vrijheid u te herinneren aan de feiten uit de geschiedenis.—Dit afschrikkingssysteem staat in dezelfde verhouding tot de voormalige wetgevingen, als de hel en het vagevuur tot de Christelijke kerk. Ik loochen niet dat de afschuw van straf en schande bij vele, niet zeer hartstogtelijke menschen eene beweegreden kan zijn, welke invloed op hunnen wil uitoefent en hen terug houdt van het plegen van misdaden. Uit dien hoofde acht ik het ook goed, dat onze wetboeken strafbepalingen stellen op het booze d. i. op datgene wat in strijd is met de eischen der maatschappij, wat een derde schadelijk is. Ik verhef mijne stem niet tegen de straffen in het algemeen, maar alleen tegen het doel ter afschrikking hetwelk in gruwzame en onmenschelijke straffen zou gelegen moeten zijn. Dat zij dit doel niet bereiken, heeft de geschiedenis ten klaarste bewezen. Elk gepleegde misdaad staat in eene regtstreeksche verhouding tot de hartstogt, welke den misdadiger tot het bedrijven er van aanzet. Daartegen kan geene afschrikking iets doen. Zoo lang de driften woeden, wordt elke straf veracht of er wordt volstrekt niet aan gedacht.

Bezat gedurende de middeneeuwen niet elke kleine stad hare galg en haar halsgerigt, waar gehangen, gevild, Met gloeijende tangen geknepen, gevierendeeld, geradbraakt en levend verbrand werd? En zijn wel ooit meer en vreesselijker misdaden bedreven; hebben de papen,—deze geestelijke Bothriocephali der menschheid—in eenig tijdperk der geschiedenis ooit erger gewoed dan destijds, toen halsgerigten en galgen even talrijk waren als kruizen en bidkapellen; toen het geloof aan hel en vagevuur als het eerste en gewigtigste leerstuk werd beschouwd, dat wel is waar de menschen niet afschrikte van het kwaad, maar niettemin een voortreffelijk lokaas was om de kelders der kloosters met wijnvaten en de buidels der bisschoppen met geld te vullen? Welke zedeloosheid heerschte destijds in alle rangen der maatschappij, welke snoodheden werden niet bedreven!—En zou juist het dagelijksche schouwspel der barbaarsche straffen, het voorbeeld der beulsknechten die in grooten getale op hunne schavotten werkzaam waren, niet hebben medegewerkt om de zedelijkheid onder de menschen nog lager te doen dalen, het gevoel te verstompen, hen gemeenzaam te maken met tooneelen van meedoogenlooze gruwzaamheid en daardoor het plegen van nieuwe misdaden voorbereid hebben?

Tegenwoordig wordt hoogstens nog een onnoozele boer gevonden die aan de hel en het vagevuur gelooft. Slechts hier en daar wordt nog een zwakke vorst aangetroffen die zich van de naar magt en invloed hakende Jezuiten laat wijs maken, dat slechts het uitzigt op den Christelijken hemel, op de eeuwige gelukzaligheid de hongerende armoede kan bedaren,—dat slechts de vrees voor hel en duivel de zucht tot oproer bedwingen en het „gepeupel”, de onwetende volksmassa in toom houden kan,—maar desniettemin (ja, ik geloof juist om die reden) zult gij vinden, dat het aantal misdaden sedert de middeneeuwen onder een gelijk aantal der bevolking in gelijke mate heeft afgenomen, als de beschaving, de verlichting zijn gestegen. Ja, ik durf als mijn innigste overtuiging hierbij voegen dat het aantal misdaden voortaan nog veel sneller zal afnemen, wanneer eenmaal eene redelijke godsdienst de tegenwoordige onzinnige geloofsleer zal hebben vervangen, wanneer eerst der papenspook, zoo als mis, biecht, enz. zal zijn afgeschaft en men zal aanvangen om de menschen, in plaats van ze schrik aan te jagen met hel en vagevuur, met menschenliefde te verheugen.

Het geloof der tegenwoordige wereld is in het algemeen slechts een schijnbaar geloof, een geloof dat niet gelooft hetgeen zij vermeent te gelooven; het is niets anders dan een besluiteloos, flaauw ongeloof,—hoe kan nu dit geloof een mensch dien driften vervoeren, van de misdaad terughouden? Het geloof aan het bestaan eener hel is toch geene overtuiging, doet steeds nieuwen twijfel ontstaan en wanneer de ure der beproeving is gekomen, wordt de misdaad gepleegd in spijt van de hel met al hare duivelen!—Ja, de ervaring heeft geleerd, dat de domste menschen die het blindste geloof schenen te hechten aan de kerkleer, die het vlijtigst ter biecht en ten avondmaal gingen, in alle tijdperken der geschiedenis juist de meeste en zwaarste misdaden hebben bedreven.

De natuurlijke reden welke den mensch terughoudt van het kwade, heeft haren oorsprong in zijne maatschappelijke behoeften en spruit voort uit de overtuiging dat hij, het individu, op den duur zelf niet gelukkig kan zijn, indien hij er niet naar streeft om zijne medemenschen in wier midden hij woont, insgelijks gelukkig te maken. Deze waarheid is zoo groot en algemeen, dat zij zich zelfs openbaart onder een handvol wilden, zoodra deze hun zwervend leven verlaten, zich onderling naauwer aanéénsluiten en eene kleine kolonie stichten. Want zelfs deze kleine maatschappelijke vereeniging van menschen die in een gehucht van 6 à 10 hutten vereenigd zijn, zou bezwaarlijk 14 dagen kunnen blijven bestaan, de verschillende leden zouden elkander noodzakelijkerwijze moeten verdelgen, indien zij zich niet onthielden van inbreuk te maken op hunne wederkeerige regten, indien zij aan de zedelijke natuurwet, menschenliefde geheeten, niet gehoorzaamden, niet wederkeerig opvolgden hetgeen hen geen messias, geen profeet heeft geleerd.

DAG. Dat is volkomen waar! Hetzelfde heb ik insgelijks bij meer dan eenen wilden volkstam in den Indischen archipel waargenomen. Wel schijnt de ware menschenliefde den Christenen zoo vreemd te zijn,—wel schijnen zij haar zoo verre van hunne natuur verwijderd te achten, dat zij den Hebreër die voor 18½ eeuw het aankweeken van menschenliefde aanbeval en niets meer en niets minder dan menschenliefde aanbeval, die derhalve niets deed, niets leerde dan hetgeen de wilden onder zich doen en jegens elkander in acht nemen,—dat zij dezen man als een onbereikbaar ideaal vergoden.

NACHT. Lieve broeders! Ik herinner mij verscheidene gebeurtenissen uit het leven dier zoogenaamde wilden en geloof, dat gij ten opzigte van dit punt de zaak bij het regte einde hebt. Het smart mij te moeten bekennen dat de vooroordeelen, welke in mijn boezem zijn ontstaan door de wijze waarop onze bigotte oom R....11 mij heeft opgevoed, niettegenstaande zij in strijd zijn met alle regelen van het gezond verstand, zich bij zoo menige gelegenheid in mijn binnenste weder trachten te doen gelden. Het is ontegenzeggelijk dat de jeugdig geboren mensch een bepaalden aanleg en vermogens mede ter wereld heeft gebragt; de opvoeding echter en de latere lotgevallen zijn het die op het karakter den stempel drukken en den man in rijpen leeftijd maken tot hetgeen hij is. De aanleg welke de mensch bij zijne geboorte medebrengt, laat zich vergelijken bij eene locomotief welker ketel met goed verhitte stoom is gevuld; de opvoeding schrijft aan dezen aanleg de rigting, den weg voor langs welken hij zal loopen, en de lotgevallen zijn de conducteur die hem leidt. Mogten toch alle menschenvrienden hunne onafgebrokene opmerkzaamheid gevestigd houden op de opvoedingsgestichten en leerscholen der jeugd!—Wat ben ik niet in gevaar geweest om dwalingen, die men mij in mijne vroegste jeugd als heilige waarheden had ingeprent, nog verder te verbreiden en de arme Javanen in de orthodoxe geloofsleer van het zoogenaamde Christendom onderrigt te geven!

U, broeder Dag, zeg ik dank dat gij mij voor dergelijke zonde heb bewaard die ik zonder opzet, ja, met de beste bedoeling zou begaan hebben, toen mijn verstand nog beneveld was door het tot eene gewoonte gewordene, aangeleerde, diep ingewortelde en ingeprente drie-eenheids dogma.—Nu echter rust ook op u de verpligting, de leerstellingen van onzen oudsten broeder te wederleggen, die mij in een afgrond dreigen te storten van waar ik geen uitweg kan vinden.

DAG. Ik wil u gaarne mijne gevoelens daaromtrent mededeelen en ik hoop, dat ik eenige van de tegenstrijdigheden zal kunnen oplossen, die welligt slechts daarom onzinnig schijnen te zijn of in onderlinge tegenspraak te staan, dewijl de veronderstelling niet juist was, waarop de gevolgtrekkingen werden gegrond en waaruit Avondrood, naar een consequent beginsel, steeds talrijkere stellingen afleide.—Maar broeder Morgenrood heeft immers beweerd, den „eenigen” weg te kennen die rondom gindschen afgrond heen leidt en ons in de harmonische streek brengt, waar geene tegenstrijdigheden meer worden gevonden! Zouden wij hem niet verzoeken, ons vooraf eerst met zijne beschouwingen omtrent mensch, natuur en God bekend te willen maken, opdat wij weten in welke stukken hij met Avondrood verschilt of met ons overeenstemt, ten einde wij later het bijéénbehoorende ook beter in zijn verband kunnen behandelen?

MORGENROOD. Zeer gaarne, waarde broeders!—Gelijk met alle godsdiensten het geval is welke het bestaan der wereld evenmin kunnen verklaren, als zij het ontstaan (of het worden) er van kunnen begrijpen, zoo ook begint mijn geloofstelsel met eene mythe, die ik u zal voorlezen, dewijl ik haar na een droom dien ik eens gedroomd heb, op het papier heb gebragt. Dit is het eenige dat ik omtrent mijne beschouwingen ten dezen opzigte heb opgeteekend. Ik geloof bovendien dat ik in de ontwikkeling er van zeer kort zijn kan, dewijl mijne leer in het wezen der zaak met de stellingen van mijn oudsten broeder overeenkomt, met uitzondering van een enkel punt.

De komst onzer jongens stoorde ons in ons gesprek. Zij droegen ons avondeten voor zich uit. Het was reeds over 6 ure en ofschoon het reeds een geruimen tijd had opgehouden met regenen, bleef de hemel nog steeds met wolken bedekt, waardoor de overgang van het schemerlicht dat nog in onze hutten viel, in eene volslagene duisternis werd bespoedigd. De lezer weet hoe snel dag en nacht tusschen de keerkringen op elkander volgen. Binnen weinige oogenblikken waren de lampen aangestoken; spoedig hadden wij onzen eetlust bevredigd en waren de bedienden met de overblijfselen van het maal weder verdwenen,—toen broeder Morgenrood zich gereed maakte om aan zijne belofte te voldoen.