BEDIENING DER KERK.

»De (bediening der) pastorie wierdt van oudts door den deken van Oud-munster van Utrecht, en, den paus beurtelings verschonken, het recht van vicarissen benoemen, ging bij overdragt en de burgers stelden den kerkbewaarder (koster) aan, volgens voorrecht van Graaf Aelbrecht van Beijeren dd. 28 Mei des jaars 1400.31

»Sedert de geloofshervorming, behoort de kerk van Oudewater onder het classis van Gouda en Schoonhoven, welke tot Junij des jaars 1578 onder het classis van Dordrecht geweest is.—Twee Predicanten bedienen thans (1746) de Gereformeerde gemeente.

»In het jaar 1647 echter werd op raad van de Heeren Gemagtigde Raden, om de zwaarte van den dienst, en uitgebreidheid der parochierende districten, een derde predikant toegestaan, doch ter aanhouding van de Regering der stad Gouda te gelijk bepaald, dat ingeval eene kerk mogt worden opgericht in het dorp van Goverwellensluis, dat alsdan de jongste predikant, in de kerk van Oudewater dienstdoende, als predikant in de kerk van het voorz. dorp zoude worden32 gebruikt. Doch sedert het jaar 1721, is die derde predikants-plaats weder niet meer vervuld, dewijl de stad door onmagt en verval, de gewoonlijke stadswedde des predikants niet langer konde opbrengen en betalen. Zulks om de twee predikanten te gemoet te komen in de dienst bij de Staten van Holland, werd overeengekomen, dat, door de kerkeraad onder approbatie van den magistraat zoude worden beroepen, een persoon tot ziekentrooster, catechiseermeester en nog een tweede tot schoolmeester en voorzanger, beide onder toevoeging van der staten33 wedde te zullen genieten.34

»De kerkenraad bestaat uit twee predikanten, vier ouderlingen en vier diakenen, welke bij het ledig zijn eener predikants plaats, de beroeping van een anderen predikant doen, doch het drietal, moet zoowel als het beroep, aan de beslissing der magistraat, ter al of niet aanneming worden aangeboden.”

Zoo stond het met de bediening der kerk, tijdens de Heer Kinschot; (1746) doch het is noodig, dat wij de veranderingen daarin sedert aangebragt, kortelijk aanstippen:

Wel is Gouda nog de classis waaronder de kerk behoort, wel wordt zij nog door twee predikanten bediend en is het getal der diakenen nog vier, doch de hoeveelheid ouderlingen is sedert vele jaren met een vermeerderd en alzoo op vijf gebragt.

De gekozen drietallen, en door den kerkeraad beroepen predikanten, behoeven voorts niet meer den magistraat ter approbatie worden voorgelegd.

De ziekentroosters en catechiseermeesters, worden insgelijks in onze dagen, hier ter plaatse niet meer benoemd, daar de predikanten, de bediening als zoodanig, weder op zich hebben genomen en op het gehucht Goejan-verwelles-sluis eindelijk, werd ten jare 1845, een aan de protestantsche eerdienst gewijde kerk gesticht, waarvan de bediening niet op den jongsten predikant alleen rust, doch om beurten wordt waargenomen, door de twee leeraars der Hervormde gemeente uit deze plaats.

Het beheer van de bezittingen der kerk, is opgedragen aan het collegie van kerkvoogden.

i. BEDIENAARS DER KERK.

Vicarijen en Vicarissen.

Zoo als wij reeds opgemerkt hebben, stonden er eenmaal in de kerk reeds voor 1329 vier altaren.—Uit het testament van Diderik Kiel, weten wij nog, dat hij in laatstgenoemd jaar aan de vier toen bestaande altaren, een jaarlijks inkomen van vier ponden, te weten aan ieder autaar een heeft gemaakt.

Voorts heeft hij met zijne erfgenamen, en eenige andere personen, die in den brief der stichting uitgedrukt staan, »ter eere van den almogende Godt en van de H. Catharina” in de kerk een nieuw autaer gesticht, en zekere inkomsten daaraan geschonken. Het recht van de Vicarissen te benoemen, hebben de gemelde erfgenamen aan zich behouden, zoodat, uit kracht van hunne voorstelling, nog binnen hetzelfde jaar 1329 de eerste vicaris aan ’t voornoemd autaar werd:

1. Gerardus Pes, een onderdiaken.—In het jaar 1366 heeft meergenoemde Kiel, het recht van een vicaris voor te stellen aan den Ridder Gerrit van Vliet, en deszelfs erfgenamen voor eeuwig en altijd geschonken.

In 1427 vinden wij als vicaris van hetzelfde altaar.

2. Willem die Rode, een priester.

Als deze vicarij later overgebragt was, op het altaar van het Hoogwaardigste Sacrament, is zij Ao. 1515 bekleed, door den Weled. geb. Heer

3. Floris van Vliet.—Na den dood van Heer Floris in 1537, is zij op voorstel van Gerrit van Woerden, heer van Vliet en Bochorst (die toen het beschreven regt had) opgedragen aan

4. Meester Adriaan Christiaanse van Oudewater, priester. Aan het gemelde altaar van het H. Sacrament was ook eene vicarij gesticht ter eere van de H. Maria, dewelke in het jaar 1529 door Jan van Woerden, heer van Vliet ter bekleeding gegeven is, aan

5. Diderik, die op dien tijd te Leuven studeerde.

De vader van dezen Diderik, die een burger van Oudewater was en Amelgerius heette, heeft de inkomsten dezer vicarij met een jaarlijksche rente vermeerderd.

In het jaar 1400 heeft Gerrit Wiel, een werelds persoon op zijne ziel gezworen, dat de bewijsbrief, die het autaar van den almogenden God en de H. Maria toebehoorde, door den watervloed bedorven en vernield was. Sommigen echter zijn van meening, dat voor ruim 50 jaren de originele brief nog hier aanwezig was.

Hij (Wiel) heeft echter al de bezittingen, tot het gemelde altaar behoorende aangewezen, en een voor een met name uitgedrukt, niet alleen, doch ook nog met eenige bezittingen vermeerderd.

In het jaar 1403 heeft Laurens Diderikse Rampen, het recht van de vicarij van het autaar der H. Maria, met alles tot dat recht behoorende, opgedragen en overgedaan aan den HoogEd. Heer Gerrit van Vliet en deszelfs nazaten.35

Voorts kunnen wij niet onvermeld laten, dat nog op den 12 Julij 1384 door Pons Pietersse en Machteld zijne huisvrouw eene vicarij op het autaar van de H. Maria en St. Jan Baptist gesticht is, die door bisschop Florentius van Utrecht bekrachtigd werd.

Voorts vinden wij nog gewag gemaakt, van

6. Heer Christiaen Reijersz, vicaris van St. Jans-autaer van Oudewater. Van welken tijd dit echter is, kunnen wij niet met zekerheid bepalen daar wij dit, op het in ons bezit zijnde document niet aangeteekend vinden. Zie hier mijne lezers de namen van vicarissen, die ik heb kunnen ontdekken.

j. R. C. GEESTELIJKEN IN DE GROOTE KERK.

In het jaar 1329 vinden wij gewag gemaakt, dat pastoor van Oudewater was de Heer

1. Johan Pellekussen.

Anno 1403 werd deze pastorie bediend door

2. Bartholomeus Janse.36

3. Johannes van Bueren was in 1416 alhier pastoor, tevens was hij proost van St. Marie van Utrecht en proost te dezer stede.37

4. Dirk Ponss was priester in Oudewater Anno 1465.

5. Henderik Henderikse was hoogstwaarschijnlijk alhier priester in 1515, ten minste op de bewaarplaats der oude stedelijke archieven, berust de originele acte waarbij Heer Henderik Henderikse, priester, overdraagt aan het Gasthuis van Oudewater een viertel land, gelegen op de noordzijde van Linschoten, tegen eene jaarlijksche uitkeering van vijftien Rijnsche Guldens, naar inhoud van den brief door Gasthuismeesters hen daarvan gegeven dd. 29 October 1515.

6. Jan Ottoszoon was alhier in 1537 onder-pastoor. Deze hoewel onder de priesters in dienst bij de kerk in 1543 en 1544 niet genoemd wordende, was toen alligt in geestelijke bediening bij het nonnen- of bagijnenklooster, doch later nog in dienst der kerk geweest.

In het resolutieboek van den magistraat dezer stad 1 Julij 1584 vindt men het volgende aangeteekend—den erfgenamen van Heer Jan Ottosz wordt volgens hun lieder bescheid van dato 28 Januarij 15.? toegelaten het erf van patershuis, kelder en alle reliquien van het convent tot hen lieder behoef te mogen gebruiken, aanvaarden enz. enz.

In het jaar 1542 was pastoor der kerk de Heer

7. Loeffridus van der Haar, die naar Utrecht vertrok en aldaar nog in 1577 leefde.38

Uit de rekeningen van Getijdemeesters 1543 en 1544 schijnt te blijken, dat de bediening der pastorie omstreeks dien tijd ook is waargenomen door den reeds onder de kleine reeks vicarissen aangeduiden priester.

8. Adriaan Christiaanse elders Kerstens.

Voorts bleek nog uit de originele rekeningen van Getijdemeesters der kerk annis 1543 en 1544, dat hij in dien tijd eerste en oudste pastoor was.

9. Jacob Jacobse, alhier begraven zonder aanduiding van jaartal of dag.39

Zooals ons de doodregisters doen zien, waren in of kort na 1544 nog in bediening der kerk de navolgende geestelijke heeren.

10. Govert Gerritse, alhier zonder aanduiding van jaartal begraven.

11. Jacob Bonser, naar men meent gesproten uit een oude familie van Oudewater.

12. Bartholomeus Florisse in 1574 alhier begraven.

13. Gerrit Sijbertsz begraven in of iets voor 1574.

14. Cornelis Jacobse.

15. Willem Jacobse (werd begraven 1592.)

16. Cornelis Gerritse.

17. Cors Reijersz.

18. Hendrik Geerlofse, deze laatste drie waren kapellanen als noodhulp—(Geerlofse werd begraven in 1595.)

19. Simon Janse.

20. Geerlof Gerritse.

21. Dirk Amelgersz.40

In 1566 was pastoor te dezer plaatse.

22. Theodorus Aemilius. Niet onwaarschijnlijk was hij de laatste pastoor in de kerk onzer beschrijving en daarin ook de eerste predikant, hoe het echter zij, wij zien stellig op de naamlijst van predikanten dezer plaats, bij van Kinschot vermeld, genoemde Aemilius als pastoor en eerste predikant voorkomen.

Als zeker mogen wij echter nog niet aannemen, dat dadelijk na het omhelzen der protestantsche beginselen door Aemilius, de kerk voor de protestantsche eerdienst werd gebruikt, en hij dus dadelijk als openbaar hervormd leeraar daarin mogt optreden, omdat wij bij een aantal Nederlandsche geschiedschrijvers en ook bij van Kinschot bladz. 234 het volgend voorval lezen, toen de Spanjaarden in 1575 de stad belegerden …. »Zulks deszelfs bezettelingen, als zich nu met een wisch ontzet vleijend, en daartoe door hunne Hoplieden zijnde aangezet, als uitgelaten bachanten zoo naar de Hoofdkerk als de kapellen dier stad vlogen, alwaar zij zich van de kruissen, kerkvanen en onderscheidene kerkelijke plegtgewaden der roomsche geestelijken, meester maakten, en met allen dien bekomen toestel, op en rondom de wallen dier stad, op de manier der roomsgezinden een nagebootsten ommegang41 maakten onder het gestadig uitjouwen, der voor de plaats gelegerde Spanjaarden, tot derzelver zeer ongemeene verbittering en door die weer tot geen mindere aanprikkeling ter wraakneming, wegens dezen hoon hun godsdienst aangedaan, bij eenen landaart maakten, die gelijk ieder van de bij die volken in zwang zijnde inquisitie42 weet, zulks nooit, zonder deswege allerschrikkelijkst wraak te nemen ongemerkt zal laten voorbijgaan.”

Uit dit verhaal maakt men dus eenigzins de opmerking, dat de kerk nog niet der hervormde eerdienst zal gewijd geweest zijn, toen men in 1575 vóór de moord er de kruizen, vanen enz. uitnam, en, dat de kerk voor der katholijken en protestanten eeredienst beide gediend heeft, even als St. Jacobs kerk van Utrecht, hiervan vonden wij geen spoor.43