1 De maat van een volslagen Oostindievaarder van die dagen. Een last is twee van onze tonnen. Men zou zich nu wel tien maal bedenken, om op een schip van 1100 ton de reis naar Indië te ondernemen, en dan om de Kaap nog wel! ↑
2 „Hoofden”: Heads.—„Noch al”: nog steeds.—„Pleymuyen”: Plymouth. Onze visschers en veel van onze varenslui zijn nog steeds gewoon van „Pleimuiden” en „Jarmuiden” te spreken. ↑
3 Het „galjoen” is de ranke uitbouwing voor aan den boeg der toenmalige schepen.—Met „boevenet” is hier niet het traliewerk bedoeld, dat dit galjoen van onderen afsluit, doch blijkbaar het hoogste verdek achter in het schip, eigenlijk „bovenet” geheeten. Over het „boevenet” zie elders.—De „boegpoorten” zijn de twee voorste geschutpoorten ter weerszijden van het schip. ↑
4 De ruimte beneden het onderste plankier van het schip. ↑
6 „Brandende”: in branding; wat men een „kokende zee” noemt. ↑
7 Nog steeds. Vgl. boven, en voorts passim. ↑
8 Brazilië was reeds in 1500 door den Portugees Cabral ontdekt en werd in 1580 (na de verovering van Portugal onder Philips II) Spaansch. Van 1624 tot 1654 was het in onze handen, doch werd prijsgegeven. Het vaste land wordt hier echter niet bedoeld, doch het eiland dat op oude kaarten als liggende tusschen Afrika en Z. Amerika voorkwam. Dat Bontekoe aan dit denkbeeldige eiland „Atlantis”, zij het dan ook onder voorbehoud, nog geloofde, of het met den vasten wal van Brazilië vereenzelvigde, is wel opmerkelijk. ↑
9 De „halzen” zijn de touwen waarmede de onderzeilen worden omgetrokken. ↑
10 Dat is dus: boven het verdek. Vgl. de voorgaande bladz. ↑
11 D.w.z. de steng, die anders boven op de groote mast gelascht is, daarvan los te maken en door het marsgat naar beneden te laten zakken. ↑
12 „Woelen”: met touwwerk omwinden.—„Bovenste boevenet” vgl. hiervoor. ↑
13 „Schevielen”: omloopen van den wind. ↑
14 „Taliën” is takelen: met takels of katrollen aanhalen. Een talie is een klein katrol. ↑
15 Het grootzeil is het onderste razeil aan de groote, d.i. de middelste mast. Het razeil daarboven heet het grootmarszeil; het bramzeil is het bovenste razeil. Het bovenbramzeil werd in de eerste helft van de 17de eeuw nog niet gevoerd; topzeilen komen eerst in de 18de eeuw voor.—De masten die in het schip staan heeten de ondermasten, kortweg masten; zij worden verlengd door de marsstengen, die voor den grooten mast „groote steng” en voor den fokkemast „fokkesteng” worden genoemd. Op de marsstengen staan dan weder de bramstengen.—„Ree” = ra. ↑
16 Vgl. de uitdrukking „kant en klaar”. ↑
17 Onder „verversinge” versta men: frisch water, maar vooral ook groenten en ooft, waaraan op de lange reizen steeds behoefte was, om scheurbuik onder het volk te voorkomen. ↑
18 „Ilje de May” en „Ilje del Foege” zijn twee der Kaapverdische eilanden. ↑
19 Versta: overlangs, zoodat de beide helften plat tegen den mast gebonden konden worden, als „wanghen”. ↑
20 „Vroo-kost”, d. i. vroeg-kost: het eerste schaften aan boord. ↑
21 Zetten onze marszeilen bij. ↑
23 Abriolhos of Abrolhos: kaap en groep van lage rotsachtige eilanden, op de kust van Brazilië, op 18° Z. br. ↑
24 Boven, te boven. Versta: boven den wind, zoodat men de eilanden te loevert kon passeeren. ↑
25 „Yder bacx-volck”: het volk van iederen bak, 6 a 10 man, waren gehouden aan denzelfden bak te eten.—Spaansche wijn was de gewone drank, die aan boord van onze schepen in de 17de eeuw bij extra gelegenheden en ’s Zondags geschaft werd. Het „oorlam” was in dezen tijd wel reeds bekend, maar nog lang geen regel. Nog in 1793 leest men in een officieel bericht, dat op de schepen der O. I. C. een voorraad van 9 aam „genever” genoeg werd geacht voor 22 weken: „doordien veele haar randsoen niet gebruyken”. ↑
26 Tristan d’Acunhe: voornaamste van een groep kleine eilandjes in den Z. Atlantischen Oceaan. ↑
27 Dus zonder miswijzing hoegenaamd. ↑
28 „Ghebolde fock” is een gereefde fok met gevierde schooten. De fok is het onderste razeil van den voorsten mast, die daarnaar fokkemast genoemd wordt. Bij zwaar stormweer was men gewoon enkel voor de fok te loopen, omdat in de 17de eeuw de driehoekige kluiver- en stagzeilen nog niet voor de driemasters gebruikt werden. Zoo loopt op het bekende storm-schilderij van Willem van de Velde in het Rijksmuseum het schip voor een „gebolde fok”, waarvan beide de schooten zijn losgeslagen. Dat een schip op weg naar Oost-Indië de Kaap de Goede Hoop niet aandeed is een uitzondering; meestal ging men in de Tafelbaai een paar dagen voor anker om te „ververschen”. ↑
29 „Mayottes”. De moderne naam van deze groep is: Comorische eilanden, of kortweg Comoren. Zij liggen in het kanaal van Mozambique. ↑
30 Het seinlicht, waarnaar het andere schip zich had te richten. ↑
31 „Dragende houden”: bestendige koers houden. ↑
32 Het eiland Mauritius, in 1598 door de Nederlanders op de Portugeezen veroverd en naar Prins Maurits genoemd, werd in 1710 door ons verlaten en in 1715 door de Franschen bezet, die het Isle de France noemden. In 1810 werd het door de Engelschen veroverd en draagt nu weer zijn ouden naam.—’t Eiland de Mascarinas is het tegenwoordige Réunion. In 1505 werd dit eiland, met Mauritius, door den Portugees Mascarenhas ontdekt en naar dezen genoemd. Sedert 1649 is het Fransch. ↑
33 Onstuimig was; doordat er vrij wat „zee ging”. ↑
34 „Schor”: steil afloopend. Van een kust gezegd; waar men dus op geringen afstand van den wal geen ankergrond meer kan vinden. ↑
35 „Waernemen en bekooken”: verzorgen en van warm eten voorzien. ↑
36 D.i.: „van Damascus”. Gedroogde pruimen werden, ook als voorbehoedmiddel tegen scheurbuik, steeds in genoegzame hoeveelheid meegenomen: volgens voorschrift tenminste één pond per man en per maand. ↑
38 „Dod-eersen”: geen pinguins, zooals men uit de beschrijving geneigd zou zijn op te maken, doch de daarmee verwante tropische vogel „dod” of „dodo”, welke thans geheel is uitgestorven en zelfs een poos lang voor mythisch werd gehouden. De vermelding te dezer plaatse is merkwaardig. ↑
39 „Meulen”: knijpen, drukken. ↑
41 „Vertuyen”: voor twee ankers voor anker gaan, waarvan het eene voor aan de plecht (plechtanker) en het andere (vertui-anker) aan den achtersteven wordt uitgebracht. Op deze wijze kan het schip met stroom of getij niet afzwaaien.—Men denke aan het slotkoor van Hooft’s Granida: „Liefd’ en Min aen een vertuyt”; of waar hij elders spreekt van „welige vlechten”, die met „veel strickjens soo dertel sijn vertuit”. Jan Luyken zegt van zijn ziel (Antiopana, zijn lief, toesprekende): „Want aen uw oogen is zij vast vertuyt”. ↑
42 „Boscharen” of „boschkaren”: verzamelen, fourageeren. ↑
43 „Lege-leggers”: ledige watervaten. ↑
44 Adriaan Martensz Block was in 1601 schipper op de Zwarte Leeuw, een van de schepen waarmede Jacob van Heemskerck zijn tocht naar O. I. deed. In Dec. 1611 stak hij zelf als commandeur met een smaldeel in zee, bestemd naar Indië. Op deze reis, dezelfde waarvan hier sprake is, ontmoette hij op de Afrikaansche kust een vloot van 17 Spaansche oorlogschepen, die hij aangreep met het gevolg dat er slechts 4 de tijding van de nederlaag in Spanje konden brengen. Een derden tocht ondernam Block in 1627 met elf schepen, om J. Pz. Coen ondersteuning te brengen. ↑
46 „Worden” voor „werden”; ook elders. ↑
47 Portugeesch „sagueiro” is zoowel palmwijn als de boom, die den palmwijn levert (suikerpalm). Elders: „sageweer”.—„Way” of „wei” is de ondermelk van karnemelk. Vgl. Hooft’s tweespraak tusschen Cephalus en Amaryllis:
C. Mijn harte gloeyt als vuir van binnen!—
A. Wel neemt het soete weij van geijten inne.
50 „Ontschieten”: te machtig worden. In eigenlijke beteekenis van een schoot of zeil gezegd, dat door te harden wind uit de hand schiet.—„Invallen”, n.l. de zieken. ↑
53 Dit moet eveneens een vrucht zijn. ↑
54 „Krengen”: het schip bij de masten overtakelen, zoodat het scheef en zooveel mogelijk dwars op het water komt te liggen, waarna men het van onderen kan schoonmaken en opnieuw teeren. In een geval als dit werd volstaan met geschut en lading, zooveel doenlijk, naar eene zijde te verplaatsen. ↑
55 „Mutsje”: nap van bepaalden inhoud. ↑
56 „Steker”: kandelaar met een punt, die in het hout kon vastgezet worden.—„Boom” = bodem. Vgl. Vondel’s: „Het is al boter tot den boôm”. ↑
57 „Dief”: scheefbrandende kaarspit, die veroorzaakt dat het vet gaat afdruipen. ↑
58 Nl. van de verschansing. Het boevenet (bovenet) is het opperste verdek achteruit. ↑
61 Wij hieuwen daarna gaten in het tusschendek. ↑
62 „Het water mannen” d.i.: de wateremmers van man tot man doorgeven. ↑
64 „Rusten”: dwarshouten buiten boord, waaraan het staande want, dat de masten helpt overeind houden, bevestigd is. ↑
65 „Gelderij”: de open gaanderij achter aan den spiegel van het schip, waar de kajuit op uitkwam. ↑
66 „Sticken”: stuk, aan stuk. ↑
67 D.w.z. tegen den mast. Blijkbaar had men het schip laten bijdraaien, om het vuur beter te kunnen blusschen. ↑
68 In vanglijnen („gijtouwen”) opgenomen. ↑
69 Overzeilen en in den grond varen. ↑
70 „Naveger”; voor navegaar (avegaar), d. i. een groote houtboor, waaraan van boven een kruk of dwarsstang is bevestigd.—Een „dopguds” is een holle beitel. ↑
71 D.i.: de emmers met water van elkaar overnamen en doorgaven, bij het blusschingswerk. Vgl. boven. ↑
72 „Manck”: tusschen, onder.—„Borden”: planken. ↑
73 „Inneckhouten”: inhouten of ribben. ↑
74 „Loof”: vermoeid, afgemat. ↑
75 „Willen”: zak van zeildoek of gevlochten touw, gevuld met werk (of tegenwoordig meest met kurk), die buiten boord worden bevestigd of gehangen, om te voorkomen, dat een boot of schip door stooten tegen ander vaartuig of tegen den wal beschadigd wordt. ↑
76 „Platting”: van werk gevlochten bindsel, dat voor touw had te dienen; „platting” genoemd, omdat het plat was en niet (als touw) gedraaid.—„Geerden”: de touwen waarmede de gaffel in zijn stand wordt gehouden. ↑
77 Een bolkvanger (later baaivanger) is een korte overjas, die door zeelieden bij ruw weer gedragen werd.—„Bolk”: hevige regenbui of vlaag. ↑
78 Zoowel op zee als te land tevens heelmeester, kortweg: „meester”. ↑
79 Zonshoogte namen. Op den „stock” was de graadverdeeling aangebracht. „Cruys”: verstelbaar dwarshout. ↑
80 „Scheren”: uitspannen. Vgl. den term „schering en inslag” bij het weefgetouw. ↑
81 „Blinde”: het zeil dat de schepen van dien tijd voor onder den boegspriet voerden. Vgl. het plaatje.—„Bezaen” is, zooals bekend, het zeil van den achtermast. ↑
83 Overreedde hen, bracht hen daarvan af. ↑
84 „Dookig” of „dijzig” = mistig; een „dikke” lucht, zooals de zeelui nu gewoonlijk zeggen, hoewel de woorden dookig en dijzig nog bekend zijn. Bogaers gebruikt het laatste in zijn „Schipper de Zwart.” ↑
85 De „voorlezer” was de godsdienstonderwijzer of wat iets later „ziekentrooster” heet. De koopvaarders hadden meestal zulk een persoon aan boord, om „het woord te bedienen”; grootere oorlogsschepen of eskaders voerden doorgaans een „dominee”. Was er geen predikant of voorlezer aan boord, dan was de schipper, of bij het schaften de stuurman, volgens instructie verplicht in het gebed voor te gaan en ’s Zondags de preek te lezen uit een „predicatie-boeck”. Van welk gehalte de zee-dominees soms waren, daarover kan een plaats verder in dit journaal verrassend inlichten! ↑
90 „Toeback drincken”: zooals men weet in de 17de eeuw de gewone term voor „rooken”. ↑
93 Een „rejael” is een kleine Spaansche zilveren munt, oorspronkelijk ter waarde van 3½ stuiver. Behalve dubbele en vierdubbele waren vooral de achtdubbele rejaelen in de Nederlanden druk in omloop. Ze werden gewoonlijk „stukken van achten” genoemd en zijn als „Spaansche matten” befaamd geworden! Vooral in O. Indië waren deze stukken bij de inlanders zeer gewilde munt, zoodat de „Compagnie van Verre” te Amsterdam ze dan ook in 1601 te Dordrecht liet aanmaken, met eigen stempel en opschrift. Door de Staten van Zeeland werden in 1602 te Middelburg eveneens „rejaelen van achten” geslagen. In de eerste helft der 17de eeuw deden de „stukken van achten” of z.g. „heele rejaelen” 47, later 48 of 50 stuivers. (Vgl. vooral J. E. ter Gouw, in het Tijdschrift v. h. Kon. Ned. Genootschap voor Munt- en Penningkunde, XIV, 1906.) ↑
94 Zekerheid hadden, er op vertrouwden. ↑
95 De bedoelde drank is arak: gegiste palmwijn, toddy. ↑
96 „Haperen”: druk en verward spreken. ↑
98 Met gevlamde kling; een vorm dien de inlandsche krissen, zooals bekend is, ook heden nog dikwijls vertoonen. ↑
99 Oorspronkelijk wellicht „diefsack”: binnenzak in een mansbroek. In N. Holland is het woord nog gebruikelijk. ↑
101 Op deze passage dichtte Potgieter zijn tiental „Liedjes van Bontekoe”. ↑
102 Wij kunnen geen schade, verlies verduren. ↑
103 Voor hieuw; vgl. boven blz. 42. ↑
108 In één slag; zonder dat het noodig was te laveeren. ↑
110 Willem Cornelisz. Schouten: Hij had als schipper met Jacob le Maire deelgenomen aan den bekenden tocht om de wereld in 1615—’17, waarbij o. a. de Straat le Maire ontdekt werd. Het zeer merkwaardige journaal van deze reis werd in 1618 reeds driemaal uitgegeven en voorts in de 17de eeuw nog meer dan 15 maal herdrukt. Een Duitsche vertaling verscheen eveneens reeds in 1618 en twee Fransche in hetzelfde jaar. Een derde Fransche en een Latijnsche kwamen in 1619 uit. Alles wel een bewijs, dat reisbeschrijvingen als deze in hun tijd lezenswaard werden gevonden! Schouten overleed in 1625 op zijn terugreis naar het Vaderland, in de „Baai van Antongiel” op de Oostkust van Madagascar, zooals wij aan het slot van dit journaal zelf nog zullen zien. ↑
111 „Glop”: een open ruimte, doorgang. ↑
112 „Peuren”: trekken, gaan, zich begeven. ↑
113 Hielden het voor een kraak. De kraak was een eigenaardig Spaansch en Portugeesch scheepstype, hoog en hol, en nog op de oude wijze gebouwd met een „kasteel” voor en achter. ↑
114 Men zou kunnen twijfelen, of deze Frederik Houtman van Alkmaar, die in Bontekoe’s journaal ook beneden voorkomt, wel dezelfde is als de broeder van Cornelis de Houtman van Gouda, den grondlegger van onzen handel in de Oost. Frederik de H. vergezelde zijn broeder op beide diens tochten in 1595—’97 en in 1598. Toen Cornelis in 1598 door den koning van Achin werd omgebracht, bleef Frederik meerdere jaren diens gevangene. Hij keerde in 1601 of 1602 naar het Vaderland terug en vergezelde in 1603 den commandeur Steven van der Haghen op diens Indische reis. In 1605 werd hij onze eerste Gouverneur op Amboina, toen dat eiland door van der Haghen op de Portugeezen was veroverd (Amboina is, zooals bekend, onze eerste bepaalde nederzetting in de Oost).—Het lijkt haast uitgesloten, dat twee De Houtman’s van gelijken voornaam, tegelijkertijd in O. I. geweest zouden zijn, beide met een zelfde gezag bekleed, zonder dat wij daarvan iets zouden weten. Hoogstens zou men kunnen aannemen, dat Cornelis de Houtman van Gouda en Frederik Houtman van Alkmaar geen broeders doch neven waren. Echter noemt Frederik (Pietersz.) de Houtman van Gouda in de voorrede van zijn werk „Spraeck ende Woordboeck inde Maleysche en de Madagaskarsche Talen” (Amsterdam 1603) zich zelf den broeder van Cornelis de Houtman. Hij maakte ook als sterrekundige naam. In 1597 komt Frederik Houtman voor als gehuwd met Vroutje Cornelisd. van Alkmaar. In 1625 legde hij zijn post in Indië voor goed neder en keerde naar het Vaderland terug. Reeds vroeger was hij te Alkmaar gevestigd geweest en overleed aldaar als schepen der stad (blijkens zijn grafsteen) 21 Oct. 1627: „Frederick Pietersz. Houtman, in syn leven geweest Gouverneur van Amboine .... etc.” Sedert 1614 was hij in de vroedschap gebracht.—Men merke op, dat een „kijcker of bril” in de handen van den gouverneur-astronoom Frederik de Houtman zeer goed past. Zulke instrumenten waren in het eerste kwartaal der 17de eeuw nog hoogst zeldzaam en hoofdzakelijk voor sterrekundige waarnemingen bestemd. De verrekijker was eerst in de laatste jaren der 16de eeuw te Middelburg door Zacharias Jansen en Johannes Lipperhey uitgevonden. Voor zoover mij bekend, is dit de allervroegste vermelding van een verrekijker, die in de journalen voorkomt. Het woord „bril” behoeft niet op een dubbelen kijker te slaan.—„Gelderije”: vgl. blz. 43. ↑
115 Geen pleziervaartuig, doch een rank schip van kleiner tonnemaat, zooals er aan schepen, die in admiraalschap uitvoeren, gewoonlijk werden meegegeven, voor ophelderingsdienst, enz. ↑
116 „By-setten”: voorzien van. ↑
117 Jan Pietersz. Coen was in October 1617 Laurens Reael als Gouverneur-Generaal der O. I. C. opgevolgd. Bij de aankomst van Bontekoe te Batavia (December 1619) was die stad niet langer dan zes maanden geleden op de ruïne van het vermeesterde Jacatra gesticht. Den 30en Mei van datzelfde jaar toch had de inneming plaats gehad, onder de aanvoering van Coen zelf. Zie de stukken, die op het beleg van Jacatra en op de vestiging van ons gezag op Java betrekking hebben, bij J. K. J. de Jonge, Opkomst van het Nederl. Gezag in O. Indië, Dl. IV, blz. 138 vgg. ↑
119 Drink u toe. Ook in het volkslied: „Ick brenght u, haveloos meyske”. ↑
120 Gresse of Grisse: een stad op Java, aan de Straat van Madoera. ↑
121 Larantoeka, op de oostpunt van Flores, tegenover het eiland Solor. ↑
122 „Specken”: het gewone scheldwoord voor de Spanjaarden in die dagen.—„Mostiesen” voor mestiezen: kleurlingen. ↑
124 „Baets Jan”. Bedoeld is het eiland Batjan, een der Molukken, ten Z.W. van Djilolo (Halmaheira). ↑
126 Het eiland Boeton ligt ten Z.O. van Celebes. ↑
130 Versta: achter op het verdek, bij den spiegel van het jacht. ↑
131 Macao: de Portugeesche nederzetting aan den mond van de Canton-rivier; vgl. nader de Inleiding hiervoor.—„Incorpereren”: inlijven, bezetten. ↑
132 Pescadores: eilandengroep tusschen Formosa en den vasten wal van China, door de onzen als handelsbasis gebruikt en als zoodanig van groot gewicht; totdat wij in 1624 Formosa zelf in bezit namen, van welk eiland—door den heldendood van den predikant Anth. van Hambroeck vermaard geworden—wij, zooals bekend is, in 1662 werden verdreven; waarna wij geen moeite deden er ons opnieuw te vestigen. ↑
133 Samenwerking met de Engelschen komt in dezen tijd, na het verbijsterende succes van Coen, meer voor. Kort te voren waren zij ons nog vijandig gezind geweest en zouden dit, uit verklaarbaren naijver, weldra weer worden. ↑
134 Voor anker moesten gaan. Vgl. boven blz. 35. ↑
135 Ankergrond; grond waar men „het steken” kan. ↑
136 De mededeelingen omtrent koers en vaarwater worden gedaan ten dienste van mogelijke „nakomers”. Men ziet, hoe de journalen ook in dit opzicht bestemd waren van nut te zijn. ↑
137 Het heeft geen zin de ligging van elk der hier en in ’t vervolg genoemde eilanden afzonderlijk aan te geven. „Poele” beteekent: eiland. ’t Land van Champay is het vaste land van Achter-Indië (Cochinchina). ↑
138 Deze zin is in het journaal, blijkbaar wegens het gewicht der aanwijzingen, gecursiveerd. ↑
140 Ook deze zin is in het journaal gecursiveerd. ↑
142 Het eiland Ceceer de Tor („met de steen-klippen”) is nog heden ten dage bekend om zijn eetbare vogelnestjes, die naar China worden uitgevoerd. ↑
144 Naar den naam te oordeelen een veroverd vaartuig, evenals het schip (jacht) St. Nicolaas. ↑
145 „Aenhalen”: enteren en buitmaken. ↑
147 Vermoedelijk wel als belangstellende toeschouwers; vgl. beneden. ↑
149 In den tekst staat „onsen commandeur Nieuwenroode”, doch voor in het journaal wordt den lezer verzocht „deze faut te verbeteren”. Een koopman Nieuwenroode was nochtans bij de onderneming inderdaad aanwezig en diende in December van ditzelfde jaar (1622) en gedurende 1623 op het schip van Bontekoe; zooals beneden op blz. 94 en 99 vg. blijkt. ↑
152 Pedro Blanco is een zeer klein eiland op de kust van China (22°, 22’ N.br.). ↑
153 „Bey”: baai.—„Steck-grondt” vgl. boven blz. 79. ↑
154 Verzamelplaats, zooals de schepen toenmaals gewoon waren die af te spreken. ↑
155 Tayowan of Taiwan is de hoofdstad van Formosa en de Chineesche naam voor het eiland zelf. Vgl. over onze vestiging aldaar blz. 78, noot 2. ↑
157 Chincheo of Tsintsjoe. De lieden van dit zeegewest staan nog bekend als de beste matrozen en kooplui van China. ↑
158 Vgl. het Itinerario, in de uitg. der Linschoten-Vereeniging, I, blz. 48 vgg. ↑
160 De „lijk” is het touw waarmede het zeil omboord is. Over het voeren van de fok bij stormweer zie boven blz. 30. ↑
161 „Af en aan houden”: laveeren. ↑
162 Inlandsch schuitje; ook beneden herhaaldelijk. ↑
163 Uit deze mededeeling blijkt nauwkeurig van wanneer de versterking der handelsbasis op de Piscadores dateert. Vgl. boven blz. 78. ↑