1 Men zie vooral hierover, den brief van paus Gregorius de Groote aan den abt Mellitus en den aartsbisschop Augustinus van Engeland, aangehaald bij BLOMMAERT, Aloude Geschiedenis, bladz. 135 en 136. ↑
2 Liefland, Utrecht’s Oudheid. ↑
3 Heldring, Opsporing van Bat. en Rom. Oudheden, bladz. 84 en 85. ↑
4 Zoo men meende ter verfraaijing liet men eertijds elders menigmaal toe, dat de duifsteen werd verwijderd, om plaats te maken voor keuriger metselwerk. De kostbaarheid der cementsteen was echter de grootste drijfveer. ↑
5 »III Reg.” III, 4.—Verg. II paral. I, 6.—Zie ook Kreuser, »Kircherb.” I, 48 en volg. ↑
6 G. R. van Kinschot, Beschrijving van Oudewater, bladz. 30. ↑
7 Vroeger is reeds opgemerkt, dat in 1854 de kermistijd in Augustus gebragt is. (Zie hiervoor bladz. 70). ↑
8 Beschrijving van Oudewater, door G. R. van Kinschot. ↑
9 Deze stukken zijn rekeningen van verpachtingen en verhuringen van landerijen, behoorende aan zeker, mij nog onbekend, godshuis of kerk. ↑
10 Nl. aldus. Van Sinte Cornelis autaer te Oudewater de somma van een pondt thien schillingen, ten prijs als boven, van X mergen lants, die denzelven autaer heeft, strekkende als voren, de voorsz. somma van enz. ↑
11 Van heer Cristiaen Reijersz. vicaris van St. Jans autaer te Oudewater de somma van enz. ↑
12 Nl. de originele giftbrief ten behoeve van het St. Jacobs autaer in de kerk, voor schout en schepenen, der stad verleden, door Jan Roest Hermansz. dd. 28 Augustus 1454. ↑
13 Zie historie van het Bisdom Utrecht, uit het latijn door H. v. R. 2 deel bladz. 332.
Voorts merken wij ieder op, dat wij volstrekt niet achterhaald willen zijn, met de aanmerking, dat oudere stukken nog gewagen, van een H. Geest-, H. Kruis-, St. Anna-, Simon- en Judas-altaar enz. die zullen elders aanwezig zijn geweest,—en in zoover betrekking op deze plaats hebben, dat men aan de altaren hier eenige pacht of iets dergelijks moest daarvan opbrengen. De door ons genoemden worden duidelijk als hier geweest zijnde, genoemd.—De aanwezigheid van een St. Anna altaar wordt echter nog het minst door ons ontkend. ↑
14 Toen de Zaligmaker door Johannes in de Jordaan werd gedoopt, vertoonde zich de H. Geest in de gedaante eener duif, en men hoorde eene stem uit den hemel: dit is mijn welbeminde zoon, in wien ik mijn welbehagen genomen heb. ↑
15 Naar men verneemt, is dit merkwaardig doopvont nu in bewaring van den president-kerkvoogd.
Een arbeider, tegenwoordig, bij de door ons gedane bezigtiging, was zoo vriendelijk eenige afmetingen voor mij te doen,—hij kon echter, door ons niet bewogen worden, dit in Nederlandsche maat te doen, zeggende, dat „een oudheid ook met oude maat gemeten moest worden.”—Zie hier dan de uitkomst zijner meting, »33 Amst. duimen lengte, over ’t kruis; 26 dito, lengte der waterholte; 8½ duim diepte bij den rand der holte en 14 duim in het midden.” ↑
16 De H. Linie door Alberdingk Thijm. ↑
17 De uitleggingen van I H S zijn te menigvuldig om hier ter neder te schrijven—MARIA JOSEPH is duidelijk zoo ook A (anno) dni (domini) 1503. Het aanzien en den aart dezer schildering, is in den trant, van die in de kerk te Naarden, dat door sommigen voor waterverw schildering gehouden wordt. Met innige spijt, vermelden wij, dat naar men verneemt, dit grijze gedenkteeken verbroken is. ↑
18 Indien wij na deze beschrijving echter nagaan, dat de gewelven, der tegenwoordige consistorie en catachiseerkamer nog gothisch zijn, hoewel overkalkt, dan durven wij vrij zeker bepalen, dat men, na voorzigtige verwijdering der kalk, nog zoodanige gewelfschildering zal aantreffen, door oudheidkundigen en geschiedminnaars in den laatsten tijd zoo lofwaardig nagespoord en gecopieerd. ↑
19 De mannen besloegen in de kerk de zuid- en de vrouwen de noordzijde, daarom welligt ook de zuidelijke en noordelijke ingangen. ↑
20 Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche oudheden. ↑
21 Zie Collectio Monument Foed Belg bladz. 306. ↑
22 Die thans door den beitel des steenhouwers zeer onkenbaar is geworden. ↑
23 Van dit grafschrift door den heer KINSCHOT bladz. 35 beschreven is thans eveneens slechts een gedeelte, door het verwoesten der zerk in 1857–1858 te zien, en wel in de voorkerk. ↑
24 Zie VAN KINSCHOT enz. bladz. 36. Wij hebben de zerk echter niet meer kunnen aantreffen. ↑
25 Ook van dezen steen bij VAN KINSCHOT vermeldt, is geen spoor meer aan te treffen. ↑
26 Hier valt de gordijn, de arbeiders hadden reeds eenigen tijd hierop gebeukt eer men gewaar werd, dat deze steen zich daar onder bevond en was alzoo grootendeels beschadigd. ↑
28 Men heeft echter meerdere uitmuntende klokkengieters gehad, die Both heeten. Zoo treffen wij in het carillon b. v. een klok aan, waarvan het omschrift is, Gerardus Both me fecit soli deo gloria 1601, en een andere wier opschrift aldus luidt: Gerardus Both me fecit soli Deo gloria 1711.
Zie over hen, Levens van beroemde Nederlanders, enz. ↑
29 Beschrijving van Oudewater, bladz. 31. ↑
30 Ook eene aanteekening van een oudheidminnend vriend luidde: De kerk te Oudewater, aan St. Michiel toegewijd, dagteekent van Anno 1003. ↑
32 Resol. van Holland, 12 Sept. 1647, bladz. 230. ↑
33 Resol. van Holland, 15 Augustus 1721, bladz. 612. ↑
34 Omstreeks 1750 was alhier schoolmeester en voorzanger, de Heer Simon Jan Verwei, zooals een brief van hem getuigt, waarvan wij om de pedante en bespottelijke toon die daarin heerscht, niet kunnen nalaten, onzen lezers copie mede te deelen.
Copie van een brief, gezonden door Simon Jan Verwei, schoolmeester te Oudewater, solliciterende naar het vacante Voorzangers- en kosters-ambt, van Zalt-Bommel.
„Zonder roem, maar naar waarheid dient deze tot informatie, dat onze familie bestaat in man, vrouw en zoon. Wij zijn ruim 40 jaren. De zoon, de kracht onzer lendenen, in de fleur zijner jaren, de staf onzer bejaarde dagen, 20 jaren, een meester glazenmaker en verwer, meestetijd mijn ondermeester, een jongeling onzer gelijkenis en wel geformeerd van leden. Soo UEd. Achtb. begeert een wel gedresseerd schoolmr. en voorzanger, Godt geve UEd. Achtb. verstand en voorzigtigheid, in de ellectie van soodanig een man of persoon, verzekerd UEd. Achtb. aangaande mijne wetenschappen, bestaande in deze navolgende: namelijk Italiaanschen scheepsboekhouden, wijnroeijen, konst der stuurlieden, landmeten, sonder roem, doch het is Gods gave—extra ordinair singen, als het Godt belieft, indien UEd. Achtb. begeerig zijt zulks te zien of te hooren tot verwondering en verbaastheid, dat soo een teeder ligchaam in lesen en singen, soodanich een geluid kan maken. Ik ben op mijn vierde verandering van domicilium, alle figuren op het konstigst, door ovaal ronduit met de passer te haalen, alle sonnewijsers te smeere, Italiaansche en Romeinsche letters, tot vijftig diverse banden te schrijven en te vergulden en diergelijke capaciteiten meer, ook in de vlugheid der pennen niemand, terwijl de roem buitengeslooten. Ben verzekerd, dat UEd. Achtb. nog beter zullen vinden, als ik het hier met de pennen geexprimeerd, wanneer gij mij gelieft te zien, hebben UEd. mij maar op UEd. Achtb. kosten te commanderen of door iemand te laten haalen, de distantie tusschen beide is omtrent 9 of 10 uren, mijne huisvrouw is de allerbekwaamste in haar huishouden, en in het assisteren in mijn school, van de hoofdschedel tot de voetzolen toe, ben ik een schoolmeester. Wijn nog sterkendrank wordt nooit van mij gebruikt. Sijt nog voor ’t laatste versekerd, UEd. Achtb. sullen het nog beter vinden aangaande mijn comportement zal vertoont worden, door ecclesiastike en politieke ondertekeninge. Sal mij hierop mij verlaten.—Per naaste occasie verwacht ik antwoord van te komen of niet, soo UEd. Achtb. mij niet op soodanich conditie geliefd te hooren ofte sien, geliefd dan maar de goedheid te hebben van mijn papieren terug te senden, dan hope, dat God UEd. Achtb. wil geven eendragtigheid en liefde in de ellectie van een goed eerlijk en bekwaam man, de Heere zegene UEd. Achtb. en de Heer Burgemeester der gemeente, na het electeren van een ander persoon voor het vacerende ampt van een schoolmeester en voorsanger.—So blijve na hartelijke salutatie van onderdanige dienst aan UEd. Achtb. met de broeders der gemeente tot Zalt-Bommel.
Achtb. Heeren,
Votre très humble Serviteur
SIMON JAN VERWEI.”
Medegedeeld in „de Navorscher” 1856, bladz. 302, door Prins. ↑
35 Vide Bisdom van Utrecht uit het Latijn door H. V. R(yn) II. D. bladz. 333–334. ↑
37 Ib. I. D. bladz. 216–218. ↑
38 H. V. R(IJN) maakt in zijn bisdom Utrecht van dezen pastoor op bladz. 339 aldus gewag.
Onder de oude pastoors dier plaats moet nog gerekend worden Loeffridus van der Haer, van wien in het doodboek van Mariendale van Utrecht, het volgende staat aangeteekend: Op den 30 Maart is overleden de godvruchtige en eersame Loeffridus van der Haar, kanunnik van St. Mariaas-kerk, pastoor van Oudewater. Het jaartal staat er echter niet bij, zooals dit doorgaans op de doodregisters niet staat uitgedrukt, de dag alleen werd aangeduid om den tijd te weten waarop de jaargetijden moesten gehouden worden; zoo ook hier.
Vide Matth. de fatis eccles bladz. 44. ↑
39 Zie doodreg. van de herv. kerk. ↑
40 Welligt waren deze 3 laatsten geene geestelijken; doch slechts getijdemeesters. ↑
41 P. C. HOOFT, Nederl. Gesch. D. I. b. 10 fol. 433. ↑
42 HOOFT’S, Nederl. Gesch. fol. 30. ↑
43 Alhoewel het ook mogelijk is, dat de Hervormden, die nog voorloopig daar bewaarden. ↑
44 Hier is dus een tijdvak van 1575–1578, dat wij geen predikant aantreffen, het bezetten en verminken der plaats door de Spanjaarden is daarvan eene der redenen. ↑
45 Heeft zijn intrêe-predicatie gedaan 17 Dec. 1741 en is vertrokken naar Zutphen den 19 April 1744. ↑
46 Men had de kerk immers kunnen restaureren naar de originele orde zooals b. v. van Utrecht de domkerk? doch hoe het zij, er is nog eene schets van haren staat in 1856, eere dus den vervaardiger! Mijn geachte kunst- en historie minnende vriend den heer E. C. Rahms alhier, heeft voor de reconstructie in 1857 en 1858, de gedaante der kerk door een schoone afteekening gered.—Reeds meer heeft hij zich door het vervaardigen van dusdanige schetsen loffelijk gekweten.— ↑
47 Meestal was het eene vrouw, die de roomschen ging verwittigen van de komst eens geestelijke. In dien tijd had men aan de woonhuizen zelden of in het geheel geen bellen, doch ijzeren kloppers, zooals die nog hier en daar in deze plaats te vinden zijn, zij moesten dus geklopt worden, en van daar waarom men die vrouwen klopjes noemde. ↑
48 Ten minste zeker is het, dat in 1626 men zich om het genoemde doel daar nog vereenigde. ↑
49 Vide, Kerkelijke Courant, No. 76, Jaargang, 1858, waar men nog meerdere bijzonderheden omtrent Tyras aantreft. ↑
50 Bisdom Utrecht, door H. v. R., bladz. 334, 2 deel. ↑
51 Opmerkingswaardig deed zich het verschijnsel op, dat de eene kerk door de burgers gebruikt werd, en in de andere zich de buitenmenschen vereenigden, daarom noemde men deze kerken de Heeren- en de Boerenkerk. ↑
52 Houtman stierf alhier den 20 Februarij 1683. (Zie doodreg.) ↑
53 Overgow was in Delfland geboren en de eerste der Hollandsche theologanten die te Rome in het Collegie van Urbanus gestudeerd heeft. Zie Bisdom Utrecht, bladz. 335. 2 deel. ↑
54 Zekere pater van Ingen is in deze tijden meermalen geruimen tijd als kapelaan-noodhulp hier geweest. ↑
55 De pastoors Theodorus van Hagenouwe, Godefridus Spruyt en Franciscus Johannes Guddee hebben ook de gemeente in het naburig Polsbroek bediend.
Deze gemeente bestaat nu sedert 1842 daar niet meer en de kerk is later tot ander doeleinde ingerigt. ↑
56 Dit huis is genommerd No. 457. ↑
59 Beschrijving der stad Schoonhoven door H. van Berkum bladz. 418 en volg. (Anno 1762.) ↑
60 Ook in de oudheden van Rijnland uit het Latijn, door H. v H. bladz. 457 worden deze zusters, als oorspronkelijk uit Sinte Agnes convent te Schoonhoven genoemd. ↑
61 Hier moeten wij echter indachtig maken op eene, onzes inziens, verkeerde opvatting, die wij meermalen aantroffen, en ook door H. v H. in zijn Rijnlandsche oudheden op bladz. 412 gedeeld wordt; er staat daar nl, dat deze nonnen eerst tusschen Schoonhoven en Oudewater gewoond hadden; doch zoo als wij reeds schreven, om de oorlogen, die het platteland onveilig maakten naar Oudewater weken. Hij wederspreekt hier dus letterlijk, hetgeen hij uit een origineel stuk op bladz. 457 zegt, dat zij uit Schoonhoven zelve kwamen zoo als ook van Berkum op bladz. 418 en 419 schrijft. Daarbij komt nog, dat voor zoover mij bekend is, er nooit een vrouwenklooster tusschen deze twee steden ooit geweest zij.
Volgens veler en ook onze meening, schijnt de zaak ons eenvoudig aldus toe, zooals wij reeds hiervoren in den tekst schreven, dat zij uit Schoonhoven gingen, aangezien het platteland om genoemde reden, tusschen die twee plaatsen onveilig was. De verkeerde opvatting en plaatsing van het woord tusschen, zou alzoo de reden van de genoemde dwaling zijn. ↑
62 Deze straat het heilig leven die nog haren naam aldus draagt, zal naar onze meening, wel naar deze nonnen genoemd zijn. ↑
63 Het tegenwoordig zoogenaamd kerkje—waarover later. ↑
64 Wij zien hieruit, dat de „stede muer” of vesting muur in deze tijden reeds op bijna, of geheel op dezelfde hoogte was, als de tegenwoordige vesting wal, zelfs houden wij het er voor, uit dezen brief op te maken, dat zij nog meer dan de wal stadbinnenwaarts lag—Alzoo weder een bewijs, dat het markveld geen marktveld was—men vergelijke hierover bladz. 160–163 hiervoren. ↑
65 Wie zegt mij de beteekenis van dit woord? ↑
66 Deze zijl en dit watertje bestaan nog, en nog dagelijks ziet men er de eb en vloed even als toen. De afdammingsluis bij Haastrecht, eerlang gebruikt zullende worden, zal ook hier de eb en vloed echter niet meer toelaten.
Wat de „scone put” betreft, deze werd nog in 1827 ontdekt bij het vergrooten der stads school, als wanneer men tevens bevond, dat zij nog zeer zuiver water bevattede. ↑
67 Welligt Bartholomeus Janse, die wij hiervoren onder de pastoors der kerk noemden in 1403. ↑
68 Onder reventer, moet men eetzaal verstaan. ↑
69 Zie Batavia Sacra D. II. bladz. 265 en Beschrijving van Oudewater door G. R. van Kinschot bladz. 58. ↑
70 Vaderlandsche historie door Wagenaar bladz. 492–498. ↑
71 Instrument-Public. apud Matth. Anal. tom. V. 403. ↑
73 Zie Batavia Sacra, (8vo editie) 2de deel. ↑
74 Bulla Martini V in Matthaei Anal. tom. V. 421. en Decret. Vide in Matthaei Anal. tom. V. 423. ↑
75 Script. Rud. Dien de mudes in Ger. Dumbar. Anal. tom. I. bladz. 71–75 Magnum chron. Belg. bladz. 370 en 371. ↑
76 Chron. de Traject 433–440 Zued. de Culumb. en Orig. bladz. 630. ↑
77 Act. Ultraject ubi supra bladz. 449. ↑
78 Dordrecht door Beverw. bladz. 314. Balen bladz. 774. ↑
79 Monstulet vol. II. 34 vers. ↑
80 Beschrijving van Schoonhoven, door H. van Berkum bladz. 419. ↑
82 Oudheden van Rijnland bladz. 412–419. ↑
84 In de bevestigings of verdragsbrief van den pastoor van Oegstgeest waarvan wij zoo even in den tekst melding maakten, was de bevestiging van Zwederus gestoken en een zinsnede uit den laatsten luidt aldus: »maar nadat gijl. op het gemeld stuk lands, te weten Marienpoel van een bequaame woonplaats verzorgt zult wezen, en gijl. uw verblijf aldaar genomen zult hebben, dan zult gijl. van dien tijd de voorrechten die gijl. te Oudewater genoten hebt, niet langer mogen gebruiken.” ↑
85 Zie denzelve in de Oudheden van Rijnland bladz. 413–419. ↑
86 Met gerustheid echter mogen wij vooronderstellen, dat de zusters niet alles aan den Heer van Zwieten verpligt waren. Wie toch zal in omstandigheden als waarin de vlugtende nonnen verkeerden, niet de gereede voorwerpen van waarde bij zich nemen. Wij mogen dit ook alzoo van deze conventualen aannemen—Nog meer. Hertog Philips magtigde zelfs een zekere Jacob Boudewijns om al het vee, have enz., dat zij achter gelaten hadden naar Leiden te mogen vervoeren. Ook deze magtiging zullen wij hier laten volgen.
„Philips &c. Doen cont allen luden, dat wy omme Goidts wille, ende om oitmoedich vervolg der besloten Nonnen van Oudewater, die mit alle hore woonstadt ende have gecomen syn tot Leyden om aldair te woonen, ende te blyven, den selven geconsenteert hebben, ende willen dat sy alle hoir beesten, have ende goide die sy t’Oudewater of ter Goude of dair ommetrent hebben sullen doen halen bij Jacob Boudynssoon. Toenre des Briefs ende bringen tot Leyden tot behoef ende nutschap der Nonnen voirschreve, ombieden dairomme allen onsen Ambtluden, Rechteren, Dieneren ende goede luden binnen Steden ende dair buten, ende namelick onsen Capiteynen ende Hooftmannen van onsen Soudenaeren ende Luden van Wapenen mit sonderlinge Ernste, dat sy onsen geminden in Gode den voirschreven Nonnen deser onser gonste ende gratie vrylic laten genieten ende den voirnoemden Jacob mit horen vye ende goeden rustelick, vredelick ende ongehindert trecken, ende comen laten op deser tyt om die te Leyden te brengen in der maten voirsz. ende des niet en laten alsoo lieve als wy hem syn, want wyt alsoo gedaan willen hebben.” ↑
87 Oudheden van Rijnland bladz. 410–463. ↑
88 De bijzonderheden daarop volgende zijn ons bekend—zij luiden daar aldus »deze voerz. susteren worden verdreven van Diephout, om Bisschop Sweers willen, die te Utrecht bisschop ghekoren was ende van Diephout wt verdreven wort.” ↑
92 Apud Matthaeum ad Rer. Amorfort, bladz. 283 en bij Burman, Utrechtsche Jaarb. I D., bladz. 401. ↑
93 »De scheuring in het Bisdom van Utrecht, duurde nog eenigen tijd, doch Rudolf vervolgde zijne zaak zoo ernstig aan het Roomsche Hof, inzonderheid na den dood van Martinus, dat hij, door Eugenius den IV, in het Bisdom bevestigd werd en zij die in den geestelijken ban waren, ontslagen werden. Zweder beriep zich ook op de kerkvergadering, die toen te Bazel werd gehouden. Hij trok zelf in persoon herwaarts, en werd aldaar bevorderd tot Bisschop van Caesarea.”—Hij overleed te Bazel in 1439. Zweder wordt alzoo in de rei der Bisschoppen van Utrecht de 52ste en Rudolf de 53ste genoemd. Zie in Batavia sacra uitvoerig hun leven (in de 8vo editie II. D. van 412–464). ↑
94 Op het gemeente archief zijn aanwezig de volgende stukken, waarin men den staat der bezittingen enz., van dit convent kan nagaan.
1. Register van boekhouding en aanteekeningen van de landerijen, erfpachten, en renten van het oude convent van Oudewater van 1538–1559.
2. Rekeningen van het St. Ursula convent over 1578, 1579, 1667, 1668, 1669, 1671 tot en met 1674 en meerdere stukken tot het convent behoorende.
3. Acte van transport der bezittingen van het St. Ursula convent, door de conventualen ten behoeve der stad, tegen genot van jaarlijksch pensioen dd. 10 Junij 1582.
4. Staat der eigendommen van het convent en de revenuen daarvan 11 Januarij 1582.
5. Eerste rekening van den rentmeester van het St. Ursula-convent over de jaren 1582 en voorts die over de jaren 1583, 1589 en 1599.
6. Acte relatief de alimentatie, geteekend (eigenlijk gemerkt) door al de conventualen ter eenre en den rentmeester JAN JACOBSE COPPERT ter andere zijde, dd. 25 Augustus 1584 benevens de naamlijst en ouderdom der kloosterlingen in 1582.
7. Stukken van verhuringen der landerijen behoorende tot het St. Ursula-convent en de respective Godshuizen der stadt ingegaan Petri 1680, 1685 en 1690 tot 1695. ↑
95 G. R. van Kinschot, Beschrijving van Oudewater bladz. 58 en 59. ↑
96 Oudheden Bisdom van Utrecht bladz. 335 en 336. ↑
97 Zie resol. van den magistraat van Oudewater 27 November 1602. ↑
98 Volgens mededeeling van een oude vrouw, die dit weder van een zeer bejaard persoon in hare jeugd vernomen had, was dit huis nog volgens geheugenis van den laatsten, eertijds met een zeer groot getal kleine kamers voorzien geweest, waarbij hij de gevolgtrekking gemaakt had, en zeer juist dat dit gebouw tot gevangenis gediend had. De goede oude dacht echter zeker niet, dat de cellezusteren, dit aantal kamertjes eertijds als hare cellen zullen bewoond hebben. ↑
99 Deze begrafenis vereeniging doelt echter tot dusver alleen op de dooden uit de rooms catholijke gemeente alhier. ↑
100 G. R. van Kinschots beschrijving bladz. 59 en 274. ↑
101 Zie deze keure omtrent het »dagvaarden over de Stads- en der Godshuizen Schulden,” in zijn geheel bij van Kinschot, Beschrijving enz. Cap. 97, bladz. 553. ↑
102 Bisdom van Utrecht, I D, bladz. 346. ↑
103 Ibid. I. D. bladz. 705 en 706. ↑
104 Resolutien van de regering dezer stad. ↑
105 Keure der stede van Oudewater Artic. VI. en XIV. ↑
106 Ibid Artic. VII, XV. en XVI.
Wij mogen den lezer nu reeds niet onbekend laten, dat al hetgeen in den tekst omtrent de Weesvaders geschreven is, insgelijks betrekking had en toegepast werd, op de kerkmeesters, gasthuismeesters en heilige geestmeesters.
Zie ook Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT, bladz. 92–95. ↑
107 Onder deze „gewigtige zaken,” moet men zeker begrijpen, wanneer Burgemeesters en Schepenen, door omstandigheden verhinderd waren, de noodige authorisatie te geven, en er spoed vereischt werd. Wij mogen wel niet vooronderstellen, dat de vroedschappen in „gewigtige zaken” meer magt hadden, om als zoodanig te autoriseren, dan Burgemeesters en Schepenen. ↑
108 Er is in den laatsten tijd eenig verschil gerezen, tusschen den gemeenteraad van Oudewater ter eenre en bestuurderen van het Weeshuis ter andere zijde, omtrent het bezit en den eigendom van voornoemd gesticht. Dientengevolge is eene Commissie benoemd om in onderzoek te treden, of er van dit gebouw nog eigendomsbewijzen, of stukken waaruit de eigendom voldoende blijkt, aanwezig zijn. De uitslag van dit onderzoek is nog niet bekend, en de questie nog steeds aanhangig. ↑
109 Beschrijving, door VAN KINSCHOT bladz. 55. ↑
110 Beschrijving van Oudewater bladz. 55. ↑
111 In 1731, bekwamen Burgemeesters en Regeerders van Oudewater octrooi om al de genen, die tot Vroedschap, Kerkmeesters, Gasthuismeesters, heilige Geestmeesters, Weesvaders, en Boekhouders verkozen werden, en weigerden, die bedieningen waar te nemen, te mogen beslaan in eene boete van 100 Gulden ten profijte der stad, en die boete, te mogen invorderen bij parate en reële executie. (Zie dit octrooi in van Kinschots beschrijving blz. 491–495). ↑
112 Zie dit octrooi in van Kinschots beschrijving van Oudewater bladz. 432 en 433. ↑
113 Bij den verkoop der brug werd de bepaling gemaakt, dat de kooper derzelve, de gemaakte openingen zoude dempen, en een houten brug tot gemeenschap in de grachten zoude daarstellen, zoo als zich dan ook nu een en ander vertoont. ↑
114 Eerst in onzen tijd begint de oude vede tusschen die van Oudewater, en Montfoort of Stichtsen te bedaren en in loffelijke vergetelheid te geraken, eeuwen achtereen gingen echter voorbij in nijd en onderlingen twist. Wij zoeken de reden hiervan, in de menigvuldige oorlogen tusschen Holland en Utrecht waarin de poorters van Oudewater en Montfoort, vooral in Ao. 1420 onderling hevig hebben gevochten; doch hierover later. ↑
115 Hiervan bestaan, gelijk wij uit een zekere bron weten nog teekeningen. ↑
116 De wapens der voornoemde steden, die zich aan de poort vertoonden, werden door den kooper in dezelfde orde, als waarin zij gemetseld geweest waren, aangebragt in een blokje woonhuizen, gelegen in de straat genaamd het Klooster. In later tijden, zou het groote verwondering kunnen baren, deze daarin aan te treffen. ↑
117 Door H. VAN VIANDEN, 38. Bisschop van Utrecht. Zie Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT bladz. 4. ↑
118 Het zal wel geen betoog behoeven, dat er reeds vóór den tijd, dat deze poorten gebouwd werden, geheel of ten naastenbij op dezelfde plaats reeds poorten van denzelfden naam gestaan hebben. Zoo vinden wij in „die ordinan van den hoemanschap upten stede muyre binnen Oudewater gemaeckt in den jare XVc XLIJ up sinte Maria Magdalene dagh”, die zich ter secretarie bevindt, melding gemaakt van de
Het is natuurlijk, dat de eerste poorten in ouderdom opklimmen tot de eerste ommuring der stad, waarmede men in 1321 nog bezig was of beginnen moest. (Zie de ordonnantie van Graaf Willem aan den Bisschop van Suden om aan die van Oudewater te betalen „de twee hondert pont suarter tornoys die wi hem gegeven hebben” om de stad te bemuren, bij van KINSCHOT bladz. 269.) ↑
119 Reeds eenige jaren vóór deze poorten geamoveerd werden, was het reeds in den gemeenteraad besloten, de poortklok niet meer te luiden, en geen poortgeld meer te heffen. Ook hiervoor behoefden zij dus niet meer te blijven. ↑
120 De nevensliggende brug, wordt in oude bescheiden dikwijls Remijnsbrug geheeten. Zie Dr. Römer Utrechtsche Volksalmanak 1859 bladz. 44. ↑
122 Het originele stuk, bevindt zich met meerdere omschrijving ter secretare dezer gemeente. ↑
123 Zie vooral Dr. Römer in voorn. alm. bladz. 38–45. ↑
124 Zoo als de andere torens in de vestingmuur heette ook deze toren, en omtrent den ouderdom van de Romeintoren, zou dus hetzelfde van toepassing zijn, hetgeen wij in de noot op bladz. 269 van den ouderdom der eerste poorten schreven. ↑
125 Aan de officieren der Graaflijkheid, was het opzigt in de beheering van dezen toevertrouwd en aanbevolen—KINSCHOT, bladz. 50. ↑
126 Onze meening, dat het gebouw onzer beschrijving een drieledig doel 1. ter verdediging (van boven op het plat) 2. tot wachtplaats, hoofdwacht? (in het middengedeelte) en ten derde tot gevangenis (in het benedengedeelte of den kelder) gehad heeft, werd vooral in het tweede of meest twijfelachtige gedeelte dezer bewering bevestigd, doordien men aan de zuidzijde van dezen toren bij het amoveren, een schoorsteen vond, deze schoorsteen, was later met een minder groot soort van steenen digtgemetseld, zeker wel omdat men toen ook dit gedeelte voor gevangenis heeft ingerigt, en de hoofdwacht naar de kortbij gelegen IJsselpoort werd overgebragt. Zie hiervoren bl. 265. ↑
127 Zie Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT bladz. 23. ↑
128 Chartr. Chronijk 2. boek, bladz. 138. S. van Leeuwen, Batavia Illustrata bladz. 1304. ↑
129 Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT. ↑
130 Welligt, komen wij later op deze ruïne in afzonderlijke brochure of bijdrage terug. ↑
131 Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT bladz. 27. ↑
132 Hier moeten wij op het meesterstuk van den Utrechtschen schilder Stoop, voorstellende den moord door de Spanjaarden in 1575 een kleine aanmerking maken, daar het kasteel dat eerst in 1585 werd verbroken er niet op voorkomt en zulks er toch op behoorde aangeduid te zijn.
Tegenover bladz. 28 geeft VAN KINSCHOT een gezigt op het kasteel in Ao. 1555. ↑
133 In het tooneel der Vereenigde Nederlanden 2. deel bladz. 133 en Cronijk van Holland door W. VAN GORTHOEVEN bladz. 91. ↑
134 Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT bladz. 76. ↑
135 Tooneel der Vereenigde Nederlanden t. a. p. ↑
136 Zie over dit kasteleinschap, ook van Kinschot bladz. 25. ↑
138 VAN KINSCHOT’s beschrijving bladz. 51. ↑
139 VAN KINSCHOT t. a. p. bladz. 56, 57. ↑
140 „In de 13de eeuw hadden zich eenige kooplieden, uit Italie op Franschen, Engelschen en Nederlandschen bodem nedergezet, onder deksel van aldaar koophandel te drijven, doch meest met oogmerk, om aan behoeftigen geld te leenen, of, op onroerende en voornamelijk op roerende goederen geld te schieten, tegen hooge interest. Zij dragen in schriften van den tijd, den naam van cawarsini, of coarsini,” die de geslachtsnaam van de eersten of voornaamsten schijnt geweest te zijn. In het jaar 1260, werden zij, om hun overdadig woekeren, uit Braband verdreven (Miraei Op. dipl. Tom. 1. bladz. 207) doch het leed niet vele jaren, of zij kwamen weêrom, en men had hen in de Nederlanden en bijzonderlijk in Holland, zóó noodig, dat zij, zoo lang zij het niet al te grof maakten met woekeren, in verscheidene steden zich mogten vestigen en gedoogd werden. In de 14 en 15de eeuwen, werden zij gemeenlijk Lombarden of Lombaarden genaamd, omdat de meesten of eersten, uit Lombardije herwaarts gekomen waren. Te Schiedam bewoonden zij in 1327 een steenen buis, (Wilhelm Procurat. ad annum 1327 in Matthaei Anal. tom II. bladz. 663) dat te dien tijde en daar ter stede, iets ongemeens was. Uit een handvest van Delft van den jare 1342, blijkt, dat zij in die stad toen reeds eenigen tijd, hun verblijf gehad hebben in een huis, dat de Camerette, of ook wel der Lombardenhuis genaamd werd (Delft door Bleiswijck bladz. 606). Te Oudewater onthielden zich twee Lombaarden, in den aanvang der 15 eeuw, gelijk klaarlijk blijkt, uit eenen brief van den 1sten April, Anno 1412 (1413) zie Mieris Chartre boek IV Deel bladz. 230) en ’t is zeer te vermoeden, dat zij ten dezen tijde ook reeds in Amsterdam geweest zullen zijn, schoon mij niet bekend is, dat er in oude schriften of stukken eenig gewag van gevonden wordt voor het jaar 1477.” (Getrokken uit de beschrijving van Amsterdam door J. WAGENAAR 7de stuk bladz. 111–112.) ↑
141 VAN KINSCHOT t. a. p. bladz. 269. ↑
142 Resol. van Holland 17 November 1578. ↑
144 (Was geregistreerd in ’t Brasielsche Reg. van 1540 tot 1555 ter Graeflijkheids Rekenkamer, fol. 120 vso.) Zie beschrijving van Oudewater, door van Kinschot, bladz. 150 en 151. ↑
145 Volksletterkunde, Geschiedkundige schets van het bijgeloof, inzonderheid in Nederland, bladz. 1–2. te Amsterdam bij E. S. Witkamp 1856. ↑
147 Zie het opstel over deze onze Waag alhier, van Ds. Kits van Heijningen, in het Tijdschrift: Lectuur voor de huiskamer, Jaargang 1856, bladz. 300, doch in de hiervoren aangehaalde schets over het bijgeloof zouden deze 1500 menschen, alleen in deze twee kleine bisdommen, in één jaar hun leven hebben moeten geven. (Zie IV, bladz. 4.) ↑
148 Zie meergemelde Geschiedkundige schets van het bijgeloof, III, bladz. 4 en 5. ↑
149 Zie meergemelde schets over het bijgeloof, IV, bladz. 1. ↑
152 Zie dit stuk op bladz. 291 en 292 hiervoren. ↑
153 Lectuur voor de huiskamer, jaarg. 1855, bladz. 302, 2de kolom, in zijn z. eerws. bijdrage over deze waag. ↑
154 Deze naamlijst en deze acten, nemen wij letterlijk over uit de beschrijving der stad Oudewater, door G. R. van Kinschot, Ao. 1746. ↑
155 No. In dit jaar zyn drie verscheide Persoonen gewoogen, blykende hier na by de Certificatie No. I, waer van de Naamen door het vermis der Boeken niet kunnen gemeld werden. ↑
156 Dit is de laatste geweest, hoewel Scheltema zegt, dat nog in 1778 zulks alhier heeft plaats gehad.
Balthazar Bekker, maakt in zijn Betooverde wereld (te Amsterdam in 1691 in het licht verschenen 4o) veel gewag van deze waag. Zijne bijzonderheden van het I boek zijn ons echter bekend, doch in het IVde boek: Geregtelijke informatiën, genomen over tooverpligtigen tot Harlingen en elders vinden wij in Hoofdst. XXXI § 4, pag. 263 het volgende aangeteekend, dat wij zelfs niet bij van Kinschot aantreffen.
»Drie buitenlandsche soldaten, Barend Gerritz, van Neder-Elten, Jan Huijsman, van Kranenburg, beide in het land van Kleef en Jan Kerkhof Reklinghuisen in het Keulsche in de beruchte zaak betrokken van Tryn Hendricks, van tooverij beschuldigd, lieten zich nog in den jare 1668 te Oudewater wegen.”
Volgens Koeningswater, Etudes historiques sur la developpement de la société humaine, Paris 1850 pag. 186. werden nog in den jare 1728 der tien personen, van tooverij verdacht, te Szegenden in Hongarije bij regterlijk vonnis tot deze proef verwezen. Men zie verder over deze waag Bijdragen tot het oude strafregt in België enz. Brussel 1829, pag. 142. ↑
157 Het Troys, of Trojaansch Gewicht is dat van Doornik, en des Zwaar Gewicht; ’t gene Vyf ten Honderd Zwaarder weegt dan het gemeene; en thans onder den naam van Amsterdamsch Gewicht bekend is. ↑
158 Sedert Ao. 1800 tot den jare 1825 werden er jaarlijksch circa 1,500,000 nederl. ponden kaas op dezelve gewogen. ↑
159 Z. K. H. de Prins van Oranje met HDs. goeverneur Jhr. de Casembroot bij HDs. reize door Nederland, voor eenige jaren ook Oudewater bezoekende, was het HDs. verlangen, ter gedachtenis aan deze waag, daarop gewogen te worden. ↑
160 (Anno 1746). Zie zijne meergenoemde beschrijving, bladz. 28, 29 en 30. ↑
161 Door de vernietiging van de staatsregeling tot 23 April 1798, ook de daarbij bepaalde departementale verdeeling vervallen zijnde, behoort Oudewater als voren onder het departement Holland. ↑
162 Aan de zoldering van dit locaal bevinden zich nog in opgezetten staat, een bruinvisch en een zeevarken, beide gevangen in de stads haven bij hoogen watervloed, de laatste in het jaar 1721: eene bijzonderheid, die wel der aandacht waardig is, en vermeld mag worden, indien men daarbij in aanmerking neemt, hoe ver Oudewater van af de zee landwaarts ligt. ↑
163 Wij hebben hiervoren reeds melding gemaakt, dat de Heer Rahms, onze Stadgenoot, door het maken van een aantal schetsen in en om Oudewater vele gebouwen, die sedert geamoveerd zijn, der vergetelheid heeft ontrukt.—Deze zelfde kunstminnaar, heeft het dit jaar durven ondernemen, dit Schilderstuk van Stoop te copiëren en op steen te brengen op eene grootte van 68 Ned. d. lengte bij 40 dm. breedte zonder wit. De zeer conscientieuse copij en de keurige uitvoering op steen, doen genoemden Heer veel eer aan, terwijl de geringe prijs (3 Gulden) geen beletsel is, dat velen zich de plaat aanschaffen, die eenigen prijs stellen op de voorvallen in het veel bewogen tijdvak onzer geschiedenis: den bloedigen tachtig jarigen oorlog. ↑